Marieke De Smet
➼
n o i r De O s s e r Exp met tekeningen van Jelle Van Den Heede
Klimles Eén keer, twee keer, drie keer. Lars luisterde gespannen naar het geklop op de muur. Hij klopte driemaal terug en sloop naar de deur. De nachtverpleegster was gelukkig nergens te zien. Met een paar snelle passen stond hij in de kamer van Lieze. Ze lag op haar buik onder het bed met een zaklamp op haar hoofd. In het licht van de lamp blonk de koektrommel in haar handen. Lars schoof bij haar on der het bed en keek blij naar de inhoud van hun schatkist. De trommel zat vol leuke vondsten en het leek wel of er iedere dag weer nieuwe dingen bij kwamen. ‘Heeft jouw superspeurneus nog iets ontdekt?’ vroeg Lieze. Lars haalde een glimmende knop uit zijn broekzak. ‘Deze komt vast en zeker van een dokterstas’, zei hij trots. Lieze bekeek de knop aandachtig en knikte enthousiast. ‘Nu is het mijn beurt.’ Ze rommelde in de doos. ‘Hier, dit wilde ik je laten zien.’ In haar hand lagen twee metalen ringen met een vreemde vorm. ‘Karabijnhaken’, zei ze ernstig. ‘Daarmee kun je klimmen. We hebben alleen nog een touw nodig.’ Lieze wist er alles van. Samen met haar
3
moeder had ze al veel bergen beklommen. Boven haar bed hing een grote foto van een berg waarop zelfs in de zomer nog sneeuw lag. Lieze deed de trommel dicht en keek Lars ernstig aan. ‘Vandaag’, sprak ze plechtig, ‘zal ik je leren hoe je een berg beklimt.’ Lars schudde ongelovig zijn hoofd: ‘Hier? In het ziekenhuis?’ ‘De voorraadkamer’, fluisterde Lieze. ‘Dat is de beste plaats om te oefenen.’ Lars protesteerde, maar Lieze stond al bij de deur met haar lakens in de armen. ‘Haast je’, siste ze. In de ziekenhuisgang was het akelig stil. Het was alsof de sprookjesfiguren aan de muren verwijtend op hen neer keken. De deur van de voorraadkamer piepte. Lars hield zijn adem in. Even vreesde hij dat zijn pas geopereerde hart al die opwinding niet aankon, maar het avontuur won het van zijn angst. In de voorraadkamer begon Lieze meteen een klim parcours te bouwen. ‘Goed’, zei ze na een tijdje. ‘We starten bij de rolstoel. Daarna klimmen we op de vensterbank, op de plastic doos en dan zo verder op dit rek.’ Lars keek naar het grote metalen gevaarte, volgestouwd met lakens, operatieschorten, plastic handschoenen en bedpannen. Hij voelde zijn voeten zwaar worden.
5
‘Ik zal wel voorklimmen’, sprak Lieze hem bemoedi gend toe. Ze knoopte de twee lakens aan elkaar en bond het ene uiteinde met de karabijnhaak rond Lars’ middel en het andere uiteinde rond zichzelf. Ze wipte vlot van de rolstoel op de vensterbank. Lars volgde haar voorzichtig. ‘Nu komt het moeilijkste stuk’, fluisterde Lieze en ze reik te met haar armen naar het rek. Even later klom ze gecon centreerd van het ene schap naar het andere. Lars stond boven op de plastic doos toen het rek ge vaarlijk begon te wiebelen. ‘Lieze, pas op!’ Het rek kantelde en sleurde met een donderende klap de twee bergbeklimmers met zich mee. Lieze en Lars lagen kreunend op de grond. In de gang hoorden ze nijdige pas sen dichterbij komen. De deur zwaaide open en hoewel Lars half bedolven onder de lakens lag, zag hij toch hoe woedend de nacht verpleegster was. Haar gezicht was zo rood als de strepen van zijn pyjama. ‘Ju… Jullie!’ hakkelde ze. ‘Kom daar on middellijk onder vandaan! Verdorie. Het is ook altijd hetzelfde liedje. Het ziekenhuis is geen speeltuin. Hoe vaak moet ik dat nog zeggen?’ Ze zwaaide met haar armen als een op hol geslagen draaimolen. ‘Vooruit, verdwijn! Naar bed. Ik bel jullie ouders.’ De volgende dagen kreeg Lars geen klimles meer van Lieze. Zijn ouders hadden hem verboden om nog bij haar
6
langs te gaan. Ook ’s nachts lukte het niet meer om elkaar te zien. Elke nacht wachtte Lars hoopvol op het geklop van Lieze op de muur. Er kwam echter niets. Zou Liezes moe der ook zo kwaad zijn geweest? En hoe moest hij nu leren klimmen?
7
Lars Lars mocht dan nog geen goede bergbeklimmer zijn, schatten zoeken kon hij als de beste. Hij was zelfs geboren tussen de schatten. Zijn vader Sven en zijn moeder Lena, beiden archeoloog, waren op de dag van zijn geboorte nog druk bezig met het bestuderen van een riddergraf in een afgelegen veld. Lena was acht maanden zwanger van Lars, toen ze tijdens het werk opeens hevige krampen in haar buik kreeg. ‘Sven, ons kindje komt eraan!’ riep ze. ‘Hij wil geboren worden. Ik voel het!’
8
Sven, die zelf geen auto kon rijden, belde zenuwachtig een ziekenwagen. Hij kreeg echter te horen dat het onmogelijk was om het veld te bereiken. ‘We doen wat we kunnen. Desnoods komen we te voet, maar als de baby op komst is, zult u uw vrouw moeten helpen’, zei de ambulance-verpleegkundige ‘Moet ik haar helpen?’ stamelde Sven angstig. ‘Ja, dat zal wel lukken, we begeleiden je via de telefoon.’ Sven rende rond als een kip zonder kop om schone lakens en water te halen, maar veel tijd kreeg hij niet. Het duurde niet lang of te midden van alle middeleeuwse schatten klonk een luide schreeuw. Lars was geboren. Ondanks zijn bijzondere geboorte, bleek later in het ziekenhuis dat Lars een gezonde baby was. Althans dat dachten de dokters, tot Lars zeven jaar werd. Lars was met zijn eigen minimetaaldetector op speurtocht met zijn ouders, toen het zijn moeder opviel dat hij heel kortademig werd. Toen ook de school belde om te zeggen dat ze hadden opgemerkt dat Lars tijdens de gymles heel kortademig was, werden zijn ouders echt ongerust. Zijn ouders maakten een afspraak met de huisarts, die hen onmiddellijk doorstuurde naar een gespecialiseerde dokter in het Sint-Veronicaziekenhuis. Vele onderzoeken later hadden zijn ouders een gesprek met de dokter. Lars mocht in een hoekje van de kamer een tekening inkleuren. De dokter goochelde met moeilijke termen. Hij was ervan overtuigd dat
9
Lars er toch niets van begreep, maar dan kende hij Lars nog niet. Lars hoorde en zag altijd alles. Hij zag hoe zijn ouders helemaal wit werden toen de dokter ‘meerdere operaties en risicovol’ zei. Risicovol, dacht hij. Dat woord moet ik onthouden en opzoeken. Die avond kwamen zijn moeder en zijn vader met een bedrukt gezicht op zijn bed zitten. ‘Lars, je hart heeft de hik. Je zult af en toe naar het ziekenhuis moeten voor een operatie, maar daar hoef je je geen zorgen over te maken.’ Lars wist inmiddels dat risicovol ‘gevaarlijk’ betekende, maar hij wilde zijn ouders geen verdriet doen. ‘Oké’, zei hij daarom. ‘Mijn hart heeft de hik, dus dat is niet zo erg. De hik gaat immers altijd over.’ En hij sloeg zijn armen om zijn moeder heen. Ook op school zei hij er niets over. ‘Mijn hart heeft de hik, juf’, zei hij gemaakt vrolijk, als ze vroeg hoe het met hem ging. Zelfs net voor de eerste operatie, toen zijn ouders hem in tranen naar de operatiekamer brachten, stak hij zijn duim omhoog om ze gerust te stellen. De operatie lukte, maar dat was nog maar het begin. Om het jaar moest hij terugkomen voor een ingreep. Zo leerde Lars het ziekenhuis heel goed kennen en om de tijd te doden, ging hij in het ziekenhuis op schattenjacht. Al snel kende hij de beste plekjes om de leukste schatten te vinden. Op een dag had Lars er genoeg van. Hij had Lieze al
10
verschillende avonden niet gezien en hij miste haar veel te erg. Zijn zakken puilden uit van de schatten en hij wou ze haar dringend laten zien. Lars wachtte tot hij de nacht verpleegster niet meer hoorde en glipte de gang in. Liezes deur stond op een kier. Lars duwde ze voorzichtig een beetje verder open. ‘Lieze, Lieze’, fluisterde hij. Iemand kwam naar de deur toe gesneld. ‘Lieze’, herhaalde Lars blij. Hij schrok. Het was haar moeder, die in de deuropening stond. ‘Sorry, Lars’, zei ze zacht. ‘Je kunt nu echt niet naar Lieze. Ga maar terug naar je kamer.’ Lars probeerde een glimp van Lieze op te vangen. Ze zat op bed. Haar ogen waren rood. Lars wilde iets zeggen, maar haar moeder deed onverbiddelijk de deur dicht. Ongerust droop Lars af. Wat deed Liezes moeder hier nog zo laat? En waarom mocht hij niet naar haar toe? Was haar moeder nog altijd kwaad? Had Lieze daarom gehuild?
11
Bezoek in de nacht Lars kroop in zijn bed. Hij probeerde aan leuke dingen te denken, maar niets kon hem troosten. Na veel woelen en draaien, viel hij in slaap. Hij droomde van de nachtver pleegster. Hoe bozer ze werd, hoe meer ze veranderde in een opgeblazen worst. Opeens werd hij wakker door de deur die met een knal openging. Een seconde later sprong Lieze op zijn bed. ‘Opstaan, Lars! We gaan op avontuur.’ ‘Lieze!’ Lars was zo verbaasd over Liezes verschijning dat hij de lange, magere man in de deuropening niet meteen opmerkte. De man was duidelijk geërgerd. ‘Jongedame, wil je nu eindelijk meekomen? We hebben haast.’ Hij probeerde Lieze te pakken te krijgen, maar die sprong naar de andere kant van Lars’ bed. ‘Vlug, Lars, pak je spullen.’ ‘Juffrouw!’ snauwde de man. ‘Ik heb alleen jou nodig. Ik neem geen twee snotkinderen mee.’ Hij draaide boos met wat spuug de puntjes van zijn snor omhoog.
12
‘Als Lars niet mee mag, ga ik ook niet mee’, zei Lieze stellig. De man haalde nu, duidelijk over zijn toeren, een docu ment tevoorschijn. ‘Kijk, hier staat het: Ticket voor Lieze, meisje met zwart haar en verkeerd geknoopte pyjama. Of ben jij ook zo idioot dat je je pyjama nog niet kunt knopen?’ Zijn ijskoude ogen bliksemden Lars bijna neer. Nog voor de man verder kon lezen, pakte Lieze het ticket van hem af. ‘Het is ofwel Lars en ik ofwel niemand’, zei ze en ze zette haar woorden kracht bij door Lars zijn koffers te pakken. De man spande zijn spieren en sprong van kwaadheid bijna uit zijn nette uniform. ‘Jij moet mee! We hebben nog
13
maar tien minuten en het gaat hier om een officiële op dracht. Nog nooit van mijn leven heeft iemand een opdracht van mij gesaboteerd en al zeker niet zulk klein grut.’ ‘Lieze, het is oké. Ik hoef niet mee te gaan’, fluisterde Lars. Hij voelde er niets voor om die enge man te volgen. ‘Niks ervan. Jij gaat mee! Jammer van je opdracht, me neertje, maar zonder Lars ga ik nergens heen. Hij is mijn beste vriend.’ ‘Koppig kind!’ De man at van woede nog net niet zijn pet op. Hij keek nog eens op zijn horloge. ‘Oké dan, het is goed. Dat bange geval van jou mag meekomen. Maar haast jullie.’ Zonder nog iets te zeggen, draaide hij zich om en liep de gang in. Lieze grinnikte triomfantelijk naar Lars. ‘Kom, Lars, het wordt heel leuk, vertrouw mij maar.’ Lars stribbelde nog wat tegen, maar Lieze porde hem ongeduldig in zijn zij. Aarzelend liep hij achter haar aan de deur uit. ‘Wat gaan we eigenlijk doen?’ vroeg hij. ‘Dat zul je wel zien. Volg gewoon de man met de snor’, antwoordde Lieze. De man liep met snelle passen door de ziekenhuisgang. Lieze en Lars konden hem met moeite bijhouden. Aan het einde van de gang stapte hij in de lift. Lars twijfelde, maar
14
Lieze knikte hem bemoedigend toe. Samen stapten ze bij de man in de lift. De deuren gingen dicht en de man drukte op de knop van de kelderverdieping. Als Lars aan de kelder van het ziekenhuis dacht, stelde hij zich altijd een ruimte met bergen pillen, krukken en looprekjes voor. De lift stopte. Geen pillen of looprekjes te zien. Lars zag alleen een don kere, lange gang. Er hing een vreemde geur van olie en uit de verte kwam lawaai. Voorzichtig schuifelde Lars de gang in. Het gebulder kwam steeds dichterbij. Hoe banger Lars werd, hoe sneller Lieze begon te lopen, recht op het lawaai af. Opeens stonden ze voor een metalen poort. De Snor duwde op een grote, zwarte knop. Met een oorverdovend gepiep ging de poort open. Lars kon niet geloven wat hij zag. Het was pikdonker, maar in het midden van een enorme zaal brandden twee felle koplampen. Er klonk een fluittoon en er verscheen een grote stoomwolk. ‘Een stoomtrein, Lieze. Wat doet die hier?’ ‘Die wacht op ons, Lars.’ Lieze stapte zonder aarzelen de trein in. Lars verstijfde. Ineens voelde hij koude, mage re handen om zijn middel. De Snor tilde hem op en zette hem in de trein. ‘Vooruit, we vertrekken.’
15
De ORION Express Lars ging angstig Lieze achterna. Hij hield zijn tas stevig vast. In de trein was het gezellig warm en het rook er naar geboend hout. Kleine, kristallen lampjes verlichtten de gang. ‘De laatste coupé is voor jullie’, zei de enge man en hij verdween. Lieze liep door de trein alsof ze wist waar ze moest zijn. Lars volgde haar behoedzaam. Ze passeerden een hele rij coupés. Lars probeerde naar binnen te gluren, maar de gordijntjes waren overal dicht. Aan het einde van de gang wachtte Lieze met de glimmende deurhendel in haar hand. Enthousiast deed ze de houten deur open. Ze gooide haar rugzak naar binnen en plofte neer op een van de zachte, blauwe banken. In het midden stond een tafel. Bovenin waren er twee kleine bedden. Lars’ mond viel open van verbazing. ‘Een slaaptrein!’ ‘En wij gaan ermee op reis.’ Liezes ogen glinsterden. ‘Op reis? Toch niet met die enge man?’ ‘Maak je geen zorgen over de Snor. Het wordt echt leuk. Dat beloof ik je’, zei Lieze en ze stak haar duim omhoog. ‘Waar gaan we dan naartoe?’
17
Lieze haalde haar schouders op. ‘Morgen gaan we op ver kenning, nu wil ik slapen.’ Lars zag nog juist haar vuile voeten onder de deken verdwijnen. ‘Goeiemorgen, kleine slaapkoppen!’ Lars schrok wakker en botste met zijn hoofd tegen het plafond. Het duurde even voor hij wist waar hij was. Dus toch. ‘Goeiemorgen’, klonk het voor de tweede keer. Een rond mannetje duwde een kar naar binnen. De hele coupé
18
geurde onmiddellijk naar wafels, pannenkoeken en cho colade. ‘Ik ben Tonio. Ik wist niet wat jullie voor ontbijt wilden, dus heb ik van alles meegebracht. Kies maar uit!’ Lieze sprong van het bed en vloog op de kar af. Lars bekeek Tonio van kop tot teen. Hij zag er in ieder geval vriendelijker uit dan de Snor. ‘Laat het karretje hier maar staan. Ik kom het straks wel halen’, zei Tonio terwijl hij zich omdraaide om weg te gaan. Lars sprong uit zijn bed en hield hem tegen. Hij wilde eindelijk antwoord op zijn vragen. ‘Waar rijden we naar toe met deze trein?’ ‘Waar we naartoe rijden? Gewoon, naar elke plek waar zieke mensen ons nodig hebben.’ ‘Wat is dit dan voor trein?’ ‘De ORION EXPRESS, natuurlijk.’ Lars staarde vragend naar de man. ‘De trein voor Onverklaarbare, Rare, Interessante of Ongeneeslijke, Nare ziekten’, vulde Tonio aan. ‘Iedereen met een ziekte waar dokters geen raad mee weten, is wel kom op deze trein.’ ‘Zijn we dan in een ziekenhuis?’ vroeg Lars. Tonio schoot in de lach. ‘Een ziekenhuis? Ben je gek?’ Hij verdween schuddebuikend door de deur.
19
Lieze propte de ene chocoladebol na de andere in haar mond. Lars zuchtte: ‘Begrijp jij er iets van?’ Lieze antwoordde niet en duwde Lars een chocolade bol onder zijn neus. ‘Ze zijn echt superlekker.’ Lars nam een hap en Lieze grinnikte: ‘Wie het meeste op kan…’ Het karretje werd leger en leger tot Lars en Lieze zowat ont ploften. Opeens klonk er in de gang operamuziek. ‘En één, twee, drie’, riep een vrouwenstem. Lieze snelde naar de deur. In de gang dansten twee oude dames in een knalroze tutu. Hun rimpels zwaaiden ritmisch mee. Ze draaiden enthousiast rondjes en deden de ene spreid stand na de andere. Opeens merkte een van de dames Lieze en Lars op. ‘Wat staan jullie daar te kijken? Meedansen of oprotten!’ ‘Kom op, Lieze, ga jij maar’, plaagde Lars. Lieze brieste. ‘Nooit van mijn leven!’ ‘Zo’n tutu zou jou anders niet slecht staan’, grijnsde Lars. ‘Als jullie niet willen dansen, dan hebben jullie zeker wel zin in een stuk taart.’ De dames wenkten hen om mee te gaan. Alleen al bij de gedachte aan taart voelden Lars en Lieze hun ontbijt weer naar boven komen. Toch liepen ze nieuwsgierig achter de dames aan.
20
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. © Uitgeverij Lannoo nv, 2021 ISBN 978 94 014 7990 5 | D/2021/45/392 |NUR 282 © Tekst: Marieke De Smet, 2021 © Tekeningen: Jelle Van Den Heede, 2021 Vormgeving: Studio Lannoo (Nele Reyniers)