Speel- en leefruimtes
in de voorschoolse kinderopvang
ego praktijkboek
Bart Declercq, Laura Van de Voorde en Veronique Steen
D/2021/45/423 – ISBN 978 94 014 8051 2 – NUR 840, 847 Vormgeving omslag: Gert Degrande | De Witlofcompagnie Vormgeving binnenwerk: Crius Group Illustraties: An Joris © De auteurs, CEGO & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2021. Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus Vaartkom 41 bus 01.02 Postbus 23202 CEGO 3000 Leuven 1100 DS Amsterdam Schapenstraat 34 bus 3776 België Nederland 3000 Leuven www.lannoocampus.be www.lannoocampus.nl www.cego.be
INHOUD INLEIDING 9 Waar starten? Een routeplanner
10
1.
13
RUIMTES, VISIE EN GEDRAG
1.1 Het belang van een eigen visie 1.2 De visies van pedagogische pioniers 1.3 Visie en wetenschap 1.4 Het waarom: kinderen, gezinnen en de ruimte 1.5 Samengevat
14 16 19 25 31
2. RUIMTE(S) OPTIMAAL GEBRUIKEN
33
2.1 Alle ruimtes optimaal gebruiken 2.2 Inrichten op kindhoogte 2.3 Gebruik materiaal dat zelfstandigheid ondersteunt 2.4 De buitenruimte als volwaardige speelruimte 2.5 Samengevat
34 36 41 43 47
3. RUIMTE(S) OVERZICHTELIJK INDELEN
53
3.1 Overzicht via speelzones 3.2 Variatie aan speelzones 3.3 Doordachte plaatsing van speelzones 3.4 Speelzones en het gebruik door kinderen 3.5 Duidelijke afbakening 3.6 Samengevat
54 58 68 70 72 75
4. SPEELPLEKKEN AANTREKKELIJK INRICHTEN
81
4.1 Een toegankelijk aanbod 4.2 Een overzichtelijk aanbod 4.3 Een rijk en gevarieerd aanbod 4.4 Soorten materialen 4.5 Samengevat
82 85 87 93 101
5. RUIMTES SFEERVOL AANKLEDEN
107
5.1 Sfeervolle plekken 5.2 Kleur en lichtgebruik 5.3 Geluiden, geuren en temperatuur 5.4 Zachte en natuurlijke materialen 5.5 Een eigen plek voor elk kind 5.6 Plekken voor ontmoeting 5.7 Samengevat
108 109 111 114 117 119 123
6.
129
RUIMTE(S) EN GEZINNEN
6.1 Ligging, herkenbaarheid en toegankelijkheid 6.2 Gezinnen voelen zich welkom 6.3 Gezinnen nemen deel aan de opvang 6.4 Gezinnen ontmoeten elkaar 6.5 Samengevat
130 133 139 141 144
7. RUIMTES EN KWALITEIT BEWAKEN
149
7.1 Dagelijkse observatie van je ruimte(s) 7.2 Periodieke observatie van je ruimte(s) 7.3 Een doelgerichte aanpak: groeifiches 7.4 Extra materialen en activiteiten 7.5 Samengevat
150 152 156 159 161
REFERENTIES 163
INLEIDING
1. RUIMTES, VISIE EN GEDRAG
2. RUIMTE(S) OPTIMAAL GEBRUIKEN 3. RUIMTE(S) OVERZICHTELIJK INDELEN 4. SPEELPLEKKEN AANTREKKELIJK INRICHTEN
5. RUIMTES SFEERVOL AANKLEDEN
6. RUIMTE(S) EN GEZINNEN
7. RUIMTES EN KWALITEIT BEWAKEN
INLEIDING De gedrevenheid van kinderen om greep te krijgen op de wereld rondom hen vraagt een gevarieerd aanbod, dat hen steeds opnieuw uitnodigt tot onderzoeken en ontdekken. Met deze publicatie willen we inspireren om aantrekkelijke speel- en leefruimtes op te zetten met goed doordachte en gevarieerde speelplekken. We doen dat vanuit een ervaringsgerichte visie. Het zijn ruimtes die inzetten op het welbevinden, de betrokkenheid en de verbondenheid tussen kinderen. De rode draad hierbij: je verplaatsen in de kinderen, tot je laten doordringen wat voor een ervaring het is om in deze ruimte, bij die materialen en de anderen te zijn. In doordacht ingedeelde en ingerichte speel- en leefruimtes komen kinderen met uiteenlopende achtergronden en interesses aan hun trekken. In zo’n omgeving komt ten volle naar voren wat kinderen, al op jonge leeftijd, in hun mars hebben. We kunnen niet zonder ruimtes waarin kinderen zich thuis voelen, warme relaties met anderen aangaan en waar heel wat te ontdekken valt. In die ruimtes maken gezinnen deel uit van het plaatje. Het zijn ruimtes waar ouders zich welkom voelen, kansen krijgen om deel te nemen aan de opvang en elkaar ontmoeten. Kortom, het zijn plekken waar iedereen erbij hoort, ongeacht afkomst, levensstijl of gezinsvorm. We wensen je veel leesgenot!
In het boek worden drie iconen gebruikt: Dit zijn reflectie- en toepassingsvragen. Je kunt ze bijvoorbeeld gebruiken tijdens een teamoverleg. Ze zorgen dat je de inhoud van het boek op je eigen situatie kunt toepassen. Dit zijn omschrijvingen van begrippen of weetjes. Ze verduidelijken waarover het precies gaat als een moeilijke term gebruikt wordt. Dit zijn inzichten en illustraties van wat we uit onderzoek weten. Het is verdieping en achter grond bij de inhoud van het boek.
10
SPEEL- EN LEEFRUIMTES IN DE VOORSCHOOLSE KINDEROPVANG
Waar starten? Een routeplanner Heb je een duidelijke pedagogische visie? Ja
Nee
Is de visie zichtbaar aanwezig in
Start bij Hoofdstuk 1.
de ruimte (bv. via de materialen,
Ruimtes, visie en gedrag
inkleding)?
Ja
Nee
Worden alle beschikbare ruimtes
Start bij Hoofdstuk 1.
optimaal gebruikt voor activiteiten
Ruimtes, visie en gedrag
met kinderen?
Ja
Nee
Oogt (ogen) je ruimte(s) rustig en
Start bij Hoofdstuk 2.
aantrekkelijk?
Ruimtes optimaal gebruiken
Ja
Nee
Zijn je ruimte(s) overzichtelijk
Start bij Hoofdstuk 5.
ingedeeld in herkenbare
Ruimte(s) sfeervol aankleden
speelplekken?
Ja
Nee
Is elke speelplek goed ingericht met toegankelijke materialen?
Start bij Hoofdstuk 3.
Gaan kinderen op elke speelplek
Ruimte(s) overzichtelijk indelen
gevarieerd en intens aan de slag?
Inleiding
11
Ja
Nee
Zorgen de indeling en de
Start bij Hoofdstuk 4.
inrichting van je ruimte(s) dat alle
Speelplekken aantrekkelijk inrichten
gezinnen zich welkom voelen?
Ja
Nee
Maak je systematisch gebruik van
Start bij Hoofdstuk 6.
observatie en documentatie om je
Ruimte(s) en gezinnen
ruimte(s) aan te passen?
Ja
Nee
Start bij Hoofdstuk 7.
Start bij Hoofdstuk 7.
Ruimte(s) en kwaliteit
Ruimte(s) en kwaliteit
INLEIDING
Het belang van een eigen visie 14 De visies van pedagogische pioniers 16
1. RUIMTES, VISIE EN GEDRAG
Visie en wetenschap 19 Het waarom: kinderen, gezinnen en de ruimte 25
2. RUIMTE(S) OPTIMAAL GEBRUIKEN 3. RUIMTE(S) OVERZICHTELIJK INDELEN 4. SPEELPLEKKEN AANTREKKELIJK INRICHTEN
5. RUIMTES SFEERVOL AANKLEDEN
6. RUIMTE(S) EN GEZINNEN
7. RUIMTES EN KWALITEIT BEWAKEN
Samengevat 31
1. RUIMTES, VISIE EN GEDRAG Naar welk restaurant ga je voor een avondje uit? Een fastfoodrestaurant of een klasserestaurant? Er is veel kans dat je koos voor het klasserestaurant. Het eten is er beter, het is er aangenaam zitten in het interieur met rustige kleuren, gedimd licht, stoffen tafellinnen, rustgevende muziek, geluiddempers, comfortabele stoelen… Dat alles geeft rust en een aangenaam gevoel. Je wordt niet ongeduldig als je even moeten wachten. Het fastfoodrestaurant daarentegen, met de schreeuwerige kleuren, het kunstlicht, de luide muziek en de ongemakkelijke stoelen creëert onrust. Je komt er voor een snelle hap, maar niet voor een gezellige avond uit.
Bezoek een publieke ruimte (bv. bib, ondergrondse parking, winkel, museum, metrogang). Op welke manier en wat in de omgeving beïnvloedt je gedrag en gemoed? Wat zorgt ervoor dat je je op je gemak voelt? Hoe vind je je weg? Wat is de impact van de geluiden, geuren, kleuren en licht? Welk gevoel roept bijvoorbeeld een verlaten metrogang op? Hoe ervaar je een drukbezochte bibliotheek of een stil museum?
In een majestueus gebouw, zoals een kathedraal, voel je je nederig. Een gymzaal nodigt uit tot beweging. Een zebrapad zet je aan de straat over te steken door alleen de witte strepen te gebruiken. Omgevingen en structuren beïnvloeden hoe je je voelt en hoe je je gedraagt. Welke invloed heeft de omgeving op kinderen? Komen ze tot rust in bepaalde ruimtes? Worden ze onrustig in andere? Het is niet verwonderlijk dat je oppervlakkig of vluchtig spel ziet, als je ruimte eruitziet als een fastfoodrestaurant, vol met schreeuwerige kleuren en muziek. Een omgeving kan ontwikkeling bij een kind ondersteunen of afremmen. In dit hoofdstuk gaan we in op: • het belang van een eigen visie; • de visies van pedagogische pioniers; • visie en wetenschap; • het waarom: kinderen, gezinnen en de ruimte.
14
SPEEL- EN LEEFRUIMTES IN DE VOORSCHOOLSE KINDEROPVANG
1.1 Het belang van een eigen visie In heel wat gevallen zijn kinderopvanglocaties niet gebouwd vanuit pedagogische doelen of vanuit een pedagogische visie. Vaak vindt de opvang plaats in een huurpand. Gebouwen zijn opgezet vanuit noden van volwassenen, of ingericht met een sterke focus op ‘veiligheids- en hygiëneaspecten’. Zelden zijn opvanglocaties ontworpen vanuit een pedagogische visie en de speelbehoeften van kinderen. Aan de structuur van het gebouw kun je vaak niet veel doen, maar je kunt de ruimtes wel op een bepaalde manier indelen en inrichten, zodat ze aansluiten bij wat je als professional belangrijk vindt (je visie). Een ruimte inrichten voor kinderen hangt sowieso samen met je opvattingen en ideeën over opvoeden.
Een opvanglocatie (peutergroep) kiest voor een open en lege ruimte: hierdoor verloopt het visuele toezicht vlot. Bovendien is de ruimte op die manier snel op te ruimen en gemakkelijk te poetsen. In de ruimte worden heel wat afsluithekjes gebruikt. Weinig materiaal is vrij toegankelijk. Alle aanwezige speelmaterialen zijn veilig (hebben een CE-markering), gemakkelijk netjes te houden en ordelijk per soort gesorteerd. Ouders worden zo veel mogelijk uit de leefruimte gehouden (ze geven hun kind af aan de ingang van de speelruimte, kunnen de ruimte alleen met schoenovertrekken betreden…). Wat zegt dat over de visie van deze opvang? Wat vindt deze opvang het allerbelangrijkst? Welke klemtonen legt die in het opvoeden van jonge kinderen?
‘Toon me je ruimte en ik zeg je wie je bent.’ Wat je belangrijk vindt weerspiegelt zich in de indeling en de inrichting van je ruimte, de wijze waarop je materialen aanbiedt, het soort materialen dat je aanbiedt, het meubilair dat je gebruikt enzovoort. Een goed ingerichte ruimte drukt de visie van een opvanglocatie uit: het zegt iets over hoe je kijkt naar kinderen, hoe je ze wilt begeleiden, wat je belangrijk vindt, welke rol je toeschrijft aan gezinnen… Het is een concrete manier om je pedagogische visie in de praktijk om te zetten. Bezoekers krijgen onmiddellijk een idee waarvoor je opvang staat. Je ruimte weerspiegelt – bewust of onbewust – je pedagogische visie en keuzes.
De Kleine Berg in Boechout is een kleinschalige opvang. Ouderparticipatie wordt maximaal ingezet: dit betekent dat de werking wordt opgebouwd met en vanuit de ouders. De opvang zelf wil een speel- en ontmoetingsruimte zijn voor kinderen en hun ouders. Men wil kinderen opvoeden met veel aandacht voor zelfbewustzijn en verbondenheid. Deze visie is zichtbaar in elk aspect van de werking. Het start al met de aard van het pand: een oud herenhuis in de dorpskern van Boechout met heel wat ramen die uitkijken op het
Ruimtes, visie en gedrag
15
dorp en een mooie tuin. De hele indeling en inrichting doet erg huiselijk aan. Centraal staat een grote ronde tafel waaraan kinderen en volwassenen kunnen zitten. Er is consequent gekozen om heel wat natuurlijke materialen, hout en recuperatiemateriaal te gebruiken. Ook de keuze van het gebruikte meubilair is een statement: men wil de baby’s en peuters de ruimte en de tijd geven om hun identiteit op te bouwen en hen ondersteunen in het ontdekken en het ontwikkelen van hun talenten. Dat vertaalt zich in vrij toegankelijk spelmateriaal, wegkruipplekjes, zonder hekjes en poortjes. Het opbouwen van identiteit gaat samen met een sterk gevoel van verbondenheid. Ook dat is zichtbaar. Zo laat elk kind dat in de Kleine Berg geweest is, een herinnering na. Dat kan een muurschildering zijn, een meubelstuk met een ingegraveerde naam… de hele inrichting ademt geschiedenis en verbondenheid met het verleden uit (www.dekleineberg.be). Kinderdagverblijf Ukkepuk in Mechelen hecht veel belang aan de dagelijkse huishoudelijke taken. Kinderen worden er zo veel mogelijk bij betrokken: zelf de tafel dekken, de afwas doen, eten opscheppen… Dat zie je ook in de inrichting en de gebruikte materialen. Borden bekers, bestek… zijn vlot bereikbaar voor kinderen en zo gekozen dat zelfs jonge kinderen er zelf mee aan de slag kunnen. Er is een afwasbak op kindermaat, zodat ze zelf de vaat kunnen doen na het eten.
Je kunt elke euro maar één keer uitgeven. Waar je die aan uitgeeft, wordt bepaald door je visie. Je maakt keuzes. Waar steek jij extra middelen in bij het indelen en inrichten van je ruimte? In welke materialen en meubilair investeer jij? Wat vind je daarin zo belangrijk?
Je pedagogische visie is niet vrijblijvend. Ze houdt rekening met de heersende opvattingen. Voor Vlaanderen is die algemene kijk op kinderen, gezinnen en de samenleving beschreven in het Pedagogische raamwerk (MeMoQ, 2014). Je visie moet passen binnen de bakens die daar zijn uitgezet.
MeMoQ Pedagogische raamwerk: een gedragen visietekst over kwaliteitsvolle opvang Sinds oktober 2014 heeft de Vlaamse kinderopvang een eigen pedagogisch raamwerk, een gedragen visietekst over kwaliteitsvolle opvang voor baby’s en peuters. Die visie is uitgewerkt in opdrachten, uitgangspunten en grote lijnen van pedagogisch handelen. Daarbij heeft het raamwerk telkens aandacht voor kinderen, ouders en samenleving. Het zet de bakens uit en is een rijke inspiratiebron voor het uitwerken van je eigen visie.
16
SPEEL- EN LEEFRUIMTES IN DE VOORSCHOOLSE KINDEROPVANG
1.2 De visies van pedagogische pioniers Je eigen pedagogische visie komt niet uit de lucht gevallen. Al in de negentiende eeuw stelden pedagogen zich de vraag naar de betekenis van ruimtes voor kinderen. Hun ideeën weerklinken vandaag nog steeds door in de verschillende pedagogische opvattingen en educatieve programma’s: het belang van buitenruimtes, de zorg voor een gestructureerde omgeving, de aandacht voor kwaliteitsvolle verzorgingsmomenten, het belang van esthetisch ingerichte ruimtes, de aandacht voor ruimtes waar kinderen zelf actief en met grote autonomie aan de slag kunnen…
Friedrich Fröbel Een van de eerste pedagogen was Friedrich Fröbel (1782-1852). Hij wilde jonge kinderen samenhang laten ervaren tussen alles wat er bestaat. Daarvoor richtte hij in 1837 een instituut op voor kinderen van jonger dan zes jaar. Drie jaar later hernoemde hij z’n instituut tot ‘Kindergarten’, een tuin van kinderen voor kinderen, waar ze konden opgroeien als kool. En die naam was zo gek nog niet. Begeleiders creëren een rijke omgeving en ondersteunen kinderen zodat ze kunnen groeien, net zoals een goede tuinier z’n planten verzorgt. Fröbel hechtte veel belang aan eigen activiteiten van kinderen: het tuinieren en het verzorgen van dieren om kinderen verbondenheid met de natuur bij te brengen, het gezamenlijk spelletjes spelen, liedjes zingen en het creatief bezig zijn. Gebaseerd op zijn ideeën spreekt men nu nog van fröbelen of het vrijblijvend creatief bezig zijn. Experimenteren dus in een rijke omgeving, waar kinderen in harmonie met de natuur kunnen ontwikkelen. Materialen zoals blokkendozen, mozaïeken, vouwbladen of een zandbak hebben dankzij Fröbel hun weg naar voorzieningen voor jonge kinderen gevonden. Net zoals het samen onderhouden van de moestuin.
Maria Montessori Maria Montessori (1870-1952) is een andere pionier. Kinderen hebben volgens haar een natuurlijke ontwikkelingsdrang. Dat betekent dat de ruimte zo wordt ingericht dat ze zelfstandig kunnen spelen: spelmaterialen zijn vrij toegankelijk voor hen. Ze bepalen zelf wat ze gaan doen, waar en hoelang ze ermee bezig willen zijn. Kinderen nemen ook snel praktische taken op (zoals de jas aan/uitdoen, eten opscheppen…) en worden hierbij individueel begeleid. De visie van Montessori wordt vaak samengevat als ‘leer mij het zelf te doen’. Maar in tegenstelling tot Fröbel was Montessori niet overtuigd dat natuurlijke materialen educatief waren. Bij haar zul je geen open materialen zoals water en zand vinden. Om aan te sluiten bij de zelfontwikkeling van kinderen bepleit ze een sterk voorbereide en geordende omgeving. Een Montessoriomgeving bestaat uit heel wat gestructureerde materialen. Denk aan stapeltorens, geometrische puzzels, telramen, blokken in verschillende formaten en realistische materialen (zoals een kopie van echt theeservies, fantasiedieren die de realiteit benaderen…). Het zijn vaak materi-
Ruimtes, visie en gedrag
17
alen met een stijgende moeilijkheidsgraad en waar eigenschappen geïsoleerd worden (bv. materialen die één kleur centraal zetten). Veel materialen bevatten ook de mogelijkheid tot zelfcontrole. Om de zelfredzaamheid van kinderen te bevorderen zijn er tafels en stoelen op kindermaat, een wastafel en kasten op kindhoogte. Een park of relax waar een baby in vastgezet wordt, zal niet snel gebruikt worden. Baby’s zullen eerder op een mat liggen om zo hun zelfstandigheid te stimuleren.
Emmi Pikler Emmi Pikler (1902-1984) was kinderarts en directeur van het Lóczy-kindertehuis in Budapest. Ook zij hecht veel belang aan vrije bewegingsruimte en zal het gebruik van sitters of relaxen afraden. Volgens Pikler worden baby’s nieuwsgierig geboren en ontwikkelen ze zich het best als ze zo veel mogelijk zelfstandig, onafhankelijk en op eigen initiatief en tempo de wereld rondom hen ontdekken. In tegenstelling tot Montessori is Pikler overtuigd dat je kinderen niet actief moet aanzetten tot spel en ontwikkeling. Veilige en uitdagende ruimtes zijn voldoende. Er is veel vertrouwen in het natuurlijke ontwikkelingsproces. Een begeleider komt (ook bij conflicten) niet snel tussenbeide, maar geeft vertrouwen. Haar visie kun je samenvatten in drie kernthema’s: bewegen, spelen en verzorgen (www.pikler.nl). Een Pikleraanpak hecht veel belang aan een persoonlijke band met een vaste begeleider. De dagelijkse verzorgingsmomenten zijn erg belangrijke momenten; ze gebeuren ook door die vaste begeleider. De verluierplek wordt zo geplaatst en ingericht dat een begeleider optimaal individuele aandacht aan het kind kan besteden tijdens zorgmomenten. Pikleromgevingen zetten daarnaast ook actief in op grote (bewegings)vrijheid en eigen initiatief van kinderen. Spelmateriaal dat voorgeprogrammeerde actie uitlokt (bv. een mobile, speelgoed met batterijen dat geluid, licht… maakt) zul je er niet vinden. ‘Open’ materialen die kinderen kunnen betasten, voelen, vastpakken, in de mond stoppen, op elkaar zetten… des te meer. Want die spelmaterialen lokken divers spel uit. Kinderen zetten de materialen naar hun hand.
Rudolf Steiner Rudolf Steiner (1861-1925) is de inspiratiebron voor antroposofische kinderdagverblijven en scholen. Dat is een spirituele filosofie waar zowel lichaam, ziel en geest wordt aangesproken. Het is de pedagogie van het hoofd (het denken), het hart (het voelen) en de handen (het willen). Steiner hecht veel belang aan zowel handvaardigheid als de ontwikkeling van het gevoelsleven, de innerlijke wereld en de creativiteit. Kunst is volgens hem een basisbehoefte van ieder kind. De ruimtes zijn vaak erg esthetisch. Kenmerkend zijn rustige, prikkelarme omgevingen met veel natuurlijke materialen (denk bv. aan afgezaagde boomstammetjes als zitmeubilair, rieten opbergmanden, vilten speelgoed, gebruik van zoutdeeg als knutselactiviteit…), pastelkleuren, zacht licht en organische vormen. Er wordt ingezet op natuurbeleving (buitenspelen, tuinieren…) en gezonde en seizoensgebonden voeding, die vaak samen bereid wordt. Het ruikt er ook vaak lekker
18
SPEEL- EN LEEFRUIMTES IN DE VOORSCHOOLSE KINDEROPVANG
(naar esoterische oliën, versgebakken broodjes…). In tegenstelling tot Montessorimaterialen zullen antroposofische materialen vaak niet realistisch zijn, maar eerder amorf of neutraal, zodat kinderen zelf betekenis aan het speelgoed kunnen geven (bv. een pop heeft een neutrale uitdrukking, zodat kinderen zelf bepalen of ze blij, boos, bang… is). De materialen zijn vaak duurzaam en natuurlijk. Uitgeprinte kleurplaten of voorgevormde werkjes zul je er niet vinden, maar materialen voor vrije expressie des te meer.
Loris Malaguzzi Loris Malaguzzi (1920-1994) ontmoette net na de Tweede Wereldoorlog als pedagoog en leerkracht een aantal ouders die een kindercentrum wilden starten. Het bleef niet bij één centrum, maar groeide uit tot een netwerk van verschillende voorschoolse voorzieningen. Die praktijk legde de basis voor de Reggio-Emiliapedagogiek. Zijn uitgangspunt is een krachtig kindbeeld: een kind is sterk, competent en vanaf zijn geboorte rijk aan mogelijkheden. Het kind heeft honderd talen: het communiceert van bij de geboorte met zijn omgeving: via lachen, huilen, bewegen, mimiek… Zijn visie kun je samenvatten als de pedagogiek van het luisteren en kijken. Malaguzzi onderscheidt drie pedagogen: kinderen zijn elkaars ‘eerste pedagoog’. Ze begrijpen elkaar, ook zonder woorden. Volwassenen zijn de ‘tweede pedagoog’. Het gaat om ouders, begeleiders, een atelierista (kunstenaar) en een pedagogista (te vergelijken met een pedagogische coach). De fysieke ruimte is de ‘derde pedagoog’. Een goed ingerichte ruimte vormt er een wezenlijk onderdeel voor de realisering van de pedagogische doelen. Uitgaande van een krachtig kindbeeld zijn Reggioruimtes plekken van ontmoeting en uitwisseling, waar ouders meedoen aan de werking en kinderen zich kunnen uiten in honderd talen: exploratie en verbinding met anderen staan centraal. De ruimtes zijn met veel zorg ontworpen. Er is aandacht voor schoonheid en harmonie, net zoals bij Steiner. Tegelijk wordt de inrichting voortdurend aangepast en zijn de ruimtes een weerspiegeling van wat leeft bij kinderen via lopende onderzoeksprojecten. De muren vertellen verhalen: via het documenteren in woorden en beelden wordt zichtbaar gemaakt waar kinderen mee bezig zijn.
Ferre Laevers Ferre Laevers (°1950) is de grondlegger van het ervaringsgericht werken. Sterk beïnvloed door Rogers, Gendlin en Piaget begon Laevers in de jaren zeventig het kleuteronderwijs, en later ook de voorschoolse opvang, te herdenken vanuit een ervaringsgerichte instelling. Net zoals bij Malaguzzi staat een absoluut respect voor het krachtige kind centraal. Laevers wilde weg van de toenmalige moraliserende sfeer in veel kleuterscholen. Hij hecht veel belang aan het aanvaarden van de rijke innerlijke wereld van kinderen en neemt die serieus: wat er ook aan gevoelens leeft bij hen, is oké. En begeleiders moeten zorgen dat kinderen met hun gevoelens in contact blijven. Ervaringsgericht verwijst naar die stroom van gevoelens of ‘ervaringsstroom’. Dat is alles wat gaande is binnen de persoon in contact met zijn wereld: wat wil, voelt en denkt een kind in de opvang?
Ruimtes, visie en gedrag
19
Ervaringsgericht gaat dus om meer dan leren uit ervaring of zelfontdekkend leren. Een ervaringsgerichte aanpak gaat in de eerste plaats om een manier van kijken waarbij de begeleider zich verplaatst in het kind om daaruit de dagelijkse realiteit in de opvang te begrijpen. Dat gebeurt door systematisch welbevinden en betrokkenheid na te gaan en de vraag te stellen hoe je die kunt verhogen (zie hoofdstuk 7). Deze benadering heeft geleid tot een aantal praktijkprincipes, die gebundeld zijn in tien actiepunten. Er zijn twee actiepunten die focussen op de manier van begeleiden. Er is een actiepunt rond de organisatie van de dag en de mate dat kinderen zelf initiatief kunnen nemen. Er zijn twee actiepunten rond het begeleiden van ontwikkelingsbedreigde kinderen en kinderen met sociaal-emotionele problemen. En er zijn vijf actiepunten rond het opzetten van een rijk milieu: 1) de ruimte in speelplekken herschikken, 2) de opvulling van speelplekken aanpakken, 3) nieuwe materialen en activiteiten inbrengen, 4) via observatie kindinteresses ontdekken en daarop inspelen en 5) in activiteiten de wereld van gevoelens, relaties en waarden verkennen. Deze tien actiepunten laten zich samenvatten in vijf factoren: het aanbod, de sfeer, de ruimte voor initiatief, de organisatie op de groepen en de begeleidersstijl. De visie van het ervaringsgericht werken vormt de basis van dit boek.
De ervaringsgerichte aanpak Wil je meer weten over de achtergrond van een ervaringsgerichte aanpak? Lees dan hoofdstuk 1 en 2 in F. Laevers, K. Silkens, & B. Declercq (2020). Ervaringsgericht werken in de voorschoolse kinderopvang. Tielt: Lannoo.
Wat we vandaag doen en hoe we de opvanglocatie inrichten wordt beïnvloed door verschillende pedagogische visies: In welke visie(s) herken jij je het meest? En hoe weerspiegelt zich dat in je speelruimte(s)? Wat zegt dat over wat je het belangrijkst vindt?
1.3 Visie en wetenschap Omgevingsschalen Internationale omgevingsschalen Naast pedagogen zijn er heel wat wetenschappers die de interactie tussen mensen en hun fysieke omgeving onderzoeken. Dat leidt dan bijvoorbeeld tot omgevingsschalen die een uitspraak toelaten over de kwaliteit van de omgeving, onafhankelijk van de eigen visie die de opvanglocatie heeft. Er zijn internationaal veelgebruikte wetenschappelijke omgevingsschalen zoals ITERS en ECERS (Harms et al., 2003; 2015) of de Ne-
20
SPEEL- EN LEEFRUIMTES IN DE VOORSCHOOLSE KINDEROPVANG
derlandse vertaling ervan – de Beoordelingsschaal Pedagogische kwaliteit (de Kruif en Taveccio, 2015). Er is de NCKO-monitor (Deynoot-Schaub, 2011). Al die schalen meten de proceskwaliteit in zowel gezins- als groepsopvang: ze brengen onder andere de kwaliteit van de ruimte, het meubilair en het spelaanbod in kaart. Wat kwaliteitsvolle ruimtes zijn, staat echter niet eens en voor altijd vast. Het is onderhevig aan de ideeën die leven in een bepaalde periode en een bepaalde regio. Wetenschappelijke omgevingsschalen worden regelmatig herzien, aangevuld en herschreven. Vertalingen van internationale schalen bevatten vaak aanpassingen of toevoegingen, zodat het meer op maat is van de eigen context.
Vlaamse omgevingsschalen In Vlaanderen is de algemene kijk op kwaliteitsvolle opvang uitgeschreven in het Pedagogische raamwerk (MeMoQ, 2014). Dat is verder concreet gemaakt in zes dimensies om praktisch aan de slag te kunnen gaan. Het gaat om de dimensies 1) welbevinden, 2) betrokkenheid, 3) emotionele ondersteuning, 4) educatieve ondersteuning, 5) omgeving en 6) gezinnen en diversiteit. Elke dimensie is een kernaspect van pedagogische kwaliteit. Met dimensie 5: omgeving wordt de pedagogische kwaliteit van speel- en leefruimtes nagegaan. Een opvanglocatie kan dit onderdeel van het MeMoQ-zelfevaluatie-instrument gebruiken om de kwaliteit van de ruimte(s) in kaart te brengen. Zorginspectie gebruikt deze dimensie om de kwaliteit van de ruimte(s) objectief te meten. Het geeft aan dat indelen en inrichten van ruimtes niet alleen een zaak is van de eigen pedagogische visie, maar ook dat er een zekere consensus bestaat over wat, binnen een bepaalde tijdsperiode, als een kwaliteitsvolle spelomgeving voor jonge kinderen beschouwd wordt. En dat dit betrouwbaar in kaart gebracht kan worden.
Het Pedagogische raamwerk (MeMoQ, 2014) ziet jonge kinderen als uniek, sociaal, actief en holistisch ontwikkelend van bij de geboorte. Gezinnen zijn competent, geven samen met de opvanglocatie gestalte aan opvoeding en kunnen veel steun ervaren via informele contacten met andere gezinnen. Hoe zien speel- en leefruimtes eruit die dat mogelijk maken?
Wetenschappelijke theorieën Tot slot zijn er een aantal interessante wetenschappelijke theorieën. Die bieden een kader over hoe ruimtes en materialen het gedrag van mensen beïnvloeden. Bij het indelen en inrichten van ruimtes houden we rekening met deze theorieën: de theory of affordances, universal design en nudging.
Ruimtes, visie en gedrag
21
Theorie van de affordances (Gibson, 1979) Deze theorie is een interessant kader om de spelmogelijkheden van voorwerpen te onderzoeken. Er bestaat geen goed Nederlands woord voor affordances, maar je kunt het omschrijven als ‘potentiële gebruiksmogelijkheden’ die een voorwerp uitlokt. Bijvoorbeeld: een stoel is iets waarop je kunt zitten, je kunt eronder kruipen, je kunt eraf springen, met een aantal stoelen kun je een constructie bouwen… Een boom kan een klimtoestel zijn, maar ook een rugsteun tijdens het lezen of een schaduwplek. Wat je met een voorwerp kunt doen, hangt af van de mogelijkheden die het voorwerp biedt, in combinatie met wat de gebruiker zich kan voorstellen én zijn fysieke mogelijkheden: een peuter zal vlot onder een stoel kunnen kruipen. Een begeleider is hier niet meer toe in staat, simpelweg omdat hij daar te groot voor is. Een volwassene kan met een stoel gooien of stoelen stapelen, terwijl een peuter er fysiek nog niet toe in staat is… Het verklaart waarom jonge kinderen bijna vanzelf lijken te redeneren: ‘Als ik eraf kan springen, dan spring ik er ook af’ wanneer ze een verhoogje zien. Het voorwerp lokt dat bijna automatisch uit. Illustratie 1.1
Affordance
=
Omschrijving van Affordances De capaciteiten
De eigenschappen
van een persoon
van een voorwerp
De relatie tussen
Het aantal affordances of mogelijkheden dat een voorwerp biedt, is een erg bruikbaar kader om tot rijk ingerichte speelplekken te komen. Dat staat centraal in hoofdstuk 4. Voorwerpen met een groter aantal affordances zijn vaak interessanter omdat ze langer en meer gevarieerde spelmogelijkheden uitlokken dan voorwerpen met één of een beperkt aantal affordances. Het verklaart waarom jonge kinderen vaak snel uitgespeeld zijn op buitenspeeltoestellen zoals een schommel of een wip (die bieden maar één spelmogelijkheid: je kunt erop schommelen of wippen), terwijl een klimboom, zand of water vaak veel langer en intenser spel uitlokt, omdat het veel meer spelmogelijkheden biedt. Het aantal mogelijkheden van voorwerpen kun je ook sterk uitbreiden via doordacht gekozen combinaties van verschillende voorwerpen. Zo zal het toevoegen van een laken aan een stoel extra mogelijkheden bieden om bijvoorbeeld een kamp te bouwen. Een voorbeeld: een aantal zitkussens in de knusse hoek kunnen op verschillende manieren gebruikt worden: je kunt een paadje maken en erover lopen. Je kunt een kussen op je hoofd leggen en ermee rondwandelen. Je kunt de kussens opstapelen als een
22
SPEEL- EN LEEFRUIMTES IN DE VOORSCHOOLSE KINDEROPVANG
toren. Je kunt er – samen met andere kinderen – een trein van maken. Je kunt ze zo ver mogelijk trachten te gooien… Door verkleedkledij toe te voegen krijgt het imitatiespel hier extra kansen. Door een kartonnen doos aan te bieden creëer je extra bouwmogelijkheden. Illustratie 1.2
Een voorbeeld van Affordance: vier activiteiten met zitkussens