Bernadette Sanders
Taalontwikkelings stoornissen en het jonge kind (0-8 jaar) Signaleren, praktische handelingsadviezen en tips
D/2022/45/38 – 978 94 014 7840 3- nur 840 Vormgeving omslag: Margo Togni Vormgeving binnenwerk: Adept vormgeving, Velserbroek © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2021 Dit boek is een uitgave van Uitgeverij LannooCampus (Amsterdam en Leuven). LannooCampus maakt deel uit van Uitgeverij Lannoo nv. Eerste druk, 2021 Alle rechten voorbehouden. Behoudens de uitdrukkelijk bij de wet bepaalde uitzonderingen mag niets van deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus Postbus 23202 1100 DS Amsterdam (Nederland) www.lannoocampus.com
Vaartkom 41 3000 Leuven (België)
Inhoud Met dank aan de meelezers en meedenkers 8 Voorwoord 9 Luisteren 10 Inleiding 11 1 Wat is TOS? 1.1 Inleiding: een beknopte definitie van een taalontwikkelingsstoornis 1.2 TOS: een hardnekkige handicap 1.3 Vormen van TOS 1.4 De invloed van TOS op de algehele ontwikkeling van het kind
18 18 23 27 31
2 Het spraak-taalsysteem 2.1 Inleiding 2.2 De taalverwerving 2.3 De mijlpalen in de taalontwikkeling van het jonge kind 2.4 De taaldomeinen 2.5 De communicatieve redzaamheid
36 36 37 39 44 55
3 Vroegtijdig signaleren van TOS 3.1 Inleiding 3.2 Kenmerken van een mogelijke taalontwikkelingsstoornis (TOS) 3.3 Het niet pluis-gevoel 3.4 Het belang van een vroege signalering 3.5 Diagnostiek, monitoren en onderzoek 3.6 Observatielijsten spraaktaalontwikkeling 3.7 Vroege signalering: De rode vlaggen 3.8 Van rode vlaggen en mijlpalen naar het screeningsinstrument ELS (Early Language Scale) 3.9 Observeren van de communicatieve redzaamheid in de groep 3.10 Signaleren TOS bij kinderen vanaf 6 jaar 3.11 Gevolgen TOS op de lange termijn
60 60 62 65 68 72 76 81
4 Meertaligheid en TOS 4.1 Inleiding 4.2 Tweetalige kinderen hebben een dubbele taak 4.3 Signalering en testen bij meertalige kinderen 4.4 Taalverwerving en de culturele achtergrond van het kind 4.5 Partnerschap met de meertalige ouders 4.6 Meertalige logopedie
97 97 98 99 105 108 110
84 86 93 94
5 Voorschool, Vroegbehandeling en VVE 5.1 Inleiding 5.2 Voor- en vroegschoolse educatie, de taken en verwachtingen 5.3 Pedagogische aandachtspunten naast de VVE-programma’s 5.4 Kwaliteitseisen in de kinderopvang 5.5. Hoe bekend is men met de term TOS in de kinderopvang? 5.6 De relatie tussen de pedagogische doelstellingen en TOS 5.7 De rol van de pedagogisch medewerker: benodigde competenties 5.8 Vroegbehandeling: specialistische hulp
113 113 114 119 120 122 123 124 126
6 Zoek de verbinding 6.1 Inleiding 6.2 De behoefte aan verbinding 6.3 Ouders als ervaringsdeskundige en partner op de peuterspeelzaal 6.4 Het consultatiebureau 6.5 Samenwerking met logopedist
129 129 131 133 136 141
7 Taalontwikkeling en woordenschatontwikkeling 7.1 Inleiding 7.2 ‘Taal is niet los te verkrijgen’ 7.3 Woordenschatontwikkeling
146 146 147 149
8 Interactie met het kind, het taalaanbod 8.1 Inleiding 8.2 Het belang van een goede Interactie met het kind 8.3 Het uitdagen van de Interactie met het kind 8.4 Interactievaardigheden 8.5 Ondersteunen en tijd bieden 8.6 Vertrouwen in het spreken 8.7 Woordvindingsproblemen 8.8 Methodieken 8.9 Vormen van taalaanbod in de groep 8.10 Woordenschatoefeningen
154 154 155 155 158 161 163 165 168 179 183
9 Aandacht voor de sociaal-emotionele ontwikkeling bij kinderen met TOS 9.1 Inleiding 9.2 Spelontwikkeling bij kinderen met TOS 9.3 Emotieregulatie 9.4 Theory of Mind (TOM): de ontwikkeling van het sociale begrip 9.5 Emotionele competenties 9.6 Vriendschappen sluiten en contact met andere kinderen 9.7 Emoties vanuit onzekerheid bij het jonge kind met TOS 9.8 Stagnerende (taal)ontwikkeling als gevolg van emotionele stress
187 187 188 189 191 197 199 201 204
9.9 Sociaal onhandig en onbegrepen 9.10 Uitleg over TOS geven aan het kind
206 207
10 ‘Niet passend’ gedrag en de relatie met TOS 10.1 Inleiding 10.2 Gedrag als hulpvraag 10.3 Gedrag als gevolg van een negatief zelfbeeld 10.4 Het belang van een goede observatie
209 209 210 215 218
11 Executieve functies in relatie tot TOS 222 11.1 Inleiding 222 11.2 Taal stuurt ons handelen en denken aan 223 11.3 Executieve functies, 0-8 jaar 225 11.4 Belemmeringen in het leerproces bij TOS en zwakke executieve functies 230 11.5 Voorspelbaarheid en visueel ondersteunen 236 11.6 Hulpvragen na instructie en uitleg 236 12 TOS in de onderbouw van het basisonderwijs 12.1 Inleiding 12.2 De overstap van peuterspeelzaal naar basisschool met TOS 12.3 Schooltaal: uitbreiding van DAT naar CAT 12.4 Instructie als gatenkaas 12.5 De specifieke ondersteuningsbehoefte van het kind met TOS 12.6 De invloed van de inrichting van de klas 12.7 TOS en problemen met leren lezen en rekenen 12.8 TOS en dyslexie in de onderbouw van de basisschool 12.9 TOS en ondersteuning bij het aanvankelijk lezen
237 237 237 239 247 249 251 253 255 261
Dankwoord 267 Bijlagen 268 Bijlage 1 De ELS 268 Bijlage 2 Anamnese Meertaligheid 271 Websites 274 Literatuur 279
Met dank aan de meelezers en meedenkers Margot Bochane, PHD, Hogeschooldocent Logopedie Groningen Geeske Hrynkiewicz- van Wijk, ouder kind met TOS Anneke Mientjes (MSc), logopedist Kentalis Henriët Kamies schoolleider OPO en ouder van kind met TOS Anke Fennema, manager educatieve peuteropvang, logopedist expertise taaljonge kind Hanneke van der Hoek -Snieders, Logopedist & Klinisch Gezondheidswetenschapper Anita Cremer, ambulant dienstverlener, orthopedagoog, mastercoach NLP Koninklijke Auris groep Dorea van Wees, Orthopedagoog bij UMC Utrecht Anja Booi, Beleidsmedewerker pedagogisch beleid bij Kinderopvang SKR Marloes Peeters- van Outheusden, Logopedist, Relatiebeheerder en ICoach bij Koninklijke Kentalis George Spaan- Teamleider Vroegbehandeling TOS/CMB en IGT bij Koninklijke Kentalis (extramurale zorg) Mandy Jouby- Christ, Pedagogisch behandelaar Vroegbehandeling Koninklijke Kentalis Annette Scheper, Senior onderzoeker, Kentalis Academy & Radboud Universiteit Monique van Houten, ouder kind met TOS Iris Duinmeijer, Senior onderzoeker bij NSDSK Pien van der Most, Logopedist, eigenaar ondersteunend tekenen bij TOS Esther van der Leek, Eigenaar Pedagogisch Hart, leidinggevende kinderopvang Barbara Vriens, Logopedist eigenaar logopediepraktijk Vrijenburg Heleen Gorter, ouder kind met TOS en auteur van het boek ‘Vechten voor mijn kind met een TOS’. Frida Koopmans GZ-psycholoog, Klinisch linguïst, Behandelcoördinator Koninklijke Kentalis Debbie van Vliet, onderwijsspecialist SWV Drechtsteden Nathalie Paardekoper, Jeugdprofessional bij St. Jeugdteams Rianne Golverdingen, teamleider Samenwerkingsverband Drechtsteden Monique Meulenkamp, Directeur Studievaart, Spreekvaart, Basisvaart, logopedie en Dyslexie Gertrude Punt, Directeur Logopediepraktijk Punt, Studievaart, Spreekvaart, Basisvaart. Dyslexie en ontwikkeling
Voorwoord Taalontwikkelingsstoornis (TOS) is een onzichtbare stoornis die vaak voorkomt. In iedere klas van 30 kinderen zitten gemiddeld twee kinderen met TOS. TOS komt vaker voor dan ADHD en zelfs zeven keer zo vaak als Autisme. Toch is TOS niet zeven keer zo bekend als Autisme, het is eerder andersom… TOS is daarmee de meest voorkomende ontwikkelingsstoornis waar veel mensen nog nooit van gehoord hebben! Kinderen met TOS hebben moeite met praten en met het begrijpen van wat iemand zegt. Bij een TOS is er geen andere oorzaak die de taalproblemen kan verklaren, zoals gehoorproblemen, lage intelligentie, afwijkende spraakorganen, neurologische afwijkingen, een contactstoornis of het kind krijgt onvoldoende taalaanbod in de betreffende taal vanuit de omgeving. De problemen van kinderen met TOS in de taal kunnen makkelijk leiden tot miscommunicatie en daardoor kunnen gedragsproblemen ontstaan. Het tijdig herkennen van een taalontwikkelingsstoornis is van groot belang voor het vroegtijdig beginnen met behandelen. Zo zijn problemen op school, thuis en in de vrije tijd bij de kinderen te voorkomen of te verminderen. Problemen in de taalontwikkeling kunnen al op tweejarige leeftijd door consultatiebureaumedewerkers geconstateerd worden. Ook ouders, peuterspeelzaalleidsters en leerkrachten op de basisschool kunnen problemen in taalontwikkeling bij kinderen signaleren. Het is daarvoor wel nodig dat je enige kennis hebt van de normale taalontwikkeling en van alarmsignalen van een niet goed lopende ontwikkeling. In dit derde boek van een reeks over taalontwikkelingsstoornissen, belicht Bernadette Sanders taalontwikkelingsstoornis voor het jonge kind (0-8 jaar). Het boek is geschreven vanuit haar ruime ervaring met taalontwikkelingsstoornis met haar achtergrond als ambulant dienstverlener bij cluster 2, als orthopedagoog, haar opgedane kennis uit een breed netwerk en haar bevlogen hart voor de zorg voor kinderen met een taalontwikkelingsstoornis. Het boek bevat naast theorie ook ervaringen van ouders en ervaringen uit de praktijk en geeft handvatten die direct toepasbaar zijn voor (onderwijs)professionals. De afgelopen jaren heb ik veel gesproken met (aankomend) professionals in onderwijs en zorg die werken of gaan werken met jonge kinderen. Steeds meer professionals kennen de term TOS, maar nog lang niet iedereen. En áls ze de term TOS kennen dan is nog lang niet altijd duidelijk wat TOS precies is en hoe je kinderen met TOS herkent of kunt ondersteunen. Dit boek draagt bij aan kennisdeling over die onderdelen en zal daarmee net als de vorige boeken een belangrijke bijdrage gaan leveren aan het zichtbaar maken van TOS en daarmee het verbeteren van kansen voor kinderen met TOS. Dr. Margot Bochane, Groningen, juli 2021
Luisteren Als ik je vraag naar mij te luisteren en jij begint mij adviezen te geven dan doe je niet wat ik je vraag. Als ik je vraag naar mij te luisteren en jij begint mij te vertellen waarom ik iets niet zo moet voelen als ik het voel, dan neem je mijn gevoelens niet serieus. Als ik je vraag naar mij te luisteren en jij denkt dat je iets moet doen om mijn problemen op te lossen, dan laat je mij in de steek, hoe vreemd dat ook mag lijken. Dus, alsjeblieft, LUISTER alleen maar naar me en probeer me te begrijpen. En als je wilt praten, wacht dan even en ik beloof je dat ik op mijn beurt naar jou zal luisteren.
Leo Buscaglia (1924-1998)
TAALONT WIKKELINGSS TOORNISSEN EN HET JONGE KIND (0-8 JAAR) | 10
Inleiding Het is niet voor elk kind vanzelfsprekend dat het ingewikkelde en complexe taalverwervingsproces als vanzelf gaat.
In mijn eerdere twee boeken over TOS, Taalontwikkelingsstoornissen in de klas (2017) en het boek Taalontwikkelingsstoornissen in het voortgezet onderwijs en het mbo (2019), kreeg de belangrijke groep (misschien wel de belangrijkste groep) van het jonge kind niet voldoende aandacht. Juist in die eerste zes jaren in de ontwikkeling maken kinderen de grootste ontwikkelingssprongen, zeker op het gebied van de taalontwikkeling. Het is de meest gevoelige periode van de taalontwikkeling. Dit boek richt zich op het jonge kind met een taalontwikkelingsstoornis in de voorschoolse periode en in de eerste jaren van het basisonderwijs. Een taalontwikkelingsstoornis is zeer breed en kan in verschillende taaldomeinen tot uiting komen. Zo kan het kind met TOS belemmerd worden in zijn fonologische ontwikkeling en dit heeft in veel gevallen ook invloed op het lezen en de spelling. Aangezien in de groepen 3 en 4 het aanvankelijk technisch lezen start, heb ik besloten om ook deze leeftijd als doorgaande lijn in dit boek mee te nemen. Met dit boek wil ik de problematiek (TOS) onder de aandacht brengen op peuterspeelzalen, kinderdagverblijven en crèches. Taalontwikkelingsstoornissen komen veel voor: uit onderzoek blijkt dat 5-7% (Tomblin e.a., 1997, Leonard 2014) van de schoolgaande kinderen een TOS heeft. Tijdig signaleren van TOS is enorm belangrijk voor de verdere ontwikkeling van het kind met betrekking tot leren en het sociaal-emotioneel welbevinden. Dit derde boek mag dan ook eigenlijk niet ontbreken in mijn reeks over TOS. Dit boek richt zich vooral op de problemen met de taalontwikkeling bij jonge kinderen in de voorschoolse periode en in de onderbouw van het basisonderwijs. Daarbij kan sprake zijn van problemen met de spraakontwikkeling, of met het taalbegrip. Bij problemen met de spraakontwikkeling zien we vaak dat kinderen moeite hebben met de controle over tong,- lip- en gehemeltespieren. Het kan ook zijn dat kinderen niet of nauwelijks klanken kunnen nazeggen en de verschillen tussen klanken onvoldoende kunnen waarnemen. Bij deze kinderen zien wij vaak minder problemen met het taalbegrip, maar wel met de spraak zoals de articulatie en daardoor ook met het begrepen en verstaan worden door de ander. Wanneer u eerder het boek Taalontwikkelingsstoornissen in de klas (B. Sanders, 2017) hebt gelezen, zult u merken dat de eerste twee hoofdstukken op een aantal punten overeenkomen. Dit betreft met name de theoretische onder-
Inleiding | 11
bouwing. In het huidige boek besteed ik vooral veel aandacht aan de ‘mijlpalen’ in de taalontwikkeling van het kind van 0-6 jaar. In eerste instantie is dit boek bedoeld voor zorg- en onderwijsprofessionals rond het jonge kind. Ik hoop dan ook dat dit boek zijn weg vindt naar consultatiebureaus, peuterspeelzalen, de onderbouw van de basisschool, logopedisten en anderen die bij de ontwikkeling van het jonge kind betrokken zijn. Het boek bevat theoretische achtergronden over TOS uit de bestaande literatuur en persoonlijke ervaringen die zijn opgedaan in de praktijk tijdens mijn werkzaamheden als ambulant dienstverlener voor cluster 2 en als orthopedagoog bij een Samenwerkingsverband in de Randstad, aangevuld met de ervaringen van ouders en professionals met wie ik gesprekken voerde over dit thema. Met het schrijven van dit boek hoop ik dat de ‘Vroege signalering’ van kinderen met een taalontwikkelingsstoornis meer aandacht krijgt. Een goede taalontwikkeling is voor elk kind de basis voor de toekomst, om goed deel te nemen aan het dagelijks leven. Daarom is het essentieel dat kinderen met problemen in de taalontwikkeling in deze periode gesignaleerd worden en de hulp krijgen die zij hard nodig hebben. Bij problemen in de vroege ontwikkeling van het kind kan TOS leiden tot een verstoorde interactie tussen ouder en kind1. ‘Wanneer er sprake is van een TOS heeft dit grote gevolgen voor de taalontwikkeling en de communicatie. Ernstige problemen in de taalontwikkeling heeft gevolgen voor de sociaal-emotionele ontwikkeling, de psychosociale en cognitieve ontwikkeling en het functioneren in de maatschappij’ (Gerrits e.a. 2017). Laaggeletterdheid en een lage taalvaardigheid hangen volgens onderzoek samen met geestelijke gezondheidsproblemen en criminaliteit (E. Blom, 2019). Een goed en kwalitatief taalaanbod is belangrijk voor het taalleren. Blom wijst erop dat er een rol is weggelegd voor iedereen die met jonge kinderen te maken heeft: ‘Ouders, de oppas, pedagogische medewerkers en leerkrachten moeten ervan doordrongen zijn dat zij medeverantwoordelijk zijn voor de taalontwikkeling van kinderen. Een minder voorspoedige taalontwikkeling is een factor die de publieke gezondheid kan bedreigen, omdat het serieuze consequenties heeft voor de ontwikkelingskansen van kinderen.’ Ook is het niet mijn bedoeling om met een vinger te wijzen naar wat er (nog) niet goed gaat. Het is vooral de bedoeling dat wij met elkaar kijken naar waar er kansen liggen en naar wat de mogelijkheden en wensen zijn om kinderen met een vermoeden van een taalontwikkelingsstoornis (TOS) of met een taalontwikkelingsachterstand (TOA) zo vroeg mogelijk te signaleren. Met een vroege signalering kunnen deze kinderen de juiste begeleiding krijgen die zij zo hard nodig hebben om later met meer succes deel te nemen aan onze talige maatschappij.
1
Uit: Richtlijn logopedie bij Taalontwikkelingsstoornissen NVLF (2017) TAALONT WIKKELINGSS TOORNISSEN EN HET JONGE KIND (0-8 JAAR) | 12
Margot Bochane (2021) heeft in haar proefschrift ‘Uniform screening for atypical language development in Dutch child health care’ een stelling opgenomen waarin wordt aangegeven dat alle opleidingen die leiden tot een beroep waarin gewerkt wordt met het jonge kind een curriculum dienen te hebben met kennis over (signalen van een ) taalontwikkelingsstoornis. Met dit boek sluit ik mij volledig aan bij deze stelling. In dit boek komen een aantal belangrijke aandachtspunten aan de orde: - Kennis over de taalontwikkeling: daarmee kun je een kind met TOS begrijpen; een voorwaarde om de juiste begeleiding te bieden. - Vroegtijdige signalering: hoe herken je een kind met een taalontwikkelingsstoornis (TOS) of een taalontwikkelingsachterstand (TOA)? - De noodzaak tot verbinding tussen de diverse professionals én de ouders. - Goede begeleiding van kinderen met TOS: hoe ga je met hen aan de slag in de praktijk? Hoofdstuk 1 geeft een beknopte uitleg over TOS. Kinderen met een taalontwikkelingsstoornis kunnen op verschillende taaldomeinen problemen ondervinden. Er wordt gesproken van TOS als de spraakvaardigheid en /of de taalvaardigheid zich niet voldoende ontwikkelt zonder een aantoonbare verklaring daarvoor. Deze kennis is van belang voor de juiste interventie; in hoofdstuk 2 leg ik dat uit. Niet elk kind met een taalontwikkelingsstoornis of met grote achterstanden in de taalontwikkeling heeft dezelfde problemen en ontwikkelt zich op dezelfde manier. Ieder kind is uniek, ook het kind met TOS. Het is lastig om klinische markers te geven aan TOS. Taal verandert naarmate het kind ouder wordt. Bij kinderen jonger dan 5 jaar wordt er vaak in de eerste instantie gesproken van een ‘vermoeden’ van TOS (I. Duinmeijer, e.a. 2020). Het is dan nog niet bekend hoe het kind zich ontwikkelt met de juiste ondersteuning bij de logopedist, thuis, in de groep of in een cluster 2 behandelgroep. In de Richtlijnen logopedie bij taalontwikkelingsstoornissen (NVLF, 2017) staat omschreven dat de diagnose TOS in veel gevallen betrouwbaar kan worden gesteld bij kinderen vanaf drie jaar. Tot de leeftijd van drie jaar, of wanneer er andere redenen zijn om terughoudend te zijn met de diagnose, spreken we van vermoedelijke TOS. In het boek zal ik bij het jonge kind spreken van: een (vermoeden van) TOS.
Inleiding | 13
Hoofdstuk 3 bespreekt het belang van een vroege signalering. - Hoe herken je ernstige problemen in de spraaktaalontwikkeling bij het jonge kind? - Wanneer is er sprake van een vermoeden van TOS? - Wanneer spreken wij van een rode vlag? Goed observeren in de groep en het herkennen van de hulpvraag is hiervoor heel belangrijk. Ik bespreek in dit hoofdstuk signaleringslijsten voor in de groep en voor ouders, maar ook screeningslijsten die van belang zijn voor consultatiebureaus, jeugdartsen, en andere zorg- en onderwijsprofessionals betrokken bij het jonge kind. Er is een nieuw instrument ontwikkeld (Bochane, e.a. 2021) om problemen in de taalontwikkeling bij kinderen van één tot zes jaar te signaleren. Ook dit screeningsinstrument komt uitgebreid aan bod in hoofdstuk 3. Het is belangrijk taalproblemen vroeg op te sporen en ook aandacht te hebben voor de brede invloed die taalproblemen hebben op de ontwikkeling van het kind (Winstanly, 2018). Wanneer kinderen al heel jong onvoldoende kunnen duidelijk maken wat zij willen of bedoelen, en als zij hun omgeving niet goed begrijpen, is dit zeker van invloed op het leren en op het gedrag. Er is speciale aandacht nodig om TOS te signaleren bij het meertalige kind. Hoofdstuk 4 geeft aanwijzingen voor de signalering en ondersteuning van het meertalige kind met TOS. - Wanneer spreken wij van TOS bij kinderen die meertalig zijn? - Hoe kunnen wij de ouders bereiken en begeleiden van deze kinderen? - Wanneer spreken wij van een rode vlag bij het meertalige kind? - Aandacht voor de culturele achtergrond met betrekking tot signaleren en verwijzen. Voor begeleiding van kinderen met TOS is een goede samenwerking nodig. Professionals met verschillende expertise en ouders moeten met elkaar samenwerken om vooruitgang te boeken. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de culturele achtergrond van het kind. Ook dat onderwerp geef ik daarom aandacht. Hoofdstuk 5 is gericht op de voorschool, de ‘Vroegbehandeling’ en de VVE-indicaties (indicaties voor Voor- en Vroegschoolse educatie). - Wat zijn de taken van en de verwachtingen die er worden gesteld aan de voorschool? - Wat zijn de wettelijke kwaliteitseisen en in hoeverre is hier voldoende aandacht voor het kind met een vermoeden van TOS? - Wat zijn de taken en de verwachtingen met betrekking tot de kinderopvang? Zijn deze verwachtingen en taken vastgelegd?
TAALONT WIKKELINGSS TOORNISSEN EN HET JONGE KIND (0-8 JAAR) | 14
- Is er sprake van een brede samenwerking tussen de professionals in de kinderopvang en de consultatiebureaus? En wat zou het betekenen voor de vroege signalering wanneer deze samenwerking vaste grond zou hebben? Hoofdstuk 6 bespreekt daarna wat het belang is van het zoeken van de verbinding tussen alle betrokken partijen. De ouders, de logopedist, de consultatiebureaus, de jeugdarts, de peuterspeelzaalmedewerkers en andere onderwijs- en zorgprofessionals betrokken bij het jonge kind. Ouders hebben als ervaringsdeskundigen een belangrijke rol; zij zouden bij elke stap betrokken moeten zijn. De hoofdstukken 7 en 8 gaan over de taalontwikkeling en de interactie met een kind met TOS. Daarbij maak ik gebruik van de methodieken die aanbevolen worden vanuit onderzoek en vanuit cluster 2 (speciaal onderwijs voor dove of slechthorende kinderen en voor kinderen met een taalontwikkelingsstoornis). De sociaal-emotionele ontwikkeling bij het jonge kind met (een vermoeden van) TOS krijgt uitgebreid aandacht in hoofdstuk 9. Bij kinderen met (een vermoeden van) TOS verloopt het contact met anderen vaak moeizaam. Als kinderen zich daardoor onbegrepen voelen door belangrijke volwassenen in hun omgeving, of aansluiting missen met andere kinderen, heeft dit grote invloed op de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind. Het kind kan geïsoleerd raken en zich terugtrekken. Je zou dat kunnen zien als ongewenst gedrag. Het is aan de professionals om dit gedrag te vertalen naar een hulpvraag. Ik benoem dit gedrag in hoofdstuk 10 als ‘niet passend gedrag’ met een onderliggende hulpvraag, waarbij elke volwassene de advocaat van het kind kan zijn. - Hoe ontstaat het ‘niet passende’ gedrag: wat was de trigger? - Is het gedrag ‘voorliggend’ en niet de TOS? Of is de hulpvraag, namelijk het niet begrijpen van de taal en je niet duidelijk kunnen uitdrukken met taal, juist voorliggend? - Wat zijn de hulpvragen achter het gedrag van kinderen met een taalontwikkelingsstoornis dat wij als ongewenst of niet passend bestempelen? - Ook bij het jonge kind kunnen wij opvallend gedrag signaleren dat een hulpvraag behelst. - Hoe kan de professional in de groep ondersteunen bij de hulpvragen van het kind? Ook besteed ik aandacht aan hoe je de hulpvraag helder krijgt van het kind. Daarvoor moet de professional investeren in een goede observatie: in de groep/klas, maar ook tijdens het buitenspelen en in de speelzaal.
Inleiding | 15
In hoofdstuk 11 spelen de executieve functies en de innerlijke taal een belangrijke rol wanneer wij het hebben over het gedrag dat gesignaleerd wordt in de groep. - Wat is de samenhang en wat is hierin de hulpvraag van het kind? In hoofdstuk 12 wordt de doorgaande lijn naar de groepen 1, 2, 3 en 4 besproken in het basisonderwijs. Dan gaan onderwerpen spelen als: - leren lezen - woordenschat - spelling - begrijpend lezen en begrijpend luisteren Kinderen met een TOS ondervinden veel problemen op deze leer- en ontwikkelingsgebieden. Wat kunnen wij deze kinderen aanbieden zodat ze met succes aan het onderwijs kunnen deelnemen? Ik geef door het hele boek praktische tips voor begeleiding van kinderen met TOS. De tips in dit boek kan je niet veralgemeniseren aangezien niet elke kind met TOS dezelfde hulpvragen heeft en dezelfde problemen ervaart. Daarom is het van belang dat je erachter komt wat de belangrijkste hulpvragen zijn van het jonge kind met (het vermoeden van) TOS in jouw groep. Hulpmiddelen werken (tijdelijk) ondersteunend, maar heffen het probleem niet op. Ondersteunende middelen werken alleen als zij aansluiten bij de leeftijd, de context, de mogelijkheden, de beperkingen en de behoefte van het kind. (Vissers e.a., 2021). Het is belangrijk om te zorgen voor succeservaringen. Wanneer er een interventie wordt ingezet die niet bij het kind past, zal het ook niet werken en zal er zowel voor het kind als voor de professional geen succeservaring zijn, en een succeservaring is nodig voor groei. Pas dan kan het kind groeien op communicatief gebied, in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en in zijn leren. Vanwege de grote individuele verschillen is het van groot belang dat er maatwerk wordt geboden. Taalkeuzes in dit boek In het boek schrijf ik over het algemeen ‘hij’, ‘ouders of de ouder’ en ‘het kind’, waar je ook ‘zij’ en ‘verzorgers’ kan lezen. Dat is een bewuste keus om omslachtigheid tegen te gaan. Verder schrijf ik in dit boek over ‘kinderen’ en niet over ‘leerlingen’. Immers, het jonge kind kan nog niet bestempeld worden als een leerling.
TAALONT WIKKELINGSS TOORNISSEN EN HET JONGE KIND (0-8 JAAR) | 16
Ik gebruik uitgeschreven voorbeelden om de problematiek voor u concreet te maken. Misschien denkt u bij het lezen ervan aan een kind bij u in de groep of in de klas. De namen bij de voorbeelden zijn verzonnen. Het is een mix van echte praktijkvoorbeelden en fictieve voorbeelden die de problematiek heel helder maken. Met dit boek wil ik onderwijs- en zorgprofessionals die betrokken zijn bij de ontwikkeling van het jonge kind. naast de theoretische achtergronden van een TOS tevens ook praktische informatie bieden. Wanneer we de hulpvragen en de belemmeringen van een TOS (her)kennen, en de context ervan begrijpen, zijn we beter in staat tot het bieden van de juiste hulp op maat. Een goede diagnose leidt dan ook vaak tot begrip van het gedrag en acceptatie van het kind met zijn hulpvraag. Met een vroegtijdige signalering en de juiste hulp kan het kind met steun en begrip van zijn omgeving, zich optimaal ontwikkelen op school thuis en in de maatschappij. Wanneer het kind onvoldoende gezien of gehoord wordt, wanneer een basisbehoefte, zoals een kwalitatieve interactie met je omgeving niet voldoende erkend wordt, is de kans erg groot dat het kind een negatief zelfbeeld ontwikkelt. Het waarborgen van een positief toekomstbeeld kan niet als wij het kind en de hulpvragen niet zien en niet horen. Met kennis over de taalontwikkeling bij het jonge kind, TOS, vroege signalering, goede samenwerking en begeleiding op maat werken we aan een positieve ontwikkeling op alle terreinen van jonge kinderen met (een vermoeden van) TOS. In dit boek zijn niet alleen tips en adviezen opgenomen met betrekking tot de signalering, maar ook achtergrondinformatie, theorie en kenmerken van de TOS-problematiek. Een literatuurlijst mag dan ook niet ontbreken. Neem vooral de tijd om de theorie achter TOS te ontdekken. De hulpvraag van het kind met TOS herken je wanneer je genoeg kennis opgedaan hebt over de problematiek en de achtergrond van het kind. Naast de kennis van de problematiek is kennis van alle omgevingsfactoren van groot belang, zeker wanneer het de talige omgeving van het kind betreft.
Inleiding | 17
1 Wat is TOS? ‘The child begins to perceive the world not only through his [or her] eyes but also through his [or her] speech. Vygotsky, L. S. (1978)
1.1 Inleiding: een beknopte definitie van een taalontwikkelingsstoornis Er zijn verschillende boeken geschreven over taalontwikkelingsstoornissen (TOS), maar er zijn lang niet zoveel boeken over deze problematiek te vinden als over ADHD, autisme, dyslexie, enzovoort. Er zijn ook veel boeken geschreven over de ontwikkeling van de peuter en de kleuter en ook in deze literatuur vindt men nog te weinig terug over taalontwikkelingsstoornissen en de vroege signalering. Toch betreft het hier een grote groep kinderen in de periode voorschool, in het basisonderwijs en het vervolgonderwijs. Ondanks de gewenste vroege signalering worden er nog veel kinderen met een (vermoeden van) TOS ‘gemist’ in de voorschoolse periode. In de onderwijspraktijk, na de voorschoolse periode en zeker in het voortgezet onderwijs en het mbo, blijkt de term TOS ook nog altijd relatief onbekend bij de professionals voor de groep. Uit gesprekken met ouders blijkt dat professionals nog vaak tegen bezorgde ouders zeggen ‘dat de taal vanzelf komt’. Er zijn ouders die geleidelijk aan een achterstand merken in hoe hun kind praat en luistert, maar ook hoe er door het kind wordt gereageerd op het onvermogen wanneer zij zich niet kunnen uitdrukken of hun omgeving niet begrijpen. Het valt ouders dan op dat de communicatie achterblijft vergeleken met de ontwikkeling van leeftijdsgenootjes. Het kind kan stiller zijn, gebruikt weinig woorden of blijft dezelfde korte zinnen maken (W. Jelier, interview Ellen Gerrits, 2020). Wanneer er door ouders zorgen worden uitgesproken blijken zij nog altijd vaak naar huis gestuurd te worden met de opmerking ‘geef het tijd’, of ‘elk kind heeft een eigen proces te doorlopen’, etc. Natuurlijk is het zo dat elk kind zijn eigen ontwikkelingsproces doorloopt, maar elk ‘niet pluis’-gevoel zou serieus genomen moeten worden. Zeker als het ook gepaard gaat met andere zorgen, bijvoorbeeld opvallend gedrag zoals knijpen, een erg verdrietig kind als het zich niet begrepen voelt, bijten of woedeuitbarstingen. Wij spreken van prevalentiecijfers als we willen uitdrukken hoe vaak een stoornis voorkomt in een populatie. Hoe vaak komt TOS voor bij kinderen en jongvolwassenen? Uitgaande van de prevalentiecijfers zoals hiernaast zijn weergegeven kunnen wij stellen dat er minstens zoveel kinderen zijn met een TOS als met ADHD. Volgens deze onderzoeks-
TAALONT WIKKELINGSS TOORNISSEN EN HET JONGE KIND (0-8 JAAR) | 18
cijfers zijn er minder kinderen met autisme dan met een TOS. De prevalentiecijfers zijn als volgt (E. Gerrits 2014): In elke klas van dertig kinderen zijn er ongeveer twee kinderen met een TOS. Prevalentie TOS: 7% Prevalentie ADHD: 5% Prevalentie Autisme spectrum stoornis: 1%
(Tomblin e.a., 1997, Leonard, 2014) (Bishop, 2010) (Bishop, 2010)
Een TOS is de meest voorkomende stoornis bij jonge kinderen en ook de minst bekende. Ongeveer 7% van de peuters en kleuters heeft een aangeboren taalontwikkelingsstoornis zonder dat er direct een verklaring voor te vinden is. Dit maakt een vroege signalering extra moeilijk (E. Gerrits, vakblad Vroeg). De oorzaak van TOS ligt in een neurobiologisch defect, er is geen duidelijke verkla ring vanuit een afwijkend verloop van de (zintuiglijke) ontwikkeling van het kind of vanuit onvoldoende taalaanbod. (Gerrits, 2017) Wanneer de taalontwikkeling op jonge leeftijd achterblijft vergeleken met leeftijdsgenootjes spreken wij in de eerste instantie van een taalontwikkelingsachterstand (TOA). Een taalontwikkelingsachterstand kan zich al voordoen op erg jonge leeftijd, bijvoorbeeld wanneer een baby te weinig brabbelt of als de eerste woordjes niet worden gesproken met twee jaar. Een taalontwikkelingsachterstand zoals een onvoldoende woordenschat of het laat gaan spreken, kan door verschillende oorzaken ontstaan, bijvoorbeeld: - door een stoornis bij het kind - door trauma of ziekte - door een afwijking aan de spraakorganen - door (tijdelijke) slechthorendheid of - door onvoldoende taalaanbod in de omgeving Vaak wordt gedacht dat TOS te maken heeft met onvoldoende aanbod van de Nederlandse taal, oftewel een blootstellingsachterstand. We spreken in het geval van verwaarlozing van het taalaanbod over een taalontwikkelingsprobleem of taalontwikkelingsachterstand (TOA) en niet van een stoornis. Er wordt ook dikwijls aangenomen dat een TOS vanzelf weer overgaat, of dat kinderen er overheen groeien. Daar ligt een belangrijk onderscheid. Een taalontwikkelingsachterstand kan namelijk ingelopen worden met extra hulp en aandacht, maar een taalontwikkelingsstoornis zal het kind altijd parten blijven spelen in zijn leven. Een kind kan groeien in zijn ontwikkeling en met de juiste aandacht en een goede gerichte interventie zal een TOS mogelijk minder impact hebben op het dagelijks functioneren, maar een stoornis gaat niet over.
1 Wat is TOS? | 19
De stoornis betreft in de eerste plaats de taalontwikkeling en zegt niets over de intelligentie van het kind. Het kind met TOS komt misschien minder goed uit zijn woorden, kan niet de juiste woorden vinden, maar is net als ieder ander kind in staat om de situatie te begrijpen. Het is de taal die hen in de weg zit en hen belemmert in het contact met anderen en in het communicatief redzaam zijn. ‘Een TOS wordt gedefinieerd als een beperking in taalbegrip en/of taalproductie waarbij de taalproblemen niet kunnen worden verklaard door aantoonbaar her senletsel, intelligentieproblemen, gehoorverlies, lichamelijke problemen of sociaal emotionele problemen’. (Kamphuis & Hermsen,2015) Gerrits e.a. (2012) geven de volgende exclusiedefinitie die alle andere mogelijke verklaringen uitsluit: Een specifieke TOS staat op zichzelf; er is geen duidelijke verklaring voor. Het kind heeft geen gehoorproblemen, geen lage non-verbale intelligentie, geen afwijking aan de spraakorganen, geen duidelijke aanwijsbare neurologische afwijking en geen contactstoornis en staat niet bloot aan extreme deprivatie of andere ongunstige taalaanbodsituaties. Daarnaast omschrijven Gerrits e.a. een specifieke TOS als: - een neurobiologische ontwikkelingsstoornis - van genetische oorsprong - die gekenmerkt wordt door een taalontwikkeling die beduidend achterblijft bij die van leeftijdgenoten, met inbegrip van de interindividuele variaties daarin, binnen de regionale en sociale variëteit van taal die het kind aan het verwerven is TOS kan voorkomen in zowel het taalbegrip als de taalproductie en in alle aspecten van de taal (fonologie, semantiek, (morfo)syntaxis en pragmatiek) en modaliteiten van taalvaardigheid (gesproken taal, geschreven taal en gebarentaal). De basisindeling van alle taalontwikkelingsstoornissen is: een specifieke groep (S-TOS) en een niet-specifieke groep (TOS). Bij een specifieke groep staat de TOS op de voorgrond. Er is, zoals de exclusiedefinitie hierboven aangeeft, geen duidelijke oorzaak te vinden. In de praktijk wordt het woord ‘specifiek’ vaak weggelaten en spreekt men van TOS, maar dan wordt in feite bedoeld: een specifieke TOS. Bij niet-specifieke taalontwikkelingsstoornissen zien we dat de taalontwikkeling vertraagd of afwijkend verloopt door, of in combinatie met, een ander probleem, zoals: - een auditieve beperking - moeite met de contactname - een andere ontwikkelingsstoornis of - een verstandelijke beperking TAALONT WIKKELINGSS TOORNISSEN EN HET JONGE KIND (0-8 JAAR) | 20