Wil Derkse Een levensregel voor beginners Benedictijnse spiritualiteit voor het dagelijkse leven
Voor Paul (†), die zonder het te beseffen door en door benedictijns leefde en werkte voor Geert, met wie ik zo graag Psalm 133 zing en jaarlijks in de refter glimlach om hoofdstuk 69 van de Regel voor Marian, kleine abdis, die zo betrokken heeft meegelezen
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken met interessante, exclusieve aanbiedingen. drieëndertigste druk Vormgeving Studio Lannoo © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2021 en Wil Derkse D/2021/45/540 – ISBN 978 94 014 8083 3 – NUR 700 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
INHOUD
Ter inleiding
7
Woord vooraf
15
I een eerste kennismaking met de benedictijnse spiritualiteit
19
1. Een lesje bij beelden uit de Hildegardisabdij
in Eibingen
19
2. Wat ik leerde bij mijn eigen kennismaking
met benedictijns leven
26
3. Groeien naar de oblatuur
31
II grondpatronen van benedictijnse spiritualiteit – en eerste vertaling
naar niet-monastieke contexten
1. De benedictijnse levensregel: aandachtig
luisteren om tot resultaat te komen
34
2. De benedictijnse geloften: op groei en
bevrijding gericht
34
42
3. Enkele meer specifieke invullingen van de
benedictijnse kunst van het luisteren
54
III
benedictijns leiderschap:
mensen stimuleren tot groei
74
1. Leiderschap vergt extra luistertalent
74
2. De persoon van de abt
76
3. De persoon van de kellenaar:
‘a man for all seasons’ 97
IV
benedictijns tijdmanagement:
een gevulde agenda, maar nooit druk
106
epiloog 125 noten 127
TER INLEIDING
Een van de zegeningen van christelijk leven is zijn bonte veelheid van spiritualiteiten: ignatiaans, franciscaans, augustijns, dominicaans, salesiaans, die van Taizé, de carmelitaanse van Teresa van Avilla en Johannes van het Kruis, benedictijns, cisterciënzer en nog veel meer. Deze spiritualiteiten verschillen aanzienlijk, zowel in theologisch als in praktisch opzicht. Maar er zijn ook belangrijke overeenkomsten. Ze zijn alle verbonden met een stichter of stichteres – zoals vaak al uit hun namen blijkt. Het zijn personen die aan hun wieg staan, en niet zozeer theorieën en concepten. Personen die extra talent hadden om aandachtig te luisteren naar de Geest en daar ook van harte en daadwerkelijk antwoord aan gaven. Alle proberen ze deze Spirit te incarneren in een levensstijl. En alle zijn ze gericht op Christus als hun centrum. En deze gecentraliseerde pluraliteit is nou typisch en letterlijk katholiek (van het Grieks: kat’holon), of om het wat moderner te zeggen: alle neuzen wijzen heel verschillend dezelfde kant op. Te midden van deze bonte veelheid aan spiritualiteiten is de benedictijnse een van de oudste. Benedictus schreef zijn Regel voor monniken in de eerste helft van de zesde eeuw. En toch blijk dit ‘handboekje voor kwaliteitsmanagement’ – om weer een hedendaags woord te gebruiken – geschikt te zijn om ook nu nog duizenden monialen en monniken en minstens zoveel leken een oriëntatie in hun leven te bieden. Overigens, Benedictus was zelf een leek, geen gewijd clericus, en de rond hem gegroeide gemeenschappen bestonden grotendeels uit
7
leken. Zijn Regel bevat zelfs twee nogal voorzichtige, om niet te zeggen afhoudende hoofdstukken over eventuele priesters die lid van de communiteit willen worden, en over monniken die ter wille van de communiteit tot diaken of priester worden gewijd. Binnen de christelijke spiritualiteiten is de benedictijnse mogelijk de minst spectaculaire. Ze is heel down to earth, niet dramatisch, met een heel bescheiden mate van spirituele begeleiding, niet gericht op ‘interessante’ verlichtingservaringen en vurige bekeringsmomenten. De enige verlichtingservaring die bij haar past, wordt mooi uitgedrukt in een zenspreuk: ‘Vóór de verlichting: hout hakken en water putten; ná de verlichting: hout hakken en water putten.’ Het gaat erom hetzelfde anders te doen, niet om naar heel nieuwe en andere inzichten of mystieke ervaringen op te klimmen. De benedictijnse spiritualiteit heeft dan ook de grootst mogelijke afstand tot bijvoorbeeld de spirituele avonturen in James Redfields De Celestijnse Belofte. Ze is stevig geworteld en niet bij elkaar geveegd uit allerlei spirituele tradities; ze heeft geen haast; ze heeft werkelijk niets geheimzinnigs en esoterisch; ze is niet gericht op de mystieke queeste van het individu, maar op de groei van de persoon levend en ingebed in een gemeenschap, met zijn alledaagse en vaak heel ‘wereldse’ bezigheden. Het is veelzeggend dat het centrale beginsel van de benedictijnse spiritualiteit – en dat is niet het vaak genoemde ora et labora, dat als zodanig niet in de Regel te vinden is en dat zelfs wat misleidend is omdat het een dualisme suggereert, terwijl benedictijns leven een ‘leven uit één stuk’ wil zijn – te vinden is in een van de meest wereldse hoofdstukken van de Regel, dat over de handwerkslieden van het klooster. Hun producten moeten iets lager geprijsd zijn dan in ‘de wereld’, niet vanwege valse concurrentie, maar om
8
de ondeugd van de hebzucht geen kans te geven. Er is ook een positieve reden: de sympathieke prijsstelling is er ‘opdat God in alles worde verheerlijkt – ut in omnibus Deus glorificetur’. Dit is benedictijnse spiritualiteit in een notendop: dat alles een kans biedt Gods lof te bezingen – ook de context van kopen en verkopen; dat elke activiteit geheiligd kan worden. In de meest letterlijke zin is benedictijnse spiritualiteit een holistische of beter: heelmakende spiritualiteit. Dit boek is niet een inleiding in de benedictijnse spiritualiteit. Dat hebben anderen al gedaan, en met betere papieren, want van binnenuit, levend als monnik en moniale.1 Ik heb dankbaar uit deze bronnen geput. Wat ik wil proberen is om aan te geven hoe elementen uit deze spiritualiteit en de daarmee verbonden levensstijl ook buiten de kloostermuren heel vruchtbaar kunnen zijn voor een versterking van de kwaliteit van samenleven en samenwerken. Want op allerlei niveaus en binnen heel uiteenlopende verbanden dragen we verantwoordelijkheid voor samenleven en samenwerken – zoals de abt en anderen dat in een abdij doen: als (groot)ouder, leraar, bestuurder, trainer, journalist, pastor, vakbondsleider, bisschop of hoe dan ook. Ik heb ervaren dat de benedictijnse spiritualiteit een ware Fundgrube is van oude en toch steeds nieuw te incarneren inzichten betreffende goed leiderschap, verstandige besluitvorming, vruchtbare communicatie, goed human resource management, een heilzame omgang met conflicten, een zorgvuldige omgang met je spullen, een gezegende en ruimte gevende levensstijl. Daarbij is het aantrekkelijk dat de benedictijnse spiritualiteit zich zo uitgesproken richt op wat ons hier en nu, op dit moment te doen staat. Ze is niet gericht op verre en hoge idealen, alleen te bereiken door spirituele grootmeesters. Het
9
heilige is voor haar het gewone; haar ascese is niet gericht op verheven ervaringen, maar op de alledaagse toewijding aan kwaliteitsverbetering. Als deze elementen wat kunnen bijdragen aan een gezegend samenleven en samenwerken in een meer seculiere context, dan kan dat geen kwaad. Een vertaling naar deze context zal dan nodig zijn. Wanneer je medewerkers op de afdeling voorhoudt dat al hun activiteiten evenzoveel kansen zijn om God te prijzen en dat zelfs hun geringste handelingen sacramenteel en heiligend kunnen zijn, dan zullen ze je in het gunstigste geval onbegrijpend en een beetje bezorgd aankijken, en je in het ongunstigste geval door de bedrijfsgezondheidsdienst laten afvoeren. Wanneer je ze voorhoudt dat zelfs de kleinste schakeltjes in de bedrijfsvoering van de afdeling – tot de houding bij het opnemen van de telefoon toe – evenzoveel kansen zijn voor een kwaliteitsimpuls(je), onder het motto anything worth doing is worth doing well, dan zou deze aansporing onderdeel kunnen zijn van een te verwezenlijken plan voor total quality management. Maar deze nu populaire term uit het managementjargon is in zekere zin gewoon de hedendaagse pendant van het ut in omnibus Deus glorificetur. Nu kan natuurlijk de vraag gesteld worden of beginselen die geput worden uit een door en door gelovige context zomaar getransporteerd kunnen worden naar verbanden van samenleven en samenwerken die geen rechtstreekse religieuze binding hebben en die (groten)deels bevolkt worden door mensen die ‘niet geloven’ – wat ik trouwens van niemand zou durven beweren. Ook mag de vraag worden gesteld of zo’n overzetting eigenlijk wel ‘mag’, of je een door en door religieuze spiritualiteit daarmee niet naar ‘beneden’ haalt. Ik heb daar twee antwoorden op.
10
Het eerste, wellicht wat frivole antwoord, is een waarschijnlijk apocriefe anekdote over de grote fysici Niels Bohr en Albert Einstein. Einstein bezoekt Bohr in zijn zomerhuisje aan de Deense kust. Hij ziet dat boven de ingang naar plaatselijk gebruik een hoefijzer is aangebracht, om de inwoners van het huis geluk te brengen. ‘Niels,’ zegt hij, ‘jij als fysicus gelooft toch zeker niet dat zo’n hoefijzer werkt en de loop van de gebeurtenissen beïnvloedt?’ Bohrs antwoord: ‘Nee, natuurlijk geloof ik daar niet in, maar ik heb gehoord dat het ook werkt als je er niet in gelooft.’ Mijn tweede antwoord zegt hetzelfde, maar dan wat meer theologisch verpakt. Elke bijdrage aan de cognitieve, esthetische en morele kwaliteit van deze wereld is een bijdrage aan het rijk Gods. Als elementen uit een christelijke spiritualiteit heilzaam op de houding en levensstijl van de niet-christen of de niet-religieus gebonden mens inwerken, is dat winst en van waarde. Zoals dat ook geldt voor beïnvloeding in ‘omgekeerde’ richting, bijvoorbeeld wanneer elementen uit boeddhisme, taoïsme of de milieubeweging vruchtbaar blijken te kunnen zijn in de christelijke levenspraktijk. Spiritualiteit kun je trouwens niet ‘naar beneden halen’, en zeker de benedictijnse niet. Die is uitdrukkelijk voor ‘beneden’ bedoeld, om namelijk in alles Gods lof te zingen. Ook voor wie niet in de religieuze bedding wandelt waarbinnen de benedictijnse spiritualiteit zich beweegt – maar die wel het vermoeden heeft dat uit die spiritualiteit vruchtbaar te putten is voor de eigen houding en levensstijl – kan het zinvol zijn om nader kennis te maken met de algemene spirituele achtergrond van benedictijns leven. Deze probeer ik te geven in het eerste hoofdstuk, waarbij ik uitga van mijn eigen kennismaking met deze levensstijl. Het tweede hoofdstuk
11
beoogt de grondpatronen van benedictijnse spiritualiteit in objectievere vorm te schetsen en deze te vertalen naar nietmonastieke contexten. De verschillende deelthema’s die daarin in het voorbijgaan oplichten (zoals bezield leiderschap, luisterende besluitvorming, vruchtbaar gedijende human resources en verstandig omgaan met de tijd) zullen in de daaropvolgende hoofdstukken elk nader worden voorgesteld. Nog een opmerking bij wijze van gebruiksaanwijzing bij dit boek, een opmerking die ik bijna niet durf op te schrijven omdat ze even pedant als verwaand lijkt: lees het langzaam, en dus in niet al te grote porties. Het is niet bedoeld om snel wat informatie uit te vergaren, om na diagonaal lezen haastig wat bruikbare tips met een groene stift te markeren, om in twee avonden tot een hoger inzicht te komen. In de benedictijnse traditie kennen we de lectio divina of geestelijke lezing. Daarin wordt een tekst waarin je iets voedzaams hoopt aan te treffen heel langzaam gelezen, en wel tot iets je raakt. Dan stop je. Wat je geraakt heeft bekijk je nog eens opnieuw, en rustig associërend overweeg je hoe het kwam dat je geraakt werd, wat dat eigenlijk was, en wat daarop je antwoord zou kunnen zijn. Het is een soort proevend herkauwen van een tekstfragment, totdat je denkt dat je er de voedende sappen wel zo’n beetje uit hebt gehaald – de oude monniken noemden dit ruminatio, het Latijnse woord voor wat koeien met gras doen. Dan lees je langzaam verder tot (hopelijk) opnieuw iets je raakt. Ik durf dit zonder al te veel gêne op te schrijven, omdat hetgeen de lezer hier en daar als voedzaam en heilzaam zal raken toch niet van mij afkomstig zal zijn, maar van Benedictus, van de levensstijl die in zijn Regel geworteld is,
12
en vanuit het contact met personen die volgens zijn Regel met vallen en opstaan proberen te leven. Dat ‘met vallen en opstaan proberen’ wil ik benadrukken. Vanzelfsprekend wil ik in dit boek het mooie, waardevolle en vruchtbare van het benedictijnse leven aan de lezer voorhouden. Het is net zo vanzelfsprekend dat iemand reageert met de ontnuchterende opmerking: ‘Maar ik ken een abdij (of zelfs meerdere) waar van al dat moois soms weinig terechtkomt.’ Nou, ik ook. Om te beginnen de abdij waarvan ik de (dankbare) oblaat ben – en de bewoners daar zullen de eersten zijn om dit ‘met vallen en opstaan proberen volgens de Regel te leven’ ten volle te beamen. Evenmin zouden ze hun eigen leven willen idealiseren. De abdijgeschiedenis heeft perioden van grote bloei meegemaakt, maar ook van diepe crisis. De grootste bloeiperiode was misschien wel die van de gezamenlijke eigenhandige bouw van het eigen klooster – een ervaring die moeilijk te evenaren is. Wellicht dat gericht iets nieuws proberen te bouwen (van welke aard en hoe bescheiden ook) een voorwaarde zou kunnen zijn voor een nieuwe periode van bloei. Nu lijkt mijn abdij na lente, zomer en herfst in haar winterseizoen te zijn – al zijn er eerste lenteboden. Zo’n winterseizoen lijkt erger dan het is. Ook de winter is een respectabel seizoen, waarin kiemen worden bewaard en stilletjes doorleven voor een volgende lente van een jaar dat anders zal zijn dan het vorige. Het is als bij die oude Ierse gewoonte die grieshog wordt genoemd, waarbij aan het eind van de dag enkele gloeiende kooltjes onder een laag as worden geborgen. Na de nacht kunnen de kooltjes worden vrijgemaakt om een nieuw vuur (of vuurtje) te doen ontvlammen.2 Om dit beeld nog even vol te houden: wie als buitenstaander het kleine en grotendeels grijze gezelschapje abdijbewoners voor het
13
eerst zou meemaken, zou algauw kunnen denken: veel as hier. Maar ik weet dat er gloeiende kooltjes onder de as zijn. Ik weet dat omdat ik er elke keer, ook nu in de winter, door aangestoken word. En ik zal beslist niet de enige zijn. Er zijn zelfs enkele signalen dat de gloeiende kooltjes onder de as anderen zodanig hebben aangestoken, dat ze het vuur ook als monnik willen voortzetten. In dankbare verbondenheid met de gloeiende kooltjes van de Slangenburg en zij die door hen zijn aangestoken is dit boekje geschreven.
14
WOORD VOORAF
Bij gelegenheid van deze 33ste druk van Een levensregel voor beginners – Benedictijnse spiritualiteit voor het dagelijkse leven werd het boek in een nieuw jasje gestoken: een nieuwe cover, een omslag met flappen, kortom een nieuw design. De eerste druk verscheen in september 2000. Na zoveel jaren voelde ik even de aandrang om ook het binnenwerk te herzien. Die aandrang duurde maar kort. Het boek wordt door anderen inmiddels een ‘klassieker’ genoemd en vindt inderdaad na 21 jaren nog steeds nieuwe lezers; daaraan ga je niet sleutelen. Wel deed ik in al die jaren nieuwe ervaringen op, professioneel en persoonlijk, waardoor de benedictijnse spiritualiteit waarmee ik me heb verbonden een sterkere existentiële betekenis voor me heeft gekregen. Ook werden mij in gesprekken, door een intenser meeleven met een benedictijner gemeenschap, en door studie van oude en eigentijdse bronnen, verruimende inzichten en perspectieven aangereikt. Deze kregen in andere publicaties een plaats, zoals in Gezegend leven. Benedictijnse richtlijnen voor wie naar goede dagen verlangt (2007) en in mijn nieuwe boek Benedictijnse stuurmanskunst. Leidinggeven in dienst van de gemeenschap,– dat tegelijk verschijnt met deze nieuwe editie van Een levensregel voor beginners. In Gezegend leven besteed ik aanvullende aandacht aan thema’s als het belang van stilte en zwijgzaamheid in het monastieke leven – en daarbuiten, aan de rol van werk en geestelijke studie − als bronnen van vitaliteit in het leven van
15
alledag, de deemoed als de moed om te dienen, en de benedictijnse omgang met gastvrijheid. In Benedictijnse stuurmanskunst ligt het accent op wat leidinggevenden die zich in dienst van een gemeenschap weten, kunnen vinden aan ‘gereedschappen’ in de 1500 jaar duurzaam gebleken Regel van Benedictus. Benedictijnse stuurmanskunst is de vrucht van 20 jaar ontmoetingen in seminars en andere werkvormen met ‘stuurlieden’ die zich veelal voelden aangesproken door Een levensregel voor beginners. Het is voor mij een tot dankbaarheid stemmende ervaring dat mijn eerste boek over benedictijnse spiritualiteit zulk een weerklank kreeg. Een levensregel voor beginners is door en door gevoed door de groeiende verbondenheid die ik sinds 1982 met de SintWillibrordsabdij heb mogen ervaren. Deze verbondenheid is sinds het verschijnen van Een levensregel voor beginners alleen maar intensiever geworden. Heel in het bijzonder was dat het geval toen ik zeven jaar lang als het ware onder de rook van de abdij was gaan werken en wonen, als directeur van het met de abdij verbonden Gastenhuis Kasteel Slangenburg, en ik om die reden dagelijks met de gemeenschap mee kon vieren en de zondagsliturgie mocht ondersteunen als organist. Die abdijgemeenschap heeft sinds 1982 vele ontwikkelingen doorgemaakt, met de onvermijdelijke ups-and-downs, en tegelijk met een merkwaardige continuïteit en zich vernieuwende vitaliteit. Geen van de vijftien monniken die ik in 1982 en de jaren daarna meer of minder intensief leerde kennen, maakt nog deel uit van deze gemeenschap. De meesten ervan hebben een plaats gevonden op de begraafplaats van het klooster, een plek die een eigen opstel verdient vanwege de bijzondere grafstenen; elke grafsteen bevat een klein kunstig uitgevoerd vignet dat een levensverhaal aanduidt
16
van de zeer verschillende broeders die daar hun rustplaats hebben gevonden. Van de gemeenschap die er in 2000 bij het verschijnen van mijn Levensregel voor beginners leefde, staat nu nog één monnik in het koor, en wel links vooraan: de huidige abt br. Henry Vesseur. Hij was de eerste ‘lentebode’ die ik toen nog anoniem noemde in het inleidende hoofdstuk van het boek dat u nu in handen heeft. Blijkbaar was hij aangestoken door de nog ‘gloeiende kooltjes onder de as’, die na een diepe crisis van de zeer gekrompen en bejaarde gemeenschap in het jaar daarvoor elkaar in alle broosheid hadden gestimuleerd om te werken aan de onderlinge vitaliteit. Een proces dat in de volgende jaren wijs werd begeleid door br. Rien van den Heuvel, eerst als abt-administrator vanuit zijn ‘eigen’ SintPaulusabdij in Oosterhout, daarna gekozen als abt van de Sint-Willibrordsabdij. Er traden nieuwe broeders in, waarvan sommige toch weer een andere levenskeuze maakten, andere bleven. De gemeenschap durfde het – met steun van velen − aan om flink te investeren in de heel concrete infrastructuur van de toekomst van het klooster: de abdij zelf werd aangepast aan de eisen en regelgeving van de tijd, en het al eerder verbouwde deel van de boerderijgebouwen werd grondig en op duurzaamheid gericht gemoderniseerd, om beter te kunnen te functioneren als gastenhuis voor groepen. Dat bleek zodanig vruchtbaar dat de vraag naar dit ‘Stiltecentrum Bethlehem’ groter was dan wat aan gastenkamers en voorzieningen beschikbaar kon zijn. Onder de nieuw gekozen abt br. Henry Vesseur werden de ontwikkelingen voortgezet. De gemeenschap groeide en verjongde zich, maar ook daarin bleven zorgen en problemen natuurlijk niet uit. Benedictus zou dat overigens niet anders
17
dan normaal gevonden hebben. Niettemin werd er opnieuw geïnvesteerd, zowel waar het de interne vitaliteit betreft als in een tweede verbouwing en renovatieronde. De vorig jaar voltooide gastenverblijven in wat nu de Abdijhoeve Bethlehem heet, kunnen nu twee groepen tegelijk gastvrijheid bieden. Continuïteit en vitaliteit mogen ook gemeld worden waar het gaat om de groep oblaten van de Sint-Willibordsabdij: de mannen en vrouwen die zich zodanig geraakt voelen door juist deze abdijgemeenschap en de benedictijnse spiritualiteit dat zij zich na een voorbereidend jaar permanent verbonden hebben met de Sint-Willibrordsabdij, en die verbondenheid vorm willen geven in hun leven dat zich buiten het klooster afspeelt. Toen ik zelf in 1992 tot de door de toenmalige prior Paul van der Ven gerevitaliseerde oblatengemeenschap mocht toetreden waren we met een dertigtal, nu telt de groep ruim 100 leden en is er een tiental aspiranten. Wanneer ik nu te gast ben in de abdij, bespeur ik steeds dat er, ondanks de totaal veranderde gemeenschap en de herinrichting van het huis en zijn omgeving, eenzelfde geest rondwaart als bijna veertig jaar geleden. Niet ‘dezelfde’ maar ‘eenzelfde’ geest; het gaat niet om een statische gegevenheid, maar om een dynamisch geestelijk proces van continuïteit én vernieuwing. Dat ik inmiddels bij een viering de chronologisch langst verbondene van de zingende gemeenschap ben, geeft me tegelijk een gevoel van dankbaarheid én realiteitsbesef. We zingen als een gemeenschap van permanente ‘beginners’, en dat geldt in het bijzonder en nu ook het langst voor mijzelf. Wil Derkse, zomer 2021
18
I EEN EERSTE KENNISMAKING MET DE BENEDICTIJNSE SPIRITUALITEIT3
1. Een lesje bij beelden uit de Hildegardisabdij in Eibingen De abt, zo stelt Benedictus, moet eerder door zijn daden dan door zijn woorden duidelijk maken wat goed en heilzaam is. Het Feijenoord-clublied Geen woorden maar daden heeft blijkbaar een benedictijnse achtergrond. De abt moet eerder door zijn voorbeeld onderrichten dan door breedsprakige lessen. Ook voor de kennismaking met de benedictijnse spiritualiteit kunnen (voor)beelden meer zeggen dan woorden. De KRO maakte in de jaren 1980 twee schitterende tv-series over het monastieke leven. Ze zijn op video uitgebracht onder de titels Abdijen van de lage landen en Abdijen van Europa.4 In de eerste reeks sprak me natuurlijk vooral het portret aan van de Sint-Willibrordsabdij in Doetinchem-Slangenburg. Met deze abdij ben ik steeds meer verbonden geraakt. Het commentaar bij de voor mij vertrouwde beelden van abt Van den Biesen is heel down to earth: het zelf bouwen van deze abdij heeft de spirit van deze op het oog weinig spectaculaire gemeenschap door en door bepaald. Maar voor een eerste kennismaking met wat benedictijns leven inhoudt zou ik eerder een aflevering uit de tweede serie
19
aanbevelen, namelijk die welke het dagelijkse leven laat zien van de monialen die de Hildegardisabdij in het Duitse plaatsje Eibingen bewonen, vlak bij de resten van de abdij die in de twaalfde eeuw werd gebouwd door de veelzijdige benedictines Hildegard van Bingen. De beelden uit deze abdij zullen bij velen als vreemd en vervreemdend overkomen. Wat motiveert een groep van tegen de zestig vrouwen van drie generaties om onder het gezag van een abdis en een ongeveer 1500 jaar oude Regel voor monniken te leven? ‘Wat doet u daar in de Middeleeuwen?’ zou een heel begrijpelijke vraag kunnen zijn. Maar aan kleine details is algauw te zien dat deze vrouwen in deze tijd leven: een gsm-telefoon vastgeklipt aan een habijt, moderne keukenapparatuur, computers, het moderne wijngoed van de abdij. We zien de monialen tijdens verschillende momenten van hun dagritme: Gods lof zingend in de kloosterkerk (in fraai gepolijst gregoriaans), hun werk: de zorgvuldige werkzaamheden van de edelsmid, het grondig reinigen van de lampenkappen in de kapel, een zorgvuldig privatissimum fenomenologie door de abdis (een gepromoveerd filosofe) aan een jonge novice, bloemen schikken voor het altaar, werkzaamheden in de wijnkelders, met aandachtige privé-lectuur op de eigen kamer, een telefoongesprek in de kloostergang, waarbij de zuster even in een nis gaat zitten om de opbeller de juiste aandacht te schenken, bij het aanleggen van nieuwe elektriciteitsleidingen, tijdens de ontspannen recreatie… Wie deze beelden een tijdje in zich opgenomen heeft, zal drie dingen zeker opvallen. Allereerst dat de zusters er bij al deze activiteiten naar streven aan alles aandacht te schenken, wat dan ook – inclusief de recreatie; alles wordt gedaan in een geest van een aandachtig cultiveren. Steeds als ik deze video zie moet ik denken aan de simpele regel van de romanschrijfster
20
en filosofe Iris Murdoch, die in een notendop het beginsel van goed leven samenvat: to attend and get things right – opletten en de zaken in orde krijgen, daar komt het steeds weer op neer. Een tweede eigenschap die de kijker zal opvallen is de kalme schoonheid en goed onderhouden orde van de abdij, inclusief de keuken en de andere werkplaatsen. En dat is trouwens ook het geval als er geen tv-camera’s aanwezig zijn. Abdijen ademen een geest van zorg en cultuur uit, een uitstraling waaraan ook heel kleine dingen bijdragen: een paar goed geschikte bloemen, zorgvuldig schoongemaakt en geordend gereedschap, het precieze handschrift waarin de aantekeningen van de filosofieles zijn genoteerd. Kleine dingen die belangrijk zijn. Schoonheid en orde werken namelijk aanstekelijk. Een student liet me daar eens een klein maar overtuigend bewijs van zien. Hij toonde mij zijn notitieblok, waarop hij de collegenotities van de afgelopen week had geschreven. De meeste aantekeningen waren blijkbaar haastig gemaakt, veel stond schots en scheef door elkaar, de leesbaarheid liet te wensen over. Maar er was één opvallende uitzondering: een college informatica. De betrokken hoogleraar maakt er een sport van om alles heel netjes en fraai op te schrijven, in geordende stappen en in een mooi en leesbaar handschrift. Zijn collegedictaten worden dan ook niet per tekstverwerker maar in handschrift aangeleverd – een gewoonte die inmiddels door veel collega’s van de betrokken vakgroep is overgenomen. Zonder dat de student daar een weloverwogen beslissing toe had genomen, waren zijn aantekeningen van dit college geordend, mooi geschreven, uiterst leesbaar – een orchidee tussen veel onkruid. Orde en schoonheid werken aanstekelijk. Wanorde en lelijkheid trouwens ook. Dat geldt bij kleine dingen als het bijhouden van een notitieblok, maar dat geldt ook voor het runnen van een groot bedrijf of een ministerie.
21