Skip to main content

9789401485708

Page 1

ECONOMIE als menswetenschap


ECONOMIE ALS MENSWETENSCHAP

— Christophe Timbremont


inhoud

5

INHOUD

Inleiding 13 DEEL I

DE ECONONOMISCHE BRIL(LEN)

hoofdstuk 1 Definitie en begripsafbakening 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Definitie: wat is economie? Behoeften Het allocatievraagstuk De productiefactoren De economische huishoudingen Soorten economieën 6.1. De vrijemarkteconomie 6.2. De centraal geleide economie 6.3. De gecorrigeerde markteconomie 6.4. Het protectionisme

hoofdstuk 2 Een kapitalistische vrijemarkt­economie 1.

De vrijemarkteconomie 1.1. Wat? 1.2. Waarom een vrijemarkteconomie een illusie is 2. Het kapitalisme 2.1. Wat? 2.2. De zegen en de vloek van het kapitalisme 3. Het concept van groei 4. Grenzen aan de groei?

hoofdstuk 3 Economische theorieën 1.

De grondleggers 1.1. De klassieke school 1.2. Het marxisme 1.3. Het keynesianisme

17 19 19 22 23 24 24 26 26 26 27 28

31 31 31 33 35 35 36 39 41

45 45 45 54 59


6

Economie als menswetenschap

2. De opvolgers 2.1. De schumpeteriaanse school 2.2. Het monetarisme 2.3. De behavioristische school 3. De nieuwste lichting 3.1. Tim Jackson (°1957) 3.2. Ha-Joon Chang (°1963) 3.3. Thomas Piketty (°1971) 3.4. Kate Raworth (°1970) 3.5. Het nieuwe monetarisme

DEEL 2

DE GROTE BEWEGINGEN, GROEPEN EN KEUZES

hoofdstuk 4 De bewegingen van de economie 1.

De economische kringloop 1.1. De eenvoudige kringloop 1.2. De volledige kringloop 2. Nationale rekeningen 2.1. Het bruto binnenlands product (bbp) 2.2. Het bruto nationaal product (bnp) 2.3. Het bruto nationaal inkomen (bni) 2.4. De koopkrachtpariteit (kkp) 2.5. Problemen bij het berekenen van de nationale rekeningen 2.6. Ontwikkeling meten 2.7. De indicator van het consumentenvertrouwen 3. De verschillende economische golfbewegingen CASUS: Het probleem van de pensioenen

hoofdstuk 5 De rol van de overheid 1. 2. 3. 4.

Waarom de overheid de economie met rust moet laten Waarom ze dat vooral niet mag doen De economische rol van de verzorgingsstaat Economische politiek 4.1. De onbehaaglijke driehoek 4.2. De magische vierhoek 4.3. De magische vijfhoek 4.4. Conjunctuurpolitiek 5. De overheidsfinanciën 5.1. Inkomsten van de overheid

63 63 65 66 68 69 70 71 76 78

83 85 85 85 86 89 89 93 94 95 96 99 102 103 107

115 115 116 118 119 119 120 121 122 122 123


inhoud

7

5.2. Uitgaven van de overheid 5.3. De staatsschuld

hoofdstuk 6 Het inkomen 1. Inkomen en vermogen 2. Soorten inkomens en belastingen 2.1. Directe belastingen 2.2. De indirecte belastingen 2.3. Belastingontduiking en -ontwijking 3. Vermogensbelasting CASUS: Het basisinkomen

hoofdstuk 7 (Inkomens)ongelijkheid 1. Waarom (te veel) ongelijkheid een probleem is 2. De discussie van de toplonen 3. Meten van inkomensongelijkheid 3.1. Problemen bij het meten van inkomensongelijkheid 3.2. De Lorenzcurve en de Ginicoëfficiënt 3.3. De Palmaratio 4. Structurele factoren die een rol spelen bij inkomens­ongelijkheid 4.1. Technologische evolutie en automatisatie 4.2. Veranderende werkgelegenheid 4.3. De impact van het kapitaal 5. Ongelijkheid terugdringen in België 5.1. De progressieve inkomensbelastingen 5.2. De sociale zekerheid 5.3. Loonvorming 5.4. Collectieve voorzieningen en sociale goederen 6. Aanbevelingen voor het verder terugdringen van de ongelijkheid 7. Internationale loonongelijkheid CASUS: Armoede

DEEL III

DE MARKT EN ZIJN SPELERS

hoofdstuk 8 De consument 1. De rationele consument 2. De niet zo rationele consument 2.1. Het menselijk denken (bij aankoopbeslissingen) 2.2. De rol van reclame 2.3. De rol van de consumptiemaatschappij

124 124

129 129 130 132 137 139 140 141

147 147 148 150 150 151 153 154 154 155 156 159 159 159 161 161 162 164 165

169 171 173 174 175 181 183


8

Economie als menswetenschap

3.

Het rationele keuzeproces 3.1. Het nutsconcept 3.2. De afweging tussen wat je wilt en wat je kunt kopen 3.3. Soorten beslissingsprocessen 4. De vraagcurve 4.1. De vraagcurve van een goed of dienst 4.2. Verandering van en op de vraagcurve 4.3. Consumentensurplus 5. Elasticiteit 5.1. De prijselasticiteit van de vraag 5.2. Kruisprijselasticiteit van de vraag 5.3. Inkomenselasticiteit

hoofdstuk 9 De producent 1.

2.

3. 4. 5. 6.

7.

De economische sectoren 1.1. Verdeling 1.2. Het belang van de sectoren De onderneming 2.1. Eigendomsstructuur 2.2. Inspraak binnen ondernemingen 2.3. (Juridische) vormen van ondernemingen 2.4. Concentratie van ondernemingen 2.5. Transnationale ondernemingen 2.6. Directe buitenlandse investeringen door TNO’s Productie en investeringen Productiviteit Kosten Winstvorming 6.1. De perfect competitieve markt 6.2. Gemiddelde opbrengst, marginale opbrengst en prijs 6.3. Winstmaximalisatie Het aanbod 7.1. Het individuele aanbod 7.2. Het totale aanbod 7.3. Verschuiving op en van de aanbodcurve 7.4. Producentensurplus

hoofdstuk 10 De markt 1. Competitieve versus niet-competitieve markten 2. De marktprijs

184 184 185 187 189 189 191 192 193 193 197 197

201 201 201 202 204 205 207 207 209 211 214 216 217 222 226 226 227 227 229 229 231 232 233

235 236 236


inhoud

9

3. De wetten van vraag en aanbod 4. De wet van King 5. Overheidsinterventies op de markt en hun effecten 5.1. Maximumprijzen of het blokkeren van prijzen 5.2. Minimumprijzen 5.3. Belastingen en subsidies CASUS: Vraag en aanbod op de huizenmarkt

hoofdstuk 11 Marktmacht 1. 2. 3. 4. 5.

Het probleem van de collectieve goederen Het monopolie Monopolistische mededinging Oligopolie Monopsonie CASUS: De kredietcrisis

DEEL IV

OVER HET SLIJK DER AARDE

hoofdstuk 12 Het geldwezen 1.

Soorten geld 1.1. Klassiek papiergeld 1.2. Moderne betaalmethoden 1.3. Cryptomunten 2. De banken 2.1. De handelsbanken 2.2. De investeringsbanken 2.3. De Centrale/Nationale Bank 3. Geldschepping door kredietverlening 4. Monetaire soevereiniteit

hoofdstuk 13 Inflatie 1. 2. 3. 4.

Gevolgen van inflatie Oorzaken van inflatie De geldhoeveelheid en inflatie De index 4.1. Wat? 4.2. Punten en procenten 4.3. Automatische indexering van de lonen CASUS: Eurotroubles

237 239 240 241 242 242 243

249 249 251 254 255 257 257

265 267 267 267 269 271 272 272 274 274 275 277

281 281 282 283 285 285 286 286 288


10

DEEL V

Economie als menswetenschap

INTUSSEN BIJ DE BUREN

hoofdstuk 14 Internationale economie 1. Internationale handel 2. De betalingsbalans 3. Economische integratie 3.1. Vrijhandelszone 3.2. Douane-unie 3.3. Gemeenschappelijke markt 3.4. Economische unie 3.5. Totale economische integratie

hoofdstuk 15 Internationale economische organisaties 1.

De Europese Unie (EU) 1.1. Ontstaan 1.2. Lidstaten van de EU 2. GATT en WHO 3. De UNCTAD (United Nations Conference on Trade and Development) 4. De OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) 5. De Groep van Acht / Twintig

hoofdstuk 16 Internationale financiële organisaties 1.

Het IMF 1.1. Gewone trekkingsrechten 1.2. Speciale trekkingsrekening (SDR) 1.3. Kredietverstrekking via het IMF 2. De Wereldbank 3. De Europese Centrale Bank (ECB) en de Europese Investeringsbank (EIB)

hoofdstuk 17 Ontwikkelingslanden 1. Kort overzicht van de economische evolutie van de ontwikkelingslanden 1.1. De koloniale erfenis 1.2. De eerste stappen van de onafhankelijke economieën 1.3. De klap van de oliecrisis en het neoliberalisme 2. De impact van structurele handelstekorten 3. Structurele nadelen zijn relatief CASUS: Microkredieten Glossarium Referenties

297 299 299 300 301 301 302 302 302 302

305 305 305 306 307 309 309 310

313 314 315 317 317 318 318

321 321 321 322 322 323 325 326 328 333


Informatie

Voorbeeld

Achtergrond Citaat

Casus


inleiding

13

Inleiding

Toen ik enkele jaren geleden de eerste versie van dit handboek begon te schrijven, was ik al enkele jaren met dit vakgebied bezig. Zoals veel collega’s ging ik er toen te veel van uit dat ik eerst aan mijn studenten de wetenschap moest uitleggen zoals ze is en dan pas kon nuanceren en gaan naar wat zou kunnen zijn. Dit was eigenlijk een foute veronderstelling doordat ik nog te veel in de klassieke val trapte. Hoewel ik ook toen zowel in mijn titel als in mijn eerste hoofdstuk al sterk de stelling verdedigde dat economie geen exacte wetenschap is, deed ik in de rest van dat boek te weinig om die basis­these te staven. Intussen ben ik een aantal jaren verder en misschien niet wijzer, maar wel meer belezen en heb ik er bewust voor gekozen om dit veel meer te gaan doen. Dat betekent dat dit handboek minder objectief en waardevrij is dan het vorige. Dat is een bewuste keuze. Een wetenschap als economie kan in mijn ogen niet objectief of zelfs waardevrij zijn. Te veel economische politieke beslissingen worden volgens mij gestaafd op theoretische modellen die als feiten worden aangebracht, terwijl sommige van die modellen zelfs nauwelijks op empirisch onderzoek zijn gebaseerd. Door het gebruik van wiskundige technieken en grafieken krijgen die modellen een aura van waarheid, terwijl ze eigenlijk een model zouden moeten zijn dat we als spiegel kunnen gebruiken om de werkelijkheid te bekijken. Andere modellen verdedigen onder het mom van neutraliteit eigenlijk sterk de status quo (zoals de theorie van het absoluut voordeel die ik in dit boek zal bespreken, die eigenlijk de kloof tussen rijke en arme landen bestendigt). Kiezen voor het behoud van de bestaande economische verhoudingen is echter ook een waarde­geladen keuze. In dit boek stel ik daarom veel meer kritische vragen ten aanzien van de klassieke modellen vanuit de rationele keuze en geef meer ruimte aan de visie van anderen die dat ook doen. Ik heb geprobeerd om hier niet mee te overdrijven, zodat ik niet doe wat ik anderen verwijt: jou als lezer een mening opdringen. Waar mogelijk heb ik geprobeerd om verschillende visies aan bod te laten komen, of minstens aan te geven dat bepaalde ideeën een visie zijn (al dan niet de mijne).


14

Economie als menswetenschap

Met dit boek streef ik dan ook een dubbel doel na. Enerzijds wil ik de lezer de nodige basiskennis bijbrengen om een aantal economische fenomenen te bekijken, maar tegelijk wil ik aanzetten om zelf een mening te vormen. Economie is namelijk een erg belangrijke wetenschap. Ze geeft voor een groot deel mee vorm aan onze samenleving. Hoe we onze schaarse middelen en materiële welvaart creëren en verdelen, heeft een grote impact op hoe we samenleven en hoe we ons daarbij voelen. Daarom mogen we economie niet louter aan economen overlaten. Economie moet in die optiek wat meer bescheidenheid durven te tonen, maar ook openheid ten opzichte van inzichten uit de psychologie, sociologie, antropologie en politicologie. Als we economische fenomenen echt willen begrijpen, moeten we de mens als geheel durven bestuderen.

De econoom John Kenneth Galbraith haalt regelmatig de wetenschap van de economie van haar voetstuk met wat droge humor. Hieronder twee citaten van hem om dit te illustreren: ‘De enige functie van economische voorspellingen is om astrologie respectabel te laten lijken.’ Met andere woorden: ons vermogen om economische voorspellingen te doen, is ondanks alles vrij beperkt. Wat is dan het nut van die economische wetenschap? Ook daar had Galbraith een creatief antwoord op: ‘Economie is uitermate nuttig als vorm van werkgelegenheid voor economen.’

Het boek omvat vijf delen, elk deel bestaande uit enkele hoofdstukken. Het eerste deel bevat, naast een definiëring, vooral een overzicht van economische theorieën en visies. In het tweede deel bespreek ik enkele macro-economische gegevens en stel ik kritische vragen bij de verdeling van de welvaart. Het derde deel gaat hoofdzakelijk over de klassieke theorie van de rationele keuze en hoe die tot het marktsysteem leidt. In deel 4 behandel ik kort het fenomeen van geld en in het laatste deel nog een aantal specifieke aspecten van internationale economie. In elk hoofdstuk probeer ik door middel van voorbeelden, extra informatie of achtergrondstukjes het geheel duidelijker te maken en beter te plaatsen. Bij verschillende hoofdstukken vind je een meer uitgewerkte casus, waarin een bepaald economisch fenomeen of een bepaalde gebeurtenis uitgebreider wordt beschreven. De bedoeling daarvan is vooral de theorie aan de praktijk te koppelen.


inleiding

15

Tot slot nog een technische opmerking. Net als ieder ander heb ik veel gebruikgemaakt van bronnen. Waar ik rechtstreeks uit het gedachtegoed van anderen putte, staat dit steeds vermeld. Achteraan vindt de lezer daarvan een bronnenlijst. Tegelijk heb ik mijn best gedaan om die lijst niet te lang te maken. Ik weet uit ervaring dat geen enkele student gaat grasduinen in een bronnenlijst van tien pagina’s of meer, hoewel ik eigenlijk hoop dat hij daar wel in gaat snuffelen. Wie zich een gefundeerde mening wil vormen over economische fenomenen, heeft basiskennis nodig en meningen van anderen om zich aan te spiegelen. Als dit boek erin slaagt je zin te doen krijgen om daarover meer te weten en je op zoek doet gaan naar andere werken (al dan niet uit de lijst achteraan), dan ben ik als lesgever een zeer tevreden man. Christophe Timbremont 1 juli 2022


DEEL I

De econonomische bril(len)


hoofdstuk 1 Definitie en begripsafbakening 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Definitie: wat is economie? Behoeften Het allocatievraagstuk De productiefactoren De economische huishoudingen Soorten economieën 6.1. De vrijemarkteconomie 6.2. De centraal geleide economie 6.3. De gecorrigeerde markteconomie 6.4. Het protectionisme

19 19 22 23 24 24 26 26 26 27 28


definitie en begripsafbakening

19

HOOFDSTUK 1

Definitie en begripsafbakening

1. DEFINITIE: WAT IS ECONOMIE? Het mens- en wereldbeeld van de economie past volledig in het Europese gedachtegoed van de verlichting. De rationeel denkende en handelende mens, die voortdurend voor- en nadelen, kosten en baten afweegt en op basis daarvan beslissingen neemt en keuzes maakt, is binnen de economie een gegeven. Dit wordt de ‘homo economicus hypothese’ genoemd. In die zin is de economie een abstractie van de werkelijkheid zoals de psychologie, de filosofie of de sociologie die beschrijft. Toch mogen we niet uit het oog verliezen dat die manier van denken in de huidige wereld zeer dominant geworden is. De economie beheerst immers in veel landen het politieke en maatschappelijke leven en bovendien heeft de globalisering die manier van denken wereldwijd verspreid. De wereld is een ‘global village’ of, in economische termen, een ‘global market’ geworden, waarbinnen dit eendimensionale denken een steeds belangrijkere plaats inneemt. De klassieke economie gebruikt als basisdefinitie vaak die van Robbins (1932): ‘Economie is de wetenschap die het menselijk gedrag bestudeert als relatie tussen doelen en schaarse middelen die op verschillende manieren kunnen worden aangewend.’ Eigen aan de klassieke school was het uitgangspunt dat die keuzes rationele keuzes waren. Gelukkig zette Robbins dit niet letterlijk in zijn definitie, waardoor ze vandaag bruikbaar blijft. Zoals je verder in dit boek zult kunnen lezen, zijn heel wat economen intussen tot het besef gekomen dat het met die rationaliteit bij dat menselijke gedrag nogal eens kan tegenvallen. Die definitie lijnt ook min of meer af over welk soort keuzes het gaat, maar tegelijk ook weer niet. Ze lijnt af omdat het gaat over keuzes die te maken hebben met economische aspecten, met name de verdeling van de schaarse middelen.


20

Economie als menswetenschap

Anderzijds kun je evengoed stellen dat vrijwel alle doelen in het leven met die schaarse middelen te maken hebben. Als je met iemand in het huwelijksbootje wilt stappen, dan hoop ik voor jou dat de keuze van je partner geen louter economische berekening was. Maar de beslissing om te trouwen zal op een of andere manier wel heel wat deelaspecten hebben waarover je economische keuzes gaat maken. Waar ga je met je partner wonen? Waar gaan jullie van leven? Maar evengoed: hoe zal het trouwfeest eruitzien? Of: hoeveel mensen ga je uitnodigen? Dit zijn vragen waarbij het antwoord ook van je (schaarse) middelen zal afhangen. We kunnen dus stellen dat economie met bijna alles te maken heeft, maar omgekeerd zijn er weinig zaken die alleen maar met economie te maken hebben (Fine & Milonakis, 2009). Het budget voor je huwelijksfeest is hopelijk niet de enige factor die bepaalt wie er op de gastenlijst komt. Wees dus voorzichtig met het te ver doortrekken van de ‘alles is economie’-stelling. Voor je het weet, probeer je alles te berekenen en af te wegen, en daar zijn wij als mens niet echt voor gemaakt. Uiteindelijk zul je daardoor vooral gefrustreerd achterblijven. Als je dat echt wilt, kun je voor heel veel zaken economische keuzes zien, maar het is niet altijd zinvol om dat te doen. Bij het maken van die keuzes wordt dikwijls alleen gedacht aan spectaculaire ‘keuzes’ die een weerslag hebben op grote groepen of zelfs op de hele wereldbevolking, maar ook onze ‘schijnbaar’ onbelangrijke, dagelijkse keuzes maken het voorwerp uit van de studie van de economie. De veronderstelling die de economie aan de oorsprong van die keuzeproblematiek plaatst, is de schaarstehypothese. Niet iedereen kan gelijktijdig zijn behoeften bevredigen, of je kunt als individu niet al je behoeften bevredigen omdat de middelen ter bevrediging ‘schaars’ zijn. Het ‘schaarstebegrip’ wordt daardoor verheven tot de bestaansreden van de economie als wetenschap. Immers: geen schaarste ---> geen keuze ---> geen economie. ‘Overvloed’ en ‘schaarste’ zijn echter zeer relatieve begrippen en kunnen verschillend ingevuld worden van plaats tot plaats, van bevolkingsgroep tot bevolkingsgroep en zelfs van individu tot individu, zodat, wat voor de ene een prangend economisch probleem is, voor de andere niets met economie te maken heeft. Uit de schaarstehypothese volgt logischerwijze dat de economisch handelende mens en de gemeenschap de gegeven middelen zodanig zullen benutten, dat zo veel mogelijk behoeften bevredigd worden. De rekenende en berekende ondernemer en de spaarzame huisvrouw zijn dan ook de archetypes van de economie, die het ‘vak’ economie voor velen onaantrekkelijk of zelfs ongenietbaar maken. Geschiedenis, psychologie, sociologie en antropologie komen ons echter te


definitie en begripsafbakening

21

hulp om dit naïeve mensbeeld van de economist te nuanceren en naast efficiëntie ook prestige, status, lust, macht, altruïsme, ... als even zoveel drijfveren van het menselijk handelen te beschouwen.

De relativiteit van schaarste kunnen we gemakkelijk illustreren. Zo was uranium in de negentiende eeuw een afvalproduct van goudmijnen in Zuid-Afrika, omdat er gewoon geen toepassing voor was. Nu hebben we kernenergie en is uranium erg duur. Het spreekt voor zich dat alle afvalbergen van de vroegere mijnen intussen al uitgebreid doorzocht zijn om er de laatste grammetjes uit te halen. Dat wil niet zeggen dat een product een zogenaamd ‘praktisch’ gebruik moet kennen om schaars te zijn. Diamant, bijvoorbeeld, kent wel een aantal praktische toepassingen, maar de grote vraag naar dit product is vooral een gevolg van de esthetische waarde. Economisch gezien maakt het niet uit waarom een product gegeerd is.

De uitgangspunten van de klassieke economie zijn vrij eenvoudig, maar de consequenties zijn verstrekkend: • de mens is een wezen met een onbeperkt aantal verlangens (behoeften); • de middelen om die behoeften te bevredigen, zijn in beperkte mate voorhanden (schaarste); • de economisch handelende mens zal de schaarse middelen zodanig aanwenden, dat hij in zo veel mogelijk behoeften kan voorzien. De motor van zijn handelen is ­(welbegrepen) eigenbelang. Alle andere begrippen, theorieën en modellen zijn op die drie uitgangspunten terug te brengen. Binnen de westerse samenleving (een geldeconomie) is het diegene die meest succesvol is, die over het meeste geld beschikt, omdat hij zich de meeste schaarse middelen kan aanschaffen en dus ook de meeste behoeften kan bevredigen.


22

Economie als menswetenschap

2. BEHOEFTEN ‘Er is genoeg voor ieders behoefte, niet voor ieders hebzucht.’ (M. Gandhi)

Een economische behoefte is het aanvoelen van een welvaartstekort en het verlangen naar een concreet middel om in dit tekort te voorzien.

De klassieke economie gaat uit van een oneindigheid van behoeften en een voortschrijdende omvorming van niet-economische naar economische behoeften (ontspanning, opvoeding, verzorging, ...). Hierbij wil ik toch wijzen op de relativiteit van de meeste behoeften: er zijn maar enkele ‘absolute’ of objectieve behoeften. De meeste behoeften verschillen van persoon tot persoon, van plaats tot plaats en van gemeenschap tot gemeenschap. Economen maken hier echter meestal geen onderscheid in. Volgens de meesten onder hen is er in de behoeften geen hiërarchie. De markt bepaalt immers wat er gekocht en dus gemaakt zal worden. Die manier van redeneren (zogenaamd ‘waardevrij’) bevestigt de ongelijke verdeling en geeft een absoluut gehalte aan het marktmechanisme (wat op zich ook een waarde is). Concreet betekent dit dat er wel cola en auto’s geproduceerd worden voor een koopkrachtige vraag (vooral in het noorden van onze planeet), maar dat de middelen ontbreken voor het voorzien in de meest elementaire behoeften in het zuiden van onze aarde (wegens gebrek aan koopkrachtige vraag). Dit is een onhoudbare situatie waarvan meer en meer economen zich bewust worden. Die relativiteit uit zich ook op het persoonlijke vlak. Mensen zijn in staat om behoeften te ordenen op basis van voorkeur, maar dergelijke rangordes zijn steeds persoonlijk en vaak vluchtig. Laat iemand een lijst goederen ordenen volgens voorkeur en geef hem dezelfde lijst enkele dagen later opnieuw: het is goed mogelijk dat bepaalde producten zullen verschuiven. Economische behoeften worden bevredigd met economische goederen (stoffelijk) en diensten (onstoffelijk). Het onderscheid tussen economische en vrije goederen wordt gevormd door de schaarste (herinner je de relativiteit van dit begrip). Het verwerven van economische goederen en diensten vraagt een inspanning. Concreet betekent dit dat je er arbeid moet voor verrichten of er geld en/of tijd moet aan besteden. Voorlopig vraagt het inademen van verse lucht nog geen van zulke inspanningen. Verse lucht is dus geen economisch, maar een vrij goed. Het beantwoorden aan een behoefte maakt de nuttigheid uit van het goed.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401485708 by Uitgeverij Lannoo - Issuu