Kam je haren, groet de ochtend
Ook wanneer ik er niet meer ben D I T T E VA N D E V EL D E
Voor mijn kuikens, R&B, mijn rhythm en mijn blues, Billie en Robin, Robin en Billie, mijn dochters, mijn alles
Wat voorafging Nergens in huis brandt een lamp, enkel de straatlantaarn gooit slordig wat oranje licht in de gang. Op de keukentafel heb ik mijn laptop opengeklapt. Ik ben daarnet mijn bed uit geslopen, het is halfdrie ’s nachts. Ik staar met koude, op elkaar gekrulde tenen naar het witte Word-document op mijn scherm. Ik moet er nu aan beginnen, ik heb geen tijd te verliezen. Wanneer ik er straks niet meer ben, wil ik alles wat van belang is verteld hebben. Aan R&B, mijn kuikentjes. De liefste, mooiste kuikens. Straks ben ik er niet meer en ik ben wel zo ijdel om te denken dat ik nog heel wat kan doorgeven. Over het leven, over mij, over waar de troost verborgen ligt en aan wie R&B mijn schoenencollectie mogen schenken. Een paar uur geleden hebben we naast elkaar zitten huilen. Het kille nieuws bracht ik als een te laat nieuwjaarspakketje binnen. Het is koud, onduidelijk nieuws, nog kouder dan mijn tenen nu. Het is een kwaadaardig, behoorlijk groot kankergezwel. Wat dat precies betekent, moet nog blijken. Mijn hart zegt dat het niets goeds kan betekenen. Mijn dagen worden – terwijl ik schrijf – afgeteld. Dat is zeker. R&B en ik hebben, om onze eigen angst te versnipperen, iedereen ingelicht die warme gedachten op overschot heeft. Daarna geeft de nacht een teken dat er geslapen moet worden. Mijn vingers glijden over het toetsenbord. Er ontstaat chaos: zorg goed voor Schele’n Barry, op zolder liggen nog duizenden foto’s, knuffel elkaar, vergeet niet hoe graag ik jullie vader zie, groet onbekenden, verlies de horizon af en
7
8
toe uit het oog, Herman zal jullie wel bijstaan met paperasserij, eet meer fruit, iedereen heeft recht op één afwijking, af en toe een hakje dragen is een goed idee, houd contact met mijn nieuwe zonen want het zijn kostbare parels, in het mapje brieven vinden jullie nog brieven vol vreugde en liefdesverdriet, deel alles wat ik bezit maar uit, houd zelf een paar dingen, lach en huil elke dag, ontbijt minstens één keer per jaar te mijner ere met de vriendekes… Wat voorafging, was mijn huppelend leven. De pijntjes waren klein, de gelukjes groot. Toen arriveerde ‘achteraf’ en werd mijn laptop mijn luisterend oor. Achteraf werd duidelijk dat vooraf beter was. En toen bleek dat achteraf ook de moeite waard was.
9
Vergeten is het teruggeven van gedachten. M A M A-DIN G E TJE ( VA N PA PA G E S TOL EN )
Hinderlijke hindernis Hoeveel mensen voor mij hebben er een eigen woord voor gezocht en verzonnen? Duizenden, denk ik. Of nog meer zelfs. Maak je het te vriend? Of geef je het de naam van een glibberige, griezelige worm? Ik heb ‘namen van wormen’ eens gegoogeld. Wow, daar zitten beestjes tussen die tot de verbeelding spreken… Maar ik had instantkeuzestress en het is dus iets anders geworden. Ik noem het de ‘hinderlijke hindernis’. Ik moet aan een tekening denken die Billie in de kleuterklas maakte. Een raar, kleurrijk figuurtje dat ze netjes had proberen uit te knippen. De juf had het op een drinkrietje geplakt – toen was plastic nog niet strafbaar – en zo kon het ventje min of meer ‘staan’. Billie overhandigde het met trots en noemde het ‘een hinderlijk monster’. Dat vond ik schitterend. Ik heb het knutselwerkje bewaard, ik ga het eens opsnorren. Daar moest ik nu, in mijn zoektocht naar een naam, aan denken. Aan dat malle figuurtje. Ik vraag me af of elke kankerpatiënt de behoefte heeft om er een eigen woord voor te vinden, om het ‘eigen’ te maken. Eigen en dus verslaanbaar. Het was een hallucinant moment toen ik drie weken geleden – uit het niets – te horen kreeg dat ik kanker heb. Vandaag, op Wereld Hinderlijke Hindernissendag, is er een plan. Een verstaanbaar en verslaanbaar plan. Binnen een week ga ik onder het mes. Mijn volgnummertje heb ik op zak. Mijn apegapenknuffel ligt klaar. De rolstoel is vandaag geleverd. Die heeft overigens niets met de hinderlijke
11
12
hindernis te maken, maar met het feit dat ik eergisteren domweg en pardoes onderuit ben gegaan. Fast forward naar de spoed. Een ongeluk is altijd in goed gezelschap (lees: komt nooit alleen). Het blijft niet bij het operatieticket dat ik al op zak heb. Een val, een afgescheurd enkelbotje (niet de trendy laarsjes maar het gebeente), een gebarsten vinger en verrekte knieligamenten krijg ik er in dit ‘één kopen, tweede gratis’- jaar gewoon bij! Gevolg: ik zal in een rolstoel naar mijn operatie moeten. Een dubbele portie medisch drama op deze Wereld Hinderlijke Hindernissendag.
‘Wees voorzichtig’ zeg ik (bijna) altijd als iemand vertrekt. En dan hoop ik dat bij het oversteken eerst links en dan rechts wordt gekeken. Dat er een propere zakdoek en een beetje kleingeld voor ‘in geval van’ op zak zit. Dat er geen plastic zakken aan de elleboog hangen. Dat ook. Dat laatste heeft niets met veiligheid te maken. Het is gewoon stijlloos en bovendien slecht voor het milieu.
M A M A-DIN G E TJE
Pijnmeter 14
‘Een buikgriepje? Stress? Niets om me echt zorgen over te maken en al zeker niet om een drukbezette dokter mee lastig te vallen…’ Zo denk ik over mijn buikpijn. Maar in nacht vier lig ik wakker van de pijn, dus ga ik die vrijdagmiddag toch naar de huisarts. Gewoon om te vragen of er buikgriep in het land is. ‘Jouw symptomen lijken op een appendicitis en toch ook weer niet’, zegt de dokter. ‘Weet je wat? Ik schrijf voor alle zekerheid een verwijsbrief voor de spoed, als de pijn dit weekend erger zou worden. Verder… een beetje rusten, een beetje vasten.’ Ik ben gerustgesteld. Dat is buiten Robin gerekend. ‘We wachten toch niet tot jouw blindedarm zaterdag of zondag springt? Schoenen aan, ik breng je naar de spoed!’ In mijn hoofd maak ik een lijstje van wie verwittigd moet worden als ik straks een blindedarmextractie moet ondergaan. Het is rustig in het ziekenhuis. Twee verpleegsters proberen een bruikbare ader te vinden. Na vijf keer prikken lukt het. Ik verontschuldig me voor mijn stoute, wegfloepende aders. Ik moet pipi in een potje doen en verontschuldig me voor het overgelopen plasje. Er wordt me gevraagd of ik misschien een drankprobleempje wil opbiechten. Ik zeg, me verontschuldigend, van niet. En zou het kunnen dat ik de pijn wat overdrijf? Hoe erg is de pijn op een schaal tot 10 als 10 onuitstaanbare pijn is? 7,384. ‘Denkt u daar nog maar eens goed over na.’ Ik krijg het gevoel dat ik niet welkom ben. ‘Misschien bent u gewoon geconstipeerd?’, gevolgd door: ‘HEBT GE NOG KAKA KUNNEN
DOEN?’. Deze keer roept de verpleegster, alsof ik plots ook doof ben. Er wordt een echo gemaakt. De radioloog wil niet zeggen of hij iets ziet dat onconventioneel is. ‘Op de echo is niets te zien,’ zegt de verpleegster op een I told you so-toontje, ‘dus moeten we nu naar de scanner.’ Ik verontschuldig me voor de extra verplaatsing. Na de eerste scan moet ik wachten. Lang wachten, in een akelig kamertje. Zal ik onder het mes moeten? De spoedarts komt binnen. Ik zie boven haar mondmasker enkel haar ogen vol medelijden. Ze fluistert bijna. ‘Uw buikpijn kunnen we niet verklaren, maar… we hebben per ongeluk iets gevonden… eh… een kanjer van een kanker gezwel op uw nier.’ De pijn zakt naar 0,0.
15
DE VRA AGSCHA AL
16
Als ik R&B vraag hoe gelukkig ze zijn, is het nooit op een schaal tot tien. In percenten mogen ze ook niet antwoorden. 10 en 100 zijn laffe getallen. We kennen ze van kinds af aan, al heeft menig schooldirecteur flink geprobeerd ze te omzeilen. Getallen werden door letters vervangen. Een A was heel goed, een 9 of een 10 eigenlijk. Een B kwam dan weer overeen met een 7 of een 8. Je kunt al raden waar de C voor stond. Maar omdat er toch verwarring kon zijn, werd de C+ uitgevonden. Je vindt online allerlei verschillende omrekentabellen. Flauwekul dus. Ik gebruik altijd de schaal van 0 tot 17. Daar moet je iets langer over nadenken… R&B zijn vaak een 16. Dat maakt van mij een 17.
M A M A-DIN G E TJE
Perron geluk ‘De trein op perron geluk zal om 7 over 8 vertrekken. Bereid u voor op de naderende trein.’ Zo klinkt het. Zo hoor ik het. Ik knik. ‘De tumor werd per ongeluk gevonden. 7 bij 8 centimeter. Bereid u voor op een nabije operatie.’ Dat zijn de echte woorden. Ze dringen pas tot me door nadat ik drie keer naar de bange ogen van de spoedarts heb geknikt. Geknikt omdat het als een logistieke mededeling werd uitgesproken. Na de derde knik stapt de dokter box 3 uit. Ze twijfelt of de schuifdeur open of dicht moet. ‘Maakt niet uit, wat u wilt’, zeg ik schaapachtig. De deur wordt tot halverwege dichtgerold. Een compromis. In een andere box hoor ik een man zeggen dat hij opgelucht is. Ik ben het tegenovergestelde van opgelucht. Wat is dat? Het enige wat ik denk en ook hardop zeg is: ‘Oei.’ Ik kijk door het smalle, hoge raam, waar de zon van plan is om de dag te verlaten. ‘Oei.’ Een verpleegster komt binnen en zegt dat ik een derde keer de scanner in moet. Ze loopt met te grote stappen de gang in. Ik kan haar amper volgen, stappen gaat moeilijk. ‘Kan het een beetje vooruitgaan?’, snauwt ze, terwijl ze zich vijf meter voor me uit even omdraait. ‘Ze zijn hier allemaal moe’, houd ik mezelf voor. ‘Dat weet je, neem het niet persoonlijk op, je hebt voor hun moeheid wekenlang trouw elke avond om 8 uur enthousiast aan de voordeur geapplaudisseerd…’ En toch komen er tranen. De brutaliteit van de mededeling kan ik niet aan. Op een stoeltje in een lege gang moet ik lang wachten.
17
18
Waarom moest ik dan zo snel hier zijn? Alle tranen komen nu. Ze zijn warm en ze maken snot. De gang blijft leeg. Er hangen lelijke kunstwerken aan de muur, tot ooievaars, uilen en exotische vissen geknipte en geplakte radiografieën. Een vrouw met een jongetje in een rolstoel vat wat verderop in de gang post. De mama stelt de zoon gerust: ‘Straks zal het minder pijn doen.’ Haar woorden lijken voor mij bestemd. ‘Kan ik iets voor u doen?’, vraagt ze me en ze brengt me een papieren zakdoekje. ‘Nee,’ zeg ik, ‘straks zal het minder pijn doen.’ Ik probeer te glimlachen. Kanker doet geen pijn. Ik sta op het perron geluk. Ik heb geen keuze en moet de naderende trein nemen.
Wat maakt het leven de moeite waard? Liefde en moed. Met nieuwsgierigheid als side dish. M A M A-DIN G E TJE
Flipperkast 20
‘Is dit dan het jaar dat ik een herinnering word?’, vraag ik me af, terwijl ik naar de kastdeuren in het spoedkamertje zit te staren. ‘Het jaar dat mijn foto op een kaartje ergens op een random schouw iets te lang stof zal pakken?’ Dat kan toch niet? Mijn grootmoeders hebben de honderd jaar aangetikt. Ik ging er dus van uit dat ik nog evenveel voor de boeg als al achter de kiezen had. Wat? Eh, echt? Ga ik nu dood? Wanneer is nu dan? Mijn gedachten zijn als balletjes in een flipperkast… Is dit mijn exit-ticket? Hoe vertel ik het straks? Heb ik de gestreken was uit de strijkkamer al opgeborgen? Zal ik binnenkort heel ziek zijn? Waarom zijn niervormige bekkens niervormig? Waar ligt die parkeerboete die ik nog moet betalen? Weet Robin nog welke liedjes op mijn begrafenis gespeeld moeten worden? Dat hebben we ooit in een melancholische bui besproken. Als de tumor nu niet gevonden was, wat was er dan gebeurd? Bel ik Robin om me op te halen? Maar wat zeg ik dan? Zal ik kou hebben als ik zonder jas naar huis ga? Moet ik nu een bucketlist maken? Heeft de dokter onder dat mondmasker een perfect gebit of toch een scheef tandje? Als wie of wat of hoe wil ik graag een herinnering zijn? Het herinneringskaartje wordt onder mijn neus geschoven. Over vijf dagen heb ik een afspraak bij een uroloog. ‘Zult u het niet vergeten?’ Nee, ik denk het niet… ‘We weten verder echt niet waarom u zo’n buikpijn hebt… zal het lukken om naar huis te gaan? Hebt u iemand waarmee u kunt praten? Hebt u al uw spullen bij u?’