Onze IJslandvaarders voorwerk deel2_Opmaak 1 1/07/21 16:19 Pagina III
Onze IJslandvaarders Johan Depotter
Deel 2: L tot Z
Onze IJslandvaarders voorwerk deel2_Opmaak 1 2/11/21 14:31 Pagina IV
© De auteur Deze uitgave kwam tot stand dankzij de medewerking van
Academia Press Coupure Rechts 88 B-9000 Gent (België) info@academiapress.be www.academiapress.be Uitgeverij Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Vormgeving en opmaak: Printmagazijn
Depotter, Johan Onze IJslandvaarders (deel 2) Gent,Academia Press, 2021, XXIX + 647
ISBN 9789401481687 (deel 2) D/2021/45/503 NUR1 680 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of vermenigvuldigd door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Onze IJslandvaarders voorwerk deel2_Opmaak 1 1/07/21 16:20 Pagina VII
Ten geleide
Als achterkleinzoon van IJslandvaarder August Desaever – de vader van mijn grootmoeder aan vaderszijde - had ik als tiener al bijzonder veel interesse voor de visserij van weleer. In mijn ouderlijk huis, op zolder, lag het werk van Juul Filliaert,‘De laatste Vlaamsche Yslandvaarders’. Eén van mijn jaarlijks terugkerende vakantietaken bestond erin om met de ragebol de zolder op te frissen. Snuisterend tussen oude prentkaarten vond ik dat oude boek terug. De spinnenwebben bleven hangen… Ook de overgrootvader van mijn vrouw Anita, David Calcoen, deed vele IJslandreizen en diende vanuit Duinkerke op een houten zeilschip de zes maanden durende “campagnes” aan te vatten. Op naar de IJslandse zeeën om er met een eenvoudige kollijn kabeljauw aan de haak te slaan! Wat bezielde die jongelui, die mannen uit onze Westhoek toch, dat zij voor zo’n lange tijd van huis weggingen om zo de kost te verdienen? Die vraag hield me bezig en de lange zoektocht naar hun verhaal, naar hun drijfveren startte zo’n vijfentwintig jaar geleden. Wat ooit over die IJslandvaarders gepubliceerd was, werd bijeengezocht. Ik vond veel leerrijke informatie, maar des te meer vragen doken bij me op. Ik was gewoonweg in de ban geraakt van die vissersfamilies uit de 19de eeuw! Helaas kon ik geen oud-IJslandvaarders meer opzoeken; daarvoor was ik te laat geboren. Toen Anita en ikzelf een oud Oostduinkerks vissershuisje kochten, bleek dat ook hier een oudIJslandvaarder, Gusje Trompe, gewoond had. In de buurt wisten mensen nog veel af over de oudIJslandvaarders.We woonden als het ware in hun “nest”. Als gids in het NAVIGO-Visserijmuseum van Oostduinkerke zocht ik contact met nabestaanden die er vol trots langskwamen en me hun verhaal deden over vader, grootvader, oom of aanverwante. Ik startte een inventarisatie en bezocht vele archieven. Eerst kwamen de gemeentelijke archieven aan de beurt.Verdere verplaatsingen naar Oostende, Brugge, Brussel en Beveren-Waas volgden. De archieven in Duinkerke waren gelukkig bij de deur, maar de vele opzoekingen in Cherbourg en Bretagne eisten dan weer meer tijd op.Wat een verslaving! Telkens vond ik nieuwe namen en vervolgens belde ik mogelijke nakomelingen op. Die contacten leverden veel op. Mensen kwamen aandraven met vergeelde foto’s en drukten me op het hart dat ze het verhaal van hun “pette” samen met zijn foto maar al te graag in een boek zouden zien prijken. Het opsporen van de IJslandvaarders in archieven was een tijdrovende en afmattende bedoening. Er waren dagen bij dat je nagenoeg niks vond en dat je jezelf afvroeg of je je tijd thuis niet beter had kunnen gebruiken. De zolder opruimen misschien? Het contact met en de aanmoedigingen en hulp van andere onderzoekers, verzamelaars en genealogen waren doorslaggevend. Er moest wel een boek van komen. Ik voel mezelf allesbehalve een schrijver. Eerder een jager, een verzamelaar. De tekstverwerking kwam op gang. Insiders raadden me aan om het werk encyclopedisch op te stellen. Er zouden wellicht verschillende delen moeten verschijnen, als we het verhaal van de meer dan 970 IJslandvaarders en hun gezin wilden brengen. De puzzelstukken zijn nu gelegd. Bij ieder personage wordt een tipje van de “IJsland”-sluier gelicht, zodat men zich, aanbeland bij de familienamen met de letter “Z”, beslist een ruimer beeld kan vormen over de samenleving van onze kustbevolking uit de 19de eeuw en in het bijzonder over het leven aan boord van een Duinkerkse of Grevelingse galette. Het wordt een verhaal van mensen die het “Deugnieteland” IJsland moesten opzoeken. Ze wendden hun bekomen voorschotten van die visserij aan om de afbetaling van hun duinwoonst en de huur van hun zandakkering te vereffenen. Een verhaal van strevers, durvers, winnaars en verliezers.Als je het mij vraagt, eigenlijk een verhaal van alle tijden… VII
Onze IJslandvaarders voorwerk deel2_Opmaak 1 1/07/21 16:20 Pagina VIII
Hoeveel van onze IJslandvaarders zijn er ook niet gebleven op IJsland? Aan de kerksteen luidde de belleman:“Ze hebben nog veel mansvolk te kort in Duinkerke om naar IJsland te gaan. Jonge lieden, er is daar geld te verdienen, steunt uw vader en moeder en gaat al te gare naar deze stede den eersten zaterdag van ’t jaar. Maakt er een mooie dag van en zoekt u een kapitein.” Het geld lokte. Les avances, de voorschotten op het loon, kwamen van pas. Binnenkort moest de zoon naar ‘den troep’ en dat betekende twee jaar geen inkomsten. Hij zou dus eerst een schone reis doen en de opbrengst kwam zijn ouders ten goede. Anderen wilden trouwen met hun lief. De jaarlijkse pacht moest nog betaald worden, er was geld nodig voor een stel haringnetten of men wilde mee betalen voor de aankoop van een schuit. Allez les Flamands! De sukkelaars die tekenden, kregen een schone Duinkerkse fooie: eten en drinken van buikje-sta-bij op kosten van de reder. Licht verzouten, maar met honderd frank of meer op zak keerden ze huiswaarts. Op naar de dag van het vertrek! Er was nu geen weg terug. Slechte herinneringen en sterke verhalen gingen rond: Cissenoom was toch ook door de golven verslonden… Moeder Gods, sta ons bij! Sussende woorden ook:“Allez, ’t is toch voor geen eeuwe dat je weggaat? En iedere dag je volle pinte eau-de–vie!” Meer dan duizend van de “onzen” zijn aan boord gegaan van een Frans zeilschip in de periode 1815-1938. Zeker honderddertig daarvan keerden zes maand later niet meer terug uit het “Deugnieteland”. Allez, ’t is toch voor geen eeuwe…
Johan Depotter
VIII
Onze IJslandvaarders L_Opmaak 1 1/07/21 15:41 Pagina 1
L
L De gebroeders Labaere uit Wulpen Henricus Willebrordus Labaere en zijn jongere broer Pieter Jacobus Labaere waren zonen van Karel Labaere, (°Pervijze, 1816 †Wulpen, 1886) en van Monica Renier, (Wulpen, 1820-1893). Dit gezin woonde te Wulpen aan de Conterdijk en hun buren waren de IJslandvaarders Karel Desaever en Polydoor Coussaert. Labaere Pieter Jacobus °Wulpen, 8/05/1858 De jongste van het tweetal, Pieter Labaere, huwde te Wulpen op 3 november 1880 met Nathalie Vanneuville, (°Oostduinkerke, 1860), visserin en dochter van de IJslandvaarder Karel Vanneuville en Sophie Torreele. Het jonge echtpaar bleef in Wulpen aan de Dijk wonen tot in 1898, dan verhuisden ze naar Oostduinkerke. Zowel in 1884 als in 1885 trok hij naar Duinkerke om zich te beschepen voor de IJslandvaart. In 1884 was hij mee aan boord van de goélette D.11 Capricieuse (152 tx) van rederij Vancauwenberghe & Eugène Regnez. De kapitein was Merlen. Ook Jules Schoolaert uit Oostduinkerke en Engelbert Legein en Desiré Bulteel uit De Panne waren mee. Er waren achttien bemanningsleden mee aan boord. 1883 was lonend geweest voor de IJslandvaarders en de reders brachten nog negen nieuwe schepen aan voor de campagne van 1884. Honderd schepen vertrokken vanuit Duinkerke vanaf 15 maart. Een gravure in Le Monde Illustré 1884 van de hand van M. Lepère schetst het vertrek van die vloot. De traverse gebeurde met de wind in ‘t gat en haast iedereen was reeds aan het kollen aan de zuidkust op 27 maart. Maar toen kwam de maand april met veel sneeuwvlagen en windstoten. De Fransen verloren zes schepen. De Duinkerkse goélette Reine-des-Anges verging in de nacht van 6 op 7 april aan de Westmaneilanden met man en muis. Op 4 april was de Capricieuse al vastgelopen bij diezelfde eilandengroep. Door de sneeuwvlagen hadden ze aan boord van de Capricieuse te laat opgemerkt dat ze dicht bij ‘t land afgedreven waren. De bemanning probeerde nog koers te zetten van ‘t land weg, maar de zware goélette werd op de rotsen gegooid. Daar ze wel op een strook “leeg land” (terre basse) strandden, kon de bemanning zonder veel problemen zichzelf redden. De drenkelingen werden enkele dagen later al naar Reykjavik vervoerd, waar zij in het Franse “Maison de Refuge” ondergebracht werden. In 1884 konden de bemanningsleden van drie Franse goélettes er asiel vinden tot verdere repatriatie mogelijk werd.
Maison de Refuge te Reykjavik De commandant van het natieschip “le Dupleix” schreef hierover in zijn rapport over de campagne van 1884: “Indien het gebouw niet bestond, zouden de drenkelingen in dit armzalig gebied als vagebonden moeten overleven. Jammer genoeg zijn onze vissers die er ondergebracht worden, niet erg dankbaar, want ze springen slordig en onhygiënisch om met dit verblijf, net zoals ze dit gewoon zijn in hun eigen logies aan boord. We hopen op meer verantwoordelijkheidsgevoel bij onze vissers!” In 1884 werd het huis door mariniers van “Le Dupleix” met een nieuwe laag teer ingewreven. Enkele vernielde beddenbakken werden vervangen. Potten en pannen in de keuken waren nog in goede staat. Er werd weer een stock aangelegd van duizend maaltijden en voor de keuken werd de voorraad steenkool aangevuld.
1
Onze IJslandvaarders L_Opmaak 1 1/07/21 15:41 Pagina 2
Onze IJslandvaarders
Ook in 1885 trok Pieter naar IJsland.Tijdens zijn afwezigheid werd thuis op 8 augustus zoontje Henri geboren. Het was vroedvrouw Marie-Louise Delpierre, de 54-jarige weduwe van Joannes Kuyle, die de aangifte deed.
Labaere Henricus Willebrordus °Wulpen, 16/03/1856 Broer Henri Labaere nam in 1886 en 1887 de fakkel over. Hij huwde na zijn campagne van 1886 te Veurne op 17 november 1886 met Louise Marie Delblauwe, (°Veurne, 7/07/1860). Ook zij bleven in Wulpen aan de dijk wonen. Tijdens zijn reis van 1887 werd op 23 juli bij hen thuis een kindje verwacht, maar het meisje kwam levenloos ter wereld. Op 20 november 1891 verhuisde het gezin Labaere-Delblauwe naar Veurne, naar de wijk “Palen” gelegen langs het kanaal Veurne-Adinkerke.
De afvaart in 1884.
Lafaire Carolus Ludovicus
°Koksijde, 3/11/1853 †IJsland, 15/03/1890
Karel was de oudste zoon van Louis Lafeire, (°Oostduinkerke, 1830 †Koksijde, 1869) en van Anna Legein, (Koksijde, 1825-1865). Bij zijn huwelijk was Louis meester-visser geworden op een eigen schuit. Het gezin Lafeire-Legein woonde in de wijk Noordoosthoekduynen te Koksijde. Karel was twaalf jaar toen moeder kort na de bevalling van haar tiende kindje stierf.Vader Louis hertrouwde te Koksijde op 26 april 1866 met Appolonia Weerbrouck, maar stierf zelf in 1869. Karel was zestien geworden en ging als knecht inwonen bij het landbouwersgezin Engel FouvryMarie Torreele te Oostduinkerke. Daar bleef hij knecht tot aan zijn huwelijk. Hij trouwde te Oostduinkerke op 1 december 1877 met Rosalie Laplasse, (°Slijpe, 1859). Vanaf 1880 liet Karel de stiel van boerenwerkman voor wat het was en hij trok van dan af jaarlijks naar IJsland zoals een 75-tal andere Oostduinkerkenaars. Bij de geboorte van drie van zijn kinderen werd in de akte vermeld dat vader Karel IJslandvaarder was. Hij ondernam elf reizen. Het hadden er veel meer kunnen worden, maar het noodlot sloeg ook voor hem toe nabij IJsland. In 1888 was Karel samen met buurman Engel Vanneuville en Theofiel Tahon uit Adinkerke aan boord van de goélette Virginie (135,61tx). Kapitein Eugène Hars en zijn mannen konden met hun 23 jaren oude zeilschip de orkaan doorstaan. Ze zagen de Active zinken, maar door hun kordaat 2
Onze IJslandvaarders L_Opmaak 1 1/07/21 15:41 Pagina 3
L
optreden konden ze 17 van de 18 drenkelingen van de Active redden. Alleen luitenant Vindard kwam om. Op de Active waren toen vier Belgen aangemonsterd: Benjamin Timmerman en Karel Legein uit Adinkerke en Louis Hennaert en Eduard Alleweireldt uit Koksijde. De mensen van de Active werden in Reykjavik aan wal gebracht. Reeds op 16 augustus kwam de Virginie Duinkerke binnenvaren met grote vangsten. Ook in 1889 was Karel aan boord van de Virginie met kapitein Eugène Hars. Ditmaal waren Karel Weerbrouck en Victor Lemaire mee.Tijdens zijn afwezigheid beviel Rosalie op 25 juni van zoontje Engel in hun woonst gelegen in de wijk Oostachterduinen. In 1890 was Karel Lafaire met dorpsgenoten Fré Gillet en Victor Lemaire aan boord van de D.68 Virginie. Karel Lafaire ging graag in zee met kapitein Eugène Hars. Buurman Karel Marnhout van zijn kant vond dat die zeevent echter veel te veel dronk en wilde liever niet meer met hem in zee gaan… Nochtans rekende de rederij Riquer-Debats telkens op diezelfde Eugène Hars om hun goélette Virginie te leiden. De Virginie (135 tx) verliet de haven van Duinkerke op 10 maart. Tot 15 maart voer ze samen met nog andere Duinkerkse en Grevelingse zeilschepen noordwaarts. Bij een opkomende storm zag men vanop verscheidene schepen dat de Virginie ter hoogte van de Faeröer koppig dezelfde koers bleef aanhouden. De overige schepen wendden het roer en probeerden laverend van het land weg zich in veiligheid te brengen. Na deze storm werd de Virginie door geen enkel ander schip nog opgemerkt. Wel werden door bemanningsleden van de Galoper drenkelingen op een rots opgemerkt. De Galoper probeerde zo dicht mogelijk te geraken. Ze telden achttien man en een grote, zwarte scheepshond. Het slechte weer noopte de mensen van de Galoper deze gevaarlijke plek te verlaten. Pas vier dagen later kon men op die plaats terugkomen. Kapitein Girou wist met zijn verrekijker niemand meer te ontwaren. De ongelukkigen waren door de zware golven in zee gesleurd en verdronken. In de Oosthoekduinen rouwde men om hun drie verongelukte vissers. Moeder Rosalie Laplasse bleef over met haar zes kinderen. Het oudste dochtertje Helena dat op jonge leeftijd doofstom geworden was, vroeg extra aandacht nu moeder nog meer dan tevoren het huis uitmoest om extra loon te vinden. Tot overmaat van ramp stierven in ‘t volgende voorjaar ook de twee overige dochters, de 8-jarige Christina en de 6-jarige Margaretha door ziekte.Weduwe Rosalie hertrouwde op 3 december 1891 met Isidoor Lemaire. Dochter Helena werd op ‘t einde van 1893 geplaatst in een instelling te Brugge. Ook haar leven werd er niet beter op. Ze was twaalf jaar toen ze haar veilige stek in de duinen moest verlaten. Ze werd krankzinnig. Op 21 maart 1903 werd Helena in het H.-Hartinstituut te Ieper opgenomen. Na haar tweede huwelijk werd Rosalie Laplasse meer en meer gevraagd om als vroedvrouw de
Een vleugje wind in volle oceaan. Van stormweer gaan we maar zwijgen… 3
Onze IJslandvaarders L_Opmaak 1 1/07/21 15:41 Pagina 4
Onze IJslandvaarders
vissersvrouwen bij te staan. De dokters en gediplomeerde verpleegsters raakten niet tijdig in de afgelegen Oostvoorduinen en Oostachterduinen, thans Groenendijk, om de hoogzwangere vrouwen bij te staan. Daar zij geen opleiding had genoten, werd ze aangeklaagd en in 1897 moest zij zestien dagen celstraf uitzitten of 60 fr. boete betalen voor het onwettig uitvoeren van de vroedkunde.
Paysage avec village et vaches 1894 Op een schilderij van de hand van Emmanuel Viérin, daterend uit 1894, zie je hun klein landerijtje uiterst rechts.
De gebroeders Lafère uit Oostduinkerke Dominiek Lafeire, (Oostduinkerke, 1804-1883) en diens vrouw Joanna Rabaey (Oostduinkerke, 1814-1886) woonden als landlieden met een herberg ten oosten van de Oostduinkerkse dorpskom en ten zuiden van de steenweg naar Nieuwpoort. Twee van de drie zonen zouden IJslandvaarder worden.
(Fiche technique: huile sur panneau, 24 x 32 cm monogrammé et daté b.à.d.: Em. Viérin / 1894)
Lafère Rochus Amandus °Oostduinkerke, 1/03/1849 Hij was militien van de lichting 1869 en ingedeeld bij het 3de Regiment Jagers te Voet. Vanaf 1871 tot en met 1876 kreeg hij toestemming om de IJslandvaart vanuit Duinkerke te beoefenen. Maar hij had ook een aanvraag ingediend om administratief douanebeambte te worden. Na zijn IJslandreis van 1876 deed hij zijn toelatingsexamen te Brugge. In 1877 kon hij aan de slag in de haven van Nieuwpoort als “matroos bij de douanen” en er volgden vanzelfsprekend geen IJslandcampagnes meer. Op 2 februari 1880 huwde hij te Oostduinkerke met Nathalie Virginie Huysseune, (°Oostduinkerke, 1855). 4
Onze IJslandvaarders L_Opmaak 1 1/07/21 15:41 Pagina 5
L
Lafère Jacobus Idesbaldus °Oostduinkerke, 26/11/1851 Jacobus was landbouwknecht zolang broer Rochus naar IJsland trok. De 17-jarige boerenwerkman werd door Louis Maes in de Oostduinkerkse duinen op 10 november 1870 betrapt met stroppen. Hij moest voor zestien dagen ‘den bak in’. Rochus deed zes opeenvolgende IJslandcampagnes, Jacobus deed er negen. Vanaf 1877 tot en met 1885 voer hij naar ‘t noorden. Op 6 januari 1882 werd Ko betrapt in de duinen van grondbezitters Vanderplancke-Roels. Daar had alleen Camiel Verschoore uit Kortrijk jachtrecht. Ditmaal was Henri Huysseune de jachtwachter van dienst. Ook nu moest Jacobus voor acht dagen de cel in, maar eerst moest hij zijn verbintenis met de Duinkerkse rederij afmaken. De campagne van 1882 wachtte. Na de reis van 1883 huwde hij met Maria Francisca Danneel, (°Oostduinkerke, 1851), dochter van IJslandvaarder Louis Danneel en Isabelle Daems. Er volgden nu nog twee reizen, in 1884 en 1885. Jacobus werd kustvisser vanuit Oostduinkerke-
Beeld van de Duinkerkse haven bij de afvaart in 1884. Niet minder dan 101 schepen met 1520 zeelieden verlieten in één week tijd de haven. 5
Onze IJslandvaarders L_Opmaak 1 1/07/21 15:41 Pagina 6
Onze IJslandvaarders
Baden. Op 24 december 1890 werd hij ‘s nachts verrast door de jachtopzichter. Voor het zetten van stroppen werd hij bestraft met zestien dagen celstraf en 3,20 fr. proceskosten.
Lafère Ludovicus Franciscus °Oostduinkerke, 9/10/1884 Louis was de oudste zoon van oud-IJslandvaarder Jacobus Idesbald Lafère en van Maria Danneel. Net zoals zijn vader was hij uit de duinen niet weg te slaan. ‘t Stropen zat hen duidelijk in het bloed. Op 28 mei 1903 belandde hij in de gevangenis van Veurne voor zijn tweede veroordeling van zestien dagen (jachtovertreding in de Oostduinen te Oostduinkerke). Het gemeentebestuur van Oostduinkerke smeekte om hem tijdelijk vrij te krijgen daar de jongeman kostwinner was voor z’n zieke vader, zijn zus en zijn twee jongere broers. In 1906 was Louis mee aan boord van de goélette D.27 La Foi van rederij Deck-Vanarien. Ook de Oostduinkerkenaar Karel Lozier en Koksijdenaar Jules Lycke vergezelden hem dat jaar. Kapitein Auguste Louis Vanhille uit Bray-Dunes kwam vers water inslaan in Faskrudsfjord van 24 tot 29 mei. Maar ook vanaf 22 tot 24 juli deden ze deze baai aan, daar het water in de tonnen reeds ondrinkbaar geworden was.‘t Had de kleur van karnemelk en ‘t stonk... In 1907 kon hij mee met de te Gravelines uitgerede dundee G.2 Alfred van rederij Jules Lecompte. Ook dorpsgenoot Victor Vanneuville was mee op de Alfred en moest eveneens de verre verplaatsing maken om in te schepen. Kapitein Léon Albert Brébant, uit Gravelines afkomstig, was op d’ eerste zaterdag van ‘t jaar afgezakt naar Duinkerke om er nog enkele matrozen te ronselen. De meeste bemanningsleden had hij in Gravelines al gevonden. Dat jaar konden elf landgenoten werk vinden op één van de 27 Grevelingse IJslandschepen. Eén ervan de stomer G.13 Hécla, met 26 man aan boord, kwam op woensdag 27 maart al terug uit IJsland. Ze kon in Gravelines al 200 tonnen moruwe, 6000 los bewaarde ingezouten kabeljauwlijfjes en 50 tonnen visresten aan wal brengen. Geen enkele Belg was echter aangeworven op die stomer. Door de grote schade aan netten en de vele onvoorziene kosten, hield rederij Torris de visserij met stoomschepen echter voor bekeken.Vanaf 1908 zouden zijn werknemers enkel nog kollen vanop zeilschepen.
De campagne van 1907 De commandant van het Franse natieschip “Lavoisier” haalde in zijn rapport ‘Campagne de pêche de 1907 en Islande’ o.m. de volgende punten aan: “De 46 Duinkerkse en de 26 Grevelingse zeilschepen zijn gecommandeerd door kapiteins met geringe theoretische opleiding. Haast niemand heeft een brevet dat hem toelaat de koopvaardij te beoefenen. Ze zijn dus enkel “maître de pêche”. De 72 schepen met 1279 bemanningsleden zijn gemiddeld al zo’n 22 jaar oud. De hygiëne aan boord laat heel veel te wensen over. De kapiteins zijn er onverschillig voor. Het logies vooraan is overbevolkt, want twaalf vissers moeten zich er steeds met acht kooien weten te behelpen. Er is haast geen plaats met al het oliegoed dat daar te drogen hangt. Door de dampen van de kookketel en de natte kledij is het er broeierig warm. Het stinkt er vreselijk en toch wordt er haast niet verlucht, zelfs niet bij mooi weer of tijdens het bezoek aan een baai. Het is beschamend en mensonterend dat zeelui heden ten dage nog zes maanden moeten weten te overleven in zo’n vochtig, stinkend hol. Ondanks onze waarschuwingen en adviezen aan het adres van de Duinkerkse en Grevelingse reders in de voorbije jaren, is er door hen nog niets essentieels gebeurd om de levensomstandigheden van IJslandvaarders aan boord van zeilschepen te verbeteren. Wij blijven pleiten voor de volgende drastische, maar levensnoodzakelijke aanpassingen op de Duinkerkse en Grevelingse zeilschepen: • aangepaste verluchtingsmogelijkheden creëren in het logies • het logies moet vergroot worden naar het ruim toe, zodat daar nog extra bedden, maar ook een apart vertrek kan ingericht worden voor het drogen van het oliegoed • De keuken en het slaapverblijf moeten gescheiden worden. De keuken kan op ‘t dek geïnstalleerd worden, zoals het bij de Bretoense IJslandvaarders al langer het geval is.
6
Onze IJslandvaarders L_Opmaak 1 1/07/21 15:41 Pagina 7
L
• het beddengoed moet vervangen worden door minder vochtdoorlatende textielstoffen zoals kapok. • Nog altijd gebeurt het koken meestal door incompetente scheepsjongens, een permanente kok dringt zich op. • Een tekort aan groenten is overal waarneembaar: de vissers uit Noord-Frankrijk hebben enkel wat droge bonen en erwten mee. De aardappelen aan boord blijven maar tot eind april eetbaar. Trouwens, de kwaliteit van de meegebrachte aardappelen is nihil. • In plaats van zoveel jenever te geven aan de bemanning, zou men beter meer werk maken van het uitschenken van warme thee en koffie. Nu moeten de matrozen nog zelf hun koffiebonen meebrengen, willen ze tijdens de reis koffie drinken. Het bier dat de reders de bemanning laat drinken, is slecht…” Le capitaine de frégate Lefournier, commandant du ‘Lavoisier’
De dundee Alfred kwam Gravelines binnenvaren op 4 september 1907 met 303 tonnen moruwe aan boord. Ook in 1908 was hij aan boord van dit Grevelings schip met dezelfde kapitein. Louis was aangenomen als vaste kok, maar diende natuurlijk ook voldoende te kollen om aan zijn centen te geraken. Ook dorpsgenoot Victor Vanneuville en Nieuwpoortnaar ‘t Job Blondeel waren mee. De Alfred vertrok uit Gravelines op 3 maart en was er terug op 30 augustus. Dat jaar vertrokken elf Belgen vanuit de monding van de Aa naar IJsland. Op 2 april kwam het oorlogsschip nabij de zuidoostkusten bijliggen. De Alfred was daar vissend samen met de Fernand uit Gravelines, de Martha, de Intrépide, de Gravelinoise, de Lucien en de Amiral l’ Hermite.Vanop de Fernand en de Lucien werd telkens één ziek bemanningslid van boord gehaald en met de roeiboot naar het natieschip overgebracht.Aan boord van deze zeven zeilschepen volgde een strenge inspectie van hygiëne en comfort.Werden de nieuwe verordeningen wel degelijk nageleefd? Vanaf 1908 moest een vaste kok in dienst genomen worden. Die eer viel Louis te beurt.Toch vonden de officieren van de ‘Lavoissier’ dat de kok van de Alfred nog te vaak moest meevissen en dat hij in een te kleine, rokerige en klamme ruimte zijn werk als kok diende uit te oefenen. Bovendien werd de kolenkachel te klein bevonden. Nee, je kon dit allesbehalve een degelijk fornuis noemen, vonden de inspecteurs. Van de 130 Franse zeilschepen op IJsland (de 13 kleinere Bretoense chasseurs inbegrepen) werden er 80 gecontroleerd. Artikel 30 van de wet op kinderarbeid moest vanaf 1908 ook gerespecteerd worden. Scheepsjongens van minder dan vijftien jaar werden niet getollereerd. Toch werden er tijdens deze campagne nog vijf schepen opgemerkt met mousses die twaalf tot vijftien jaar oud waren. Een decreet van 13 januari 1908 stelde dat de rantsoenen voor zeelui zo gevarieerd mogelijk hoorden te zijn.Verder probeerde men het alcoholmisbruik te bannen. De kok moest ook instaan voor de meest elementaire vormen van hygiëne en moest de netheid in het vooronder verzekeren. Per bemanningslid was het dagrantsoen scheepsbeschuit 750 gram. Brood was er enkel tijdens de heenreis. De Bretoenen lieten hun chasseurs een hoeveelheid brood (10 kg per man) meebrengen uit het moederland. Zo hadden ze in mei ‘t geluk om de scheepsbeschuiten links te kunnen laten liggen. Aan boord van de Alfred werd in 1908 voor het eerst scheepsbeschuiten uit Nantes ( biscuits de Nantes) gebruikt. De Noord-Franse matrozen waren er weg van. Ze waren niet te hard en ze beschimmelden niet zo vlug.Toch hoopte men dat er net zoals op de Britse stoomtreilers brood zou gebakken worden aan boord. Spek was de enige vorm van vlees meegebracht aan boord van de Alfred. De meeste Franse schepen hadden er 250 à 300 kg mee voor gans het seizoen. De Alfred had er 390 kg mee.Twee keer per week kreeg men het op zijn bord. Op de meeste andere schepen gaf men het enkel tijdens de traverse of op dagen dat er niet gevist werd.Vanaf 1908 werd het dagelijks rantsoen vlees berekend op 150 gram per persoon. Na het baaileven waren de aardappelen beslist op en dan ging men over tot maaltijden van spek en gedroogde groenten (bonen, erwten, gedroogde julienne-groenten). Per persoon moest er vanaf 1908 dagelijks één halve kg aardappelen of 100 gram gedroogde groenten voorzien worden. 7
Onze IJslandvaarders L_Opmaak 1 1/07/21 15:41 Pagina 8
Onze IJslandvaarders
Vooral op de restrictie bij het verdelen van de rantsoenen brandewijn of jenever (42°) werd scherpe controle gehouden. Een ministeriële omzendbrief van 11 februari 1908 bepaalde dat een volwassen zeeman dagelijks 15 cl alcohol (42°) mocht drinken. De Alfred had voor de campagne van 1908 per matroos 27 liter sterke drank voorzien en dat viel binnen de limieten. Toch vermoedden de commandant en de officieren van de ‘Lavoisier’ dat er wellicht toch nog enkele tonnetjes clandestien aan boord gebracht waren en er goed verborgen werden gehouden. Want in vele baaien waren er schepen te vinden waar écht geen enkel bemanningslid, tot de kleinste mousse toe, in staat was om een verstaanbaar woord uit te brengen als gevolg van de drank. De kapiteins deden maar al te graag mee aan die braspartijen in de baai. Daar werden heel grote hoeveelheden eau-de-vie bedeeld. Slechts enkele kapiteins verplichtten hun bemanning op zee om die sterke drank in hun koffie te mengen. In 1909 was Louis terug aangemonsterd op een Duinkerks schip. Samen met Engel Vanbillemont en de broers Isidoor en Karel Corteel was hij aan boord van de dundee D.28 Roger (84 tx) van rederij Dekeirel-Hardebolle. Er waren achttien bemanningsleden en kapitein Hars vertrok reeds op 18 februari. In 1910 deed Louis zijn laatste IJslandreis aan boord van de dundee D.32 Vigilant (79 tx) van rederij Charles Lemmens. Kapitein Jonneskindt vertrok op 16 februari en op 27 augustus waren de negentien bemanningsleden weer in Duinkerke. Het brutoloon van de drie Oostduinkerkse matrozen werd vastgelegd: hijzelf ontving 420,45 fr., Julien Deramoudt 432,10 fr. en Victor Vanneuville 438,10 fr. Over de Belgische IJslandvaarders lezen we in de Vlaamsche Zeevisscher van april 1910: “Tien wakkere vissers uit Oostduinkerke vertrekken dit jaar naar IJsland. Eén ervan telt dertig reizen. In het voorbijvaren van de Orkaden hebben de schepen nieuws gelaten. In de Noordzee troffen ze veel slecht weer en op IJsland zelf loeit de storm. Het hospitaalschip ‘St.François d’Assise’ vertrekt op 15maart uit Le Havre en vaart ten westen van Ierland en op 30 maart is het voorzien aan de Westman-eilanden om er brieven van onze IJslandvaarders over te nemen. Op 10 april doet het Faskrudfjoord aan, ‘t schip kruist dan op de hoogte van Thorlak, bezoekt de “Jagers” te Patrixfjoord en is in de hoofdstad Reykjavik met 1 mei.” Opmerkingen: Voor ‘t jaar 1910 vonden we 16 IJslandvissers afkomstig uit Oostduinkerke.
8
Corteel Isidoor °1880
inwoner Oostduinkerke
matroos
Roger
Corteel Karel °1889
inwoner Oostduinkerke
matroos
Roger
Vanbillemont Karel °1878
inwoner Oostduinkerke
zouter
Roger
Missuwe Arthur °1872
wonend in Koksijde
zouter
Amiral l’Hermite
Legein Isidoor Th.°1876
wonend in Koksijde
matroos
Amiral l’Hermite
Delanghe Louis Fr.°1880
wonend in Koksijde
matroos
Violette
Soen Leopold °1888
inwoner Oostduinkerke
matroos
Violette
Ureel Henri °1859
inwoner Oostduinkerke
matroos
Berthe
Ureel Engel °1863
inwoner Oostduinkerke
matroos
Berthe
Corteel Arthur °1872
inwoner Oostduinkerke
matroos
Berthe
Corteel Emiel °1875
inwoner Oostduinkerke
matroos
Berthe
Vanbillemont Ange °1866
inwoner Oostduinkerke
zouter
Raymond
Goderis Victor °1870
inwoner Oostduinkerke
zouter
Raymond
Deramoudt Julien °1880
inwoner Oostduinkerke
matroos
Vigilant
Vanneuville Victor °1875
inwoner Oostduinkerke
matroos
Vigilant
Lafaire Louis °1884
inwoner Oostduinkerke
matroos
Vigilant
Onze IJslandvaarders L_Opmaak 1 1/07/21 15:41 Pagina 9
L
Voor Henri Ureel was dit zijn drieëntwintigste en tevens zijn laatste reis. De twaalf overigen waren beduidend jonger en komen niet in aanmerking om de kaap van dertig IJslandreizen te hebben bereikt. ‘t Aanbrengen van zeilen.
Lahaye Carolus Ludovicus “Wietjenoom Loaje” °Veurne, 29/05/1879 Karel Louis, kortweg Louis, was zoon van David Alexander Franciscus Laha(e)ye, (°VeurneBewesterpoort, 1830) en van Maria Josephina Dormieux, (°Ghyvelde, 1837). De ouders waren landbouwwerklieden, woonachtig in de Veurnse wijk Bewesterpoort. Louis’ oudere zus, Zenobie, was in 1885 gehuwd met de IJslandvaarder Franciscus Provoost. Louis was bijna achttien jaar toen hij met zijn schoonbroer Cissen Provoost naar IJsland trok. In ‘t najaar van 1896 werd Franciscus Provoost aangeduid door rederij VancauwenbergheLemaire om als zouter te fungeren op de lougre Chien de Mer. Stuurman Jules Vanhille uit Bray-Dunes zocht nog matrozen en Cissen Provoost bracht zijn jongere schoonbroer ‘Louis’ Lahaye aan. Die jongeling werd door stuurman Jules Vanhille aangetrokken op 16 november 1896. De bemanning van de Chien de Mer was op die dag dan ook compleet. Louis Lahaye werd aangemonsterd aan 17 fr./last en de ervaren IJslandvaarder Franciscus Provoost ontving als zouter één frank per last meer. Het voorschot van Louis bedroeg 180 fr. Opmerkelijk is ook het feit dat kersverse kapitein Louis Salenbier slechts 20 fr. per last verdiende. Stuurman Jules Vanhille, die veel campagnes had gedaan, moest de visplaatsen aanbrengen en de reisroute uitstippelen. Hij ontving 30 fr. /last. Eigenlijk was hij de échte patron aan boord. Hij 9
Onze IJslandvaarders L_Opmaak 1 1/07/21 15:41 Pagina 10
Onze IJslandvaarders
was het namelijk die de nauwste band had met de reder. Hij had weliswaar niet het evenwaardige brevet als kapitein Salenbier, maar had wel de sleutels van de kast waar de ‘sterke drank’ bewaard werd. Geen wonder dat de matrozen vooral in hem de patron zagen. Het leek erop dat reder Vancauwenberghe kapitein Salenbier enkel had aangeworven omdat alleen hij het nodige diploma kon voorleggen bij de Marine-overheid om het commando te voeren over de Chien de Mer. De lougre Chien de Mer liep in Duinkerke van stapel in 1867. Ze was 21 meter lang en had een netto-tonnenmaat van om en bij de 56 tx. Dit schip liet de eigenaar-reder Vancauwenberghe ombouwen tot goélette in 1892. Op zaterdag 13 maart 1897 vertrok het gros van de Duinkerkse vloot naar IJsland. Er stond een kleine bries zuidenwind en met alle zeilen op voer men weg. En toch werd het op de oceaan een stormachtig voorjaar.Vooral in de nacht van 27 op 28 maart woedde een felle storm. Op 5 april kraakte en piepte de oude lougre onder ‘t geweld van de razende storm. In april hadden ze veel dagen waarop ze onmogelijk konden kollen, geplaagd als ze waren door die felle rukwinden. Eén matroos brak zijn schouder en moest dringend van boord weten te raken. Drie andere bemanningsleden werden ziek. Ook Louis Lahaye was daarbij. Hij had een zware bronchitis opgelopen en was fel verzwakt. Kapitein Salenbier had nog zo gehoopt assistentie te krijgen van het Franse hospitaalschip ‘St.Pierre’. In 1897 opereerde dit zeilschip voor het eerst in de IJslandse zeeën, maar dat hospitaalschip van ‘Oeuvres de Mer’ strandde echter in ‘t voorseizoen. Kapitein Salenbier liep dus met de Chien de Mer wat vroeger dan voorzien Faskrudsfjord binnen om de gewonde en de zieken af te zetten. Ondertussen was de Deense overheid gestart met een hospitaal te Faskrudsfjord. Het houten gebouw had één verdieping en was met zinken platen bedekt. Het bevatte op de gelijkvloers een ziekenzaaltje met zes bedden, een kapel en een keuken. Boven was er nog een ziekenkamer met vier bedden alsook een ruimte voorbehouden voor de religieuzen. Deze protestantse zusters waren tevens de verpleegsters van dienst. Het hospitaaltje werd pas in juli 1897 in gebruik gesteld, zodat de mensen van de Chien de Mer daar met hun zieken nog niet terecht konden.Toch verzorgden de twee zusters dat jaar al tien Franse matrozen. Ze wasten hun linnen, verzorgden de maaltijden maar waren ook volleerde verpleegsters die in Kopenhagen jarenlange ervaring opgedaan hadden. De opnamekosten bedroegen per dag anderhalve Deense Kroon per patiënt (2,25 fr.). Er was geen dokter aanwezig.Wel kwam de hoofddokter van het Franse oorlogsschip ‘La Manche’ langs wanneer deze de tweede week van mei de baai van Faskrudsfjord aandeed. In de baai wachtten ze dus geduldig de komst van het medisch personeel van de Franse oorlogsbodem ‘La Manche’ af. Dokter Daniel, médecin de deuxième classe de la marine, verzorgde Louis en zijn zieke metgezellen ter plaatse. Eind mei hadden ze aan boord van de Chien de Mer slechts 80 tonnen moruwe weten te stockeren. Het werd dan ook een barslecht jaar voor de mensen van de Chien de Mer. Op 6 september 1897 zat Louis’ reis erop, maar buiten de voorschotten, werd verder niets gewonnen. Louis had als 18-jarige onnoemelijk veel moeten afzien en mocht al blij zijn dat hij het er heelhuids vanaf gebracht had. Zonder geld noch deelvis moesten hij en schoonbroer Cissen in ‘t Veld (Bewesterpoort) weten te geraken. Dus gingen ze maar te voet, de plunjezak op de rug… Louis Lahaye bleef uit IJsland weg. Hij werd metserdiener. Hij bleef als alleenstaande in zijn geboortewijk wonen aan de rand van de dorpskom. Zijn huisje was een onooglijk klein barakje dat op ‘t einde van de hedendaagse Moeresteenweg stond.
De driemaster Saint-Paul uitgereed door de Société ‘Oeuvres de Mer’ was van stapel gelopen op de werven Buron te Saint-Malo. Hij was 37 m lang en kon 612 m2 zeil zetten. Dit assistentieschip strandde een eerste keer op 2 mei 1897 nabij Reykjavik. Een tweede stranding nabij Koteyar in april 1899 maakte een einde aan haar bestaan. De drenkelingen werden eerst opgevangen in de boerderij Hnausar te Rofabae. De bemanning en veel lichte inboedel werden met tien IJslandse gidsen en honderd pony’s over besneeuwd traject 400 km verder naar Reykjavik gebracht. De tocht duurde acht dagen. De olielampen en wat meubilair uit het schip zijn nog te bezichtigen in het kerkje van Langholt (Medalland). 10
Onze IJslandvaarders L_Opmaak 1 1/07/21 15:41 Pagina 11
L
In 1898 liep de ondertussen 31-jarige lougre vast in de baai van Faskrudsfjord. De schade was zo groot dat men haar daar ter plekke moest achterlaten. De campagne zat er juist op toen kapitein Roère en zijn manschappen op 23 augustus nog eens die baai binnenvoeren om vers water in te slaan. Een verkeerd manoeuvre deed hen stranden. Achteraf werd kapitein Roère verantwoordelijk gesteld voor het verlies en zijn brevet werd ingetrokken.
Lambrecht Franciscus Leopoldus °Adinkerke, 25/12/1812 †Adinkerke, 31/01/1894 Frans was één van de twee zonen uit het gezin Lambregt-Lefevre die IJslandvaarder werden.Vader Pierre Jean stierf in 1833 en moeder Jenne Lefevre in 1855. Het gezin woonde in het vissersgehucht Adinkerke-Duynen. Daar hadden ze 26 are duingrond als eigendom. Hoewel zijn broers de schrijfwijze “Lambregt” hanteerden, ondertekende hij akten met “F Lambrecht”. Al zijn kinderen gingen dan weer als Lambregt door het leven. Vier van zijn zes zonen zouden op IJsland varen, maar één onder hen, Pieter Lambregt, bleef op IJsland. Frans huwde te Adinkerke op 15 juli 1837 met Talia Rosalie Zoete, (°Zuydcoote, 1818 †Adinkerke, 1887). Zij was de dochter van Pieter en Isabella Dewaele. In 1844 was Frans samen met Pieter Hennaert, Pieter Zoete en Louis Lambrecht aan boord van de goélette Flore. Na de dood van zijn moeder werd Frans eigenaar van de pannepot ‘La Jeune Flore’. In 1859 werd er tijdens de zomermaanden niet mee gevist; de vaste bemanningsleden verdienden liever geld met de visserij ten zoute vanuit Duinkerke. Na de campagne van 1859 werden aan boord van de Jeune Flore in de periode van 10 oktober tot 25 november niet minder dan 173 400 haringen uit de vleet geschud. In 1863 verloren Frans en Talia hun 18-jarige zoon Pieter aan het begin van de IJslandcampagne. Ook in 1872 sloeg het noodlot toe in het gezin van Frans Lambrecht en Talia Zoete.Toen hun pannepot, de P.15 ‘Marie’ in de nacht van 27 op 28 augustus kapseisde, verdronk hun bijna 16-jarige zoon Leopold Lambregt. De broer Franciscus, (°Adinkerke, 1842), die patron was aan boord van de ‘Marie’ moest op 5 december 1874 getuigenis afleggen voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne. In het hierboven afgedrukte relaas, blijven enkel zakelijke gegevens over, precies alsof Frans Lambrecht het verongelukken van zijn jongere broer Leopold, van zijn oom Karel Lambregt en van Louis Popieul en Pieter Timmerman een alledaags gebeuren vond...
Chemin rural (probablement le Kasteel-dreef à La Panne) 1898 Zonovergoten tafereel vastgelegd in het vissersgehucht AdinkerkeDuynen door luminist Emmanuel Viérin Fiche technique: Huile sur toile, 80 x 122 cm Signé et daté en bas à gauche: Emm. Viérin / 1898 Collection: collection privée Période: 1893 - 1900.
11