Skip to main content

9789401478410

Page 1

W I L LY D E H E E R

Alle leerlingen bij de les Voorkom vastlopen van moeilijk en makkelijk lerenden


WILLY DE HEER

Alle leerlingen bij de les Voorkom vastlopen van moeilijk en makkelijk lerenden


D/2021/45/520 – isbn 9789401478410 – nur 740 Vormgeving omslag: Margo Togni, Renkum Vormgeving binnenwerk: Adept, Velserbroek © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2020 Dit boek is een uitgave van Uitgeverij LannooCampus (Amsterdam en Leuven). LannooCampus maakt deel uit van Uitgeverij Lannoo nv. Eerste druk, 2021 Alle rechten voorbehouden. Behoudens de uitdrukkelijk bij de wet bepaalde uitzonderingen mag niets van deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus: Postbus 23202 1100 DS Amsterdam (Nederland) www.lannoocampus.com

Vaartkom 41 3000 Leuven (België)


Inhoud Voorwoord 7 Inleiding 9 Deel I Herken de verschillen

11

1. Ontwikkeling en leerproces 13 1.1 Intelligentie 13 1.2 Leerproces 20 1.3 Hoofdlijnen ontwikkeling en leerproces 27 2. Moeilijk en makkelijk lerenden 2.1 2.2 2.3 2.4

Moeilijk lerend/verstandelijk beperkt (Zeer) makkelijk lerend/(hoog)begaafd de verschillen uitgelicht Hoofdlijnen ontwikkeling moeilijk en makkelijk lerenden

28 28 34 40 45

3.1 Vroege herkenning 3.2 Signalen gedurende de schoolperiode 3.3 Hoofdlijnen herkenning

46 46 48 49

Deel II Erken de verschillen

51

4. Erkenning is niet vanzelf­sprekend

52 52 54 55 56 59

3. Hoe ontwikkelingsverschillen herkennen

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Onderschatting van de aanpassingsproblemen ‘Doe maar gewoon…’ Goede bedoelingen en veronderstellingen Veronderstellingen die je blik vertroebelen Hoofdlijnen erkenningsproblemen

5. Waarom erkenning van verschillen belangrijk is 60 5.1 Afstemmingsproblemen 60 5.2 Stress maakt meer kapot dan je lief is 69


5.3 Chronische slapeloosheid of insomnie 5.4 Hoofdlijnen belang van erkenning

74 77

6. Vastlopende leerlingen 78 6.1 Problemen door niet (h)erkennen 78 6.2 Misdiagnoses 92 6.3 Hoofdlijnen vastlopende leerlingen 97

7.1 Reflecteer op je overtuigingen 7.2 Niemand is gelijk maar wel gelijkwaardig 7.3 Hoofdlijnen erkenning

98 98 99 100

Deel III Verander je aanpak

103

8. Hoe herken je moeilijk en makkelijk lerenden?

104 105 106 111

7. Hoe ontwikkelingsverschillen erkennen?

8.1 Herkenning aan het begin van de schoolcarrière 8.2 Signalen gedurende de schoolperiode 8.3 Hoofdlijnen herkenning moeilijk en makkelijk lerenden

9. Hoe erken je moeilijk en makkelijk lerenden? 9.1 9.2 9.3 9.4 9.5

Wees je bewust van je denkbeelden Hoe kun je leerlingen motiveren? Educatief partnerschap In gesprek met leerling en ouders Hoofdlijnen erkenning moeilijk en makkelijk lerenden

112 112 114 116 118 119

10.1 Onderwijsaanpassingen voor moeilijk en makkelijk lerenden 10.2 Optimaliserend Onderwijs voor álle leerlingen 10.3 Hoofdlijnen verandering

121 122 140 144

11. Nawoord

147

10. Hoe verander je het onderwijs?

Literatuur 148 Websites 156


Voorwoord Als onderwijsmens in hart en nieren word ik, zonder ook maar één regel te hebben gelezen, enthousiast van de titel:

‘Alle leerlingen bij de les. Voorkom vastlopen van moeilijk en makkelijk lerenden’ Dit boek wil ik dan ook lezen. Elke leerling laten groeien en bloeien, niet alleen de leerling met een gemiddelde intelligentie maar ook de makkelijk en moeilijk lerende. Dit gun je iedereen. Wat een prachtintentie! Wat heeft de leerling nodig en hoe stem ik het onderwijs hierop af? Geen gemakkelijke opgave, echter wel de moeite waard om hier doelgericht en vol passie mee aan de slag te gaan. Dit alles begint met ‘Wie ben ik, wat zijn mijn drijfveren en overtuigingen? Wat maakt dat ik handel zoals ik handel?’ Kortom, wat is mijn professionele identiteit en ben ik bereid hieraan te schaven, zodat ik elke leerling een gelijke stem kan geven? In dit boek vormen de begrippen herkennen, erkennen en waarderen de leidraad. Dit alles verrijkt met handelingsadviezen om het onderwijs op maat te maken voor makkelijk en moeilijk lerenden. Herkennen wordt omschreven als het waarnemen van verschillen, overeenkomsten in de onderwijsbehoeften van moeilijk en makkelijk lerenden. Erkennen begint met inzien dat deze leerlingen onderwijs op maat nodig hebben om vastlopen en misdiagnoses te voorkomen. Waarderen vraagt om een mindset van de leraar die uitgaat van gelijke kansen en mogelijkheden. Preventie is de sleutel tot succes. Het gezegde ‘voorkomen is beter dan genezen’ is hier zeer zeker op zijn plaats. Onderschatting en/of overschatting liggen anders op de loer met chronische stress tot gevolg. Chronische stress leidt, zonder tussenkomst van beschermende factoren, tot stoornissen in het leren, het geheugen en de veerkracht van elk mens en zoals in dit boek uitgelicht voor de makkelijk en moeilijk lerenden in het bijzonder. De

VOORWOORD

7


psychologische basisbehoeften (competentie, autonomie en goede relatie) van ieder mens moeten voortdurend gerespecteerd worden. Ik ben ervan overtuigd dat de leerschakelaar bij elke leerling van nature aanstaat. Het is de taak van ons allemaal om deze leerschakelaar niet langzaam te laten uitdoven. Elk kind wil leren, zo ook deze leerlingen. Verander indien nodig je aanpak, stem de beschreven handelingsadviezen af op de leerling in kwestie en geef educatief partnerschap handen en voeten. Ook hier een pleidooi voor het professionele zelfrespect van de leraar. De leraar doet ertoe en maakt het verschil. Je staat er niet alleen voor, je bent een teamlid en samen met jouw collega’s maak je onderwijs. Vraag je ook af ‘in hoeverre houdt het jaarklassensysteem de mismatch met het onderwijs dat makkelijk en moeilijk lerenden nodig hebben in stand’. Durf jij samen met jouw collega’s op zoek te gaan naar mogelijkheden om het onderwijs anders te organiseren? Ik wil er in ieder geval voor gaan. Dit boek biedt me handvatten, echter, ik blijf kritisch en ben voortdurend op zoek wat wel en wat niet werkt. Ik wens je veel lees- en denkplezier. Ginny Vlieks Landelijk coördinator Master Educational Needs Hogeschool Utrecht

‘Met de handreikingen die in dit boek gepresenteerd worden, kan het onderwijs voor iedere leerling zo ingericht worden dat hij of zij hier optimaal van profiteert en kan opgroeien tot een gelukkige mens.’ - Prof. Dr. Xavier M. H. Moonen, orthopedagoog-generalist, Koraal Strategie en Kennisontwikkeling, bijzonder hoogleraar Universiteit van Amsterdam, bijzonder Lector Zuyd Hogeschool, Heerlen ‘Iedere leraar doet ertoe voor de 1 miljoen moeilijk of makkelijk lerende kinderen. Een boek dat inzicht geeft, praktische handvatten en een pleidooi om het onderwijs anders in te richten.’ - Drs. Ingrid Lammerse, voorzitter College van Bestuur, Hogeschool KPZ

8

ALLE LEERLINGEN BIJ DE LES


Inleiding

H

et mooie aan het zijn van leraar op de basis- of de middelbare school is voor mij dat je kinderen en jongeren elke dag een stapje verder kunt helpen in

hun ontwikkeling. Je doet er echt toe. Maar wat als een leerling niet goed in zijn vel lijkt te zitten, leer- en gedragsproblemen heeft en mogelijk vastloopt? Hoe moet je daarmee omgaan? Dit kan lastig zijn, maar ook uitdagend. Juist voor die leerling kun jij het verschil maken. Dit boek is bedoeld om je te helpen ervoor te zorgen dat ook die leerlingen een stapje verder komen. De geboden handreikingen zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, en niet op een mening van deze of gene. De achtergrondinformatie en de handvatten in dit boek helpen je moeilijk en makkelijk lerenden net zo te ondersteunen en te begeleiden als de gemiddeld lerenden. Hierdoor kun je voorkomen dat leerlingen vastlopen. Als je behoefte hebt aan meer verdieping, dan kun je die vinden op de website van de uitgever. Bedenk overigens dat je als leraar niet alles zelf kunt en hoeft te doen; je hebt de expertise en kwaliteiten van anderen nodig. Samen kun je de leerling echt helpen. De handvatten om het onderwijs aan te passen, zijn breed toepasbaar en leiden feitelijk tot onderwijs dat aansluit op de ontwikkeling van alle leerlingen.

Leeswijzer In deel I van dit boek staat de herkenning of signalering van de ontwikkeling en het leerproces van gemiddeld, moeilijk en makkelijk lerenden centraal. In deel II wordt uiteengezet waarom het belangrijk is dat de ontwikkelingsverschillen van leerlingen worden erkend. In deel III worden concrete handvatten gegeven om moeilijk en makkelijk lerenden te herkennen, erkennen en je onderwijs voor deze leerlingen te veranderen. Aan de hand van casussen, verdieping, figuren, tabellen en handvatten voor de praktijk word je door de materie heen geleid. Ten slotte nog dit: waar verwezen wordt naar personen, kan waar hij staat ook zij gelezen worden.

INLEIDING

9


Deel I Herken de verschillen In deel I van dit boek leer je de overeenkomsten en verschillen in de ontwikkeling en het leerproces van gemiddeld lerenden, moeilijk en makkelijk lerenden te herkennen. Herkennen: signaleren, door waarnemen beseffen wie of wat iets is.

Aan het einde van dit deel: 1. herken je de verschillen in ontwikkeling van gemiddeld lerenden en die van moeilijk en makkelijk lerenden; 2. herken je de overeenkomsten en verschillen in de ontwikkeling van moeilijk en makkelijk lerenden; 3. herken je het leerproces en de leerbehoeften van moeilijk en makkelijk lerenden.

Inleiding

11


1. Ontwikkeling en leerproces

E

en mens is continu in ontwikkeling. Op de weg naar volwassenheid verandert een baby niet alleen in fysiek en motorisch opzicht, maar ook op cognitief, sociaal en emotioneel gebied en qua persoonlijkheid. In de ontwikkelingspsychologie worden de algemene principes van de menselijke ontwikkeling onderzocht, beschreven en verklaard. Hiermee krijg je inzicht in het leerproces van leerlingen en daarmee zicht op hun onderwijsbehoefte. Daarnaast kun je leerlingen herkennen die zich anders ontwikkelen dan de gemiddelde leerling. Uit onderzoek is gebleken dat de cognitieve, sociale, emotionele en persoonlijkheidsontwikkeling nauw zijn verweven met de intelligentie van een individu.

1.1 INTELLIGENTIE De intelligentie van een mens wordt bepaald door zijn verstandelijke capaciteiten en zijn cognitieve vaardigheden, zoals waarnemen, denken, herinneren, geheugen, aandacht en leren. Daarnaast zijn ook zijn sociale redzaamheid en persoonlijkheid relevant. Een belangrijke verstandelijke capaciteit is de informatieverwerkingscapaciteit. Als deze groot is, dan kan de persoon in kwestie in korte tijd grote hoeveelheden informatie verwerken. Is deze beperkt, dan wordt informatie langzaam en in kleine hoeveelheden verwerkt. De betrokkene is dan langzaam van begrip. De informatieverwerkingscapaciteit bepaalt voor een belangrijk deel de hoeveelheid kennis en vaardigheden die iemand kan opdoen c.q. leren. Het verbale vermogen is een cognitieve vaardigheid die vooral wordt bepaald door ervaring en leren. Het geeft aan hoeveel kennis en vaardigheden de betrokkene zich eigen heeft gemaakt. Hierbij speelt de omgeving een belangrijke rol. De cultuur, het sociaaleconomisch milieu, de opvoeding en het onderwijs zijn doorslaggevend voor het verbale vermogen. Met sociale redzaamheid wordt gedoeld op de mate waarin het individu het vermo-

1. ONTWIKKELING EN LEERPROCES

13


gen en de vaardigheden heeft om flexibel om te gaan met een veranderende omgeving en zelfstandig te kunnen functioneren in de samenleving. Onder persoonlijkheidsfactoren kunnen zelfvertrouwen, volharding of taakgerichtheid, creativiteit, motivatie en sociale competentie worden verstaan. Intelligentie kan worden gedefinieerd als (vrij naar Geelhoed et al., 2016):

alle verstandelijke capaciteiten, processen en vaardigheden die ervoor zorgen dat mensen kunnen redeneren, verbanden kunnen leggen, problemen kunnen oplossen, regelmaat kunnen ontdekken, nieuwe taken kunnen vervullen, kunnen leren en zich flexibel kunnen aanpassen aan nieuwe situaties. Hoe is intelligentie verdeeld over de bevolking? Het intelligentieniveau van een individu kan door een psycholoog met behulp van verschillende tests in kaart worden gebracht en zo worden vergeleken met de rest van de populatie. Voor deze vergelijking wordt gebruikgemaakt van de zogenoemde normaalverdeling. Figuur 1.1 geeft de verdeling van intelligentie over een populatie weer.

34% 2,5%

34%

13,5% µ - 2σ

2,5%

13,5% µ-σ

µ

µ+σ

µ + 2σ

Figuur 1.1: De normaalverdeling. Toelichting: µ = de Griekse letter m van midden; σ = de Griekse letter s van standaard afwijking. Overgenomen uit https://www.dr-aart.nl/Statistiek-normale-verdeling.html

OK 14

ALLE LEERLINGEN BIJ DE LES


Het midden van de normaalverdeling (µ) geeft een IQ van 100 weer, de gemiddelde score van iemands leeftijdsgroep. Een IQ-score is afwijkend als deze 1 of meer standaardafwijkingen (σ) boven of onder het gemiddelde ligt. Gemiddeld scoort 68% (34% + 34%) een IQ van 85 tot en met 115 (op of rond 1 σ van de 100). 13,5% behaalt een IQ-score van 85 tot 70 (1 tot 2 σ onder de 100) en 13,5% een score van 115 tot 130 (1 tot 2 σ erboven). Circa 2,5% scoort een IQ van 70 of lager (2 of meer σ onder de 100) en circa 2,5% een IQ van 130 of hoger (2 of meer σ boven de 100). Een IQ-test bestaat uit meerdere testonderdelen die gezamenlijk een beeld geven van de intelligentie van de geteste op dat moment. Zo’n onderzoek is een momentopname. Het testresultaat wordt beïnvloed door bijvoorbeeld stress tijdens de testafname. Daarnaast is er altijd wel sprake van een zekere meetfout. Daarom wordt bij een IQ-score een bepaalde reikwijdte van scores gegeven, bijvoorbeeld tussen de 63 en de 77. Ten slotte is het gecombineerde resultaat van een IQ-test en van een onderzoek naar het sociaal aanpassingsvermogen geen hard gegeven. Steeds moet het resultaat worden beschouwd in relatie tot de ontwikkelingsgeschiedenis van de geteste, de omgeving waarin hij leeft, werkt en/of onderwijs geniet. Denk bijvoorbeeld aan kinderen die zijn mishandeld of kinderen met een trauma. Over de vraag of menselijke eigenschappen als intelligentie zijn aangeboren (nature) of aangeleerd (nurture) wordt al ruim 400 jaar gediscussieerd. Het antwoord op deze vraag is belangrijk, want het is bepalend voor de inhoud van het onderwijs en voor de onderwijsmethode en het onderwijsbeleid.

Aanleg Als je ervan uitgaat dat alleen de erfelijke aanleg bepalend is voor menselijke eigenschappen als intelligentie - het nature-standpunt -, dan treed je in de voetsporen van de pedagogen Rousseau (1712-1778) en Goethe (1749-1832). In hun pedagogische geschriften laten zij hun hoofdpersonen, respectievelijk Émile (1762) en Felix, opgroeien in een omgeving waarin volwassenen geen eisen aan hen stellen. De volwassenen zijn slechts begeleiders. De kinderen ontwikkelen zich langzaam tot de personen die zij in aanleg al zijn. Zij worden niet afgeleid door de zorgen en beslommeringen van volwassenen. Scholen die het onderwijs conform het nature-standpunt inrichten, beschouwen het aanbieden van leerstof als het opdringen van onderwijs. Het idee is: wat erin zit, komt er wel uit. De leraren zijn begeleiders en vormen samen met de leerlingen de

1. ONTWIKKELING EN LEERPROCES

15


schoolleiding. De leraren en leerlingen bepalen ook gezamenlijk welke nieuwe leraar/begeleider moet worden aangenomen. Wat geleerd wordt, met wie en op welk moment wordt beslist door de meerderheid van de kinderen. Democratische scholen bijvoorbeeld werken volgens dit uitgangspunt.

Casus 1.1: Margriet In deze casus komt naar voren dat erfelijke aanleg bepalend kan zijn voor wat je wel of niet kunt worden (Smitsloo, 2021): ‘Het dansen greep me [Margriet] als kind meteen enorm […]. Ik had een heel realistische docente. Op een gegeven moment vroeg ik haar: kan ik professioneel danseres worden? Ze zei meteen: nee, daar heb jij de fysieke mogelijkheden niet voor. Ja, de balletwereld is keihard. Je kunt nog zo gedreven zijn, als je je been niet boven je hoofd kunt krijgen, kun je het vergeten. De meeste meisjes lukt dat niet. En als je halslijn, je knieën, de stand van je voeten niet kloppen, dan houdt het ook op. Het kan zomaar zijn dat er op de professionele balletacademie tegen je wordt gezegd: je hebt rare knieën. Dus ik begreep mijn docente heel goed.’

Opvoeding en onderwijs Ga je ervan uit dat intelligentie alleen wordt bepaald door opvoeding en onderwijs - het nurture-standpunt -, dan is pedagoog Locke (1632-1704) je hierin voorgegaan. Hij beschouwt de mens bij de geboorte als een tabula rasa, een onbeschreven blad. Volgens Locke (1693) wordt een kind louter gevormd door ervaring en opvoeding. Psycholoog Watson (1878-1958) heeft dit standpunt begin 20e eeuw nieuw leven ingeblazen. Volgens hem kan ieder gezond kind een specialist worden onafhankelijk van zijn talenten, voorkeuren, ras of voorouders. Onder specialist verstaat hij zowel een arts als een advocaat, artiest, dief of bedelaar. Naar het effect van oefenen op prestaties is in de 20e eeuw veel onderzoek gedaan. Ericsson, Krampe en Tesch-Römer (1993) concluderen dat meer dan 10.000 uren gemotiveerd en deskundig oefenen het verschil maakt of een violist een expert of een amateur is. Volgens Ericsson (2007) zijn prestatieverschillen tussen individuen niet gebaseerd op aangeboren talent, maar op uitgebreid en intensief oefenen. Selectief slapende genen die in het DNA zitten van

16

ALLE LEERLINGEN BIJ DE LES


alle gezonde kinderen worden hierdoor volgens hem geactiveerd. Onderwijsinstellingen waarin het nurture-denkbeeld centraal staat zijn scholen waarin alle leerlingen grotendeels hetzelfde onderwijs ontvangen. Uitgegaan wordt van het principe: prikkel alle aandachtsgebieden van kinderen en laat hen op al die gebieden kennis en vaardigheden opdoen. Het nurture-denkbeeld is leidend in het leerstofjaarklassensysteem waarin leerlingen zijn ingedeeld in groepen van min of meer dezelfde leeftijd. De leerstof wordt per leerjaar afgestemd op de ontwikkeling, leerkenmerken en onderwijsbehoeften van gemiddeld lerenden van die leeftijd.

Combinatie is cruciaal Inmiddels is uit vele onderzoeken duidelijk geworden dat bij de ontwikkeling van mensen zowel nature als nurture van belang zijn. De aanleg van een kind bepaalt zijn mogelijkheden, maar ook zijn opvoeding en het onderwijs beïnvloeden in grote mate zijn ontwikkeling (casus 1.2, Lodewijk XVII). De kennis en vaardigheden van een kind nemen immers toe door ervaring op te doen en zich aan te passen aan de omgeving. Onderdeel van de opvoeding is ook het opbouwen van de emotionele band van het kind met zijn ouders en het ontwikkelen van het gevoel van veiligheid en geborgenheid. Bij een jong kind is nurture van essentieel belang. Als een kind opgroeit in een omgeving waarin weinig communicatie of speelmogelijkheden zijn, dan doet hij hiermee weinig ervaring op. Dit beïnvloedt zijn vermogens in negatieve zin. Tot het 8e levensjaar blijkt het effect van nurture op de intelligentie van een kind zelfs het grootst te zijn, daarna wordt de invloed van nature belangrijker.

Casus 1.2: Lodewijk XVII Koning Lodewijk XVI (1754-1793) van Frankrijk was een intelligente man. Samen met Marie-Antoinette (1755-1793), prinses uit Oostenrijk, kregen zij vier kinderen waarvan de oudste twee op jonge leeftijd overlijden. Lodewijk werd hierdoor op 4-jarige leeftijd de troonopvolger: Lodewijk XVII (1785-1795). Op 14 juli 1789 veranderde echter alles. Een menigte bestormde de staatsgevangenis in Parijs, de Bastille. Op die dag werd op gewelddadige wijze de monarchie afgeschaft. De Franse Republiek was een feit. De koning probeerde in 1791 nog met zijn gezin te vluchten, maar dat mislukte. De toen 6-jarige tengere kroonprins met zijn blauwe ogen en zijn

1. ONTWIKKELING EN LEERPROCES

17


blonde haar was het enige lid van het gezin dat bij de Parijse bevolking nog vertedering opwekte. Hij stond bekend als een beminnelijk, intelligent en soms ondeugend kind. Zijn wereld stortte echter in, toen in 1793 zijn vader en moeder door de guillotine werden omgebracht en hij door een schoenlapper en zijn vrouw werd ‘heropgevoed’. Hij moest zijn afkomst, rang en bestemming vergeten. Door de eenzame opsluiting in een donkere ruimte en een tekort aan voedsel is dat gelukt, en hij vergat niet alleen dat. De eens zo intelligente Lodewijk was onherkenbaar veranderd. Hij stierf op 10-jarige leeftijd (Zaal, 1995).

Uit onderzoek is gebleken dat nurture ook invloed heeft op de fysieke en de psychische gesteldheid van een kind. Zo werden baby’s die in de baarmoeder zijn geconfronteerd met de gevolgen van de hongerwinter in de Tweede Wereldoorlog met een lager geboortegewicht geboren dan gemiddeld. Als gevolg hiervan vertonen deze hongerwinterbaby’s, maar ook de kinderen van hen (!), een verhoogde kans op harten vaatziekten. Deze zogenoemde epigenetische gevolgen van de hongerwinter kunnen gedurende generaties doorwerken. Evenzo kan stress leiden tot epigenetische verandering en tot onder meer depressies.

Wat is epigenetica? Epigenetica verwijst naar overdraagbare veranderingen die niet kunnen worden toegeschreven aan veranderingen in het erfelijk materiaal zelf, het DNA. Interne en externe factoren, zoals stress en (gebrek aan) voeding, kunnen een verandering aanbrengen in eiwitten die zich, al dan niet direct, binden aan het DNA, de drager van erfelijk materiaal. Hierdoor wordt de manier waarop het DNA tot uiting komt veranderd. Een gen bestaat uit delen DNA. Als gevolg van epigenetische veranderingen wijzigt de uitingsvorm van genen. Onderwijsinstellingen die het nature en nurture-standpunt aanhangen, werken vanuit de visie dat zowel de aanleg van een leerling als de opvoeding en het onderwijs cruciaal zijn voor zijn ontwikkeling. Voor het onderwijs betekent dit dat de lesstof is afgestemd op de cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling van de individuele leerling. Deze afstemming is essentieel om de leerling kennis en vaardigheden op zijn eigen ontwikkelingsniveau te laten oefenen. Daarnaast is een breed onderwijsaanbod van belang, zodat de leerling zijn eigen mogelijkheden en voorkeuren kan ontdekken.

18

ALLE LEERLINGEN BIJ DE LES


Ten slotte is een veilige en prettige sociale omgeving noodzakelijk om tot leren te kunnen komen. Het nature en nurture-denkbeeld is leidend in optimaal ontwikkelingsgericht onderwijs. Op deze organisatievorm van het onderwijs wordt in deel III uitgebreider ingegaan.

De meervoudige intelligentietheorie De in dit boek gehanteerde intelligentiedefinitie (zie pagina 14) verschilt wezenlijk met de meervoudige intelligentietheorie. Om het belangrijkste verschil hiertussen duidelijk te maken, wordt kort ingegaan op deze theorie. In de tweede helft van de 20e eeuw komt er steeds meer aandacht voor belangrijke menselijke kwaliteiten als creatief denken, sociaal leiderschap, technische vaardigheden en kunstzinnig talent. In vervolg hierop heeft Gardner in 1983 zijn boek over de meervoudige intelligentietheorie gepubliceerd waarin hij zeven intelligenties onderscheidt: de verbaal-linguïstische, de logisch-mathematische, de visueel-ruimtelijke, de lichamelijk-kinesthetische, de muzikaal-ritmische, de intrapersoonlijke en de interpersoonlijke intelligentie. Deze breidt hij later (1999) uit met de natuurgerichte, de spirituele en de existentiële intelligentie. Gardner (1993) geeft als reden voor het gebruik van het begrip intelligentie: ‘Als ik gewoon had opgemerkt dat mensen verschillende talenten bezitten, zou deze bewering onomstreden zijn geweest – en mijn boek zou onopgemerkt zijn gebleven.’ Psychologen en psychometristen hebben in het bijzonder kritiek op het gebruik van het begrip intelligentie in de meervoudige intelligentietheorie. Zij voeren aan dat het verwarring schept om diverse menselijke talenten en vaardigheden intelligenties te noemen. Door bijvoorbeeld een atleet lichamelijk-kinesthetisch intelligent te noemen, verliest het begrip intelligentie zijn functie, en daarmee zijn relevantie. De hierdoor ontstane verwarring over dit begrip kan negatieve consequenties hebben voor (zeer) moeilijk en makkelijk lerenden. Hun specifieke leerbehoeften kunnen hierdoor onvoldoende of niet worden herkend en onderkend. De reactie van Gardner op deze kritiek is volgens Mackintosh (2011), dat het hem niet interesseert of de tien intelligenties talenten, vaardigheden, vermogens of intelligenties worden genoemd, zolang maar dezelfde benaming wordt gebruikt. ‘Otherwise, he argues, those called ‘intelligences’ will be perceived as more important or valuable than those called mere talents or skills.’

1. ONTWIKKELING EN LEERPROCES

19


In het onderwijs is de meervoudige intelligentietheorie van Gardner populair, zeker in Nederland en de Verenigde Staten. Deze theorie biedt meerwaarde, omdat hiermee aandacht wordt geschonken aan belangrijke talenten, vaardigheden en vermogens. Uiteraard is het wel belangrijk om daarnaast oog te hebben voor het afwijkende leerproces en de specifieke leerbehoeften van moeilijk en makkelijk lerenden.

1.2 LEERPROCES Het intelligentieniveau van de leerling is van grote invloed op zijn leerproces. In principe verloopt het leerproces van een leerling met een IQ-score van 90 tot en met 120 op een reguliere school zonder problemen. De vaardigheden van de leerling en het onderwijs sluiten namelijk goed op elkaar aan. Een leerling met een IQ van 85 kan onder gunstige omstandigheden de school ook nog gewoon afmaken, maar bij een lager intelligentieniveau wordt dat moeilijk. Ook leerlingen met een IQ van 121 tot en met 130 krijgen in toenemende mate te maken met het feit dat het onderwijs niet meer aansluit bij hun leerproces.

Classificatie In het onderwijs en de zorg wordt gewerkt met een classificatie, omdat het intelligentieniveau bepalend is voor het leerproces, het niveau van functioneren en daarmee het vertoonde gedrag. De naamgeving wordt vaak aangepast aan de omgeving waarin deze wordt gebruikt (zie tabel 1.1).

Tabel 1.1: Classificatie van intelligentie in de psychologie en in het onderwijs. IQ-score

Psychologie

Onderwijs

≤ 20

Diep verstandelijk beperkten

-

20 - 34

Ernstig verstandelijk beperkten

-

35 - 49

Matig verstandelijk beperkten

-

50 - 69

Licht verstandelijk beperkten

Zeer moeilijk lerenden

70 - 79

Laagbegaafden

Moeilijk lerenden

80 - 89

Benedengemiddeld intelligenten

Matig lerenden

90 - 109

Gemiddeld intelligenten

Gemiddeld lerenden

110 - 119

Bovengemiddeld intelligenten

Bovengemiddeld lerenden

120 - 129

Begaafden

Makkelijk lerenden

20

ALLE LEERLINGEN BIJ DE LES


Hoe herken je een moeilijk of makkelijk lerend kind? Waarom is het van belang individuele verschillen te erkennen? Hoe kun je de ontwikkeling van alle leerlingen ondersteunen? Moeilijk en (zeer) makkelijk lerende kinderen lopen in het onderwijs vaak vast. Zij ontwikkelen leer- en/of gedragsproblemen omdat hun onderwijsbehoefte sterk verschilt van gemiddeld lerende leerlingen. Als het onderwijs wordt aangepast aan hun leerbehoeften, nemen de problemen vaak sterk af en verdwijnen soms helemaal. Dit boek biedt handvatten voor de leraar en laat je aan de hand van casussen zien wat je in de les kunt doen met je leerling. In de audiobestanden op de website van lannoocampus worden casussen verder uitgediept. Ze nodigen je uit na te denken over je eigen professionele rol en je handelen in bepaalde situaties. Dat biedt een heel waardevol leermoment. ‘Dit boek is van veel waarde voor de praktijk én opleiding. Een must voor iedere professional.’ - Jacqueline Blaak, adviseur onderwijs en ontwikkeling ‘Alle leerlingen bij de les brengt alledaagse schoolpraktijk tot leven! Vooral moeilijk lerende en makkelijk lerende leerlingen ervaren motivationele, sociale, emotionele en leerproblemen. Willy de Heer maakt inzichtelijk hoe leerkrachten deze problemen kunnen herkennen, ermee kunnen omgaan en deze problemen preventief kunnen ondervangen.’ - Prof. dr. Ton Mooij, Radboud Universiteit Nijmegen, Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen ‘Wat een volledig en informatief boek, zowel voor ouders als onderwijsgevenden. Hierin komt echt alles terug wat je tegenkomt en nodig hebt bij het creëren van wérkelijk passend onderwijs.’- Karin van Ooijen moeder van 2 hoogbegaafde zoons en regio-coördinator bij Balans, vereniging voor ouders

Dr. Willy de Heer heeft veel ervaring in het onderwijs en de zorg. Zij is voorzitter van Stichting Kenniscentrum voor Makkelijk Lerenden en van Taskforce Ontwikkelingsgericht Onderwijs. Daarbij ontwikkelt zij serious learning games om moeilijk en makkelijk lerenden beter te begrijpen.

www.lannoocampus.com


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401478410 by Uitgeverij Lannoo - Issuu