Skip to main content

9789401484954

Page 1

Sylvia Vanden Heede & Thé Tjong-Khing

op het eiland

7


INHOUD Het eiland Een schelp en een smoes Sterren Rob De wens van Haas Post van Uil Een ding dat praat In de put Uit Thuis

11 22 31 41 52 63 74 82 95 106


HET EILAND Haas loopt over het strand. Het lijkt wel of ze iets leest. Af en toe staat ze stil en kijkt rond. Dan roept ze: ‘Hup Vos! Maak voort, Vos! We zijn er bijna!’ Vos loopt ook over het strand. Maar hij loopt niet zo snel als Haas. Hij draagt twee koffers en een rugzak en een tas. ‘Wat een reis!’ kreunt hij. ‘Wat is het ver naar het zuiden! Eerst met het vliegtuig. Toen een eind met de boot. En nu zijn we er nog niet! Was ik maar thuisgebleven! Dan zat ik nu knus in ons hol.’ ‘Thuis is het winter,’ zegt Haas flink. ‘En ik wou geen winter. Dat weet je toch.’ Vos knikt. Natuurlijk weet hij dat. Elk jaar is het één keer lente en één keer zomer en één keer herfst. En dus is het ook elk jaar winter.

Dat gaat gewoon zo.

Het kan best gezellig zijn, winter. 11


Je maakt de haard aan. Je gooit met sneeuwballen. Je drinkt hete thee bij het vuur. Maar daar heeft Haas geen zin in. ‘Ik ben de winter zat,’ zegt ze. ‘Ik heb genoeg van kou en hagel en ijs. Dit jaar wil ik alleen maar zomer. Daarom zijn we hier, Vos. En het was nog wel jouw idee! Jij zei: we gaan naar het zuiden. Daar is het altijd warm. We blijven de hele winter weg. En in de lente komen we terug.’ Vos knikt. Het is waar wat Haas zegt. Het was zijn idee. Maar het is zo ver naar het zuiden! Zo ver! En die koffers zijn zo zwaar! 12


‘Stop! We zijn er!’ roept Haas ineens. Vos zet de koffers neer. Hij veegt het zweet van zijn kop. Dan kijkt hij rond. ‘Weet je zeker dat het hier is?’ vraagt hij. ‘Ik zie alleen maar zand. En water. En twee bomen.’ ‘Ik weet het heel zeker,’ zegt Haas. ‘Ik heb de kaart toch? Die heeft Piep voor ons getekend.’ ‘Piep zit thuis, in het bos,’ moppert Vos. ‘Hij heeft makkelijk praten.’ ‘Piep kent de weg naar het zuiden,’ zegt Haas. ‘Hij was hier al eens, want hij heeft de wereld gezien. De kaart klopt echt. Kijk zelf maar.’ Haas geeft de kaart aan Vos. Er staat een ei op de kaart. En een pijl. En een kruisje. ‘Dit is de plek waar we nu zijn. Hier, op het kruis,’ wijst Haas.

13


‘Op het kruis?’ roept Vos. ‘Haas toch! Er is niet eens een kruis! Piep had het mis. Hij kent de weg niet! En nu zijn we verdwaald!’ ‘Nee hoor!’ sust Haas. ‘Jawel!’ ‘Nee!’ ‘Ja!’ Haas zegt niets meer. Ze vouwt de kaart op. Dan bukt ze zich. ‘Wat ben je van plan, Haas? Waarom schrijf je in het zand?’ Haas doet net of ze Vos niet hoort. Ze trekt een lijn en nog een lijn. En kijk... daar staat een kruis! ‘Nu klopt de kaart wel,’ lacht Haas. ‘En nu, Haas? Wat wil je nu doen?’ ‘Niets.’

‘Niets?’

‘Helemaal niets. Het is vakantie en ik ben lekker lui,’ zegt Haas. Ze gaapt en rekt zich uit. Dan gaat ze op de grond liggen, zomaar in het zand! ‘Nu nog mooier!’ moppert Vos. ‘Zijn we daarvoor van zo ver gekomen? Voor niets?’ Haas zwijgt. Ze heeft haar ogen dicht. 14


Het is net of ze slaapt. Maar ze slaapt niet. Haas is aan het zonnen. Zonnen lijkt op niets doen. Het is bijna hetzelfde. ‘Ik heb geen zin in zonnen. Ik heb het veel te heet,’ zegt Vos. ‘Ga dan zwemmen,’ mompelt Haas. Ze klinkt heel lui en traag. En je hoort haast niet wat ze zegt. Dat komt door de kaart. Die heeft Haas op haar kop gelegd, tegen de zon. In zwemmen heeft Vos wel zin. Hij trekt meteen zijn kleren uit. ‘Haas, waar is mijn zwembroek?’ ‘In de rugzak, Vos.’ Het water is heerlijk. Vos loopt erin tot aan zijn buik. Verder durft hij niet. De zee is zo wijd en zo diep! En weet je wat raar is? De zee beweegt! Niemand doet dat. Het gaat vanzelf. Er komen altijd maar golven, steeds weer. Het houdt nooit op. ‘Word je daar niet moe van, zee?’ vraagt Vos. De zee zegt niets. Natuurlijk niet. 15


De zee is geen dier. De zee is een ding. En dingen kunnen niet praten. PLETS! Er slaat een hoge golf over Vos heen. Nu is hij helemaal nat. Bah! En hij krijgt het nog koud ook! De lol is eraf voor Vos. Hij wil niet meer zwemmen. Hij wil terug naar Haas. Misschien is ze klaar met zonnen. Dan kunnen ze samen iets leuks doen. Tikkertje op het strand. Of visjes bakken. Of een zandkasteel bouwen met torens en een gracht. Haas zont nog steeds! Ze ligt daar maar met de kaart op haar kop. Ze beweegt niet eens! Ze zal toch niet...? Vlug haalt Vos de kaart weg. Gelukkig! Haas leeft nog. Ze sliep alleen maar. Nu wordt ze wakker. ‘Waar... waar ben ik?’ mompelt ze suf. ‘Hier, net naast het kruis,’ zegt Vos. Hij wijst het aan op de kaart. Nu weet Haas het weer. 17


‘O ja! Heerlijk! Vakantie! Lekker niets doen en...’ ‘Ik wil niet niets doen!’ roept Vos. ‘Ik wil iets doen. Visjes tikken. Bakkertje op het strand.’ Haas schudt haar kop. ‘Bah, nee! Het is veel te warm voor spelletjes. Bovendien wil ik zien waar we zijn. Ik ga een ommetje maken.’ En weg is ze! Nu snapt Vos er niets meer van. Haas weet toch al waar ze is? Ze zag het net nog op de kaart! Lag ze te lang in de zon? Heeft ze last van de hitte? Raakt ze de kluts kwijt? ‘Hé! Wacht, Haas! Wacht op mij!’ Een ommetje is voor de lol. Je hoeft nergens heen. Je hebt geen haast. Je loopt zomaar wat. Je wandelt. Haas houdt van ommetjes. Ze is er ook erg goed in. Wandelen mag je niet te snel doen. Anders zie je niets onderweg. En het mag ook niet te traag, want dan ben je nooit op tijd terug. Haas doet het precies zoals het hoort. 18


Ze kijkt eens naar links en ze kijkt eens naar rechts. Links is de zee. Rechts is het strand. Haas heeft haar handen op haar rug. Af en toe snuift ze diep, met haar ogen dicht. ‘Ha, zeelucht!’ zegt ze dan. Vos snuift ook. Hij ruikt niks. Vos is eigenlijk niet zo gek op wandelen. Zijn benen worden moe en zijn voeten doen pijn. Er zit zand tussen zijn tenen. ‘Haas, wanneer keer je om?’ ‘Omkeren? Nooit!’ lacht Haas. Vos schrikt. Nooit? Zei Haas ‘Nooit’? Zie je wel! Het is waar wat hij dacht! Haas heeft last van de hitte. Ze kreeg een zonnesteek! Nu weet ze niet meer wat ze doet. ‘Haas! Haas! Denk toch na! Wil je soms verdwalen?’ ‘We kunnen niet verdwalen,’ zegt Haas. 19


‘We lopen de hele tijd langs het strand.’ En ze loopt weer verder! Arme, arme Haas. Vos heeft zo met haar te doen! Maar hij zal goed voor haar zorgen. Hij zal met haar meegaan tot het strand ophoudt. Dan moet ze wel teruggaan. Maar hoe ver is dat nog...? Vos kijkt achterom. Ze liepen al een heel eind. Dat zie je aan hun spoor. De voetstappen van Haas zijn groter dan die van Vos. Grappig is dat. Een spoor is handig. Je weet meteen waar je geweest bent. Maar je weet niet waar je heen gaat. Vos kijkt weer voor zich uit. En dan schrikt hij zich een ongeluk! ‘Haas! Daar was nog iemand!’ roept hij. Hij wijst naar het strand.

En ja, het klopt. Er was iemand, want er is een spoor. Er liep iemand met grote voeten zoals die van Haas. 20


En daarnaast iemand met kleine voeten zoals die van Vos. ‘Ach, Vos toch!’ lacht Haas. ‘Dat waren wij. We zijn terug. Kijk maar. Hier is het kruis.’ Vos krabt zich achter zijn oor. Hoe kan dat nou? ‘Dit is een eiland,’ zegt Haas. ‘Dat weet ik ook wel,’ zegt Vos. ‘Op de kaart is het net een ei. Daarom heet het ook zo. Ei-land.’ ‘Welnee, Vos. Dat heb je mis. Een eiland is het omgekeerde van een vijver. Een vijver is een beetje water midden heel veel land. En een eiland is een beetje land midden heel veel water.’ ‘O,’ zegt Vos. Hij kijkt lang naar de kaart. Dan snapt hij het. Het strand houdt nooit op. Want als je aan het eind komt, ben je weer bij het begin.

Je hoeft dus ook nooit terug te gaan. Als dat niet handig is! 21


EEN SCHELP EN EEN SMOES Vos en Haas zetten de tent op. Dat is niet zo moeilijk. Je hebt alleen een lang, stevig touw nodig. En een grote, vierkante doek. En twee rechte, dikke bomen. Het touw en de doek zitten in de tas. De bomen staan er al. Haas pakt het touw en Vos pakt de doek. Dan knoopt Haas het ene eind van het touw aan de ene boom. En Vos knoopt het andere eind van het touw aan de andere boom. ‘Het moet hoger, Vos! Veel hoger!’ Het touw staat erg strak. Dat hoort zo. Anders hangt de tent door. ‘En nu de doek,’ zegt Haas. ‘Ik pak de ene punt en jij...’ ‘Ja, ja. Ik pak de andere punt,’ knikt Vos vlug. Hij weet wel hoe het moet. Kijk maar. De doek gaat over het touw en... Is dit nu een tent...? Haas krabt zich op haar kop. ‘Hier klopt iets niet,’ mompelt ze. 22


Vos krabt zich ook op zijn kop. ‘Het is wel een tent, maar je kunt er niet in,’ meent hij. ‘De tent is niet wijd genoeg.’ Vos heeft gelijk. Niemand kan erin. Zelfs Haas niet, en die is al zo dun. ‘Ik denk dat ik weet wat er scheelt,’ zegt Haas. ‘Het touw staat wel strak, maar de doek niet. We moeten stenen zoeken.’ ‘Stenen?’ ‘Precies. Stenen. Zware, dikke stenen. Stenen zo groot als een brood. Jij gaat de ene kant op. Ik ga de andere kant op. Tot zo!’ ‘Stenen!’ moppert Vos als Haas weg is. ‘Wat moeten we met stenen? Van stenen maak je geen tent, maar een huis!’ Toch doet hij wat Haas zegt. Hij loopt langs de zee met zijn neus naar de grond. Er zijn veel stenen op het strand. Grijze, en zwarte, en bruine, en witte. Stenen met spikkels en stenen met strepen. Natte stenen zijn het mooist. Ze glimmen zo prachtig! Zou Haas mooie stenen willen? Vast niet. 24


Ze zei: ‘Groot!’ en ‘Zwaar!’ en ‘Dik!’ Vos kijkt goed rond. Hij zoekt en zoekt. Waar vind je stenen zo groot als een brood? Zijn die er wel? Na een poos is Vos het zoeken zat. ‘Ik ben zo moe!’ klaagt hij. ‘Ik moet even zitten. Ik kan niet meer. Hier rust ik wat uit.’ Vos ploft neer in het zand. Maar meteen springt hij weer overeind! ‘Au!’ roept hij. Hij wrijft over zijn bips. Iets stak hem! Wat was het? Een eng beest? Een spin of een wesp? Vos kijkt. En nee hoor!

Het was geen beest. Het is een schelp.

Een schelp kan scherp zijn. Je kunt er beter niet op gaan zitten. Vos raapt de schelp op. Het is een erg mooie schelp. Hij glanst een beetje. Hij is blauw en groen en wit. Prachtig! De schelp is helemaal gedraaid. Er zit een punt aan. Hij lijkt een beetje op het huis van een slak. 25


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401484954 by Uitgeverij Lannoo - Issuu