D/2022/45/8 – ISBN 978 94 014 8146 5 – NUR 633 Vormgeving omslag: Gert Degrande | De Witlofcompagnie Vormgeving binnenwerk: Peer De Maeyer © De auteurs & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2022. Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus Vaartkom 41 bus 01.02 Postbus 23202 3000 Leuven 1100 DS Amsterdam België Nederland www.lannoocampus.com
FRANS IN 2500 WOORDEN
VOORWOORD Merk je als student, werk(zoek)ende dat je de Franse woordenschat onvoldoende beheerst? Frans in 2500 woorden wil je de woordenschat aanreiken die je in hedendaagse teksten en krantenartikelen leest en die je in dagdagelijkse conversaties gebruikt.
Welke woorden?
De keuze van de woorden in dit boek is gebaseerd op hun frequentie in een gevarieerd corpus (pers, literatuur en ondertitels) van meer dan 100 miljoen woorden. Door de aard van het corpus kunnen we je een combinatie aanbieden van woorden die specifiek zijn voor zowel geschreven als gesproken Frans. We hebben gekozen voor een rangschikking in dalende frequentie, in ‘bubbels’ van een vijftigtal woorden. Grammaticale woorden (lidwoorden, voornaamwoorden …) zijn niet in het boek opgenomen.
Woorden alleen?
Hoe woorden in een taal met elkaar gecombineerd worden, is niet gemakkelijk voorspelbaar. Daarom vormen woordcombinaties een groot struikelblok voor een vreemdetaalleerder. In Frans in 2500 woorden vind je meer dan 6000 woordcombinaties (bv. poser une question) en zo’n 500 korte zinssnedes die vaak gebruikt worden in gesprekken (bv. Nous sommes deux. Que se passe-t-il ?). In die woordcombinaties en zinssnedes komen nog zo’n 1000 extra woorden voor.
Meer dan een uitgebreide woordenlijst…
Frans in 2500 woorden is verrijkt met overzichtskaders waarin je nuttige tips vindt rond de morfologie van woorden, het gebruik van voorzetsels …
… en drie online applicaties
Op pagina 4 wordt uitgelegd hoe je je kennisprofiel van de woordenschat kan bepalen via een online woordenschattest. Die diagnostische test leert je ook waar je best inpikt in het boek als bijvoorbeeld zou blijken dat je de meest frequente woorden al beheerst. Naast een test bieden we ook toegang tot een woordenschattrainer met flashcards*. Flashcards vergemakkelijken het inoefenen van de woordenschat op het openbaar vervoer, tijdens een korte pauze of … in bed voor het slapengaan. Het systeem laat ook toe om moeilijke woorden in een persoonlijk woordenboek te bewaren. Ten slotte biedt Frans in 2500 woorden ook toegang tot een woordenschatkamer met bijkomende informatie over de beschreven woorden. In die schatkamer vind je antwoorden op vragen als Wat is nu precies het geslacht van problème en histoire ? (en bij uitbreiding alle substantieven die eindigen op -e in het Frans), Welk voorzetsel gebruik je met bepaalde adjectieven?, Welke frequente woorden gebruik je om te spreken over het weer? … Voor meer details over deze applicaties, zie pagina 4 en 5. De auteurs
* Of flitskaarten. Het gaat om een online applicatie waarbij een woord in het Nederlands wordt aangeboden en de gebruiker de vertaling raadt. 3
FRANS IN 2500 WOORDEN
2500 WOORDEN ONLINE Woordenschattest
Hoe goed ken je de basiswoordenschat van het Frans? Ontdek het hier: https://ilt.kuleuven.be/2500/test. De diagnostische test is vrij beschikbaar. De test geeft je een beeld van je woordenschatprofiel en geeft je een indicatie vanaf welk niveau, tussen 1.1 en 6.8, je aan de slag zou moeten.
Voorbeelden van woordenschatprofielen sterk profiel
sterk profiel tot niveau 4 zwakker profiel vanaf niveau 4
4
FRANS IN 2500 WOORDEN
sterk profiel tot niveau 2 zwakker profiel voor niveau 2 zeer zwak profiel vanaf niveau 3
Woordenschattrainer
Zin om de woorden te oefenen op de bus of op de trein? Gebruik deze flashcards: https://ilt.kuleuven.be/2500/flash. Doe eerst de diagnostische test om te weten op welk niveau je best start.
Woordenschatkamer
Ontdek hier tal van bijkomende kenmerken van de 2500 woorden (morfologie, woordcombinaties …), maar ook de semantische velden waartoe de woorden behoren, eenvoudige zinsstructuren …: https://ilt.kuleuven.be/2500/eureka. Je vindt er ook lijsten met grammaticale woorden (voorzetsels, voornaamwoorden …).
Om toegang te krijgen tot de woordenschattrainer en de woordenschatkamer heb je deze code nodig:
5
FRANS IN 2500 WOORDEN
INHOUD 48 ‘bubbels’, met woorden gerangschikt volgens frequentie, verdeeld over 6 hoofdniveaus en 8 subniveaus (van 1.1 tot en met 6.8). Verder komen ook de volgende topics aan bod: Accent (accent) Adjectief (adjectif) Afleiding (dérivation) Antoniemen (antonymes) Bijwoord (adverbe) Geslacht (genre) Getal (nombre) Morfologie (adjectieven) (morphologie des adjectifs) Morfologie (substantieven) (morphologie des substantifs) Morfologie (werkwoorden) (morphologie des verbes) Spelling (orthographe) Substantief (nom) Thema’s, semantische velden (thèmes, champs sémantiques) Veelgemaakte fouten (fautes fréquentes) Vergelijking (comparatif) Vertaling (traduction) Voorzetsel (préposition) Wat te doen? (Que faire?) Werkwoord (verbe) Woordcombinatie (combinaison de mots)
31 19, 28, 40, 159, 167 135, 143, 155, 175, 179 123 83 40, 79, 127 87 16, 19 19 10, 13 131 19 34, 47, 75 71 115 95, 107, 119, 163 139, 147, 151, 159, 167, 171 99, 111 50, 147, 151, 171 91, 103
Index
180
6
FRANS IN 2500 WOORDEN
CONVENTIES [~e | ~s, ~es] [féminin singulier | masculin pluriel, féminin pluriel] grand [grande | grands, grandes] ~e voor de vrouwelijke vorm: voeg de letter toe aan het basiswoord: central – centrale -ère voor de vrouwelijke vorm: vervang een aantal letters van het basiswoord: premier – première [~] de vorm van het meervoud is dezelfde als die van het enkelvoud: une fois – des fois [~s] de vorm van het meervoud: voeg de letter s toe: le monde – les mondes [~/-el, -elle | ~x, -elles] nouveau [nouveau/nouvel, nouvelle | nouveaux, nouvelles] [~(e) | ~s, ~(e)s] auteur [auteur, auteur(e) | auteurs, auteur(e)s] [= masculin], (m.) het woord is mannelijk: l’amour [= féminin], (f.) het woord is vrouwelijk: les lunettes (adj.) adjectif (adv.) adverbe (B.) typisch Belgisch woord: un bourgmestre (F.) typisch Frans woord: un maire (Vl.) typisch Vlaams woord: een zetel ↔ tussen woorden met tegengestelde betekenis (antonymes): gagner ↔ perdre → duidt een afgeleide vorm aan: rapide → rapidement > woorden die opeenvolgende acties, feiten weergeven: commencer > interrompre > reprendre > continuer > … ≈ tussen woorden die min of meer dezelfde betekenis hebben qqch. quelque chose qqn quelqu’un
7
FRANS IN 2500 WOORDEN | NIVEAU 1.1
1.1 A
aimer graag hebben, houden van aimer les frites graag frieten eten aimer se promener graag wandelen aller gaan, functioneren, samengaan met, passen bij aller bien goed gaan Ça va ? Gaat het? J’irai le voir demain. Ik ga morgen naar hem toe. alors dan Elle est là ? Is ze daar? Alors, je viens aussi. Dan kom ik ook. un an [~s] een jaar l’an dernier vorig jaar un par an één per jaar le Nouvel An nieuwjaarsdag aussi ook Je le vois aussi. Ik zie het ook. autre [~ | ~s, ~s] andere un autre jour een andere dag qqn d’autre iemand anders avoir hebben avoir deux ans twee jaar zijn Ils ont froid. Zij hebben het koud. Tu auras ton Je krijgt je geschenk cadeau demain. morgen.
B
bien goed, veel, erg bien parler goed spreken bon [~ne | ~s, ~nes] goed un bon match een goede match au bon moment op het goede moment C’est une bonne chose. Dat is een goede zaak.
C
une chose [~s] een ding, een zaak la chose suivante het volgende une bonne chose een goede zaak la meilleure chose het beste une mauvaise chose een slechte zaak 8
croire geloven croire une histoire een verhaal geloven Je ne te crois pas. Ik geloof je niet. Je crois que tu as raison. Ik denk dat je gelijk hebt.
D
deux twee Nous sommes deux. Wij zijn met zijn tweeën. devoir moeten (doen) devoir prendre contact contact moeten opnemen dire zeggen ne rien dire niets zeggen Vous dites non ? Zegt u nee? donner geven donner un cadeau een geschenk geven
E
encore nog Il dort encore. Hij slaapt nog. être zijn être le frère de qqn de broer zijn van iemand être jeune jong zijn être vieux oud zijn Il est là. Hij is daar. Elle sera présente. Ze zal er zijn.
F
faire doen, maken faire un voyage een reis maken faire attention opletten Vous ne faites rien. Jullie doen niets. Il fera beau demain. Morgen wordt het mooi weer. Faites un effort ! Doe een inspanning! il faut men moet (iets doen) Il faut faire attention. Men moet opletten. une fois [~] een keer une seconde fois een tweede keer une autre fois een andere keer Répète encore une fois. Herhaal nog eens.
G
grand [~e | ~s, ~es] groot C’est mon grand frère. Hij is mijn grote broer.
FRANS IN 2500 WOORDEN | NIVEAU 1.1
H
un homme [~s] een man un homme politique een politicus un vieil homme een oude man un bel homme een knappe man l’homme de mens
I
ici hier Ton ordinateur est ici. Je computer is hier.
J
ne … jamais nooit Il n’est jamais venu. Hij is nooit gekomen. un jour [~s] een dag le jour suivant de volgende dag un jour avant een dag eerder un seul jour één enkele dag un jour plus tard een dag later le jour het daglicht Le jour se lève. De zon komt op.
L
là daar Il est assis là, sur le banc. Hij zit daar, op de bank.
M
mettre leggen, plaatsen, aantrekken mettre un livre een boek op de tafel sur la table leggen mettre un pull een pullover aantrekken le monde [~s] de wereld un monde meilleur een betere wereld le quart-monde de vierde wereld
N
non nee Non, je ne viens pas. Nee, ik kom niet.
O
oui ja Oui, je le connais. Ja, ik ken hem.
P
parler spreken parler français Frans spreken se parler (met) elkaar spreken ne ... pas niet Il ne parle pas. Hij spreekt niet.
passer voorbijkomen, doorgeven, doorbrengen passer devant la maison voorbij het huis komen passer le sel het zout doorgeven passer ses vacances zijn vakantie en France doorbrengen in Frankrijk se passer gebeuren Que se passe-t-il ? Wat gebeurt er? Il ne s’est rien passé. Er is niets gebeurd. penser à denken aan penser aux vacances aan de vakantie denken penser nadenken penser du bien de qqn een goede dunk van iemand hebben petit [~e | ~s, ~es] klein un petit garçon een kleine jongen attendre un petit moment een ogenblikje wachten plus meer Il en faut plus. Er moeten er meer zijn. Il est plus petit. Hij is kleiner. pouvoir kunnen, mogen pouvoir sortir le samedi mogen uitgaan op zaterdag Il pourra venir. Hij zal kunnen komen. Que puis-je faire Wat kan ik voor u doen? pour vous ? premier [-ère | ~s, -ères] eerste le premier jour de eerste dag la première fois de eerste keer prendre vastnemen, nemen prendre un couteau een mes nemen prendre le bus de bus nemen
Q
quand wanneer Quand pars-tu ? Wanneer vertrek je?
R
ne ... rien niets Elle ne dit rien. Zij zegt niets.
S
savoir weten, kennen, kunnen savoir lire un texte een tekst kunnen lezen Il saura me trouver. Hij zal me kunnen vinden. 9
FRANS IN 2500 WOORDEN | NIVEAU 1.1
Je ne le sais pas. Ik weet het niet. suivre volgen suivre à vélo met de fiets volgen suivre à pied te voet volgen suivre une émission een programma à la télé op tv volgen se suivre elkaar opvolgen
T
le temps [~] de tijd, het weer le temps perdu de verloren tijd depuis un certain temps sinds enige tijd le mauvais temps het slechte weer C’était le bon Het was de goede, vieux temps. oude tijd. toujours altijd Il fait toujours chaud. Het is altijd warm. très zeer Elle est très fatiguée. Zij is zeer moe. trouver vinden trouver une solution een oplossing vinden se trouver zich bevinden, gevonden worden se trouver à gauche zich links bevinden se trouver à droite zich rechts bevinden
V
venir komen venir en auto met de auto komen Il ne viendra pas. Hij zal niet komen. voir zien voir les amis de vrienden zien vouloir willen vouloir parler à ma mère willen spreken met mijn moeder
LES VERBES : VERBES IRRÉGULIERS aller présent : je vais, tu vas, il/elle/on va nous allons, vous allez, ils/elles vont futur : j’irai imparfait : j’allais passé composé : je suis allé avoir j’ai, tu as, il/elle/on a nous avons, vous avez, ils/elles ont j’aurai / j’avais / j’ai eu dire je dis, tu dis, il/elle/on dit nous disons, vous dites, ils/elles disent je dirai / je disais / j’ai dit être je suis, tu es, il/elle/on est nous sommes, vous êtes, ils/elles sont je serai / j’étais / j’ai été faire je fais, tu fais, il/elle/on fait nous faisons, vous faites, ils/elles font je ferai / je faisais / j’ai fait prendre je prends, tu prends, il/elle/on prend nous prenons, vous prenez, ils/elles prennent je prendrai / je prenais / j’ai pris suivre je suis, tu suis, il/elle/on suit nous suivons, vous suivez, ils/elles suivent je suivrai / je suivais / j’ai suivi venir je viens, tu viens, il/elle/on vient nous venons, vous venez, ils/elles viennent je viendrai / je venais / je suis venu voir je vois, tu vois, il/elle/on voit nous voyons, vous voyez, ils/elles voient je verrai / je voyais / j’ai vu LES FORMES DES VERBES RÉGULIERS EN -ER aimer j’aime, tu aimes, il/elle/on aime nous aimons, vous aimez, ils/elles aiment j’aimerai / j’aimais / j’ai aimé Voir la conjugaison de tous les verbes : https://ilt.kuleuven.be/2500/verbes
10
FRANS IN 2500 WOORDEN | NIVEAU 1.2
1.2 A
une année [~s] een jaar une année civile een kalenderjaar la même année hetzelfde jaar la septième année het zevende jaar l’année passée vorig jaar Bonne année ! Gelukkig nieuwjaar! appeler opbellen, roepen appeler la police de politie opbellen s’appeler heten s’appeler Bernard Bernard heten arrêter stoppen, uitzetten arrêter le moteur de motor uitzetten arrêter de parler stoppen met spreken s’arrêter stoppen s’arrêter à temps op tijd stoppen arriver aankomen arriver à l’heure à l’école op tijd op school aankomen attendre wachten attendre encore nog vijf minuten wachten cinq minutes s’attendre à verwachten s’attendre à une surprise een verrassing verwachten
B
beau mooi [~/bel, belle | ~x, belles] un beau cadeau een mooi geschenk Il fait beau. Het is mooi weer. un bel avenir een mooie toekomst une belle maison een mooi huis
C
comprendre begrijpen comprendre ce que begrijpen wat de leraar le professeur dit zegt connaitre kennen ne pas connaitre het antwoord niet kennen la réponse J’ai connu son père. Ik heb zijn vader gekend.
se connaitre elkaar kennen un coup [~s] een slag, een klap d’un seul coup allemaal tegelijk un coup de main een helpende hand recevoir un coup een klap krijgen tout à coup plotseling un coup de fil een telefoontje
D
déjà al, reeds connaitre déjà 1000 mots al duizend woorden kennen demander vragen demander de l’aide hulp vragen demander de l’argent geld vragen demander le chemin de weg vragen se demander zich iets afvragen se demander zich afvragen of zij zal si elle viendra komen dernier [-ère | ~s, -ères] laatste le dernier jour de laatste dag van de des vacances vakantie la dernière fois de laatste keer devenir worden devenir grand groot worden
E
un/une enfant [~s] een kind un petit enfant een klein kind un jeune enfant een jong kind entendre horen entendre un bruit een geluid horen entendre qqn chanter iemand horen zingen s’entendre avec opschieten met bien s’entendre goed op kunnen avec ses amis schieten met zijn vrienden
F
une femme [~s] een vrouw une femme enceinte een zwangere vrouw la jeune femme de jonge vrouw une vieille femme een oude vrouw une fille [~s] een meisje la petite fille het kleine meisje une grande fille een groot meisje 11
FRANS IN 2500 WOORDEN | NIVEAU 1.2
la pauvre fille het arme meisje
H
une heure [~s] een uur à l’heure actuelle op dit moment une heure avant een uur van tevoren une demi-heure een halfuur une petite heure een uurtje Quelle heure est-il ? Hoe laat is het?
L
laisser laten lui laisser faire qqch. hem iets laten doen
M
une main [~s] een hand la main droite de rechterhand la main gauche de linkerhand maintenant nu Pars maintenant ! Vertrek nu! une maison [~s] een huis une maison individuelle een vrijstaand huis une maison neuve een nieuw huis une vieille maison een oud huis même [~ | ~s, ~s] zelfde le même nom dezelfde naam la même chose hetzelfde en même temps terzelfdertijd de la même manière op dezelfde manier une mère [~s] een moeder la grand-mère de grootmoeder la belle-mère de schoonmoeder, de stiefmoeder moins minder Tout y est moins cher. Alles is er minder duur. un moment [~s] een tijdje, een moment le moment venu als de tijd rijp is un moment inoubliable een onvergetelijk moment le meilleur moment het beste moment mourir sterven mourir dans un accident omkomen bij een ongeval Il est mort jeune. Hij is jong gestorven.
N
nouveau [~/-el, -elle | ~x, -elles] 12
nieuw
un nouveau professeur een nieuwe leraar la nouvelle année het nieuwe jaar une nuit [~s] een nacht la nuit tombe de nacht valt une longue nuit een lange nacht une courte nuit een korte nacht
O
un œil [yeux] een oog l’œil gauche het linkeroog l’œil droit het rechteroog Garde les yeux fermés ! Hou je ogen gesloten!
P
partir vertrekken partir en vacances op vakantie gaan partir à la mer naar zee gaan un pays [~] een land les pays pauvres de arme landen un petit pays een klein land un père [~s] een vader le grand-père de grootvader un jeune père een jonge vader le beau-père de schoonvader, de stiefvader une personne [~s] een persoon une personne âgée een bejaarde, een oudere persoon la même personne dezelfde persoon peu weinig De ses copines ? Haar vriendinnen? J’en connais peu. Ik ken er weinig. peut-être misschien Il neigera peut-être. Het zal misschien sneeuwen. une place [~s] een plaats la place publique het openbare plein une place centrale een centrale plaats la bonne place de juiste plaats faire place à qqch. plaats maken voor iets puis dan, toen Son visage était d’abord Zijn gezicht was eerst tout blanc, puis helemaal wit, en toen tout rouge helemaal rood.
FRANS IN 2500 WOORDEN | NIVEAU 1.2
R
regarder bekijken regarder un film naar een film kijken op tv à la télévision regarder des photos foto’s bekijken se regarder elkaar bekijken rester blijven rester à la maison thuisblijven
S
seul [~e | ~s, ~es] enig, enkel une seule fois een enkele keer le seul moyen de enige manier une seule personne een enkele persoon un soir [~s] een avond le samedi soir op zaterdagavond sortir naar buiten gaan, uitgaan sortir du bureau het kantoor verlaten à quatre heures om vier uur sortir tard laat uitgaan Sortez ! Eruit!
T
tenir houden, vasthouden tenir la porte ouverte de deur openhouden Ils ont tenu une réunion. Ze hebben vergaderd. une tête [~s] een hoofd une tête célèbre een beroemde figuur un casse-tête een hersenbreker J’ai mal à la tête. Ik heb hoofdpijn. le travail [-aux] het werk un gros travail een grote klus un excellent travail een uitstekend werk arrêter les travaux de werken stilleggen trois drie J’ai trois sœurs. Ik heb drie zussen. trop te veel Il boit beaucoup trop. Hij drinkt veel te veel.
V
la vie [~s] het leven la vie active het beroepsleven la vie culturelle het culturele leven la vie locale het lokale leven vrai [~e | ~s, ~es] waar, echt le vrai problème het echte probleem
la vraie raison le vrai nom une histoire vraie C’est vrai.
de echte reden de echte naam een waargebeurd verhaal Dat is waar.
LES VERBES : VERBES IRRÉGULIERS (SUITE) croire je crois, tu crois, il/elle/on croit nous croyons, vous croyez, ils/elles croient je croirai / je croyais / j’ai cru devoir je dois, tu dois, il/elle/on doit nous devons, vous devez, ils/elles doivent je devrai / je devrais / j’ai dû mettre je mets, tu mets, il/elle/on met nous mettons, vous mettez, ils/elles mettent je mettrai / je mettais / j’ai mis pouvoir je peux, tu peux, il/elle/on peut nous pouvons, vous pouvez, ils/elles peuvent je pourrai / je pouvais / j’ai pu savoir je sais, tu sais, il/elle/on sait nous savons, vous savez, ils/elles savent je saurai / je savais / j’ai su vouloir je veux, tu veux, il/elle/on veut nous voulons, vous voulez, ils/elles veulent je voudrai / je voulais / j’ai voulu LES FORMES DES VERBES EN -IR (TYPE FINIR) finir je finis, tu finis, il/elle/on finit nous finissons, vous finissez, ils/elles finissent je finirai / je finissais / j’ai fini LES FORMES DES VERBES EN -IR (TYPE PARTIR) partir je pars, tu pars, il/elle/on part nous partons, vous partez, ils/elles partent je partirai / je partais / je suis parti Voir la conjugaison de tous les verbes : https://ilt.kuleuven.be/2500/verbes
13
FRANS IN 2500 WOORDEN | NIVEAU 1.3
1.3 A
un accord [~s] een akkoord un accord sur qqch. een akkoord over iets conclure un accord een akkoord sluiten Nous sommes d’accord. We gaan akkoord. une affaire [~s] een zaak, een rechtszaak, een bedrijf une drôle d’affaire een vreemde zaak une bonne affaire een goede deal la meilleure affaire de beste deal ainsi zo Nous le ferons ainsi. Wij zullen het zo doen. l’air [~s = masculin] de lucht l’air frais de frisse lucht l’air chaud de warme lucht en plein air in de openlucht un air [~s] een houding avoir l’air sympa er sympathiek uitzien un ami [~e | ~s, ~es] een vriend un vieil ami een oude vriend un bon ami een goede vriend le petit ami de ma sœur de vriend van mijn zus un nouvel ami een nieuwe vriend aujourd’hui vandaag Fais-le aujourd’hui Doe het vandaag et pas demain. en niet morgen.
B
un besoin [~s] een behoefte avoir besoin de qqch. iets nodig hebben
C
chercher zoeken, halen chercher un pull een pullover zoeken chercher qqn à la gare iemand van het station ophalen Je cherche mes clés. Ik zoek mijn sleutels. commencer beginnen commencer à lire un livre een boek beginnen te lezen Nous commençons We beginnen morgen. demain. 14
un côté [~s] een zijde, een kant le côté gauche de linkerzijde le côté droit de rechterzijde le bon côté de juiste zijde
D
un dieu [~x] een god un dieu vivant een levende god
E
entrer binnengaan entrer dans une maison een huis binnengaan essayer proberen, passen essayer de nouvelles nieuwe schoenen passen chaussures J’essaie encore une fois. Ik probeer het nog eens.
F
un fait [~s] een feit le fait est que ... het feit is dat ... le simple fait que ... het simpele feit dat ... une fin [~s] een einde une belle fin een gelukkig einde finir eindigen, beëindigen finir de lire un livre een boek beëindigen finir troisième derde eindigen Nous finissons We beëindigen het werk le travail aujourd’hui. vandaag. français [~e | ~, ~es] Frans un ami français een Franse vriend
G
les gens de mensen les jeunes gens de jongeren les gens pauvres de arme mensen les braves gens de goede mensen les gens âgés de oudere mensen
H
une histoire [~s] een verhaal une longue histoire een lang verhaal une sombre histoire een triest verhaal une drôle d’histoire een raar verhaal Raconte-nous Vertel ons een verhaaltje. une histoire.
J
jeune [~ | ~s, ~s]
jong
FRANS IN 2500 WOORDEN | NIVEAU 1.3
un jeune homme een jonge man une jeune femme een jonge vrouw jouer (à, de) spelen jouer au foot voetballen jouer du piano pianospelen jouer dans la rue op straat spelen
M
merci bedankt, dank je, dank u un grand merci hartelijk dank merci de votre visite dank voor uw bezoek Merci beaucoup ! Hartelijk dank! Merci, Dank u, vous m’avez bien aidé. u hebt me goed geholpen. mieux beter voir mieux avec beter zien met een bril des lunettes un mois [~] een maand le mois dernier vorige maand le mois prochain volgende maand le mois suivant de maand die volgt mon anniversaire op mijn verjaardag un monsieur [messieurs] een heer, meneer un certain monsieur X een zekere meneer X un mort [~e | ~s, ~es] een dode On compte dix morts. Men telt tien doden. la mort [~s] de dood une mort subite een plotselinge dood une mort tragique een tragische dood
N
un nom [~s] een naam le vrai nom de echte naam l’ancien nom de oude naam un nom de famille een familienaam un prénom een voornaam un nom inconnu een onbekende naam
O
ouvrir openen, opstarten ouvrir la porte de deur openen ouvrir un magasin een winkel openen s’ouvrir opengaan s’ouvrir à neuf heures om negen uur opengaan
P
perdre verliezen perdre un match een wedstrijd verliezen avoir perdu ses lunettes zijn bril verloren zijn se perdre verloren gaan, verdwalen se perdre dans le bois in het bos verdwalen le peu het weinige un peu de courage een beetje moed un petit peu een klein beetje un point [~s] een punt, een onderwerp avoir un point commun één ding gemeen hebben un point important een belangrijk punt une porte [~s] een deur la porte ouverte de open deur la porte fermée de gesloten deur Ferme la porte ! Sluit de deur! porter dragen porter un sac een zak dragen C’est lourd à porter. Het is zwaar om te dragen. se porter gedragen worden Ces bijoux peuvent Deze sieraden kunnen se porter tout le temps. altijd gedragen worden. le pouvoir [~s] de macht un réel pouvoir een echte macht un président [~e | ~s, ~es] een president l’actuel président de huidige president l’ancien président de voormalige president le futur président de toekomstige president
Q
une question [~s] een vraag, een vraagzin une question sur qqch. een vraag over iets la question suivante de volgende vraag une question simple een eenvoudige vraag poser une question een vraag stellen
R
une raison [~s] een reden une raison inconnue een onbekende reden la vraie raison de echte reden rendre teruggeven rendre un livre à un ami een boek teruggeven aan een vriend
15
FRANS IN 2500 WOORDEN | NIVEAU 1.3
se rendre (à) zich overgeven, zich verplaatsen naar se rendre à Paris naar Parijs gaan retrouver terugvinden retrouver son portefeuille zijn portefeuille terugvinden Nous nous retrouvons We spreken af om acht uur. à 20 heures. se retrouver elkaar terugvinden revenir terugkomen revenir avant 20 heures terugkomen voor acht uur une rue [~s] een straat une rue calme een rustige straat une petite rue een kleine (zij)straat la rue principale de hoofdstraat Prenez la rue à gauche. Neem de straat links.
S
sembler blijken, schijnen sembler être malade ziek blijken te zijn sentir voelen, ruiken sentir le vent de wind voelen sentir mauvais slecht ruiken se sentir zich voelen se sentir bien zich goed voelen se sentir mal à l’aise zich ongemakkelijk voelen
T
tant zoveel De l’argent ? Geld? Hij heeft er Il en a tant qu’il veut. zoveel van als hij wil. tuer doden tuer un animal een dier doden
U
un [~e] één Une personne et non deux. Eén persoon en geen twee.
V
vieux oud [~/vieil, vieille | ~, vieilles] un vieux journal een oude krant un vieil ami een oude vriend une vieille voiture een oude auto une ville [~s] een stad une ville dynamique een dynamische stad 16
le centre-ville het stadscentrum la vieille ville de oude stad vivre leven vivre en ville in de stad leven vivre à la campagne op het platteland leven Il a vécu en Italie. Hij heeft in Italië geleefd. vraiment echt, zeer vouloir vraiment changer echt willen veranderen Vraiment ? Echt waar?
LES ADJECTIFS : MORPHOLOGIE féminin singulier = masculin singulier + e (grande) masculin pluriel = masculin singulier + s (grands) féminin pluriel = masculin singulier + es (grandes) cas irréguliers singulier masculin bon -al général -eux heureux -er premier -if vif -et secret beau / bel autres vieux long blanc public
féminin ~ne/le/se bonne ~e générale -euse heureuse -ière première -ve vive -ète secrète -elle belle
pluriel masculin ~s bons -aux généraux ~ heureux ~s premiers ~s vifs ~s secrets ~x beaux
féminin ~nes/les/ses bonnes ~es générales -euses heureuses -ières premières -ves vives -ètes secrètes -elles belles
vieille longue blanche publique
vieux longs blancs publics
vieilles longues blanches publiques
Voir les autres adjectifs : https://ilt.kuleuven.be/2500/morpho
FRANS IN 2500 WOORDEN | NIVEAU 1.4
1.4 A
C
E
aider helpen aider ses parents zijn ouders helpen s’aider elkaar helpen ailleurs elders se trouver ailleurs zich elders bevinden l’amour [~s = masculin] de liefde un nouvel amour een nieuwe liefde l’argent [= masculin] het geld, het zilver l’argent liquide contant geld gagner de l’argent geld verdienen assez genoeg Des ennuis, j’en ai assez. Problemen? Ik heb er genoeg. ne ... aucun [~e] geen Je n’entends aucun bruit. Ik hoor geen enkel geluid. un cas [~] een geval le cas contraire het tegenovergestelde geval le premier cas het eerste geval le second cas het tweede geval une chambre [~s] een slaapkamer une grande chambre een grote kamer une petite chambre een kleine kamer une chambre pour een tweepersoonskamer deux personnes un corps [~] een lichaam un corps sain een gezond lichaam un beau corps een mooi lichaam l’eau [~x = féminin] het water de l’eau froide koud water de l’eau bouillante kokend water de l’eau douce zoet water de l’eau courante stromend water écouter luisteren, beluisteren écouter attentivement aandachtig luisteren écouter de la musique muziek beluisteren s’écouter naar elkaar luisteren
écrire schrijven écrire un mail een mail schrijven s’écrire elkaar schrijven expliquer uitleggen expliquer une règle een regel uitleggen expliquer le de werking van een fonctionnement toestel uitleggen d’un appareil
F
la famille [~s] de familie notre petite famille ons gezin(netje) la belle-famille de schoonfamilie
G
général [~e | -aux, ~es] algemeen l’intérêt général het algemeen belang le classement général de algemene rangschikking l’enseignement général het algemeen secundair onderwijs (aso) les principes généraux de algemene beginselen un groupe [~s] een groep un bon groupe een goede groep un super groupe een heel fijne groep une guerre [~s] een oorlog une guerre civile een burgeroorlog la Seconde Guerre de Tweede Wereldoorlog mondiale une longue guerre een lange oorlog gagner une guerre een oorlog winnen
I
une idée [~s] een idee une idée neuve een nieuw idee C’est une excellente idée ! Het is een uitstekend idee!
J
juste [~ | ~s, ~s] juist, correct, rechtvaardig un homme juste een rechtvaardig man C’est tout à fait juste. Dat is helemaal juist.
L
un lieu [~x] een plaats un lieu public een openbare plaats un lieu unique een unieke plaats 17
FRANS IN 2500 WOORDEN | NIVEAU 1.4
loin ver voir loin ver zien loin de la ville ver van de stad long [~ue | ~s, ~ues] lang un long voyage een lange reis une longue liste een lange lijst
M
mal slecht dormir mal slecht slapen un matin [~s] een morgen, een ochtend le lendemain matin de volgende ochtend le samedi matin op zaterdagochtend un million [~s] een miljoen un demi-million een half miljoen un/une ministre [~s] een minister l’ancien ministre de voormalige minister le Premier ministre de premier, de eerste minister l’actuel ministre de huidige minister montrer tonen montrer l’exemple het voorbeeld tonen montrer du doigt met de vinger wijzen se montrer zich tonen un mot [~s] een woord le premier mot het eerste woord un gros mot een scheldwoord
O
oublier vergeten oublier le passé het verleden vergeten oublier son portefeuille zijn portefeuille vergeten s’oublier vergeten worden s’oublier vite snel vergeten worden
P
une part [~s] een deel une part importante een belangrijk deel une large part een groot deel une faible part een klein deel une partie [~s] een deel la majeure partie het grootste deel une infime partie een heel klein deel une grosse partie een groot deel un pas [~] een voetstap, een pas 18
pas à pas stap voor stap faire le premier pas de eerste stap zetten permettre toelaten permettre de jouer dehors toelaten om buiten te spelen se permettre de zich veroorloven se permettre d’arriver zich veroorloven om en retard te laat te komen la peur [~s] de vrees, de angst avoir peur de qqch. bang zijn voor iets une grande peur een grote angst un pied [~s] een voet le pied droit de rechtervoet le pied gauche de linkervoet un petit pied een kleine voet un problème [~s] een probleem avoir un problème een probleem hebben avec qqch. met iets un gros problème een groot probleem résoudre un problème een probleem oplossen
Q
quatre vier avoir quatre chiens vier honden hebben
R
rentrer binnenkomen, weer thuiskomen rentrer avant la nuit voor de nacht thuiskomen Quand rentres-tu ? Wanneer ben je weer thuis? répondre à antwoorden, beantwoorden répondre à une question op een vraag antwoorden
S
une semaine [~s] een week la semaine prochaine volgende week une nouvelle semaine een nieuwe week un service [~s] een dienst un excellent service een uitstekende service une station-service een pompstation Peux-tu me rendre Kun je me een dienst un service ? bewijzen?
FRANS IN 2500 WOORDEN | NIVEAU 1.4
T
V
tard laat Il est tard. Het is laat. Il se fait tard. Het wordt laat. Trop tard ! Te laat! la terre [~s] de aarde, de grond la terre ferme het vasteland vivre sur terre op aarde leven tirer (sur) trekken, trekken aan tirer sur une corde aan een koord trekken tirer une conclusion een besluit trekken tomber vallen tomber dans l’eau in het water vallen tomber amoureux verliefd worden une tour [~s] een toren la tour de Pise de toren van Pisa un tour [~s] een ronde faire le tour du parc in het park wandelen le premier tour de eerste ronde un rapide tour d’horizon een snelle round-up travailler werken travailler dur hard werken travailler dans une usine in een fabriek werken travailler sa condition aan zijn fysieke conditie physique werken vite snel rouler vite snel rijden une voiture [~s] een wagen, een auto une petite voiture een kleine auto une grosse voiture een grote auto la voix [~] de stem une voix forte een sterke stem une voix douce een zachte stem une jolie voix een mooie stem être sans voix sprakeloos zijn parler à haute voix luid spreken
LES NOMS ET ADJECTIFS : PLURIEL pluriel = singulier + s (les choses) cas irréguliers singulier les mots en -eau un beau bureau un nouveau vélo les mots en -x / -s un prix un cours un fils la plupart des mots en -eu un feu un jeu un lieu la plupart des mots en -al un problème social un parc national certains mots en -ail le travail Faites attention ! un œil
pluriel ~x de beaux bureaux de nouveaux vélos ~ des prix des cours des fils ~x des feux des jeux des lieux -aux des problèmes sociaux des parcs nationaux -aux les travaux des yeux
Voir les autres noms et adjectifs : https://ilt.kuleuven.be/2500/morpho
19
FRANS IN 2500 WOORDEN | NIVEAU 1.5
1.5 A
B
C
agir handelen, inwerken op agir tous ensemble allen samen handelen s’agir de gaan om De quoi s’agit-il ? Waarover gaat het? Il doit s’agir d’une erreur. Dat moet een fout zijn. ancien [~ne | ~s, ~nes] oud-, voormalig un ancien élève de l’école een oud-leerling van de school mon ancienne école mijn vroegere school un ancien ministre een oud-minister apprendre leren apprendre une leçon een les leren apprendre par cœur vanbuiten leren apprendre à écrire leren schrijven s’asseoir gaan zitten s’asseoir sur une chaise op een stoel gaan zitten Je suis assis par terre. Ik zit op de grond. beaucoup veel Il pleut beaucoup Het regent veel en vaak. et souvent. un bras [~] een arm lever un bras een arm opheffen baisser un bras een arm laten zakken se donner le bras een arm geven changer veranderen, wijzigen changer ses habitudes zijn gewoontes veranderen changer de T-shirt van T-shirt wisselen changer de nom van naam wisselen se changer zich omkleden se changer pour sortir zich omkleden om uit te gaan un/une chef een leider, een leidster, [~(fe) | ~s, ~(fe)s] een baas, een bazin un chef d’entreprise een bedrijfsleider être nommé chef tot baas benoemd worden cinq vijf 20
Cinq égale six moins un. Vijf is gelijk aan zes min één. un cœur [~s] een hart son cœur bat vite zijn hart klopt snel un conseil [~s] een raad donner un conseil een raad geven prendre conseil auprès raad vragen bij iemand de qqn continuer voortzetten continuer un combat een strijd voortzetten continuer à doorgaan met continuer à pleuvoir doorgaan met regenen
D
décider beslissen décider de partir beslissen om op vakantie en vacances te vertrekken se décider à beslissen om se décider à changer beslissen om van werk te de travail veranderen le doute [~s] de twijfel sans aucun doute zonder enige twijfel sans doute wellicht avoir un doute au sujet twijfels hebben over iets de qqch. Un doute subsiste. Er blijft twijfel bestaan.
E
un effet [~s] een effect avoir un effet een effect hebben un rapport de cause een verband van oorzaak à effet en gevolg un euro [~s] een euro payer en euros in euro betalen
F
une face [~s] een zijde la face cachée de verborgen zijde la face nord de la de noordkant van de berg montagne un film [~s] een film tourner un film een film maken regarder un film naar een film kijken un fils [~] een zoon le fils ainé de oudste zoon