Ivan De Cnuydt
BEDRIJFSECONOMIE EEN INLEIDING Met bijdrage van An-Katrien Vroman en Kim Jonckheere.
5
Inhoud
WOORD VOORAF
13
0
INLEIDING
15
I
KOSTEN- EN OPBRENGSTBEREKENING TER ONDERSTEUNING VAN BESLISSINGEN
19
1
Kostenbegrippen
21
1.1 1.2
22
1.4
Het begrip kosten De doeleinden van de kostenberekening 1.2.1 Planning op lange termijn 1.2.2 Planning op korte termijn De standaardkostprijsberekening 1.3.1 Bepaling van de standaardkostprijs 1.3.2 Belang van de standaardkostprijs Kostenindelingen
2
De kostensoorten
27
2.1 2.2 2.3
De kosten van grond- en hulpstoffen De arbeidskosten De kosten van de duurzame productiemiddelen 2.3.1 Algemeen
28
1.3
23 23 23 24 24 24 25
29 30 30
6
2.3.2 Afschrijvingssystemen
Fiscaal aanvaarde methoden
31 32
De lineaire afschrijvingsmethode
32
De degressieve afschrijvingsmethode
33
Fiscaal niet aanvaarde methoden
De afschrijving met een vast percentage van de boekwaarde
37 37
De afschrijving met meerdere afnemende percentages van het totaal af te schrijven bedrag (= AW - RW)
39
Meerdere afnemende percentages op basis van het kleinste rekenkundig gemiddelde
39
rekenkundig gemiddelde
40
Meerdere afnemende percentages op basis van het grootste De afschrijving met meerdere toenemende percentages van het totaal af te schrijven bedrag (= AW - RW)
42
Afschrijving met meerdere toenemende percentages van het totaal af te schrijven bedrag op basis van het kleinste rekenkundig gemiddelde
42
Afschrijving met meerdere toenemende percentages op het totaal af te schrijven bedrag op basis van het grootste rekenkundig gemiddelde
Afschrijvingen volgens de bedrijfsdrukte
Zuivere bedrijfsdrukte
Gemengde bedrijfsdrukte De afschrijving volgens de sinking-fund methode
2.4 2.5 2.6 2.7
43 44 44 45 46
De kosten van de grond De kosten van de diensten van derden De kosten van de belastingen De rentekosten
48
Vragen en opgaven
51
48 49 50
7
3
Constante en variabele kosten
53
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
De totale constante kosten De totale variabele kosten De totale kosten De gemiddelde en marginale kosten De semivariabele kosten (= gemengde kosten) Constante en variabele kosten en de standaardkostprijs
54
Vragen en opgaven
64
4
Directe en indirecte kosten
67
4.1 4.2 4.3
Het begrip directe en indirecte kosten Toewijzing van kosten in functie van tijd Verbijzonderingsmethoden 4.3.1 De delingscalculatie 4.3.2 De equivalentiecijfermethode 4.3.3 Opslagmethoden
68
Primitieve opslagmethode Verfijnde opslagmethode
55 57 58 60 61
69 70 70 71 73 74 78
4.3.4 De kostenplaatsen- of productiecentramethode 4.3.5 De activity-based costing (ABC)
80
Vragen en opgaven
91
5
Standaardkostprijs en kostenbeheersing
95
5.1 5.2 5.3 5.4
Functies bedrijfsbudget Diverse stappen bij het budgetteren Systemen van kostenbudgettering De verschillenanalyse 5.4.1 Verschillenanalyse m.b.t. de directe kosten 5.4.2 Verschillenanalyse m.b.t. de indirecte kosten
96
Vragen en opgaven
88
96 98 100 100 103 106
8
6
Direct costing en het verkoop- en productieplan
107
6.1 6.2 6.3
Standaardkostprijs en verkoopplan Direct costing De breakevenanalyse 6.3.1 Er is sprake van homogene fabricage 6.3.2 Er wordt uitgegaan van proportioneel variabele kosten 6.3.3 Er wordt uitgegaan van gelijkblijvende constante kosten 6.3.4 Er wordt uitgegaan van een gelijkblijvende prijs per eenheid Uitbesteding Commerciële economie; marktonderzoek Balanced Scorecard (BSC) 6.6.1 Het begrip Balanced Scorecard 6.6.2 De vier perspectieven van de BSC 6.6.3 Voor- en nadelen van de Balanced Scorecard
108
Vragen en opgaven
126
7
Investeringsvraagstukken
129
7.1
Investeringen 7.1.1 Wat is investeren? 7.1.2 Soorten investeringen en investeringsbehoeften
130
6.4 6.5 6.6
De vervangingsinvesteringen De uitbreidingsinvesteringen
7.2 7.3 7.4 7.5
109 112 115 117 118 119 120 120 121 121 122 124
130 130 130 130
De optimale vestigingsplaats De optimale bedrijfsgrootte of -capaciteit De optimale gebruiksduur = economische levensduur Rendement van de investeringen: selectiecriteria 7.5.1 De terugverdientijdmethode (= pay-back periode) 7.5.2 De gemiddelde rendementsmethode (= return on investment) 7.5.3 De methode voor de netto contante waarde (= net present value) 7.5.4 De methode van de interne rendementsgraad (= internal rate of return)
131
Vragen en opgaven
144
131 132 133 135 137 139 141
9
II
FINANCIERING
147
8
Analyse van de financiële structuur van een onderneming
149
8.1
De jaarrekening 8.1.1 Wie moet zijn jaarrekening publiceren? 8.1.2 Wie zijn de potentiële bestemmelingen van de jaarrekening? 8.1.3 Aan de informatie te stellen eisen Begrippen van dubbel boekhouden 8.2.1 De balans 8.2.2 De resultatenrekening Cashflowtabel 8.3.1 Wat zijn mogelijke cashbronnen in een onderneming?
150
8.2
8.3
8.4
150 152 154 155 155 161 164 165
Cashflow uit operationele activiteiten
167
Cashflow uit investeringsactiviteiten
167
Cashflow uit financieringsactiviteiten
167
8.3.2 Cashflow, verschillende benaderingen Ratio-analyse 8.4.1 De liquiditeit
168 170 173
Current en quick ratio
173
Het bedrijfskapitaal
175
8.4.2 De efficiëntieratio’s
177
De voorraadrotatie
177
Dagen klantenkrediet
179
Dagen leverancierskrediet
181
8.4.3 De rentabiliteit
184
Rentabiliteit van de omzet
184
Rentabiliteit van het eigen vermogen (= REV)
185
Rentabiliteit van het totale vermogen (= RTV)
188
8.4.4 De solvabiliteit
189
Solvabiliteit
189
Schuldgraad van een onderneming (= debt ratio)
190
Dekkingsratio van het vreemd vermogen door de cashflow
191
8.4.5 Toegevoegde waarde
192
10
9
De financiering van de activa 197
9.1
Financiering van vaste activa 9.1.1 Financiering met eigen vermogen
198
Winstinhoudingen
199
Intensivering van het gebruik van de afschrijvingsgelden
199
Externe financiering met eigen vermogen
201
9.1.2 Financiering met vreemd vermogen op lange termijn
9.2
198
202
Het investeringskrediet
202
De obligatielening
202
De hypothecaire lening
203
Financiële leasing (≠ huurkoop)
203
Financiering van vlottende activa 9.2.1 Financiering met eigen vermogen
204
Vorderingen op klanten
205
Voorraden
205
9.2.2 Financiering met vreemd vermogen op korte termijn
204
206
Het leverancierskrediet
206
Het kaskrediet
207
‘Straight loan’
208
Het discontokrediet
208
‘Factoring’ (= factorering)
209
10
De vermogensmarkt
211
10.1 10.2 10.3 10.4
De vermogensmarkt en de deelmarkten Het aanbod van vermogen De vraag naar vermogen De confrontatie van vraag naar en aanbod van vermogen op de vermogensmarkt
212 213 214 214
11
BIJLAGEN
215
Bijlage I
216
Verschil tussen enkelvoudige en samengestelde rente
216
Enkelvoudige rente Samengestelde rente
216 216
Bijlage II
218
Het micromodel jaarrekening: micro niet-beursgenoteerde vennootschappen
218
Bijlage III
223
Het verkort model jaarrekening: kleine niet-beursgenoteerde vennootschappen
223
Bijlage IV Het volledig model jaarrekening: alle andere vennootschappen (waaronder kleine beursgenoteerde ondernemingen)
228
Oplossingen De kostensoorten Constante en variabele kosten Directe en indirecte kosten Directe en indirecte kosten Direct costing en het verkoop- en productieplan Investeringsvraagstukken Analyse van de financiële structuur van een onderneming
235
Lijst van afkortingen
238
Lijst van symbolen
239
Lijst van figuren
240
Lijst van tabellen
242
Bibliografie
244
Index
245
228
235 235 235 236 236 237 237
1
KOSTEN- EN OPBRENGSTBEREKENING TER ONDERSTEUNING VAN BESLISSINGEN
1
KOSTENBEGRIPPEN 1.1 1.2 1.3 1.4
Het begrip kosten De doeleinden van de kostenberekening De standaardkostprijsberekening Kostenindelingen
22
1.1
1 Kostenbegrippen
Het begrip kosten Het voortbrengen van goederen en/of diensten behoort tot de taak van de bedrijfseconomie. Om het gewenste eindproduct te verkrijgen dienen er verschillende productiemiddelen te worden ingezet. Zo vervaardigt een industrieel bedrijf met behulp van o.a. grondstoffen, arbeid, machines en gebouwen een bepaald product. De in geldwaarde uitgedrukte productiemiddelen die een bedrijfshuishouding opoffert in het productieproces worden kosten genoemd. Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen kosten en uitgaven. Uitgaven hebben te maken met de betaling van productiemiddelen terwijl kosten verbonden zijn met de aanwending ervan bij het productieproces. We zullen dit aan de hand van een aantal voorbeelden toelichten. ■ Stel, dat we in een machine investeren die we nu aanschaffen en waarvoor we 0,2 mln EUR betalen. Uiteraard is er hier sprake van een gelduitgave, echter niet van kosten. Met behulp van deze machine kunnen we tien jaar lang produceren. We hoeven voor de aankoop van deze machine niets meer te betalen, maar we kunnen haar wel gebruiken. Door het gebruik daalt de waarde van de machine. Deze opoffering verwerken we als afschrijvingskosten. Hier is dus geen sprake van een uitgave, wel van een kost. ■ Een aan de onderneming verstrekte lening leidt in de toekomst tot een uitgave van geld. Zo zullen we bv. op geregelde tijdstippen een deel van de lening moeten terugbetalen (= aflossen). Daarnaast dient op de lening rente betaald te worden om er voor de productie de beschikking over te krijgen. Daarom is rente dus een uitgave die samengaat met het ontstaan van kosten. ■ Het feit dat de onderneming een beroep doet op eigen vermogen betekent, dat de renteopbrengst die dit vermogen buiten het bedrijf zou kunnen verwerven, wordt opgeofferd. Er ontstaan dus bedrijfseconomisch gezien kosten, zogenaamde opportuniteitskosten (= kosten van de alternatieve aanwending). Van uitgaven van geld is er evenwel in het geheel geen sprake. ■ Periodiek terugkerende (bv. om de vijf jaar) grote herstellings- of onderhoudswerken zijn te voorzien, alleen staat niet op voorhand het bedrag vast. Om te vermijden dat deze waarschijnlijke toekomstige kosten anders volledig zouden drukken op het jaar waarin de uitgave gedaan wordt, is het noodzakelijk om jaarlijks een deel van de te verwachten kosten in de kost van het boekjaar te brengen. ■ Anderzijds heb je de uitgetrokken som nog niet uitgegeven, want er hebben nog geen grote onderhoudswerken plaatsgehad. De uitgaven van geld worden dus uitgesteld tot we de uiteindelijke factuur zullen betalen. Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen kosten en onkosten. Onkosten zijn kosten die konden vermeden worden (niet doelmatig). Voorbeeld: verspillingen van grondstoffen door slecht afgestelde machines.
1 Kostenbegrippen
1.2
De doeleinden van de kostenberekening
1.2.1
Planning op lange termijn
23
(in de praktijk meestal een periode van drie tot vijf jaar) Kostencalculatie op lange termijn is niet alleen noodzakelijk zodra een bedrijf nog moet worden opgericht, maar ook in de jaren na de oprichting naar aanleiding van bv. een uitbreiding, samenwerking, enz. De bedrijfsleiding komt dan o.a. voor volgende vragen te staan: ■ berekenen of de oprichting, uitbreiding of samenwerking gezien de te verwachten kosten en opbrengsten wel verantwoord is (= kosten-batenanalyse); ■ zo ja, welke producten, gunstigste vestigingsplaats, welke capaciteit, gunstigste financieringswijze, enz. De kostenberekening kan er dus in belangrijke mate toe bijdragen dat de oprichting, uitbreiding of samenwerking zo verantwoord mogelijk geschiedt.
1.2.2 Planning op korte termijn (in de praktijk maximaal één jaar) Ook voor het realiseren van winstoptimalisatie (verkoopprijs minus kostprijs positief en maximaal) is een kostenberekening een belangrijk hulpmiddel voor het bedrijfsbeheer: ■ voor de opstelling van het meest voordelige verkoop- en productieplan over een komende korte periode (bv. maand-kwartaal-semester-jaar) = budgetteren. ■ Tevens worden daarin de verantwoordelijkheden van de verschillende afdelingshoofden vastgesteld. Meestal verstaat men daarom onder een budget een taakstellende begroting. Deze planning vindt uiteraard plaats op basis van het geldende meerjarenplan en binnen dat kader; ■ voor de kostenbeheersing. In dit verband is het van belang om aan de kosten een normatief karakter te geven. Deze normatieve of standaardkostprijs is zeer belangrijk voor het bedrijfsbeleid, omdat het daardoor mogelijk wordt de werkelijke kosten te beoordelen (cf. 1.3.2). Hoewel naast kostengegevens ook vele andere factoren een rol kunnen spelen bij de bepaling van het te voeren beleid, blijven de kostenaspecten steeds belangrijk als basis. De kennis van de kosten laat immers toe voor- en nadelen van de overwogen beleidsalternatieven in geld te kwantificeren.
24
1.3
1 Kostenbegrippen
De standaardkostprijsberekening De standaardkostprijs van een product is de som van de noodzakelijke (= niet vermijdbare) of toegestane kosten per eenheid product. Deze heeft derhalve alleen betrekking op doelmatig gebrachte offers. De standaardkostprijs is opgebouwd uit: ■ standaardhoeveelheden productiemiddelen (de vermoedelijke hoeveelheid benodigde grondstof bv.), vermenigvuldigd met ■ standaardprijzen (de vermoedelijke prijs van de grondstoffen bv.).
1.3.1
Bepaling van de standaardkostprijs De moeilijkheid van de berekening van de standaardkostprijs is uiteraard de vaststelling van de standaarden. De standaardhoeveelheden kunnen vastgesteld worden door ofwel een ‘wetenschappelijk’ onderzoek te verrichten (arbeidsstudies-methodeonderzoek-technisch onderzoek) ofwel uit ervaringscijfers. De standaardprijzen zijn de prijzen die men in een toekomstige periode verwacht gemiddeld te moeten betalen bij het aanschaffen van een productiemiddel.
1.3.2 Belang van de standaardkostprijs De voordelen van de standaardkostprijs zijn velerlei: ■ kostenbeheersing: de standaardkostprijs is een vóórcalculatie, d.w.z. een kostenberekening die wordt gemaakt vóór de productieperiode waarvoor zij zal gelden. Achteraf wordt door middel van budgetcontrole nagegaan, hoe de werkelijke kosten (nacalculatie) van een periode zich verhouden tot de toegestane kosten. Deze vergelijking bevordert de aandacht voor het doelmatige werken binnen de onderneming. Bij vaststelling van niet-efficiënte werking binnen het bedrijf kan daarvoor een verantwoordelijke aangeduid worden; ■ bepalen van budgetten: een budget omvat o.a. een raming van de totale kosten die een bedrijf zal hebben in een bepaalde toekomstige periode; ■ prijsbepaling producten: om de uiterste prijs te kennen waartegen men desnoods verkopen mag zonder verlies te lijden (= grensprijs).
1 Kostenbegrippen
25
De onderneming kan voor de in rekening te brengen verkoopprijs uitgaan van de gemaakte kosten. Eerst wordt de kostprijs van het product bepaald, vervolgens wordt via een toeslag op die kostprijs (winstmarge) de verkoopprijs vastgesteld. Teneinde op een bedrijfseconomisch verantwoorde wijze de verkoopprijs te kunnen bepalen is uiteraard een juist inzicht in de kostprijs noodzakelijk. Voor ondernemingen waar de verkoopprijs daarentegen niet gebaseerd is op de kostprijs, maar wel op de marktprijs (ingevolge de wet van vraag en aanbod) is een juiste kostprijsberekening evenzeer van groot belang om te weten of ze tegen de marktprijs gaan verkopen of niet.
1.4
Kostenindelingen Naargelang de specifieke informatievraag die men heeft, kan men ‘kosten’ volgens verscheidene criteria klasseren. De meest gebruikelijke criteria zijn: ■ naar kostensoort (cf. 2 De kostensoorten, pag. 27 e.v.): – kosten van de grond- en hulpstoffen; – kosten van de arbeid; – kosten van de duurzame productiemiddelen; – kosten van grond; – kosten van diensten van derden; – kosten van belastingen; – rentekosten; ■ naar gevoeligheid voor verandering in de bedrijfsdrukte (cf. 3 Constante en variabele kosten, pag. 53 e.v.): – constante kosten; – variabele kosten; – semivariabele kosten; ■ naar toerekenbaarheid tot een bepaald product (cf. 4 Directe en indirecte kosten, pag. 67 e.v.): – directe kosten; – indirecte kosten. ■ naar tijdsaspect (cf. 4.2, pag. 69): - actual costing; - normal costing; - standard costing.
2
DE KOSTENSOORTEN 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7
De kosten van grond- en hulpstoffen De arbeidskosten De kosten van de duurzame productiemiddelen De kosten van de grond De kosten van de diensten van derden De kosten van de belastingen De rentekosten
28
2 De kostensoorten
Om de standaardkostprijs te berekenen dient de ondernemingsleiding de standaardkosten te bepalen per kostensoort. Onder een kostensoort (of kostencategorie) verstaan wij groepen van kosten met een aantal gelijkaardige economische kenmerken. Bij de indeling in kostensoorten houdt menw rekening met de aard van het productiemiddel waarmee de kosten samenhangen. Aldus kan men zeven kostensoorten onderscheiden, nl.: ■ kosten van de grond- en hulpstoffen; ■ kosten van de arbeid; ■ kosten van de duurzame productiemiddelen; ■ kosten van grond; ■ kosten van de diensten van derden; ■ kosten van belastingen; ■ rentekosten. Men noemt deze indeling naar kostencategorieën de categorische indeling van de kosten.
2.1
De kosten van grond- en hulpstoffen Grondstoffen (bv. ertsen, katoen) worden verwerkt, d.w.z. men vindt ze terug in het eindproduct. Hulpstoffen zijn grondstoffen waarvan bij de productie slechts geringe hoeveelheden vereist zijn (bv. draad in de confectie-industrie). Voor de vaststelling van de standaardprijzen voor de grond- en hulpstoffen in de komende periode neemt men de gemiddelde te verwachten inkoopprijs. De standaardhoeveelheid grondstof die voor de vervaardiging van één product nodig is, kan worden bepaald aan de hand van technische gegevens over hetgeen dat product (gezien zijn samenstelling) aan grondstof moet bevatten. Hierbij moet rekening worden gehouden met afval (de hoeveelheid grondstof die verloren gaat tijdens het productieproces) en uitval (de hoeveelheid grondstof die begrepen is in de halffabricaten en eindproducten die niet aan de gestelde kwaliteitsnormen voldoen).
29
2 De kostensoorten
OPGAVE Voor de vervaardiging van één eindproduct is bruto (dus vóór aftrek van de afval) nodig 2 kg grond stof à 0,50 EUR/kg. De afval bedraagt 5 % van het brutogrondstofverbruik. De afval brengt 0,10 EUR/kg op. Bij de keuring van de eindproducten blijkt normaliter 3 % te moeten worden afge keurd. De uitval heeft geen waarde. GEVRAAGD Bereken de standaardkostprijs aan grondstoffen per eenheid goedgekeurd product.
OPLOSSING Grondstofkosten per gefabriceerde eenheid product: bruto 2 kg/eenheid • 0,50 EUR/kg = 1,00 EUR/eenheid - opbrengst afval 5 % • 2 kg/eenheid • 0,10 EUR/kg = 0,01 EUR/eenheid 0,99 EUR/eenheid Grondstofkosten per eenheid goedgekeurd product: 0,99 EUR/eenheid •
100 = 1,02 EUR/eenheid. 97
2.2 De arbeidskosten De kosten van arbeid bestaan uit lonen en wedden vermeerderd met de sociale lasten. Daarnaast zijn er veelal voorzieningen nodig ten behoeve van de werknemers zoals kantinekosten, opleidingskosten. Voor de vaststelling van de standaardhoeveelheid neemt men het aantal uren dat dient gepresteerd te worden voor het realiseren van een bepaald product. Dit aantal uren kan worden vastgesteld met behulp van arbeidsanalyse (bewegings- en tijdstudies). De standaardprijs wordt bepaald op basis van het verwachte loonpeil (cao en indexcijfer) en van het toegepaste loonstelsel.
30
2 De kostensoorten
2.3 De kosten van de duurzame productiemiddelen 2.3.1 Algemeen Kenmerkend voor een duurzaam productiemiddel is dat het meermaals kan aangewend worden. We kunnen daarbij denken aan machines, meubilair, licenties, enz. Het duurzame productiemiddel is wel aan slijtage en veroudering onderhevig. Deze slijtage kent twee oorzaken: ■ technische slijtage is de echte sleet: de waardevermindering die het gevolg is van het gebruik; ■ economische veroudering waardoor bepaalde activa een minderwaarde ondergaan. Modellen van auto’s blijven niet nieuw, nieuwe machines verbruiken eventueel minder energie en zijn daarom interessanter, enz. Economische veroudering wordt dus veroorzaakt door verandering ingevolge technologische evolutie. Daarnaast zullen de zgn. complementaire kosten die men moet toevoegen aan bv. een machine om een product te verkrijgen (grondstoffen, arbeid, onderhoudsmiddelen, energie) toenemen naarmate de machine ouder wordt. Over het algemeen is de economische levensduur1 korter dan de technische levensduur. Al deze redenen hebben wel tot gevolg dat gebruikte vaste activa niet meer dezelfde waarde hebben als nieuwe. Het is dan ook normaal dat met deze minderwaarde in de kostprijsberekening rekening gehouden wordt. Deze slijtage kan moeilijk dagelijks vastgesteld worden. Gewoonlijk gebeurt dit op het einde van het jaar bij de afsluiting van de boekhouding. De boekhoudkundige optekening als een kost van de jaarlijkse waardeverminderingen van duurzame productiemiddelen wordt afschrijving genoemd. De standaardkostprijsberekening biedt ten aanzien van de duurzame productiemiddelen geen bijzondere moeilijkheden, althans voor zover het gaat om de bepaling van de noodzakelijke hoeveelheid prestaties (bv. standaard machine-uren) per product. Wel moeten we ons bezighouden met de vraag, hoe de kosten van deze prestaties (de afschrijvingskosten) kunnen worden berekend. Bij de bepaling van het jaarlijkse afschrijvingsbedrag moeten we rekening houden met drie factoren: de aanschaffingswaarde, de gebruiksduur en de restwaarde. ■ Aanschaffingswaarde (= AW) = aankoopprijs + bijkomende aankoopkosten. Voorbeelden van bijkomende aankoopkosten zijn: installatiekosten, transportkosten, invoerrechten, enz.
1 Voor een bepaling van de economische levensduur: cf. Investeringsvraagstukken, 7.4, pag. 132-133.
2 De kostensoorten
31
■ Gebruiksduur (= t) Wordt veelal aangegeven in procenten. Door voldoende af te schrijven zorgt de ondernemer ervoor dat zijn kapitaal in stand gehouden wordt. De waardevermindering is immers een gevolg van de aanwending in de productie en moet dan ook als kost in rekening gebracht worden bij het bepalen van de kostprijs. De afschrijvingskost is dus een element bij het bepalen van de totale kosten in de onderneming. Op die manier hebben de afschrijvingen hun belang bij het bepalen van het ondernemingsresultaat. Meer afschrijven betekent minder winst, minder afschrijven meer winst ... Vandaar dat ondernemingen wel eens in de verleiding komen om hun afschrijvingen aan te passen aan hun ondernemingsresultaat. Eigenlijk is dit wettelijk verboden. Elke onderneming moet elk jaar afschrijven in de mate dat er waardevermindering is. Het is echter onmogelijk om deze waardevermindering juist te bepalen. Elke methode is benaderend. Het is begrijpelijk dat de fiscus algemene regels heeft opgesteld voor de afschrijvingen. Zoniet moet elke belastingcontroleur telkens opnieuw met elke belastingplichtige ondernemer gaan discussiëren over de werkelijke waardevermindering. Doorgaans worden de volgende procenten toegepast: - nijverheidsgebouwen: 5 %; - kantoor- of handelsgebouw: 3 %; - machines en uitrusting: 10 % dit geldt zowel voor machines in een fabriek als voor de kantoormachines; - meubilair: 10 %; - rollend materieel: 20 %; - computers en software: 33 %. Dit wil niet zeggen dat op deze regels geen uitzonderingen mogelijk zijn. Aan de ondernemer om te bewijzen dat een bepaalde machine sneller verslijt, dat een computer al eerder wordt vervangen of buiten gebruik wordt gesteld, enz. ■ Residu- of restwaarde (= RW) Op het einde van de gebruiksduur (d.i. economische levensduur) kan veelal nog een bepaald bedrag voor het productiemiddel worden verkregen. Het bedrag dat in totaal moet worden afgeschreven, is dan ook het verschil tussen de aanschaffingswaarde van het duurzaam productiemiddel en deze vermoedelijke realisatiewaarde op het einde van de economische levensduur.
2.3.2 Afschrijvingssystemen Er zijn verschillende methoden om het in totaal af te schrijven bedrag te verdelen over de economische levensduur van het duurzaam productiemiddel. We behandelen de meest bekende afschrijvingsmethoden.