Skip to main content

9789401480857

Page 1

Patrick Lateur

De Regel van Benedictus Vertaling met Latijnse brontekst Met commentaar van br. Benoît Standaert osb en Wil Derkse


Hoc autem nolo te lateat, quod vir Dei inter tot miracula, quibus in mundo claruit, doctrinae quoque verbo non mediocriter fulsit. Nam scripsit monachorum Regulam, discretione praecipuam, sermone luculentam: cuius si quis velit subtilius mores vitamque cognoscere, potest in eadem institutione regulae omnis magisterii illius actus invenire: quia sanctus vir nullo modo potuit aliter docere quam vixit.


Maar ik wil niet dat het volgende jou ontgaat: tussen zo veel wonderen waarmee de man Gods zich in de wereld beroemd maakte, schitterde hij ook niet weinig door het woord van zijn onderricht. Want hij schreef een Regel voor zijn monniken, die getuigt van een buitengewoon gematigd oordeel en een klare taal. Wil iemand zijn leef- en denkwijze nauwkeuriger leren kennen, dan kan hij juist in de leer van die Regel alles vinden wat hij als leermeester heeft voorgedaan. Want de heilige man kon onmogelijk anders onderrichten dan de manier waarop hij ook heeft geleefd. Gregorius de Grote, Dialogen ii.36


Inhoud Regula Sancti Benedicti – 8 Incipiunt Capitula – 18 De Regel van de H. Benedictus – 9 Annotaties – 165 Register van Bijbelse citaten en verwijzingen – 171 Verantwoording van de vertaler – 177 Br. Benoît Standaert osb, Benedictus van Nursia Regel voor monniken. Een inleiding – 181 Wil Derkse, De Regel van Benedictus als permanente cultuurkritiek – 195


Regula Sancti Benedicti

8


Regel van de H. Benedictus

9


[Incipit Prologus] Obsculta, o fili, praecepta magistri, et inclina aurem cordis tui, et admonitionem pii patris libenter excipe et efficaciter conple, 2 ut ad eum per oboedientiae laborem redeas, a quo per inoboedientiae desidiam recesseras. 3 Ad te ergo nunc mihi sermo dirigitur, quisquis abrenuntians propriis voluntatibus, Domino Christo vero regi militaturus, oboedientiae fortissima atque praeclara arma sumis. 4 In primis, ut quidquid agendum inchoas bonum, ab eo perfici instantissima oratione deposcas, 5 ut qui nos iam in filiorum dignatus est numero conputare non debet aliquando de malis actibus nostris contristari. 6 Ita enim ei omni tempore de bonis suis in nobis parendum est ut non solum iratus pater suos non aliquando filios exheredet, 7 sed nec, ut metuendus Dominus inritatus a malis nostris, ut nequissimos servos perpetuam tradat ad poenam qui eum sequi noluerint ad gloriam. 1

Exurgamus ergo tandem aliquando excitante nos scriptura ac dicente: Hora est iam nos de somno surgere, 9 et apertis oculis nostris ad deificum lumen, adtonitis auribus audiamus divina cotidie clamans quid nos admonet vox dicens: 10 Hodie si vocem eius audieritis, nolite obdurare corda vestra. 11 Et 8

10


[Proloog] Luister aandachtig, mijn zoon, naar wat je meester voorschrijft en neig naar hem het oor van je hart. Aanvaard gewillig de aanmaning van een milde vader en voer haar vastberaden uit. 2 Zo keer je door gehoorzaamheid en inspanning terug tot Hem van wie jij je door laksheid en ongehoorzaamheid had verwijderd. 3 Tot jou dus richt zich nu mijn woord, wie je ook bent, tot jou die van je eigen wil afstand doet en de machtige en roemvolle wapens* van de gehoorzaamheid opneemt om in dienst te treden van Christus de Heer, de ware koning. 4 Vooreerst moet je Hem bij de aanvang van om het even welk goed werk met grote aandrang vragen en bidden dat Hij het tot voltooiing brengt. 5 Hij heeft zich al verwaardigd ons tot zijn zonen te rekenen, Hem mogen wij nooit ontstemmen door onze slechte daden. 6 Want wij moeten Hem inderdaad in alle omstandigheden gehoorzamen met de goede gaven die Hij ons schonk. Dan zal Hij zijn zonen nooit onterven, zoals een verontwaardigde vader doet. 7 Meer nog: Hij zal niet zijn als een te duchten meester, verbolgen om ons slecht gedrag, en ons dus niet prijsgeven aan de eeuwige straf, als waren wij heel gemene slaven, die Hem niet wilden volgen naar de hemelse heerlijkheid.

1 januari

Laten wij dus eindelijk opstaan, want de Schrift maakt ons wakker met de woorden: ‘Het uur is aangebroken waarop wij uit de slaap moeten ontwaken.’ Laten wij onze ogen openen voor het licht dat komt van God, 9 en met verbaasde oren luisteren naar wat de stem van God ons elke dag toeroept,

2 januari

1

8

11

2 mei 1 september

3 mei 2 september


iterum: Qui habet aures audiendi audiat quid spiritus dicat ecclesiis. 12 Et quid dicit? Venite, filii, audite me; timorem Domini docebo vos. 13 Currite dum lumen vitae habetis, ne tenebrae mortis vos conpraehendant.

Et quaerens Dominus in multitudine populi cui haec clamat operarium suum, iterum dicit: 15 Quis est homo qui vult vitam et cupit videre dies bonos? 16 Quod si tu audiens respondeas: ‘Ego’, dicit tibi Deus: 17 ‘Si vis habere veram et perpetuam vitam, prohibe linguam tuam a malo et labia tua ne loquantur dolum; deverte a malo et fac bonum, inquire pacem et sequere eam. 18 Et cum haec feceritis, oculi mei super vos et aures meas ad preces vestras, et antequam me invocetis dicam vobis: Ecce adsum!’ 19 Quid dulcius nobis ab hac voce Domini invitantis nos, fratres carissimi? 20 Ecce pietate sua demonstrat nobis Dominus viam vitae.

14

Succinctis ergo fide vel observantia bonorum actuum lumbis nostris, per ducatum evangelii pergamus itinera eius, ut mereamur eum qui nos vocavit in regnum suum videre. 22 In cuius regni tabernaculo si volumus habitare, nisi illuc bonis actibus curritur, minime pervenitur. 23 Sed interrogemus cum propheta Dominum dicentes ei: ‘Domine, quis habitabit in tabernaculo tuo, aut quis requiescet in monte sancto tuo?’ 24 Post hanc interrogationem, fratres, audiamus Dominum respondentem et ostendentem nobis viam ipsius tabernaculi, 25 dicens: ‘Qui ingreditur sine macula et operatur iustitiam; 26 qui loquitur veritatem in corde suo, qui non egit dolum in lingua sua; 27 qui non fecit proximo suo malum, qui obprobrium non accepit adversus proximum suum’; 28 qui malignum diabulum aliqua suadentem sibi, cum ipsa suasione sua a conspectibus 21

12


terwijl het vermanend klinkt: 10 ‘Horen jullie vandaag zijn stem, maak dan je hart niet ongevoelig.’ 11 En nog: ‘Wie oren heeft om te horen, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.’ 12 En wat zegt Hij? ‘Kom, kinderen, luister naar mij, ik leer je ontzag voor de Heer.’ 13 Ga snel je weg zolang het levenslicht er is en laat de duisternis van de dood je niet overvallen.’ En terwijl de Heer zijn arbeider zoekt in de massa volk die hij zo toeroept, gaat Hij verder: 15 ‘Wie is de mens die wil leven en gelukkige dagen wenst te zien?’ 16 Als jij dat hoort en antwoordt: ‘Ik’, dan zegt God tot jou: 17 ‘Wil je het ware en eeuwige leven bezitten, behoed dan je tong voor het kwaad, je lippen voor woorden van bedrog. Mijd het kwaad, doe wat goed is, streef naar vrede, jaag die na. 18 En als jullie dat hebben gedaan, rusten mijn ogen op jullie, luisteren mijn oren naar je hulpgeroep, en nog vóór jullie mijn hulp inroepen, zal ik jullie zeggen: “Hier ben ik!”’ 19 Mijn welbeminde broeders, is er voor ons iets zaligers dan deze stem van de Heer, die ons uitnodigt? 20 Kijk, in zijn mildheid toont de Heer ons de weg van het leven.

3 januari

Omgorden wij dus onze lendenen met het geloof en met goede daden die wij blijven verrichten, en gaan wij dan door op zijn wegen met als gids het evangelie, opdat wij waard zijn Hem te zien die ons geroepen heeft tot zijn koninkrijk. 22 Willen wij wonen in de tent van dit koninkrijk, dan bereiken wij die enkel en alleen door ons erheen te haasten terwijl wij goede daden verrichten. 23 Maar laten wij met de profeet* de Heer ondervragen en Hem zeggen: ‘Heer, wie mag gast zijn in uw tent, wie mag rusten op uw heilige berg?’ 24 Broeders, luisteren wij na deze vraag naar het antwoord van de Heer, die ons naar die tent de weg wijst 25 met de woorden: ‘Wie een vlekkeloze levenswandel kent en de gerechtigheid beoefent; 26 wie in zijn hart de waarheid spreekt, wie geen bedrog gepleegd heeft met zijn tong; 27 wie zijn naaste geen kwaad

4 januari

14

21

13

4 mei 3 september

5 mei 4 september


cordis sui respuens, deduxit ad nihilum, et parvulos cogitatos eius tenuit et adlisit ad Christum; 29 qui, timentes Dominum, de bona observantia sua non se reddunt elatos, sed ipsa in se bona non a se posse sed a Domino fieri existimantes, 30 operantem in se Dominum magnificant, illud cum propheta dicentes: Non nobis, Domine, non nobis, sed nomini tuo da gloriam; 31 sicut nec Paulus apostolus de praedicatione sua sibi aliquid inputavit, dicens: Gratia Dei sum id quod sum; 32 et iterum ipse dicit: Qui gloriatur, in Domino glorietur.

Unde et Dominus in evangelio ait: Qui audit verba mea haec et facit ea, similabo eum viro sapienti qui aedificavit domum suam super petram; 34 venerunt flumina, flaverunt venti, et inpegerunt in domum illam, et non cecidit, quia fundata erat super petram.’ 35 Haec conplens Dominus expectat nos cotidie his suis sanctis monitis factis nos respondere debere. 36 Ideo nobis propter emendationem malorum huius vitae dies ad indutias relaxantur, 37 dicente apostolo: An nescis quia patientia Dei ad paenitentiam te adducit? 38 Nam pius Dominus dicit: Nolo mortem peccatoris, sed convertatur et vivat. 33

Cum ergo interrogassemus Dominum, fratres, de habitatore tabernaculi eius, audivimus habitandi praeceptum, sed si conpleamus habitatoris officium. 40 Ergo praeparan-

39

14


berokkende, wie niet luisterde naar laster tegen zijn naaste; 28 wie door de boze duivel iets werd ingegeven, maar samen met zijn kwade ingeving hem uit de ogen van zijn hart verdreef, hem tot niets herleidde en het jonge kroost van zijn gedachten overmeesterde en aan stukken sloeg tegen Christus; 29 ook zij die ontzag hebben voor de Heer en zich niet verheffen op hun goede toewijding, maar overtuigd zijn dat het goede in hen niet hun eigen werk kan zijn maar het werk van de Heer; 30 de Heer, die in hen werkzaam is, verheerlijken zij met deze woorden van de profeet: ‘Niet ons, Heer, niet ons, geef uw naam de eer’, 31 en zo schreef ook de apostel Paulus van zijn verkondiging niets toe aan zichzelf, maar hij zei: ‘Alleen dankzij zijn genade ben ik wat ik ben’; 32 en hij zegt verder nog: ‘Wil iemand zich op iets beroemen, laat hij zich op de Heer beroemen.’ Daarom zegt ook de Heer in het evangelie: ‘Wie deze woorden van mij hoort en ernaar handelt, zal ik vergelijken met een verstandig man, die zijn huis bouwde op een rots’; 34 de bergstromen zwollen, er staken stormen op en zij stortten zich op dat huis, en het stortte niet in, want het was gefundeerd op een rots.’ 35 Daarmee besluit de Heer zijn woorden en verwacht dat wij onszelf ertoe verplichten die heilige vermaningen van Hem elke dag met daden te beantwoorden. 36 Daarom worden ons de dagen van dit leven bij wijze van respijt geschonken om ons wangedrag te verbeteren 37 naar het woord van de Apostel*: ‘Weet je niet dat Gods geduld je tot inkeer wil brengen?’ 38 Want in zijn mildheid zegt de Heer: ‘Ik wil de dood niet van de zondaar, ik wil dat hij een andere weg inslaat en in leven blijft.’

5 januari

Broeders, wij hebben de Heer dus ondervraagd over wie er in zijn tent kan wonen en wij hebben gehoord wat het voorschrift is om daar te wonen. Maar de voorwaarde is

6 januari

33

39

15

6 mei 5 september

7 mei 6 september


da sunt corda nostra et corpora sanctae praeceptorum oboedientiae militanda, 41 et quod minus habet in nos natura possibile, rogemus Dominum ut gratiae suae iubeat nobis adiutorium ministrare. 42 Et si, fugientes gehennae poenas, ad vitam volumus pervenire perpetuam, 43 dum adhuc vacat et in hoc corpore sumus et haec omnia per hanc lucis vitam vacat implere, 44 currendum et agendum est modo quod in perpetuo nobis expediat.

Constituenda est ergo nobis dominici scola servitii. 46 In qua institutione nihil asperum, nihil grave, nos constituturos speramus; 47 sed et si quid paululum restrictius, dictante aequitatis ratione, propter emendationem vitiorum vel conservationem caritatis processerit, 48 non ilico pavore perterritus refugias viam salutis quae non est nisi angusto initio incipienda. 49 Processu vero conversationis et fidei, dilatato corde inenarrabili dilectionis dulcedine curritur via mandatorum Dei, 50 ut ab ipsius numquam magisterio discedentes, in eius doctrinam usque ad mortem in monasterio perseverantes, passionibus Christi per patientiam participemur, ut et regno eius mereamur esse consortes. Amen. 45

[Explicit Prologus]

16


dat wij de plicht vervullen die rust op de bewoner. 40 Wij moeten ons hart en lichaam dus voorbereiden om te strijden in dienst van de heilige gehoorzaamheid aan de regels. 41 En is er iets dat van nature voor ons onmogelijk is, laten wij de Heer dan vragen dat hij ons in zijn genade helpt en bijstaat. 42 Willen wij de straffen van de hel ontvluchten en komen tot het eeuwig leven, dan moeten wij ons spoeden. 43 Nu hebben wij nog tijd, terwijl wij in dit lichaam huizen, er is nog tijd om dat alles in dit levenslicht te volbrengen. 44 Nu moeten wij doen wat ons tot in eeuwigheid van nut zal zijn. Wij moeten dus een leerschool oprichten voor de dienst aan de Heer 46 en wij hopen met deze instelling niets in te voeren dat streng is, niets dat lastig is. 47 Maar zelfs als iets een beetje te streng overkomt, ingegeven door zin voor rechtvaardigheid met het oog op het verbeteren van de ondeugden en het in stand houden van de liefde, 48 laat je dan niet meteen door schrik en vrees weerhouden, mijd de weg niet van het heil. Sla je dit pad in, dan kan het in het begin alleen maar smal zijn. 49 Maar door de vorderingen die men maakt in het monastieke leven en in het geloof, krijgt het hart meer ruimte, snelt men verder op de weg van Gods geboden in een onuitsprekelijk verrukkelijke liefde. 50 Door nooit af te wijken van zijn lering en in de abdij* trouw te blijven aan zijn onderricht tot aan de dood, zullen wij door ons geduld deel hebben aan Christus’ lijden, om zo ook waard te zijn deelgenoten te worden van zijn koninkrijk. Amen. 45

[Einde van de Proloog]

17

7 januari 8 mei 7 september


[Incipiunt Capitula] i ii iii iv v vi vii viii ix x xi xii xiii xiv xv xvi xvii xviii xix xx xxi xxii xxiii xxiv xxv xxvi xxvii

18

De generibus vel vita monachorum. Qualis debeat esse abbas. De adhibendis ad consilium fratribus. Quae sunt instrumenta bonorum operum? De oboedientia discipulorum, qualis sit. De taciturnitate. De humilitate. De officiis divinis in noctibus. Quanti psalmi dicendi sunt nocturnis horis? Qualiter aestatis tempore agatur nocturna laus. Qualiter dominicis diebus vigiliae agantur. Qualiter matutinorum sollemnitas agatur. Privatis diebus qualiter matutini agantur. In natale sanctorum qualiter vigiliae agantur. Alleluia quibus temporibus dicatur. Qualiter divina opera per diem agantur. Quanti psalmi per easdem horas dicendi sunt? Quo ordine psalmi dicendi sunt? De disciplina psallendi. De reverentia orationis. Decani monasterii quales debeant esse. Quomodo dormiant monachi. De excommunicatione culparum. Qualis debeat esse modus excommunicationis. De gravioribus culpis. De his qui sine iussione iunguntur excommunicatis. Qualiter debeat abba sollicitus esse circa excommunicatos.


[Overzicht van de hoofdstukken*] 1 Soorten monniken en hun leven. 2 Vereiste kwaliteiten van de abt. 3 Het bijeenroepen en raadplegen van de broeders. 4 Wat zijn de werktuigen om goed te handelen? 5 Wat de gehoorzaamheid van de leerlingen betekent. 6 Zwijgzaamheid. 7 Nederigheid. 8 Het goddelijk nachtofficie. 9 Hoeveel psalmen moet men zingen tijdens het nachtofficie? 10 Hoe men het nachtofficie in de zomer viert. 11 Hoe men het nachtofficie op zondag viert. 12 Hoe men de plechtige lauden viert. 13 Hoe men de lauden viert op weekdagen. 14 Hoe men het nachtofficie viert op de naamdag van heiligen. 15 In welke perioden men het alleluia zingt. 16 Hoe men het goddelijk officie overdag viert. 17 Hoeveel psalmen moet men in die getijden zingen? 18 In welke volgorde moet men de psalmen zingen? 19 De houding bij het zingen van de psalmen. 20 Eerbied bij het gebed. 21 Vereiste kwaliteiten van de dekens van de abdij. 22 Hoe de monniken moeten slapen. 23 Uitsluiting voor fouten. 24 Hoe zwaar moet de uitsluiting zijn? 25 Zwaardere vergrijpen. 26 Over wie zonder opdracht omgaan met uitgeslotenen. 27 Hoe groot de zorg van de abt moet zijn voor uitgeslotenen. 19


xxviii De his qui saepius correpti emendare noluerint. xxix Si debeant iterum recipi fratres exeuntes de monasterio. xxx Pueri minori aetate qualiter corripiantur. xxxi Qualis debeat esse cellararius monasterii. xxxii De ferramentis vel rebus monasterii. xxxiii Si quid debeant monachi proprium habere. xxxiv Si omnes aequaliter debeant necessaria accipere. xxxv De septimanariis coquinae. xxxvi De infirmis fratribus. xxxvii De senibus vel infantibus. xxxviii De ebdomadario lectore. xxxix De mensura cibi. xl De mensura potus. xli Quibus horis oportet reficere fratres? xlii Ut post conpletorium nemo loquatur. xliii De his qui ad opus Dei vel ad mensam tarde occurrunt. xliv De his qui excommunicantur, quomodo satisfaciant. xlv De his qui falluntur in oratorio. xlvi De his qui in aliis quibuslibet rebus delinquunt. xlvii De significanda hora operis Dei. xlviii De opera manuum cotidiana. xlix De quadragesimae observatione. l De fratres qui longe ab oratorio operantur. li De fratres qui non satis longe proficiscuntur. lii De oratorio monasterii. liii De hospitibus suscipiendis. liv Ut non debeat monachus litteras vel eulogias suscipere. lv De vestiariis vel calciariis fratrum. lvi De mensa abbatis. 20


28 Over wie zich na herhaalde vermaningen niet willen beteren. 29 Moet men broeders die de abdij verlieten weer opnemen? 30 Hoe moeten jonge kinderen worden gestraft? 31 Vereiste kwaliteiten van de huismeester van de abdij. 32 Werktuigen en goederen van de abdij. 33 Mogen monniken iets in eigendom bezitten? 34 Moeten allen in eenzelfde mate het nodige ontvangen? 35 Weekbeurt in de keuken. 36 Zieke broeders. 37 Bejaarden en kinderen. 38 De voorlezer van de week. 39 Hoeveelheid voedsel. 40 Hoeveelheid drank. 41 Op welke uren moeten de broeders eten? 42 Na de completen mag niemand spreken. 43 Over wie te laat komen bij het officie of aan tafel. 44 Hoe moeten uitgeslotenen boete doen? 45 Over wie zich in het gebedshuis vergissen. 46 Over wie fouten maken bij om het even wat anders. 47 Het uur van het goddelijk officie aankondigen. 48 De dagelijkse handenarbeid. 49 Het onderhouden van de vasten. 50 Broeders die ver van het gebedshuis werken. 51 Broeders die niet al te ver weg gaan. 52 Het gebedshuis van de abdij. 53 Ontvangst van gasten. 54 Een monnik mag geen brieven of geschenken ontvangen. 55 Kledij en schoeisel van de broeders. 56 De tafel van de abt. 21


lvii lviii lix lx lxi lxii lxiii lxiv lxv lxvi lxvii lxviii lxix lxx lxxi lxxii lxxiii

De artificibus monasterii. De ordine suscipiendorum fratrum. De filiis nobilium vel pauperum. De sacerdotibus qui in monasterio habitare voluerint. De monachis peregrinis. De sacerdotibus monasterii. De ordine congregationis. De abbate ordinando. De praeposito. De ostiariis monasterii. De fratribus in viam directis. Si fratri inpossibilia a priore iubeantur. Ut in monasterio non praesumat alter alium defendere. Ut non praesumat quisquam alium caedere. Ut oboedientes sibi sint invicem. De zelo bono quod debent monachi habere. De hoc quod non omnis observatio iustitiae in hac sit regula constituta.

[Expliciunt Capitula]

22


57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73

Ambachtslieden in de abdij. Regeling voor de opname van broeders. Kinderen van edelen of armen. Priesters die in de abdij zouden willen wonen. Vreemde monniken. Priesters in de abdij. Rangorde binnen de communauteit. Benoeming van de abt. De prior. De portiers van de abdij. Broeders die op reis werden gestuurd. Als een broeder van de abt onmogelijke opdrachten krijgt. In de abdij mag men elkaar niet verdedigen. Niemand mag een ander slaan. De broeders moeten elkaar gehoorzamen. De goede wedijver die monniken moeten hebben. In deze Regel is niet de hele praktijk van de gerechtigheid vervat.

[Einde van het overzicht van de hoofdstukken]

23


[Incipit textus Regulae]

[Regula appellatur ab hoc quod oboedientum dirigat mores] i. De generibus monachorum. Monachorum quattuor esse genera manifestum est. 2 Primum coenobitarum, hoc est monasteriale, militans sub regula vel abbate. 3 Deinde secundum genus est anachoritarum, id est heremitarum, horum qui non conversationis fervore novicio, sed monasterii probatione diuturna, 4 qui didicerunt contra diabulum multorum solacio iam docti pugnare, 5 et bene extructi fraterna ex acie ad singularem pugnam heremi, securi iam sine consolatione alterius, sola manu vel brachio contra vitia carnis vel cogitationum, Deo auxiliante, pugnare sufficiunt. 1

Tertium vero monachorum taeterrimum genus est sarabaitarum, qui nulla regula adprobati, experientia magistra, sicut aurum fornacis, sed in plumbi natura molliti, 7 adhuc operibus servantes saeculo fidem, mentiri Deo per tonsuram noscuntur. 8 Qui bini aut terni aut certe singuli sine pastore, non dominicis sed suis inclusi ovilibus, pro lege eis est desideriorum voluntas, 9 cum quidquid putaverint vel elegerint, hoc dicunt sanctum, et quod noluerint, hoc putant non licere. 10 Quartum vero genus est monachorum quod nominatur girovagum, qui tota vita sua per diversas provincias ternis aut quaternis diebus per diversorum cellas hospitantur, 6

24


[Begin van de tekst van de Regel]

[De Regel ontleent zijn naam aan het feit dat hij het leven regelt van wie eraan gehoorzamen] 1. Soorten monniken. Het is bekend dat er vier soorten monniken bestaan. 2 De eerste is die van de cenobieten*, dit wil zeggen monniken die samenleven in een abdij en hun dienst vervullen onder een regel en een abt. 3 Hierna komt er een tweede soort, die van de anachoreten*, dit wil zeggen van de kluizenaars. In het monastieke leven hebben zij niet de ijver van de novice, maar beproefd door het lange verblijf in de abdij en intussen geschoold met de steun van de communauteit, 4 hebben zij tegen de duivel leren vechten. 5 Goed gewapend verlaten zij de gelederen van hun broeders voor het persoonlijke gevecht in de afzondering. Voortaan zijn zij in staat zonder vrees te vechten tegen de zonden van lichaam en geest, zonder andermans hulp, op eigen krachten en met de bijstand van God.

8 januari

De derde soort monniken, de afschuwelijkste soort, wordt gevormd door de sarabaïeten*. Ondanks de leerschool van de ervaring heeft geen enkele regel hen beproefd als goud in een oven, maar zij werden week als lood. 7 In wat zij doen blijven zij de wereld nog altijd trouw en hun tonsuur wijst er overduidelijk op dat zij liegen tegen God. 8 Zij leven met z’n tweeën of z’n drieën, of zelfs in hun eentje, zonder herder, niet in de schaapstal van de Heer maar opgesloten in hun eigen stal. De bevrediging van hun verlangens is hun wet. 9 Heilig noemen zij al wat zij hebben bedacht en gekozen, en wat zij weigerden beschouwen zij als verboden.

9 januari

1

6

25

9 mei 8 september

10 mei 9 september


semper vagi et numquam stabiles, et propriis voluntatibus et gulae inlecebris servientes, et per omnia deteriores sarabaitis. 12 De quorum omnium horum miserrima conversatione melius est silere quam loqui. 13 His ergo omissis, ad coenobitarum fortissimum genus disponendum, adiuvante Domino, veniamus. 11

ii. Qualis debeat esse abbas. Abbas qui praeesse dignus est monasterio semper meminere debet quod dicitur et nomen maioris factis implere. 2 Christi enim agere vices in monasterio creditur, quando ipsius vocatur pronomine, 3 dicente apostolo: Accepistis spiritum adoptionis filiorum, in quo clamamus: abba, pater. 4 Ideoque abbas nihil extra praeceptum Domini quod sit debet aut docere aut constituere vel iubere, 5 sed iussio eius vel doctrina fermentum divinae iustitiae in discipulorum mentibus conspargatur, 6 memor semper abbas quia doctrinae suae vel discipulorum oboedientiae, utrarumque rerum, in tremendo iudicio Dei facienda erit discussio. 7 Sciatque abbas culpae pastoris incumbere quicquid in ovibus paterfamilias utilitatis minus potuerit invenire. 8 Tantundem iterum erit ut, si inquieto vel inoboedienti gregi pastoris fuerit omnis diligentia adtributa et morbidis earum actibus universa fuerit cura exhibita, 9 pastor eorum in iudicio Domini absolutus dicat cum propheta Domino: Iustitiam tuam non abscondi in corde meo, veritatem tuam et salutare tuum 1

26


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401480857 by Uitgeverij Lannoo - Issuu