Skip to main content

9789401479264

Page 1

Niemands meester, niemands knecht LEVE MIJ autobiografische teksten


JOHAN ANTHIERENS NIEMANDS MEESTER NIEMANDS KNECHT

LEVE MIJ autobiografische teksten bezorgd door

BRIGITTE RASKIN in samenwerking met

KAREL ANTHIERENS


Uitgegeven met productiesteun van het Vlaams Fonds voor de Letteren

De uitgever heeft de rechten voor de illustraties naar best vermogen geregeld. Andere rechthebbenden kunnen zich tot hem wenden op het adres van de uitgeverij.

Eerste druk september 2003 Vijfde druk maart 2021

© 2003 – Erven Johan Anthierens, Brigitte Raskin & Uitgeverij Van Halewyck WWW.KRITAK.BE Kritak maakt deel uit van Uitgeverij Lannoo nv. Cover, vormgeving en zetwerk: Griffo, Gent Foto voorplat: © Foto Van Landeghem

NUR 300 ISBN 978 94 0147 926 4 D/2021/45/313


Waarom ambachtelijke huisvlijt tot boekpretentie opkloppen? In het leven moet je bundelen of ontbinden; een bloem bundelt blaadjes, een beha borsten, een gazon groepeert gras. Het berouw zit achterop bij de zonde en ik bundel zelfportretten en andere blunders. In staat van ontbinding verkeren België en het verzameld werk van Willem Elsschot, dat ik stuklees.

JOHAN ANTHIERENS, VLERK IN VOGELVLUCHT, VOORWOORD, AUGUSTUS 1981


INHOUD

I EEN ZONDAGSKIND · 11

Vergeeld bruin visitekaartje · 13 Vlag en landing · 18 Raf · 22 Zussen kussen · 25 Souvenirpijn · 30 Kuifje en ik · 32 Bazookantate · 38 Die zomer aan zee · 41 De Ronde van Frankrijk · 45 Brusselaar · 47 Het verdriet achter de oogballen · 48 In de etalage · 52 Dorogaja, staat de oorlog koud? · 53 De grootste artiest van alle tijden · 57

II HET LUKTE · 131 De ontroerende bourgeois. Bij Willem Elsschot · 133 Ontdek de ster · 137 Horen, zien en schrijven · 139 Wees lief, wees nog eens negatief · 140 Logboek van een gek · 148 Bij ons in België · 150 Het leven moet je op heterdaad betrappen · 157 Trucktocht naar Teheran · 210 Lessen aan Lolita · 228 Mei(se) ’68 · 236 De dingen van het leven · 240


III SCHRIJFDRIFT · 243

En nu televisie · 245 Een dag op zaal C · 276 De Roem, De Roem · 280 Bedroefd, maar bovendien · 281 J’ai l’honneur d’être moi · 283 Hou er de hoogmoed in · 321 Nu ik beroemd ben en rijk · 330 Mijn pa · 379 Vader Verrader · 380 Ik schuif wat op in het leven · 390 De smaak in het vrij schrijven · 402

IV EEN PAPIEREN TIJGER · 417 Van vuurvaste ketel tot waterdicht blad · 419 Iktatuur · 424 Een kwaaie cent · 443 Ik word zo mensenschuw · 445 Hou daar nu mee op · 456 Ikzelf val mij tegen · 459 Uit de ballroom van de Titanic · 461 Grafschrift 1984 · 464 Het tochten van een hart · 467 Een bedseller · 484 Oud zijn verergert met de jaren · 494 ‘De Wals van het Als’ · 502 Met pingelvingers · 503 Gouden handdruk · 541 Kalendergelik, agendagruis · 543 Een lastig parket · 553


V OP BEDAAGDE LEEFTIJD · 563 Stampvoetend kind van vijftig · 565 Ben ik werkgek? · 581 Ik kan geen revolutie meer zien · 591 Delict · 597 Zoonlief · 598 Piemelkrans · 599 ‘De klacht van de oude’ · 604 Een geboren krekel · 627 Leve jou · 629 Tu connais la chanson · 670 Die grote broer · 671 Toch een vrouw bij me · 677 Bekende Vlaming bekent · 678 De duivel in mijn lijf · 682 Ni pleuje! · 689 Maar ook veel troost · 698 In Memoriam Jef Anthierens · 708 Niemands meester, niemands knecht · 711

EEN PERSO ONLIJKE KRONIEK Johan Anthierens 1937-2000 · 712

EEN WILDE TUIN

Verantwoording en dank · 718


I EEN ZONDAGSKIND Het begon niet kwaad. Ik kom uit een beroepsmoeder die binnen een tijdsbestek van 21 jaar twaalf kinderen openbaarde. Mijn uittreden was door negen try-outs voorafgegaan, wat inhield dat ik spelenderwijs werd geconcipieerd en moeder die tiende geboorte taxeerde als een fluitje van een cent, een voor mijn verwekker krenkende beeldspraak. Ik deed het ook professioneel, kwam als zondagskind. En niet op zomaar een doordeweekse zondag. Toen ik mij op 22 augustus 1937 om 7 uur ’s morgens met een kressend Vollèk! meldde, lag de West-Vlaamse wei erbij als een wiegende zee, dronken van dauw, maar drie uur later werd het gras van Kaaskerke platgewalst onder de tienduizenden voeten van deelnemers aan de achttiende IJzerbedevaart.

DE MORGEN, ‘SCHRIJFGERIEF’, 12 JULI 1989


VERGEELD BRUIN VISITEKAARTJE DE VOLKSKRANT, ‘REBELS’, 4 MEI 1985

Eind september 1940 beviel mijn baarmoeder van het elfde en voorlaatste kind. Haar zesde dochter kreeg de voornaam Lutgardis mee, naar een Vlaamse patroonheilige, maagd en martelares. Veel volvlaamse namen schoten er al niet meer over, in februari 1944 kwam Hildegardis, genoemd naar de gade die haar Frankische gemaal en koning Clovis tot het christendom omhelsde, of verwar ik met Clothildis, mijn op één na oudste zus? Kort na de komst van Hilde(gardis) examineerde de huisarts mijn moeder en besliste dat dit het eind van de vruchtbare rit was, ‘de oven stond leeg’. Deze plastische en krasse omschrijving beviel de vierenveertigjarige vrouw in het geheel niet, maar de huisvriend kreeg gelijk, het jaar 1944 trok een forse breuklijn door haar matrimoniale levensgeschiedenis, in de herfst schakeerden de uniformen het straatbeeld van veldgrijs naar kaki-bruin en ging haar wettelijke ooievaar wegens Duitsvriendelijk gedrag voor zes maanden de cel in. Ikzelf dateer van augustus 1937, ik sloot het hek achter vijf zonen en herinner mij van de oorlogstijd minder dan auteurs die in 1944 en later geboren werden, maar, gewapend met spiekbriefjes van zusters en broeders daal ik af in het vooronder van de herinnering. Wij woonden in het Brabantse Machelen, een dorp op tien kilometer van de hoofdstad Brussel en op vijf kilometer van de industriestad Vilvoorde. Machelen had het Belgische Guernica kunnen zijn, niet vanwege een heilige eik in zijn dorpsschoot, maar omdat het kleefde aan het militaire vliegveld van Melsbroek, voortzetting van het wijdse aardappelveld dat zich voor onze woning uitstrekte. Na de Belgische tegenstrijd vleugellam te hebben gemaakt, nestelden Stuka’s en Messerschmidts zich in Melsbroek, met als gevolg daarvan een toenemende geallieerde bommenoverlast die ons meer in de kelder dwong dan we bovengronds leefden, die het kalk aan de muren craqueluurde en de muren zelf verfrommelde maar verder geen schram aanrichtte. We hoorden uiteraard de dood die uit de nacht opgedoken kwam, we hoorden het inslaan van zijn vracht, we hoorden het blaffen van grondgeschut en wie stout was, zag vanuit een slaapkamer aan de veldkant in de verte vurige tongen uit kanonmonden steken. Aan het eind van de oorlog commandeerde een broer mij aan zo’n raam om te zien hoe boven Melsbroek een vliegtuig in een vuurbol veranderde. Even later dobberde een pop aan een valscherm boven de piepers en over de klaverweide.

13


Mijn ouders waren Brugse inwijkelingen, naar Brabant verhuisd omdat vader als staatsambtenaar voor het ministerie van Landbouw werkte, meer bepaald als ‘boekhoudkundige’ gedetacheerd bij de Rijkskruidtuin in Brussel, heden ten dage een oogverblindend Waals Cultureel Centrum. Het loon was karig maar vader wist er het beste van te maken; gelet op het resultaat van zijn potentie moest de bescheiden sociale woning die hij in 1929 op krediet kocht, stelselmatig worden uitgebouwd, wat gebeurde met stille steun van aannemers die het grote geld in opdracht van het ministerie verdienden. Zo vierde hij het naamfeest van mijn moeder, Johanna, niet op de Heilige Johanna maar op de Heilige Suzanna, 11 augustus: dan woedde er een bloemententoonstelling in de Kruidtuin en liet hij leveranciers omrijden om ons huis van de parterre tot en met de cruciale slaapkamer weelderig te versieren. Vader was intens Vlaamsgezind en anti-Belgisch en verafgoodde dictators. Hij idoliseerde sterke mannen die orde op zaken stelden. Franco, Mussolini en Hitler vormden een Goddelijke Drievuldigheid, in klimmende betekenis. Steeds weer legde hij zijn oudste zonen Hugo en Jozef uit dat onder Mussolini de treinen stipt vertrokken en op het gestelde uur arriveerden, soms demonstreerde hij dat met zijn zakhorloge in de handpalm, ten bewijze. Voor de oorlog al stemde hij het radiotoestel af op een Duitse zender en met blakende geestdrift volgde hij de Nachrichten over de smetteloze verrichtingen van het Duitse Condor-legioen in de Spaanse burgeroorlog. Het toestel stond hoog op een ‘schab’ aan de wand in de woonkamer, buiten handbereik van kinderen. Alleen vader mocht het wonderding bedienen. Moeder had geen moeite met haar Vlaamse identiteit, maar had een afkeer van dat dwepen met ideologische krachtpatsers. Wanneer vader weer als een politieke hijger met zijn oor tegen de Rundfunk plakte, snelde zij schreiend van ergernis de woonkamer uit om zich elders in huis af te zonderen. Toen in mei 1940 God Adolf het Belgisch Koninkrijk in zijn Duizendjarig Rijk opnam, stonden vader Anthierens en zijn tienerzonen voor het huis te dansen van euforische opwinding, wat mijn profetische moeder het commentaar ontlokte dat de heren dra op een ander wijsje zouden dansen. Vader stond een Spartaanse levenshouding voor, voor anderen. Hij predikte het zich ’s ochtends plenzend wassen met ijskoud water, helaas had hij als soldaat in het verfoeide Belgische leger een ingebeelde ziekte opgedaan, die hem noodzaakte zijn tere gestel lauw te spoelen. Moeder kocht voor hem apart superieur vlees en superbe fruitsoorten, terwille van dat been waarmee hij in het graf stond. Het ander heeft 85 jaar gewacht vooraleer mee in te stappen. Zoals de vader van Louis Seynaeve in Het Verdriet van België (H. Claus) was de mijne een held van de kouwe grond. Het VNV (Vlaams Nationaal Ver-

14


bond) was hem niet radicaal genoeg, prachtsmoes om aan een lidkaart te ontsnappen. Met zijn rijzig postuur en mooie volle baard leek hij voor de oorlog op een flamingant van de daad, op de activist Florimond Grammens die in grensgemeenten Franstalige straatnaamborden overschilderde en daar regelmatig voor in de bak vloog. Nadat hij, in Brussel flanerend en zich van geen gelijkenis bewust, in volle boulevard voor ‘Grammens!’ was gehoond, keerde papa Karel op zijn wandelstappen terug en deed zich thuis de baard af. Vredelievend was mijn vader niet. De Tweede Wereldoorlog werd als een bruid over de drempel gedragen, terwijl mijn van Lutgardis tonronde moeder in de ‘buanderie’, het washuis, mokkend sokken voor twaalf personen in de tobbe sopte. ★

De oorlogsjaren waren jaren van nestwarmte, de huiselijkheid vierde hoogtij, de geborgenheid was onvervangbaar. De winters waren sprookjesachtig streng, de zomermaanden brandden aan. In januari boetseerde de vorst ijsbloemen op het slaapkamerraam, in juli vielen wij met de mussen van het plat zinken dak waaronder wij sliepen. En de familiefeesten volgden elkaar in snel tempo op omdat er altijd weer een kind aan zijn Eerste (7 jaar) of Plechtige Communie (12 jaar) toe was. Vaak werd dat in duplex gevierd, twee in leeftijd samenhangende broers of zussen met een onbesneden gebedenboek in de gemsleren handschoenen gekiekt. Na het religieuze gedeelte werd er de verdere dag geschranst, aan meervoudige bij elkaar geschoven tafels van ongelijke hoogte maar bedekt met het kleed van vreugde. Er werd gefeest in gezelschap van aanverwanten en gelijkgestemde vrienden. De eredis was een toonbank die vader in de vismijn van Oostende had afgepingeld, lang genoeg om er zijn kroost rond te scharen, voor de pap en voor het huiswerk. Maandenlang is mijn moeder met detergenten in de weer geweest om er de vislucht uit te weken. Het was een tafel met poriën, hij zat over zijn volle lengte onder minuscule kloofjes, zoals een droge winterhuid. Later hielden de broers er speciale pingpongwedstrijden op, omdat je met dat doorkerfde blad nooit kon gissen welke capriool de bal nemen zou. Het familiefeestmaal kende een nagenoeg onveranderd menu dat werd ingezet met Tomatensoep met gehaktballetjes, daarna Ossentong in madeirasaus, waarna Kip met appelmoes en kroket en afgerond met Taart en IJs. Als vaste drank witte zoete entre-deux-mers-wijn. Werd er veel gegeten, dan werd er nog gulziger gezongen. Uit volle borst, met dikke stem van de ontroering, schril als het een schalks repertoire betrof. Heel, héél ver galmt dat gezang nog na, in het vooronder heb ik er heimwee naar. Ik zou een paar broers ver-

15


kopen om nog één keer zo’n familiereünie te beleven, op tastbare video weer te zien. De meeste liederen waren sentimenteel-romantisch, zodat je de kroppen in de kelen zag zwellen. ‘Er bloeit ene lelie’ was zo’n lied, je had er een hoge alt voor nodig, het vervolg ben ik vergeten maar er volgde een diepe stilte op en meisjeswangen bloosden. Nog zo’n hartbreker was ‘Oh, hoe zoet is ’t mij bij avond, mij bij avond’ en als tweede zin verstond ik ‘Als de Russen klokken luiden, klokken luiden’, maar dat kon natuurlijk niet, dat zal geweest zijn ‘Als te ruste klokken luiden’. Helemaal vochtig werd het gezelschap van het vertaalde Duitse lied dat de vergane jeugd beweent: ‘Zij keert niet weer niet weer, zij keert nooit nimmer weer, Schoon is de Jonkheid, zij keert niet weer’. Als je dat zo oneindig affirmeren en herhalen hoort ga je met de huilebalkende volwassenen meejanken. Tegen tranen werd teruggevochten met galmende strijdliederen waarin Vlaanderen of landstreken ervan centraal stonden. Mijn hoogste waarderingscijfer ging naar ‘Het Vendel moet marcheren, want Vlaanderen is in nood, Sint Joris geef ons kleren, geef ons soldij en brood. Dat wij geen koude lijden, geef ons de boer zijn wijn (wijf, na de nodige entre-deux-mers), zijn wolhemd en zijn duiten, dat kan geen zonde zijn. Marcheert, lansknecht, marcheert!’ Een vaste aanwezige op zo’n feest was mijn meter Jetje Claessens. Meter werd zij via vriendschap met mijn oudste zus Margriet. Jetje was leidster van de ‘Dietsche Meisjes Schare’ en die Meisjes waren ideologisch zo bruin verbrand dat zij jaren na de bevrijding nog op de blaren zaten. Jetje kreeg de doodstraf maar werd begenadigd door toedoen van de socialistische politicus Kamiel Huysmans. Vijf jaar na de oorlog kwam Jetje vrij en werd ik meegetroond naar een ‘onderduikadres’ in de Brusselse gemeente Etterbeek waar wij toen woonden, voor een afscheidsontmoeting met meter die op het punt stond om naar haar verbanningsoord Argentinië af te reizen. Ik was een jongen van dertien en moest gaan zitten naast een lelijke, bruinharige en bruinogige en bruingeklede mevrouw, die mij stijlvol toesprak, zacht door mijn haar ging en mij op het hart drukte dat ik nooit mocht vergeten dat ik een moeder uit de duizend had. Mijn moeder, aan de andere kant van de kastanje gezeten, keek verlegen weg. Ik knikte schaapachtig en hoopte op een lichte aardbeving, dat eenieder zich uit de voeten kon maken. Achtentwintig jaar later, in 1978, zag ik haar terug, in Mar del Plata. Ik was in Argentinië voor de wereldkampioenschappen voetbal. De tijd had voor haar stilgestaan. Op het perron wuifde zij mij toe met het fascistische Vlaamse weekblad ’t Pallieterke. Zij was nog immer zwanger van Vlaanderen, een verbitterde oude dame die in armoe leefde en zich omringde met nationalistische snuisterijen; een blindganger van een idealiste, boordevol rancune over wat men ‘ons’, de elite van een volk, had aangedaan.

16


Mijn oudste zus defileerde bij de ‘Dietsche Meisjes’, haar haar werd afgeknipt. Zij stak haar tong uit naar de coiffeurs van ‘De Witte Brigade’ (verzet) en waarschuwde dat kort haar mode zou worden. Mijn moeder rende na de bevrijding door de achtertuinen van de buren, met de kleine kinderen die haar ren remden, achterna gezeten door het verzet. Drie huizen verder werd ze halverwege een trap bijgebeend en kaalgeschoren. Ik herinner mij het tafereel achteraf, moeder op de keukentafel gezeten, met een handdoek omgeknoopt en wij, klein gebroed, rond haar geschaard. Opkijkend naar een wasbleke keizerin. Mijn oudste broer, Hugo, was bij ‘De Fabriekswacht’, een poepbruin gilde. Een van de laatste dagen van de oorlog werd zijn fiets door terugtrekkende Wehrmacht-soldaten in beslag genomen. ‘Hoe krijg ik die terug,’ sputterde de 21-jarige naïeve Fabriekswachter. ‘Na de oorlog krijg je een spiksplinternieuwe fiets,’ grijnsde een bestofte held. Waarop een opgeluchte Hugo zijn visitekaartje aan de heren overhandigde. Het moet in de Heimat zijn zoekgeraakt.

17


VLAG EN LANDING MARKANT, ‘WAARACHTIG’, 9 JUNI 1994

De mens ziet niet waar hij naartoe gaat – niets zo verblindend als toekomst – maar moet onthouden waar hij vandaan komt. Daarom kan een les in vroeger geen kwaad. Vijftig jaar geleden heerste er chaos in Bosnië en andere delen van pre-Joegoslavië, maar daar niet alleen. In alle Europese huishoudens was er een getier en gebulder van jewelste en na zes uur ’s middags moesten onze voorouders hun vensters afschermen, voor zover die nog in de sponningen zaten. Nergens was er toen sprake van enige enigheid: van op de grond schoot men op vliegtuigen en van in de lucht bombardeerden vliegtuigen de grond. Men noemde dat vijandig omgaan met elkaar de Tweede Wereldoorlog. De Duitssprekers vochten tegen de Franssprekers en tegen de Belgsprekers en de Engelssprekers. En tegen de Russprekers, want Duitssprekers waren voor niemand bang. Iedereen die er niet om vroeg, kon een lel van een Duitsspreker krijgen. De Amerikanen waren het beu om negers als wasgoed op te hangen en scheepten hen zomer 1944 in voor het strandspel op de kust van Normandië. Daar werden zwarte Amerikanen door de Duitsers met enige moeite in de laagstammige appelbomen opgehangen, wat aan de Calvados sindsdien een donkere afdronk toevoegt. Ik ben vandaag, schrijfdag 6 juni 1994, overvoerd van vijftig jaar geleden. Overal in huis schallen de bevelen van Eisenhower, Churchill, Pierlot, Rommel, Montgomery. Zet ik de televisie op, dan zie ik stramme John Wayne als een West-Vlaamse garnaalvisser te paard door de Normandische branding waden, zie ik gulzige Richard Burton in elke Normandische boomgaard in boerendochters met appelwangen bijten, zie ik koning Albert II een laatste hulde brengen aan de overjaarse parachutist die vijftig jaar Amerikaans Highway-verkeer overleefde en zich op de torenspits van Pont-L’Évêque spieste. Je ziet de monarch in de gure juniwind denken: dat is de laatste hulde die ik breng. Collectief geïnstrueerde emotie, ik blijf er immuun voor. Dan schiet mij een versregel te binnen van een nu gepensioneerd schoolmeester maar ooit liedjeszanger, Hans van Deventer: ‘Denken doen ze matig, maar hérdenken doen ze goed.’ Ik was op dinsdag 6 juni 1944 dag op dag 7 jaar, 9 maanden en 15 dagen oud, maar herinner mijn dagindeling niet meer. Aangezien ik als schoolschuwe jongen alleen van de op onderwijsgebied gehalveerde donderdag hield, zal ik die dinsdag niet vrolijk hebben doorgebracht. Ik ging toen naar de Broederschool in Vilvoorde, voor wie uit de richting Brussel aange-

18


stapt komt rechts tegenover de gotische Onze-Lieve-Vrouwekerk. Het was in dubbel opzicht een Broederschool, ik kwam er aan de hand van mijn oudere broers Karel en Raf. De eerstgenoemde sneed zich door de leerstof als door Normandische boter – er moet een link blijven met de landing – maar Raf was, zijn voornaam ten spijt, zo min als ik een intellectuele hoogvlieger. (Mijn collaborerende vader dacht: als ik één van mijn vijf zoons naar de Royal Air Force noem, krijg ik na de oorlog misschien strafvermindering. Dat is uitgekomen.) Raf – een soort Toon Hermans voor debuterende lachers – was wel een razend populair jongetje, ook bij de in baalkatoen gehulde docenten. Nadat hij hen op het hoofd van zijn (hiervan onwetende) moeder gezworen had om later de gilde van de zwartrokken te zullen vervoegen, kreeg hij permissie om tijdens de lesuren van aardrijkskunde en rekenen – voor mijn broer momenten van intestinale stoornis – onder het podium van de toneelzaal de door de Broeders gesprokkelde en gesmokkelde voorraad hout te hakken. De school beschikte niet alleen over een oorlogsbuit brandhout maar ook over een eigen staplied. Omdat mijn bijbel- en bijlbegaafde broer Raf daarbij welluidend kon bidden en potjeslatijn zingen mocht hij op het einde van het schooljaar, voorafgaand aan de prijsuitdeling – aan hem was geen boek besteed –, als één Wiener Sänger Knabe het feestelijk gebeuren inzetten met zijn zilveren vertolking van dat schoolhymne. Een volgestroomde gymzaal luisterde met dichtgeknepen keel naar de reclametekst, waarvan mij volgende flard is bijgebleven: Met de broederschool, wie gaat er mee? Door het veld, door het land en door de steden! Met de broederschool, met de broederschool, Kom maar mee, kom maar mee, kom maar mee! Wij zingen een liedje, flink en blij: Op stap en in de rij En zij aan zij. Thuis verstrakte de stemming zienderogen. Zelfs de elkaar in hoog tempo opvolgende familiefeesten konden de sfeer niet meer opmonteren. Mijn twee asperges van zussen, Johanna en Lisbeth, deden in juni 1944 hun Plechtige Communie. Ruim een jaar te vroeg. Johanna zoog nog op haar duim, maar vader anticipeerde: ‘Volgend jaar hebben ze van al onze gebedshuizen misschien volkshuizen gemaakt, de roden. Of schouwburgen, of andere slachthuizen voor de ziel. Alles wat wij kunnen vóórbidden, is voor hierboven meegenomen.’ Voor wij op het feest van Johanna en Lisbeth de Ossentong in madeirasaus attaqueerden, moest Raf van vader een ballade aanheffen, waarvan ik mij nog een rafel Vlaamse versie herinner:

19


Ik had een Kameraad Een bee-t’re vind je niet Wij trokken saam ten strijde Hij viel aan mijne zijde Als viel daar een stuk van mij... En nog zo’n dertig met verdriet gefarceerde zinnen. Daarop aten wij, haperend. Hier en daar streepte een traan langs een neusvleugel. Ik snotterde voluit omdat het altijd dezelfde was die voorzingen mocht, terwijl ik observeerde hoe mijn broer-nachtegaal onder het muzikaal presteren door via strategisch neergeslagen wimpers de wenkende lekkernij voor hem fixeerde. Ik dicteerde mijn secretaresse van een geheugen hoe hij het culinaire aroma stiekem inhaleerde. ‘Die Ossentong zal wel een stuk van hem zijn,’ dicteerde ik wraakzuchtig, ‘wacht tot de Canadezen voordoen hoe je écht hout hakken moet.’ Zo had tijdens de oorlog ieder huisje zijn kruisje. Dat van ons werkte als een rode lap op het verzet, maar wij zijn zonder al te veel kleerscheuren de bevrijdingsdans ontsprongen, omdat Raf zijn naam meehad en voor de geallieerden met zijn met bleekwater bewerkte lokken zo melodieus Vera Lynn kon nadoen. Waarna hij Karel en mij ’s avonds op zolder a cigarette for papa leerde roken. Einde persoonlijke souvenirs omtrent die Day. Kijken wat het naslagwerk onthouden heeft. Met opgetrokken wenkbrauwen lees ik dat de achtste druk van de Grote Winkler Prins – toch onverdacht Hollands van braintrust – er onder het lemma Normandië geen positief woord voor over heeft. Integraal citaat: ‘In de Tweede Wereldoorlog had een deel van Normandië zwaar te lijden ten gevolge van de geallieerde lucht- en zeelandingen op 6 juni 1944 aan de oostkust van het schiereiland Cotentin en aan de noordkust van het landschap Bessin. Bij de daaruit voortgekomen strijd met de Duitsers werden Caen, Falaise, Saint-Lô, Valognes et Vire ten dele verwoest en vele andere (bijv. Lisieux, Cherbourg, Coutances) zeer zwaar getroffen.’ Een kille voetnoot, vergeleken met de huidige georchestreerde staande ovaties, maar aldus draait en keert de wispelturige wind van de geschiedenis. Zo vind ik geen woorden voor het uitsluiten van een Russische vertegenwoordiging, vandaag, op het ooit brandend zand van Normandië. In 1941, terwijl het land geacht werd een Rwandees skelet te zijn na twintig jaar terreurbewind van Stalin, brak de Sovjet-Unie met blote handen, zonder bijstand van buitenaf, het nazi-beest de stalen ruggengraat. Na dit onuitgegeven kozakkenstuk was de landing voor de inmiddels oppermachtige Westerse bondgenoot (?) niet meer dan een geoliede stofzuigeroperatie. De geschiedenis is vaak

20


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401479264 by Uitgeverij Lannoo - Issuu