DE VLASCHAARD
5 INLEIDING
‘IK SCHRIJF GELIJK IK KAN’
Sommige boeken hebben een groter soortelijk gewicht dan andere. De vlaschaard van Stijn Streuvels bijvoorbeeld werd veertig keer herdrukt, in zes talen vertaald, twee keer verfilmd. Ondanks zijn West-Vlaamse schuwheid was Stijn Streuvels een BV avant la lettre. Hij werd veelvuldig bekroond, en even hing zelfs de Nobelprijsschaduw boven hem. De boektitel werd en wordt gebruikt voor straatnaamborden, lichtreclames voor restaurants, feestzalen … Soortelijk gewicht? Mijn eigen exemplaar van De vlaschaard weegt nog zwaarder. Ik kreeg het cadeau van mijn oude, dierbare hoogleraar antropologie. Hij gaf me ook de boekbespreking erbij die hijzelf ooit maakte in zijn retoricajaar. Zijn opstel was hartstochtelijk en uiterst persoonlijk, want hij was zelf ook een boerenzoon, voorbestemd om zijn vader op te volgen. Ik verbleef toen als schrijfresident in Het Lijsternest, Streuvels’ huis in Ingooigem. Ik zat de hele tijd in de schrijfkamer, voor het brede panoramische raam. Ik las De vlaschaard. Overal in het huis ademde de iconische Streuvels. Ik voelde hem achter mij: een kleine, magere man met opgetrokken, borstelige wenkbrauwen en de typische snor. Frank Lateur, alias Stijn Streuvels, begon als een bakkersgastje-dat-schreef. Hij was er 34 toen hij een stuk grond in Ingooi-
6
gem ontdekte. Een kleiterp, en hij liet er in 1904 zijn legendarische huis op bouwen. Intussen heeft hij een vrouw gevonden. Hij wint al een eerste grote prijs. Streuvels is ambitieus, in zijn volle kracht. Hij is klaar voor een meesterwerk. Ik voel hem kijken vanuit dit huis. Als een etnoloog ziet hij hoe de landlieden daarbuiten aan het werk zijn in het vlas. Als hij het venster openzet, hoort hij hen zingen. Hij schrijft. In 1907 verschijnt zijn roman De vlaschaard over een vlasakker en een boerengezin. In zijn boekbespreking schreef mijn hoogleraar: ‘De taaie kamp met mens, dier en natuur heeft de boeren voorzichtig, hoekig en doortastend gemaakt. Zij kunnen niet anders. Streuvels toont de boer wedijverend met zijn gelijken, trots tegenover het werkvolk, weinig begaan met zijn vrouw, heersend over zijn kinderen, onmachtig tegenover de straffende en teisterende hand van God.’ Streuvels las al vroeg de grote Europese schrijvers. Hij las Flaubert, Couperus, Balzac, Dostojevski en Zola. Op zijn eentje had hij Frans, Duits, Engels, zelfs Noors geleerd. Hij was gefascineerd door de Russen, Tolstoj in het bijzonder, die hij vertaalde uit het Duits en het Frans. Tolstoj prikkelde én bevestigde Streuvels’ aandacht voor het boerenleven. Hun nuchterheid, het standenbewustzijn, en ook het meesterlijk meeplooien met onbeheersbare natuurkrachten intrigeerden hem. De grote Rus Tolstoj en de kleine Vlaming Streuvels deelden hetzelfde pessimisme, conservatisme, zelfs fatalisme. Het ging om de heldhaftige nietigheid van de mens, en vervolgens zijn berusting, de afwezigheid ook van alle
7
sociale strijd. Beiden verheerlijkten ze de gesloten boerengemeenschap, de soberheid, en stelden vast dat zowel de boer als de knecht afhangen van de aarde die zij bewerken. Beide auteurs hielden van krachtige levensverhalen over conflicten, doodslag, jaloezie en in het bijzonder de generatiewisseling, terwijl de seizoenen elkaar opvolgen. Een vlaschaard is in in feite een vlas-gaard, zoals een boomgaard of wijngaard. Streuvels’ roman gaat over een nieuw ontgonnen, gedraineerde akker, gelegen op de hoogkouter. Het beste zaad heeft boer Vermeulen besteld in Rusland. Maar over het inzaaien van de akker hebben vader en zoon een verschillend idee. De zoon gehoorzaamt uiteindelijk zijn vader, en zaait de vlasakker te laat in. Het vlas schiet onregelmatig op, maar de oude boer Vermeulen geeft het niet toe. Hij zaait, oogst én verkoopt zelfs te laat. Erger nog, hij ziet niet in dat zijn tijd gekomen is. Vader acht zich te jong om de boerderij en het meesterschap te delen en door te geven. Intussen lonkt de opgewekte boerenmeid Schellebelle naar de zoon. De koppige en trotse, machtige én onmachtige boer Vermeulen heerst over zijn gezin, zijn werkvolk en zijn akkers. Zijn vrouw Barbele is zachtaardig en liefdevol voor haar kinderen, maar ze kent haar plaats. Haar man vloekt en zwijgt vooral. Zijn kinderen zijn hem ontgroeid. De twee dochters tellen niet eens mee, maar er is wel die twintigjarige zoon Louis: ongeduldig, aangejaagd door de seizoenen en de drift om jonge meisjes, in het bijzonder Schellebelle. Intussen leveren het werkvolk en andere boeren commentaar, als een Grieks koor.
8
De jonge Louis raakt verzot op de sensuele Schellebelle, een eenvoudige en onschuldige wiedster. Streuvels zelf zat ooit in de jury van een missverkiezing en had een fotografisch oog voor vrouwelijk schoon. De lezer voelt het in zijn beschrijving van Schellebelle. Het gezinsconflict zwelt aan, samen met het gebeuren op de vlaschaard. Op meesterlijke wijze zal Streuvels het verhaal een tragisch einde meegeven. Zo vertelt de roman minstens drie verhalen: een manke vader-zoonrelatie, de verliefdheid op Schellebelle en de vlasakker door de seizoenen heen. Maar bovenal is het echte thema de tijd die uit de handen glipt van boer Vermeulen. De kairos, het juiste moment, is hem voor altijd ontgaan. Als Streuvels zijn scènes schildert, is zijn taal een lawine van volzinnen, in een oud en taai vocabulaire. Geen magerzucht tussen Schelde en Leie. Autodidacten durven wel vaker sympathieke opscheppers te zijn (denk ook aan grootmeester Claus), maar de jonge Streuvels wil zich op elke regel bewijzen. Hij durft, draaft door. In een brief in 1938 zei hij: ‘Ik schrijf gelijk ik kan’ en dat kunnen wees niet op een onvermogen maar op zijn kunstenaarschap. Dierbare lezer, welkom op deze akker. Geef je over aan de kunsttaal van Streuvels. Zij is onzuiver, barok en donker. Streuvels’ stijl nodigt vooral uit om mee te stromen, zelfs hardop te lezen. Blader niet telkens naar de verklarende woordenlijst achterin. Let op het ritme en de klankkleur. Hoe heerlijk is het om nu opnieuw De vlaschaard te kunnen openslaan, in een puntgave hedendaags klassieke vorm. Op de kaft staat meteen al die vader, die zijn schan-
9
dalige, schandelijk jonge zoon met de zware wandelstok neerslaat. In het slot verandert zijn onmacht, zijn woede in weekheid en een verpletterend inzicht. Koen Peeters voorjaar 2021
Met dank aan professor Renaat Devisch en Toon Breës
DE VLASCHAARD
11
DE ZAAIDHEDE
1
I DE ZWARE, GRIJZE LUCHT BLEEF WEGEN over de wereld. Eendikte2 opgestapelde mist, van beneden tot in de opperste luchtlagen, drukte die grove last als een onverroerbaar weedom, een treurnis zonder einde of uitzicht. Dagen lang bleef alles dof en donker. Dan kwam de wind, onverwachts losgelaten, en zweepte wolken regenstof die rakelings over de grond schoren3 en de velden begispten4 en begeselden. Het vlakke land lag er afgebakend in zijn nauwe einder, overwaterd met mist, onnuttig, zoppenat5, eenzaam, onmeedogend aan de wrede elementen overgelaten, als een woestenij in de aanvang van de jongste dag. Alzo sleepte de verdrietige winter voort, zonder een krimmeltje6 klaarte, in wanhopige eentonigheid. Het voorjaar was al ingezet aan7 ’t seizoen, maar alles bleef gesloten, toegedekt met duisternis van lange nachten en dagen daartussen die geen dagen waren. Hoe het te noemen, ’t schemeren dat al onder uit de wolken zimperde8, doodgedaan door dikke smoor, — de dofheid die zonder blos van morgen- of gloei van avondrood een enkele spanne tijds de nachten uiteenscheidde en de wereld van de ene duisternis in de andere dompelde? De lucht was vol nattigheid; mist en waterstof, ’t zweefde in slunsen9 en drendels10 vóór de wind weg en
12
daarin draaiden en wentelwiekten de kraaien als doodzonden zo zwart en ze schreeuwden de eenbaarlijke11 triestigheid in wilde kreten over ’t land. Vermeulen stond dat te bezien door ’t venster. — Springtijd12! spotte de boer ingrimmig13, ’t gelijkt beter aan de donkere zes-weken! Een onbenamelijke14 verveling teisterde hem. Hij draaide rond in doelloosheid, wrokkend tegen ’t almachtig element dat hij niet overmeesteren kon en hem in die grote, dompige keuken opgesloten hield, waar hij ronddoolde met de vuisten in de broekzakken, gelijk een noodse15 winterbeer, van het venster naar ’t vuur en van ’t vuur naar ’t venster. Elke dag bracht de boer een nieuwe ontgoocheling. ’s Morgens kwam hij met weerzin uit de warme polk16, moe van ’t liggen en kwaad omdat hij daar in de doezeling van de slaap, de komst van ’t open weer niet kon afwachten. Dat het ’s winters vier maanden lang wintert, dat verdroeg Vermeulen best; dat waren zijn kweekmaanden om te beklijven17 na de lastigheid van ’t zomerwerk; maar dat er na vier maanden nog geen opening of schof18 kwam in de lucht, en geen zierke19 troost of leven te speuren viel als de tijd er was, de zaaitijd en ’t werk van de voorjaarse dricht20 begon te dwingen; als ’t boerenjaar anders beginnen moest en ’t altijd voort slegge en zever21 bleef en immer nieuwe vrachten nattigheid in de lucht kwamen bijgemeerd … en dat er niets aan te beteren en alle vloeken machteloos was en de spijt moest verkropt worden: — Zo eens eigen herte22 moeten opfretten23! ’t Land ligt doorgrinseld24 als een zompe25, ’t wordt al langs om26 natter, de grachten spoelen sleekvol27 en die smodderige28
13
misten … Verleden jaar was de dricht al vergeten en hadden we kwekende29 wind: ’t vlas stond reeds uit. De vrouwe die gewend was de boer alzo te horen ronsen30, had er geduld in gekregen, ze luisterde niet meer. ’t Was enkel uit gewoonlijke toegevendheid dat ze er onverschillig en gelaten bijdeed: — Wat kunnen we er aan doen? ’t Betert wel; ’t en heeft nog nooit gefaald van zomeren! en de goedgelovige boerin achtte het niet nodig of geradig31 een blik van haar werk op te slaan om naar buiten te zien, zo zeker was ze van de vaste gang der seizoenen, en ze liet haar man in zijn hopeloze verveling. Ja, wat was er aan te doen, en wat konden de arme boerkes, tenzij wachten en berusten met de hoop: dat maarte wel liegen kon, maar april nog nooit gefaald had? Berusten, en geduldig zijn! ’t Vrouwvolk had schoon kouten32, maar: de tijd die ten ondomme33 voorbijgaat! — G’en zijt nog nooit te late gekomen met de oogst! meende ze. Ga-je nu weeral zo gejaagd doen en met ’t vuur in uw broek lopen? Wat helpt het? Vermeulen besloot de mond niet meer te openen en zijn korzelige drift in te houden. Onbewust en zonder inzicht stond hij weer aan ’t venster en hij duwde de vuisten nog dieper in de broekzakken. De vensters, dat waren de valse asemgaten, ’t enige wat de mensen in betrek34 bracht met de bestaande dingen buiten: het zicht enkel, zonder de goede blaas van de wind en de tocht der open lucht. Men kon er tegen staan geleund en kijken tot dat eens eigen adem ’t gezicht verdoofde en alles duister en onbescheidelijk35 werd. Naar die lunkgaten36
14
werd Vemeulen toch getrokken en zijn gramstorig gemoed dwong hem de lelijkheid aan te zien. Berusten deed hij genoeg. Mangelt het een oude boer aan berusting? Wie beter dan hij zelf wist dat de zomer komen moest?! Dat ’t oosten vol zat met schone dagen! Maar waarom kwamen ze dan niet op hun tijd? Waarom scheurde die zware, verdoemelijke mist niet open en trok de grijsheid niet op? De achtkantige37 boer teisterde alzo zichzelf omdat hij daar machteloos stond te poepgaaien38 en niets verpurren39 kon aan de dingen die in de lucht zitten. Van ’t een eind van ’t jaar tot ’t ander, blijft het de koppige aanval en ’t zelfde terugstoten; altijd moet hij vechten en volhouden en eindelijk blijven staan in gedweeë afwachting, de domme machten laten meesteren over zijn werk, over zijn have en goed. Maar zulks belet niet dat een oude boer altijd weer eins40 en ingrimmig zijn onlust uitgromt wanneer hij op de vijfde maand onder de zwarte zoldering ronddraait, tussen de vier muren, de duffe heerdlucht41 inademen moet; dat hij ’t beu wordt door het kijkgat van een venster op dezelfde lamme dingen te staan zien — op de buiten die eenbaarlijk42 in verdrietige duisternis gedompeld ligt. De vrije, lavende lucht heeft hij altijd met volle teugen opgesnoven, de ogen zijn gewend heel de vallei te overgrijpen, waar ze open en bloot ligt als vóór een breed raam, in de onmeetbaarheid van levende groen, te gloeien in zonneluister. En nu is ’t land al één zompe vol slijk; effen43 een boogscheute ver, draagt het zicht waar men een man uit een wijf niet herkent. Wegen en grachten zijn in stromende beken herschapen, en waar vijf bomen in een nest te gare44 staan,
15
gelijken ze een muur, een wolk, een vormloze kuil blauwe rook of een ander ongedaante. Huizen en hoven liggen verzonken als smoorhopen45 in de dompigheid, zonder dat men venster, deur, dak of schouw uitkennen46 kan. Vijf maanden lang weegt de lucht als een zware deken op de wereld, zonder asemgat47, zonder licht of helderheid, zonder zon of maan. Afgezonderd van alle verkeer, leeft elk in zijn enigheid, op de afgelegen hoeve, ingesloten als op een eiland met more48, slijk en wazelanden49 rondom. En wanneer men nu vijf maanden de dagen heeft geteld en van de ene stoel op de andere te rijden zit, met de schenen verbrand bij de heerd en de jicht in de rug van de koude tochten; wannneer ’t uur der verlossing daar is en ’t geluchte50 veranderen moet, maar niet verandert … wanneer men erop gesteld is te beginnen drichten51, men de handen voelt jeuken, de handen die verlangen te grijpen, te heffen, te duwen, te steken, om voortgang in ’t werk te krijgen … en slegge en regen altijd eenbaarlijk aanhouden, en maarte blijft liegen als ware ze een oude winterrutte52 … Berusting is er wel altijd bij de boer, maar de verdoemelijke verveling kan hij niet blijven verkroppen; misgunnig53 en verneesd54 staan hem alle dingen in de weg, zodat ’t hele leven geen schop van zijn zwaargeklompte voeten meer waard schijnt. Zou men achterna55 niet gaan twijfelen of er iets uit de haak is met de zon? Of ergens een klink uit de vange56 van het grote raderwerk gesprongen, en de dagen nu zot voortdraaien zonder de spillen te lichten57 die de zon op haar hoogte en in haar macht moeten brengen? Vermeulen wist het wel beter: ’t was elk jaar hetzelfde en met verouderen wordt men niet redelijker, krijgt men
16
grillen en nukken erger dan een verweeuwde58 kunke59. Zijn zin stond vandaag op het werk; met al zijn macht en begeerte wilde de boer nu ineens de smoor openstampen, een gat hebben in de lucht, schof maken om blauwigheid te zien — o, ’t effene blauw, de diepte van de hemel! ’t Vernibbelde60 hem nu en hij verlangde als een kind om voort te doen op ’t veld — alsof het zijn eerste en zijn laatste boerenjaar ware dat hij nog te goed had. ’t Speelde hem vóór de zin als een geluk uit de verte: de beweging, het leven op het land, de dricht, zijn bevelen uitbrullen over de kouters61, de peerden zien trekken, ’t ploegijzer dat beert62 door vaste grond, ’t werkvolk overal aan de bezigheid, de kleur van hun kleren, de gebaren, ’t gerucht van hun stem, de wemeling heinde en ver door heel de vallei; — de groeite te voelen in de lucht, de lauwe, vruchtbare lucht, met lavende wind die uit ’t zuiden gevaren komt, en ’t zonnelicht, de warmte, de schaaierende63 glans over de vlakte, ’t groen van een nieuwe lente! Vermeulen zag het in zijn verbeelding als een heugenis uit een ver verleden, onwezenlijk, — iets dat voor altijd weg was en nooit meer terugkeren zou: een schone droom herdacht na het ontwaken. Want vóór zich, in zijn nuchtere zin, zag hij het anders: de landen waren toegedekt, doorweekt, onvast als een dolage64. En eensklaps voelde hij het als angst: zijn menselijkheid die daar klein en nietig verzopen stond tegenover een vreselijke macht; ’t scheen alsof de boeren voortaan alle heerschappij over hun kouters verloren hadden — of er geen levend betrek meer bestond tussen de menselijkheid en de natuur — zo wreed verlaten, doods en vaal liggen de landen in hun kleurloze evenheid,
17
alsof ’t een gestold water ware of een wedde65, waar huizen en haven als vormloze schuiten gestrand lagen, gereed om te vergaan. Al het beulen en heel het nijverig verkeer van de najaarse dricht scheen nu een bespottelijke poging, een oorloos66 kinderspel ten ondomme gedaan, waar niets, geen speur67 zou van overblijven, niet meer dan de zwarte kraaie een streep nalaat in de lucht waar ze voorbijwiekt. Het zaad moest gerot liggen in de waze68, en van ’t herhaalde ploegen en eggen en zaadvoren was geen rimpeltje gebleven in ’t land: de regens hadden alles gedempt en in pap verkeerd — nergens een speur van komende groenigheid was er over heel de omtrek — de meersen69 stonden overwaterd en de raaide70 roggepijltjes lagen verplakt71 en verslegen72 in de modder der uitgeloogde en afgespoelde koorneerde73. Op de oude en op de nieuwe maan hadden de mensen beurtelings hun verwachting gesteld en hun hoop, maar ’t was al wijvenpraat gebleken … Afkerig wendde Vermeulen de kop weg om de buiten niet meer te zien; op zijn kloefen74 slofte hij naar een ander venster en keek over de werf. Daar ten minste was het boerenbedrijf aan gang. De meid mestte het zwijnshok. Twee varkens plodderden75 over de zoppegrond76 van ’t messingstro77 en snuffelden in de vuiligheid. De koeier stond te zingen aan de raapmolen78. Een boever79 wierp de verse strobundels door ’t zoldervenster van de dilte80. In de schuur ging het regelmatig ploffen van een paar dorsvlegels. In ’t zwingelkot81 snorden de wielen, en in gelijke keren hoorde men de schuddering82, telkens het vlas tussen de zwingels83 kwam. Alles liep af in geruste bezigheid, gelijk het heel de winter lang reeds afliep, in dagelijks her-
18
doen. Jan, de oude boever, voerde geschraapte bietwortels naar de stallen. Louis, de boerenzoon, de jonge Vermeulen, stapte in zijn stevels84 door dik en dun, over de messing, van hier naar ginder, doelloos naar ’t scheen, uit en in de stallen; maar nu liep hij een lachende meid achterna, die met opgesloofde85 mouwen, in heur losse zomerjakje, met de gistpot naar ’t ovenbuur86 ging waar de schouw nijverig dompte87. Louis was de struise, jonge boer, de gemaakte kerel, met slanke benen in de leerzen88 en een stevig lijf in de kleren; de jongeling met de blozende kop en de wakkere ogen, — die ongevoelig voor slecht weer, er maar lustig doordraafde en geen verveling of grimmigheid kende. Hij was in de weelde van de twintig jaren, jongeling, vrij op zijns vaders havezate89, eigen met alles wat er op het hof haaide en draaide90 omdat hij er gekweekt en geboren, mede was opgegroeid; — in heel zijn verschijning geleek hij een jong, volbloedig peerd dat ’t einde van zijn macht en weelde niet kent. Dat was het nieuw geweld, het forse geluid, de opkomende macht die onverstoord lucht geeft aan zijn overlopende levensbloei en op de grote hoeve vrij zijn eigen wegen gaat nevens de oude boer, ’t opperhoofd, ’t gezag en de alheerder in persoon, die zijn vader was. — Wat moet hij hebben van die meid in ’t ovenbuur? gromde Vermeulen mistevreden. De boerin schilde voort aan de aardappelen, alsof er niemand gesproken had. Vermeulen liet zijn reden vallen91, gebaarde92 ’t in zichzelf uitgesproken te hebben en kwam bij de heerd zitten. Hij koterde93 de as uit zijn pijp en stopte ze opnieuw.
19
Buiten ’t slecht weer en de onhebbelijkheid van ’t jaargetijde was er nog iets anders dat de boer verveelde en gesporrig94 miek. De lange winter en de verdrietigheid van doelloos daar te zitten, dat was ’t geen van buiten kwam en hem treiterde in zijn machteloosheid met altijd nieuwe teleurstelling van de verachterde uitkomen95. Dat moest voorbijgaan; met wat geduld was ’t te beteren: de lente zou wel inzetten, dat wist hij en dan was het nare gevoel gauw vergeten. Maar ’t ander stak dieper, hij droeg het in zijn binnenste als een gedurige onrust, want daaraan zag hij geen beternis, daarin kende hij zich onmachtiger nog dan tegenover de natuurelementen. Vermeulen zat er met ’t gewicht van zijn breed lijf, heel de stoel vol; zijn zware kop gesloten, de knieën opgetrokken en de armen in de schoot, te puffen aan de walmen van zijn oude, doorrookte pijp. In de heerd kronkelden de vlammen op uit de spaanders vóór zijn voeten. Hij wist zich daar zitten: hij was de eenheid van de grote doening96, de heerder over het wemelend bedrijf, met de wetten en ’t beleg der nering van heel het boerenjaar en ’t vooruitzicht van veel volgende jaren in zijn kop. ’t Lag als een effene, brede weg in zijn visioen, al ’t geen hij te bevelen had, en de middelen evenals de uitslag, hield hij in zijn sterke greep als een zekerheid. Buiten de grote lijnen van de vooruitziende schikking, hield hij even vast de kleine dingen van de lopende dag. Tot in de verste hoeken van hof en schuur en stalling wist hij de toestand van alles wat er roerde en leefde. Elke knecht, elke meid kende hij als zijn eigen jongens97, en hij was de eerste die ’t opmerkte wanneer er iets scheelde met gelijk welk beest uit zijn stallen, zowel als met de kleinigheden van elk
20
stuk alm98; al was ’t maar een zwenkelslove99 die op ’t breken stond, of een ontvezen100 moer, hij zag het. Vermeulen was er van bewust dat zijn stevige wil heel dat bedrijf, met al het werk en bezigheid, ordende en in gang en stand hield; dat alles er een wending nam naargelang zijn eigen inzicht het dwong. De hofstede was een wereld op zichzelf, — al de bewoners van de omtrek vonden er hun bestaan; wie er ’s zomers gewerkt had, kon er zich ’s winters vetmesten; wanneer alles toegevroren lag, en er nergens kostwinning was, bood de veeldakige hofstede een veilige beschutting voor alle nooddruftigen. De boer regeerde er als een koning die met zijn tegenwoordigheid overal ontzag verwekt, — stilte ontstaat waar hij verschijnt. Die heerschappij had Vermeulen van zijn vader overgeërfd, en met taaie wil en harde vuist, wist hij dit oppergezag te handhaven. Op de hoeve niet alleen, maar over heel het gewest stond Vermeulen bekend als de grondvaste101 landbouwer, machtiger dan gelijk wie in heel de wijde omtrek. Hij was het die stuur en bars de raad gaf en zijn mening bij de andere boeren opdrong; hij die de oude gebruiken en zeden in stand hield, die boerde volgens vaste geplogenheden102, — naar wie de anderen wachtten om hun dricht, hun oogst en andere werkzaamheden te beginnen en te regelen: Vermeulen doet het — Vermeulen doet het niet — gold in de streek als een ordewoord dat overal weerklank vond en indruk miek. Vandaar of hoe dat gezag hem toegekend werd of waarom en met wat recht hij het oefenen mocht, dat vroeg hij niet. Hij kende zich als de sterkste, de verstandigste en wist al de anderen te dwingen onder zijn koppige wil. Het was zo en nu moest het alzo blijven.
297
EINDNOTEN 1 het zaaien, de zaaitijd 2 overal even dikke 3 scheerden 4 nat maakten 5 druipnat, overspoeld 6 zweempje 7 begonnen met 8 sijpelde, droop 9 vodden, lappen 10 flarden 11 grote en voortdurende 12 lente 13 zeer grimmig 14 onnoemelijke, onuitsprekelijke 15 norse, nurkse 16 bed, nest 17 aan (te) winnen 18 snelle voortgang (van wolken), opklaring 19 ziertje 20 bebouwen van de akker 21 dikke mist met motregen 22 zijn eigen hart 23 opvreten 24 doorweekt 25 drasland, moeras 26 hoe langer hoe 27 boordevol 28 grijze, morsige 29 zoele, de groei bevorderende
30 brommend zeuren 31 geraden, raadzaam 32 mooi praten 33 nutteloos 34 betrekking, contact 35 niet meer te onderscheiden, onduidelijk 36 kijkgaten 37 stevig gebouwde en hoekige 38 doelloos rondhangen, lummelen 39 vertillen 40 eenzelvig en nors 41 haardlucht 42 onophoudelijk 43 nauwelijks 44 samen 45 mistvelden 46 onderscheiden 47 luchtgat 48 modder 49 zompige akkers, drasland 50 hemel, uitspansel 51 bebouwen 52 onvruchtbare wintermaand 53 afkerig 54 een hekel (eraan) hebbend 55 op de duur 56 vang, remsysteem (waarmee een draaiend wiel wordt opgevangen)
WWW.LANNOO.COM Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagillustratie: Gerda Dendooven Omslagontwerp: Gert Dooreman Opmaak: Keppie & Keppie Veertigste druk (eerste druk, 1907) © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2021 De tekst van deze uitgave (in moderne spelling) werd overgenomen uit het Volledig Werk (1971-1973) © Erven Stijn Streuvels D/2021/45/398 – 978 94 014 7828 1 – NUR 301 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.