Skip to main content

9789401484961

Page 1

J e a n - C l aud e M our l e vat

Vertaald door Lies Lavrijsen en Els Dumez-Blocken


Noot van de verteller In het land waar dit verhaal zich afspeelt, wonen dieren die rechtop lopen, praten, naar de bibliotheek gaan, verliefd worden, elkaar berichtjes sturen en naar de kapper gaan. Het buurland wordt bewoond door mensen, de intelligentste van alle dieren.


–1–

De jonge egel Jefferson ten Bosch van Berckebeek was bijna klaar met schoonmaken en neuriede zo’n melodietje dat vanzelf in je opkomt als je goedgehumeurd bent: pom … pompom … pompom … Toen het hele huis piekfijn in orde was, de stoffer door het open raam was uitgeklopt en het vuilblik weer aan de haak hing, stelde Jefferson zijn oven zo in dat de aardappelgratin gaar zou zijn tegen de tijd dat hij straks weer thuiskwam. Daarna trok hij zijn jasje aan, knoopte de middelste knoop dicht en merkte dat de stof rimpelde ter hoogte van zijn opbollende buikje. Tijd om het wat rustiger aan te doen met de koekjes, dacht hij. Hij spoot een wolk van zijn favoriete parfum Dag & Dauw over zich heen en trok in de gang zijn perfect gepoetste schoenen aan, waarbij hij eerst zijn linker- en daarna zijn rechtervoet op het daarvoor bestemde krukje zette. Daarna hing hij zijn rugzak om zijn schouders en

7


vertrok. De reden voor zijn goede humeur was heel eenvoudig: hij had besloten naar de kapper te gaan. Toen hij die ochtend voor de spiegel stond, was het hem opgevallen dat zijn elegante kuif alle kanten op piekte. En hij haatte het om er onverzorgd uit te zien. Zijn besluit was gauw genomen: hij moest naar de stad, zijn kuif laten bijknippen! Dan kon hij meteen ook langs de bibliotheek om het boek dat hij een week eerder had geleend, terug te brengen, een avonturenroman met de titel Alleen op de rivier. Het verhaal speelde zich af op de Orinocorivier, en de held, een jongeman die Chuck heette, doorstond allerlei beproevingen met de moed van een leeuw. Eenzaamheid, honger, dorst, muggen, indianen, stortregens, verzengende hitte, wilde dieren … niets kreeg hem klein. Met zijn deken opgetrokken tot onder zijn kin en een dampende kop kruidenthee op het nachtkastje, had Jefferson zich ingebeeld dat hij Chuck was. Soms had hij zich erop betrapt dat hij onder het lezen zijn vuisten balde en zijn ogen opensperde. Het boek had hem twee nachten achter elkaar tot ’s morgens vroeg wakker gehouden. Hij had vooral genoten van het hoofdstuk waarin Chuck verdwaalt in het regenwoud en de weg zoekt met behulp van de ‘stertechniek’. Daarbij vertrek je in een richting naar keuze, loopt vijftig stappen rechtdoor en als je dan

8


nog geen aanknopingspunt hebt gevonden, ga je terug naar je vertrekpunt om je geluk in een andere richting te beproeven. Hij had gehuiverd bij de verschrikkelijke passage waarin de uitgehongerde Chuck besluit zijn hond te doden en op te eten, maar op het laatste nippertje medelijden krijgt, in tranen uitbarst en het arme dier laat leven. Toen hij die bladzijden las, moest Jefferson onder zijn hoofdkussen naar zijn zakdoek graaien en zijn ogen droogdeppen. Verderop in het verhaal redde de hond Chucks leven, zodat ze quitte stonden. Ook toen had Jefferson gehuild. Dat is een van de voordelen van alleen wonen: je kunt zo hard en zo vals zingen als je maar wilt, in je blootje door het huis lopen, eten wanneer je er zin in hebt en ongestoord een potje janken. Het was een stralende herfstochtend. Jefferson deed zijn deur op slot, stopte de sleutel in zijn linkerbroekzak, haalde zijn telefoon uit zijn rechterzak en stuurde het volgende bericht: Beste Gijsbert, je hoeft vanochtend niet langs te komen. Ik ben naar de stad. Ik ga mijn kuif laten bijknippen in De Scherpe Schaar. Ben rond de middag terug. Er staat aardappelgratin in de oven. Als je trek hebt … Ciao, maatje!

9


Daarna ging hij vrolijk op pad. Wat kon hij zich nog meer wensen? Hij had een ijzeren gezondheid, een dak boven zijn hoofd, eten in overvloed, een fantastische beste vriend – Gijsbert dus – en hij woonde op een adembenemend mooie plek, aan de rand van een beukenbos. Het was niet ver naar de stad. Je hoefde maar een paar minuten langs de bosrand te lopen, omhoog te klauteren langs een steil pad tussen de aalbessenstruiken en dan was je al op de hoofdweg. Die volgde Jefferson, bocht na bocht. Kwam het doordat hij in gedachten nog bij Chuck aan de oevers van de Orinoco zat? Of liep hij al te dagdromen van de zachte handen van Karolien, de jonge leerling-kapster die zijn haar altijd waste? Hoe dan ook, hij stak de weg over op een gevaarlijke plek, vlak achter een scherpe bocht. De auto kwam met meer dan honderdtwintig kilometer per uur aanscheuren uit de richting van de stad. Jefferson kon nog net een glimp opvangen van de twee inzittenden. De bestuurder was een lang, graatmager mens met een kaalgeschoren hoofd. Zo te zien had hij zijn slungelige lichaam dubbel moeten vouwen om achter het stuur te kunnen. Zijn passagier, ook een mens, maar veel forser gebouwd, droeg een muts en leunde met zijn elleboog uit het raam. De bestuurder trapte zo hard op de rem dat de banden gierend over het asfalt slipten.

10


Jefferson stootte een bloedstollend gepiep uit, sprong opzij en tuimelde achterover de sloot in. De jeep maakte een zwieper en door het openstaande raampje blafte de passagier iets wat begon met ‘Jij …’ en eindigde op ‘… van een egel’, met daartussenin een scheldwoord dat niet geschikt is voor publicatie. ‘Alles wat je zegt ben je zelf!’ mompelde Jefferson terug. Hij keek toe hoe de auto weer optrok en verdween. Toen kwam hij overeind, trok zijn kleren recht, merkte dat zijn broek nat was geworden en overwoog zich thuis te gaan verkleden. Uiteindelijk besloot hij dat hij geen zin had om het hele eind terug te lopen. ‘Het droogt onderweg wel op’, zei hij bij zichzelf. Bovendien zou hij eerst nog naar de bibliotheek gaan. Tegen de tijd dat hij bij Karolien aankwam, was hij vast weer droog, zodat ze niet zou denken dat hij … nou ja. Terwijl hij daarover liep te peinzen, merkte hij dat zijn hart nog steeds onprettig hard bonsde. Het hele gebeuren had hem flink van streek gemaakt. Het had maar een paar centimeter gescheeld of er was een egel minder geweest. Zo gaat dat in het leven: het ene moment voel je je licht, blij en zorgeloos, en een oogwenk later kan alles omslaan. Geluk is broos, bedacht Jefferson, en hij probeerde aan iets anders te denken.

11


Tegen de tijd dat hij de stad binnenliep, was hij alweer bijna de oude. Fluitend liep hij door de hoofdstraat en sloeg links af bij de fontein. In de stadsbibliotheek kende iedereen hem, en verschillende medewerkers begroetten hem met een opgewekt: ‘Hallo, Jefferson!’ ‘Vond u het mooi?’ vroeg de bibliothecaresse, een vriendelijke eend met een hartjesbril, toen hij Alleen op de rivier op de balie legde. Dat was waar ook: zij had hem het boek aangeraden. ‘Mooi? Nee!’ begon hij. Maar toen hij zag hoe haar gezicht betrok, wilde hij haar niet langer plagen en ging door: ‘Het was niet mooi, het was schit-te-rend! Bedankt voor de tip, trouwens. Ik zal tegen mijn vriend Gijsbert zeggen dat hij dit boek ook moet lezen.’ ‘O, meneer Jefferson’, zei de bibliothecaresse blozend. ‘U liet me schrikken. Ik vond het al gek, ik wist namelijk zeker dat de avonturen van Chuck echt iets voor u waren. Als u wilt, kunt u het boek meteen weer meenemen en zelf aan uw vriend geven.’ Hij bedankte haar, grasduinde nog even tussen de rekken en ging toen zo nonchalant mogelijk op een hoekje van de verwarming zitten om door een paar tijdschriften te bladeren. Een halfuurtje later vertrok hij uit de bibliotheek met Alleen op de rivier in zijn rugzak en een bijna droge kont.

12


Kapsalon De Scherpe Schaar lag in dezelfde straat als de bibliotheek, maar dan helemaal aan het eind. Het was een bescheiden, ouderwetse salon, waar maar drie klanten tegelijk in pasten. Edgar, de baas, was een bedaarde, goedmoedige das die in Jeffersons ogen (of eigenlijk: in Jeffersons oren) een zeldzaam maar waardevol talent bezat voor een kapper: hij was in staat je haar in alle stilte te knippen. Jefferson ging dan ook al jaren naar De Scherpe Schaar omdat hij wist dat hij er niet overstelpt zou worden met kletspraatjes. Hij trok zijn jasje recht, stak zijn borst vooruit, haalde een paar keer diep en geconcentreerd adem en schraapte zijn keel. Als hij Karolien nu eens uitnodigde voor een drankje na het werk? Ja, dat was een goed idee. Een geniaal idee, zelfs! Hij zou wachten tot meneer Edgar de telefoon moest opnemen of zo, en dan zijn stoute schoenen aantrekken en vragen: ‘Trouwens, juffrouw Karolien, tot hoe laat werkt u vandaag? Ja, want ik dacht, eh, ik dacht opeens, ik zat zo te denken … dat we misschien …’ Karolien was het nichtje van meneer Edgar. Omdat die al wat ouder werd, had hij haar onlangs in dienst genomen als zijn assistente. Jefferson vond het heerlijk als ze zijn haar waste en met haar soepele vingers zijn hoofdhuid masseerde. Hij vond het heerlijk als ze hem vroeg of

13


het water niet te warm of te koud was. Welke temperatuur het water ook had, hij antwoordde altijd dat het perfect was. Als het water ijskoud of kokendheet was geweest, zou hij er nog niks van gezegd hebben. Comfortabel achterovergelegen op het verhoogkussen, dat hij nodig had omdat hij zo klein was, sloot hij altijd gelukzalig zijn ogen en beeldde zich in dat Karolien zijn verloofde was. Want hoewel alleen wonen zoals gezegd absoluut voordelen had, was alleen soms ook maar … alleen. Tot Jeffersons grote verrassing ging de deur niet open toen hij de klink naar beneden drukte, hoewel het uithangbord met de naam De Scherpe Schaar vrolijk knipperde en het metalen rolluik omhoog was. Met zijn neus tegen de ruit probeerde hij door de vitrage te kijken. Het licht in de salon was aan. Onder de droogkap lag een geit van respectabele leeftijd te slapen met een plastic mutsje op haar hoofd. Alles leek normaal, alleen was meneer Edgar nergens te bekennen, net zomin als Karolien. Jefferson tikte met zijn vinger op het glas en wachtte. Hij tikte nog eens, wat harder deze keer, maar tevergeefs. Toen herinnerde hij zich het raam aan de achterkant van de salon en besloot om het gebouw heen te lopen. Het raam stond wagenwijd open, maar zomaar ergens naar binnen klauteren was natuurlijk strafbaar,

14


en als er één ding was waar Jefferson een hekel aan had, dan was het wel de wet overtreden. Al zijn hele leven lang deed hij zijn best om zich onberispelijk te gedragen – deels omdat hij een brave burger was, maar eerlijk gezegd vooral omdat hij met rust gelaten wilde worden. Daarom liep hij terug naar de ingang, tikte opnieuw op de ruit en omdat er nog altijd niets gebeurde, besloot hij maar weer naar huis te gaan. En toch zat het hem niet lekker. Stel je voor dat er iets was gebeurd … Stel je voor dat Karolien in gevaar was! Bij de gedachte dat hij misschien iets heldhaftigs kon doen waarvan het jonge dassenmeisje onder de indruk zou zijn, maakte hij vastberaden rechtsomkeert. Twee minuten later stond hij opnieuw onder het geopende raam aan de achterkant van de salon. ‘Meneer Edgar! Juffrouw Karolien!’ riep hij, en toen er geen antwoord kwam, raapte hij al zijn moed bij elkaar en hees zich – op het gevaar af zijn jasje te scheuren – moeizaam door het raam. Hij belandde in een bureauruimte die was volgestouwd met stapels flessen, dozen, potten gel, allerlei soorten shampoo en haarlotion. Vanuit de salon kwam maar één geluid: het geschetter van het lokale radiostation. Een ratelende stem spoorde de luisteraars aan om vlug een betaalnummer te draaien om dan, als het meezat,

15


helemaal niets te winnen. Langzaam waagde hij zich verder en riep opnieuw: ‘Meneer Edgar? Juffrouw Karolien? Ik ben het, Jefferson. Ik ben zo vrij geweest om …’ De geit lag diep in slaap onder de droogkap. Haar mond hing open, zodat je haar smetteloze kunstgebit kon zien, en een dun straaltje speeksel droop traag langs haar kin. Ze leek in een gelukzalige droomwereld te vertoeven. Misschien droomde ze van haar achterkleinbokjes? Jefferson liep om de eerste draaistoel heen, die leeg was, en toen zag hij de twee crèmekleurige schoenen van meneer Edgar. Ze wezen met de neuzen naar het plafond. Er was geen vergissing mogelijk: de beste man verkondigde iedere dag dat zijn werkschoenen net zo lekker zaten als pantoffels. Jefferson deed nog een stap naar voren en ontdekte achtereenvolgens twee evenwijdig liggende benen, een zorgvuldig tot onderaan dichtgeknoopte, witte kappersjas en ten slotte een grote schaar, waarvan één mes tot aan het handvat in meneer Edgars borst stak. Op de witte stof van de jas tekende zich een grote bloedvlek af, die ongeveer de vorm van Madagaskar had. Ironisch genoeg stond de naam De Scherpe Schaar er net boven geborduurd. Nooit was de naam van de kapsalon toepasselijker geweest. Net als zijn klant leek meneer Edgar te slapen, maar hij droomde overduidelijk niet van bokjes. Hij droomde helemaal nergens van. Hij was dood. 16


Tot op dat moment was het leven altijd lief geweest voor Jefferson. Nooit eerder had hij zo’n gruwelijk tafereel moeten aanschouwen en zijn reactie was dan ook vrij spectaculair. Eerst hapte hij naar adem, waarna hij een vreemd geluid uitbracht dat ongeveer klonk als: ‘Rohaaaarrrrggg … rohuurgggghh!’ Wat vrij vertaald zoveel betekende als: ‘Lieve help! Wat een bijzonder eigenaardig schouwspel, zeg!’ Hij vervolgde met: ‘Bleu-eu-eu-eu-rk iiekk frèèèèhhhhhh!’ Wat ongeveer betekende: ‘Deze man lijkt me geen natuurlijke dood te zijn gestorven. Volgens mij is dit een duidelijk geval van moord!’ En hij eindigde met een lang en klaaglijk: ‘Groooo­ aaaaahhhh!’, waarmee hij zoiets bedoelde als: ‘Zeg wat je wilt, maar ik vind dit best wel schokkend!’ Daarna deed Jefferson iets wat hij beter niet had kunnen doen: hij hurkte neer naast het lichaam en fluisterde: ‘Momentje, meneer Edgar, ik haal deze even weg.’ Hij nam de schaar in zijn rechterhand en trok hem uit de wond, waarbij hij zich erover verbaasde hoe moeizaam dat ging. Je zou denken dat je een schaar best gemakkelijk weer uit een lichaam kunt trekken, als een mes uit de boter, maar niet dus: je moet echt hard trekken! Precies op dat moment besloot de slapende geit uit haar zoete dromen te ontwaken, en wat ze zag toen ze

17


haar ogen opendeed – namelijk: het levenloze lichaam van meneer Edgar op de grond en daarnaast de moordenaar, met het wapen nog in de hand – liet weinig aan de verbeelding over. Ze sperde haar enorme mond wijd open en slaakte zo’n schelle gil dat het handspiegeltje ervan uit elkaar spatte: ‘Hiiiiiiiiiiiiii! Help! Hiiiiiiiiiiiiii! Help! Politie!’ Jefferson liet de schaar vallen. ‘O nee, mevrouw, dat heb ik niet gedaan! Ik kwam binnen en ik zag …’ Ze liet hem niet uitspreken, maar begon alleen nog harder te gillen. Diep in haar keel kon je haar huig zien trillen. ‘Hij heeft meneer Edgar vermoord! Hij gaat mij ook vermoorden! Hiiiiiiiiiiiiiiii!’ Smekend vouwde Jefferson zijn handen. ‘Neenee, mevrouw, echt niet …’ Ze duwde de droogkap omhoog en rukte het plastic mutsje van haar hoofd, waardoor haar paarse haardos vol krulspelden zichtbaar werd. Daarna rende ze naar de deur en rukte verwoed aan de klink, wat natuurlijk niets uithaalde. Vervolgens aarzelde ze geen moment. De angst om in deze piepkleine ruimte opgesloten te zitten met een moordenaar gaf haar opeens onmetelijk veel energie. Ze nam een korte aanloop en ramde als een professionele rugbyspeler met haar schouder tegen de deur. Die gaf meteen mee. Ze viel plat voorover op de stoep, sprong

18


als een duveltje uit een doosje weer overeind en ging er zo snel als haar korte benen haar dragen konden vandoor. Ondertussen bleef ze maar schreeuwen: ‘Hij heeft het gedaan! Hou hem tegen!’ en wees met een beschuldigende vinger naar Jefferson. Die stond op de stoep voor zich uit te prevelen, veel te zacht om het gekrijs van de geit te overstemmen: ‘Nee hoor, ik heb niks gedaan!’ Twee jonge bokken werden opgeschrikt door het gegil van de geit en kwamen op hem af lopen, eerst langzaam maar toen steeds sneller, en Jefferson gaf toe aan de oudste reflex ter wereld: hij sloeg op de vlucht. Met andere woorden: hij maakte zich uit de voeten, nam de benen, poetste de plaat, of hoe je het ook maar wilt noemen. Nog nooit van zijn leven had hij zo hard gerend. Zijn benen stuwden hem vooruit als de drijfstangen van een racewagen. De angst gaf hem vleugels en hij had ook echt het gevoel dat hij vloog toen hij zomaar over een verkeersbord met het opschrift werkzaamheden heen sprong, én over het minstens drie meter brede gat daarachter. Zijn achtervolgers moesten eromheen draven, wat hem een onoverbrugbare voorsprong opleverde. Een van de twee bokken brulde nog: ‘Blijf staan, Jefferson!’, maar hij rende door en zigzagde door de straten om ze af te schudden. Met dank aan zijn instinct en, toegegeven, een flinke portie geluk belandde hij op een braakliggend terrein

19


De vertaler ontving voor dit boek een projectbeurs van Literatuur Vlaanderen

www.lannoo.com www.de-leukste-kinderboeken.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, nieuwe aanbiedingen. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. © Uitgeverij Lannoo nv, 2022 ISBN 978 94 014 8496 1 D/2022/45/237 – NUR 282/283 Omslagillustratie: Martijn van der Linden Oorspronkelijke titel: Jefferson © Gallimard Jeunesse, 2018 © Vertaling: Lies Lavrijsen en Els Dumez-Blocken © Nederlandse editie: Uitgeverij Lannoo nv, 2022 Vormgeving omslag en binnenwerk: Studio Lannoo (Mieke Verloigne)


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook