Sylvia Vanden Heede & Thé Tjong-Khing
Het dikke boek Vos en Haas – Tot kijk, Vos en Haas – Vos en Haas op het eiland
Vos en Haas Vos en Haas Soep Het ij van Uil Wat is er met het ei? De kou komt Kou in een kom Haast Sneeuw Griep De sneeuwpop Vos geeft een feest De hik Een nieuwe buurvrouw Wat een humeur! Eerlijk delen Zonder Piep
11 13 17 21 28 35 39 47 54 61 70 81 93 107 123 136
Tot kijk, Vos en Haas Post voor uil Vet Bezoek in de nacht Een barst in het ei Kale kip
145 160 170 181 192
Het verhaal van tok Het plan van haas Spikkels Kraaien Op reis
207 219 240 256 270
Vos en Haas op het eiland Het eiland Een schelp en een smoes Sterren Rob De wens van haas Post van uil Een ding dat praat In de put Uit Thuis
281 292 301 311 322 333 344 352 365 376
www.vosenhaas.com www.lannoo.com www.de-leukste-kinderboeken.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. 17de druk, hernieuwde uitgave 2021 © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2016 Tekst: Sylvia Vanden Heede Illustraties: Thé Tjong-Khing Vormgeving: Studio Lannoo Lettertype: Matilda, waarvoor dank aan de onderzoeksgroep ReadSearch. Dit lettertype werd ontwikkeld door prof. dr. Ann Bessemans in samenwerking met de Universiteit Hasselt en Hogeschool PXL om ondersteuning te bieden aan beginnende lezers. D/2021/45/587 NUR 282, 287 ISBN 978 94 014 8087 1 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Vos en Haas
VOS EN HAAS dit is vos
en dit is haas
vos is dik.
‘nee!’ ‘ja! vos, je eet te veel.’ ‘dat weet ik wel.’ maar vos eet nog meer. dit is wat vos eet: een hap kaas en een kom pap en een pot room en een moot vis en ook nog een noot en een peer met heel veel sap. 9
hap! hap! mmmmm! vos is zo dik! zo dik! maar vos wil nog meer. ‘geef, haas! geef!’ ‘nee, vos. op is op. de kom is leeg en de pot is leeg. wat wil je dan?’ ‘ik wil... ik wil... ik wil haas!!’ ‘ben je gek?’ ‘dat was voor de mop.’ 10
SOEP vos wil soep.
‘kook soep, haas! kook heel veel soep!’ ‘ik doe het niet, vos. ik zit net. en ik doe een dut. ga weg!’
vos is heel boos. ‘ik hoef je soep niet! ik kook wel!’ hoe maak je soep? dat weet vos niet. ‘ik pak dat boek. dan lees ik hoe het moet.’ 11
nu is vos net een dief. haas ziet hem niet. het boek van haas is heel dik.
zó kook je soep: raap hout voor het vuur maak vuur voor de pan zoek een pan voor de soep
dit moet in de pan:
12
een ui, zout, een kip. ‘kip? er is geen kip.’ vos is sip. geen kip? dan ook geen soep!
‘toe, vos! pak dan wat kool. kool is pas puik!’ ‘kool moet ik niet! dat is geen voer voor een vos. ik wil al geen soep meer.’
13
‘maar ik wel! ik ben gek op soep van kool. ik zet de pan op het vuur. ik pel een ui. ik hak de kool. nu het zout nog.’ en na een poos... ‘hoe is de soep?’
‘te heet! veel te heet!’
14
HET IJ VAN UIL er zit een gat in de boom. dat gat is het huis van uil. uil is de buur van vos en haas.
‘kijk daar!’ ‘lees jij dat ook?’
‘een ij?’ ‘wat zou dat zijn? ik wil het zien!’ zegt haas. ‘ik ook’, zegt vos.
‘ik bel.’ ‘nee, ik!’
bim bim bam!!
‘sssss! wek mijn ij niet! kom maar. kijk maar daar in die doos. is mijn ij niet lief?’ ‘een ij? is dat nu een ij?’
‘maar het is een ei!’
‘dat zei ik: een ij.’ ‘uil, wat ben jij dom’, zegt vos. ‘wat ik daar lees, is fout. een ei is met ei en niet met ij.’ uil weet niet hoe het moet. haas doet het voor. nu ziet uil het ook: ei is met ei en niet met ij. ‘hoe kom jij aan dat ei? van wie is het? wie gaf het jou?’ ‘het ei lag voor de deur’, zegt uil. ‘dus is het van mij.’ ‘dat kan niet’, zegt haas.
17
‘o nee?’ zegt uil boos. ‘van wie is het dan wel? van jou, haas? of van jou, vos?
van wie? van wie? het lag voor mijn deur, dus is het van mij. ik ben de pa van het ei!’
kan dat wel? haas weet het niet en vos weet het niet. uil wil het ei, dan moet het maar. ‘kijk je uit, uil?’ ‘pas op, uil!’ ‘een ei is teer, uil!’
‘ga weg! ga weg!’
18
WAT IS ER MET HET EI? al meer dan een week zit uil op het ei.
dat moet.
hij zit een poos zus.
hij zit een poos zo.
uil is gek op het ei. het is zo gaaf en wit. af en toe zegt hij wat:
19
‘lief ei, lief ei! ik hou zo zo zo veel van jou! ik geef jou een zoen.’
en dat doet hij dan. tien keer of zo. is dat leuk voor een ei? vast wel.
zo gaat dat één week, en nog een week,
en nog een week. maar dan...
‘o haas, kom gauw!’ huilt uil.
20
‘mijn ei is ziek! het rolt zo raar heen en weer en het zegt piep! o, o, wat moet ik doen? het gaat vast mis!’ ‘ben je mal’, zegt haas. ‘dat moet juist zo. je ei is niet ziek.
je ei komt uit.’
‘waar komt het uit?’ ‘waar?’ ‘niet waar, maar wat!’ ‘wat?’ ‘wat zeg je?’ ‘ik zeg niet waar, maar wat.’ ‘zei je wat?’ ‘dat is waar.’
wat komt er uit het ei van uil...? vos en haas zijn in het hol van uil. en uil is er ook.
en het ei? waar is het ei? ‘het is weg!’ roept uil. ‘net lag het in de doos en nu is het weg! een dief nam het mee!
help! help!’
is dat zo? is het ei weg? en wie nam het mee? wie wil er een ei? wie is de dief? 22