DE BLIJDE DAG
5 INLEIDING
AAN DE ANDERE KANT VAN DE HEUVELS
Wikipedia en Goodreads zullen het u niet vertellen, maar De blijde dag is een boek over gezang. Of preciezer: het is een novelleachtige roman over sirenen die je met hun wonderbaarlijke stemmen wijsmaken dat aan de andere kant van je werkelijkheid het gras groener is. Door een samenloop van omstandigheden staat de zeventienjarige Hélène Grisar zich al vroeg in dit verhaal hoog op een berg te verbazen omdat ze ineens ‘heel de wereld’ kan overzien zonder ergens een kloosterzuster of een weesmeisje te ontwaren. Ze moet naar haar weeshuis terug nog diezelfde avond, want er is behalve de zusters niemand om haar in huis te nemen. Dat doet ze na afloop van die Hele Blijde Dag min of meer gewillig, maar met een diep medelijden met het weesmeisje dat ze al die jaren is geweest. Als ze bij thuiskomst moet bidden, hoort ze in haar hoofd de liedjes die ze op de heuvel heeft leren kennen. De gezangen van haar rijke maar vooral vrije neven en nichten blijven als op repeat door haar hoofd gaan; ze zou ze met een steen nog niet uit haar gedachten kunnen verjagen. Zoals voor misschien wel nog veel anderen, is voor dit meisje muziek een manier om de tijd terug te eisen. Ze herbeleeft tot in den treure het ogenblik waarop haar een vage belofte werd gedaan. Het zingen houdt in het verhaal nogal
6
abrupt op. De tegenspeler van Hélène, de aantrekkelijke jonge Rodolf, die de middag voor haar mythisch maakt door haar een kleinood te schenken, kan niet praten. De kans dat hij ooit zal zingen, is zo goed als onbestaand. Streuvels beschrijft Hélènes ontwrichte manier van kijken naar zichzelf zoals we van hem gewend zijn: geduldig alle hoeken van haar ziel aftastend, zonder haast. Geluk is schaars in zijn universum, maar er is des te meer aanvaarding, en dat is ook een vorm van geluk. Streuvels’ verhalersblik is in De blijde dag op de vrouwen gericht, en dat is enigszins verrassend. Vrouwen zijn in zijn romans meestal antagonisten en nevenpersonages. In dit boek betreedt hij vastberaden de vertrekken waar hij als man niet kan komen: een meisjesweeshuis bestierd door kloosterzusters. Ik heb over Streuvels bij andere gelegenheden beweerd dat hij een ecologist was avant la lettre. Zijn gedetailleerde en realistische weergaven van een naturalistische werkelijkheid met metaforen van hoe de mens de aarde benut door haar te doorploegen en af te ranselen, klinken in hedendaagse oren als waarschuwingen. Hij schetst mannen als belichamers van een landelijk patriarchaat en steekt zijn kritiek op het universalistische, abstracte denken dat door een eeuwenoude restrictieve orde wordt opgelegd niet onder stoelen of banken. Mannen moeten als hoeders van het land hard zijn, dapper, streng, ze mogen geen tranen laten, er is in een mans-leven geen ruimte voor innigheid, schuchterheid, fijnheid of intuïtie. Door Streuvels’ aandacht voor onberispelijke periodedetails lijkt het nu en dan alsof een nostalgisch verlangen naar de tijd en de
7
plek waar het te bewandelen pad duidelijk was, in de weg zit van kritiek op die starheid, maar net dan komt hij met kleine, haast onopvallende bevragingen. Uit de manier waarop hij duidelijk maakt dat het patriarchaat ook de mannen beschadigt, blijkt dat hij naast een vroege ecologist ook een voortijdige feminist-van-de-derde-golf is. De weesmeisjes in dit boek staan onder de hoede van kloosterzusters. Hun levens scharnieren zoals we ons in een pandemie weer ten volle realiseren tussen vrijheid en veiligheid. Omdat de meisjes een onduidelijke afkomst hebben, komt hun grijze bestaan wel heel dicht in de buurt van een leven in een gevangenis. Zijn de meisjes weerloos, of lijken ze dat alleen maar? En als ze weerloos zijn, wie zijn dan hun onderdrukkers? Streuvels’ realisme, dat hem al vroeg in zijn schrijverscarrière op de zwarte lijst ‘der te mijden auteurs’ deed belanden, trekt ons vanzelf binnen in een vrouwelijke microkosmos waarin de patriarchale mechanismen van macht en gezag evengoed gedijen. Ook onder uitsluitend meisjes en vrouwen zijn relaties met vaste regelmaat toxisch: er wordt getreiterd, vernederd, er zijn geraffineerde systemen van uitverkiezing en uitsluiting. Helemaal bovenaan in de pikorde staan natuurlijk altijd de zusters. In mijn tijd waren kloosterzusters ongeveer de meest gestereotypeerde bevolkingsgroep van Vlaanderen. Ze waren de vijand, alle nonnen waren hetzelfde, een non was per definitie het omgekeerde van een moeder, ze kon nooit aan je zijde staan, ze was a priori je tegenstrever. Op die vereenvoudiging laat Streuvels zich niet betrappen. Hij kiest de zijde van de jonge meisjes, en bekritiseert zonder omwegen de vrouwen die geloften
8
hebben afgelegd. Ze onderwerpen meisjes fysiek zowel als mentaal aan de dwang van veel te strenge regels, waardoor op het einde die jonge meisjes ‘verstarde wezens’ worden. Toch zal, op een moment dat de lezer het niet meer verwacht, Hélène zich de bezorgdheid en liefderijke behandeling van de zusters herinneren. Streuvels beschrijft de rigide voorschriften van het gesticht in contrast met de veerkracht en het verbeeldende verlangen van jonge meisjes. Hun onbehagen voedt hun krachtdadigheid, maar een voor een lopen ze vast in hun lotsbestemming. Het wezenopvangsysteem waarin ze verzeild zijn geraakt, zal hen niet accommoderen. De mannen die hen benaderen, maken beloftes waarvan ze weten dat ze die nooit waar zullen maken. De weesmeisjes nemen wanhopig hun wensen voor werkelijkheid, en laten zich meeslepen door het sirenengezang van twee heren die beweren dat de wereld groter is dan het weeshuis, en bovenal vrijer. Zoiets kan natuurlijk nooit helemaal goed aflopen. Op het einde winnen niet de zusters, maar de vermogende mannen, van wie de ene spreekt en de ander stom blijft, want bij hen zit de ratio, het gezonde verstand, de geregelde orde, die alleen maar wordt bevraagd voor de grap of om te plagen. Hélène blijft gelukkig niet achter met broken dreams, en net dat is in deze vertelling wellicht het meest tragische. Streuvels’ slotzin klinkt neutraal, maar druipt van de spijt.
9
Elke grote schrijver heeft ergens in zijn oeuvre een veeleer bescheiden boekje dat een zijlijn lijkt te bewandelen, maar waarin hij in feite zijn krachten opbouwt. Voor Streuvels is dat waarschijnlijk De blijde dag. Anne Provoost De blijde dag voorjaar 2021
DE BLIJDE DAG
11
I DIE DAG BEGON GELIJK AL DE DAGEN. Met ’t opkomen der helderheid werden de slagvensters1 overal opengegooid en het dorp ontwaakte in hetzelfde aanschijn van gister. De mensen hernamen hun bezigheid waarmede zij poenderend2 hun kleine profijtjes moesten bejagen, en meteen kwamen ook in ieder menselijk gemoed, elk volgens de gebeurtenissen en toestanden van ’t leven hen gelegen waren, de hartstochten wakker, hernamen de afgunsten, de begeerten en genegenheden; dat alles kriebelde in lust- of leedgevoel, gedoken in de hoofden der dorpelingen. Er waren er die hun gevoelens uitwendig lieten zien of raden, anderen hielden al ’t geen ze zitten hadden, diep geborgen achter de strakheid en hun gelaat; maar onverwijld hernamen zij allemaal ’t geen ze gister gedaan hadden en elk hield zijn wezen3 gelijk hij ’t gewend was. Doordat ieder gerust aan zijn gewoon werk kon gaan, in de overtuiging dat zij zelf en hun gebuur, vandaag en morgen, ongestoord dat werk zouden kunnen voortzetten, heerste de kalmte en de vrede over het dorp. De huizen stonden met hun onverschillig gelaat, gelijk dode wezens, aaneengeschaard en verdoken de nijvere bezigheid die er binnen bedreven werd. De samenhang van gewone geluiden eigen aan ieder soort werk, vormde de enige levensadem van het dorp, de levensadem die altijd regelmatig voortgaat, zonder dat iemand er nog acht op geeft.
12
Een lucht van vreedzame verzadigdheid strekte als een veiligende koepel over het dorpskerkje en de troppel4 bijeengeschaarde huizen, en geen van al de dorpelingen had ’t minste besef van ’t geen er buiten hun eigen luchtkring leefde en gebeurde, — zodat zij ’t bestaan van de duizendmalige5 stromingen der grote levensmachten der buitenwereld niet eens vermoedden, en evenmin de mogelijkheid vreesden dat die levensmachten tot hier konden doordringen, of de geringste roering in staat was heel dat stille dorpsgepoender6 in gruis te slaan en er de schone rust van de dag en de volgende dagen voor altijd te storen. In die zalige onbewustheid, biek7 de bakker, smeedde de smid en lapte de lapper, alsof de rust van hun leven in onverroerbare bestendigheid rond hen bestond, — zo vast als de gang der seizoenen, zo zeker als het licht van de dag dat nooit gefaald had, zo stevig als de kerktoren, van waar uit de trage gang van die gewone morgenstond in uren werd afgeteld met zware slagen die door de stille ruimte ronkten. Buiten de dorpsplaats, waar die levensadem in een wijdere kring openspreidde, lagen de vlakke velden, — daar werd noch geklopt noch gekleund, daar was het de volkomen stilte en eenzaamheid. In ’t ijle van het geluideloos geluchte8, afgelegen van alle bewoning, stond het Wezenhuis. Als een vierkante stenen blok, waar vlerk noch vleugel, toren noch tinne9 uitstak — zo effen en gelijkig10 afgemeten waren de hoge muren der gebouwen die langs vier zijden ruggelings naar buiten gekeerd, daar stonden, met hun open kant een grote, vierkante ruimte vormden, zó dat de binnenkoer11 en heel de hoving12 als een veilige sterkte omsloten was.
13
Geen loergat, geen asempijpe13 die uitzag op de buitenwereld, niets tenzij deuren en poorten die nooit schenen open te gaan. Alles wat door de binnenkoer van het Wezenhuis afgesloten was, moest zijn leefte14 halen uit het kubieke stuk ruimte waar lucht en helderheid van omhoog, loodrecht uit de hemel neervielen tussen de vier stenen gebouwen. De muurvakken waren van gelijke, grijsrode baksteen, met de vuilwitte moortelvoegen15, die in nette strepen, als met de regel16 getrokken, van onder tot boven te tellen waren en heel de muur met hetzelfde triestig symmetrisch gewemel overlijnden. De schemering dier witte voegen op de steenrode grond, gaven aan het hele muurvlak een soort van onduidelijk vaalgrijze toon, die bij gelijk welke belichting van de dag, een gevoel verwekte van gruwelijke eentonigheid en triestige verveling. Die massa van gelijke, ingemetselde, vuile bakstenen tot muren van ontzaglijke hoogte en breedte, gaven niets anders uit dan de abstractie van een afsluitsel zonder meer — iets dat gemaakt of gegroeid is met het eigenlijk doel een omsloten ruimte van de buitenwereld af te zonderen om er kinderen die hun ouders verloren hebben, als onder een stolp in leven te houden en mak te maken tot de jeugd er helemaal uit is. In dat gesticht, dat een gevangenis heten mocht, was de afzondering inderdaad zo volledig, dat al wie er in leefde, niets van het drukkende of ’t pijnlijke of ’t vervelende gewaar werd of gevoelde. De muren gaven het uit, maar stonden strak in hun stenen onmeedogendheid zonder dat het iemand ooit was opgevallen, want de mensen van ’t dorp waren zodanig met hun eigen levensdingen bezig, zodanig
14
onverschillig aan al het andere, dat zij nooit dachten wie er in het Wezenhuis leefden, en degenen die het bewoonden waren zo onwetend en onbewust van de buitenwereld, dat hun bestendige argeloosheid er nooit door een buitensporige begeerte of verlangen naar wijdere ruimten gestoord werd. Dorp en Wezenhuis, die twee dingen leefden volstrekt elk zijn eigen bestaan, waren als twee eenheden, zonder betrekking met elkander. Op hetzelfde uur dat het leven op ’t dorp ontwaakt was — dat de bakker aan ’t bakken en de smid aan ’t smeden ging — hadden de driehonderdvijftig weesmeisjes en veertig kloosterzusters reeds hun lange ochtenddevotie volbracht. Zonder dat men een sliffertje17 kon horen slepen over de vloer, regelmatig, de voorste reken18 ’t eerst, zó dat elk meisje van de rechtse bank een meisje uit de linker bank in de middengang ontmoette, om nevenseen19 de rang20 te vormen, hadden zij de kapel verlaten en waren van de schemering die er nog heerste, in de klaarlichte dag gekomen op de binnenplaats. Uit het donker portaal was de rang gedurig naar buiten gegroeid, uitgesponnen als een draad over het stenen plankier21 dat de ruimte der speelplaats in ’t midden doorsneed en dan rechthoekig de omsluitende gebouwen van de koer rondliep. De volle stilzwijgendheid bleef nu nog onderhouden en paarsgewijze, op gelijke afstand, als bij een plechtige oefening, vorderde de meisjesstoet en volgde de loop der plankieren rond en rond het speelplein. In de rang waren de weesmeisjes geschikt in volgorde der grootte — de kleintjes gingen voorop en de grootste achteraan, zodat heel die voortschuivende slang een regelmatig geometrisch figuur vormde, waarvan
15
de onderste lijn horizontaal met de grond en de bovenste langs de hoofden schuin opliep in een platte naar achter opengapende driehoek, die gevuld was met zwartsel der kleren en vlekte op ’t vaalgrijs van de muur. Buiten ’t verschil van groei en grootte, waren de meisjes eender van uitzicht en kleding. Over al die stille, bleke wezens lag dezelfde uitdrukking van ingekeerdheid, maar met een voornaam matte toon van het bleke vel, die bij de enen zweemde naar ’t geel van ivoor en bij de anderen overging naar een lichtroze blos van ontluikende jeugd. De meisjes droegen allen hetzelfde effen, zwarte kleed; een lange, wijde rok die met een band de lenden omsloot en boven de heupen opgesnoerd, in stijfstaande, rechte plooien, tot tegen de grond neerhing; over de schouders droegen zij een gebloemd borstdoekje22 dat overhoeks geplooid, langs vóór de twee tippen gekruist, in de lendenband gevat was en langs achter met een tip, te midden de rug zat vastgespeld. Aan de armen hadden zij overmouwen van ’t zelfde gebloemd witte goed, die boven de elleboog met een veter vastgesnoerd waren en aan de pols afgezet met een kantlint dat over de handen viel. Op het hoofd droegen zij een huifje23 van wit neteldoek, waaronder het haar als in een rond beursje, profijtig24 langs achter was opgeborgen; van weerskanten het voorhoofd hingen er twee lobben25 over de oren en te midden was een driehoekig uitgesneden bek26 waaruit een lokje bloot kwam. Gebaar en houding was bij al de meisjes even zedig en ingetogen. De beweging van de lichte tred bleef geheel gedoken in de lijnen van het wijde kleed, zodat zij schenen voort te zweven in éénzelfde sliergang27. De uitdrukking en
16
de halfneergeslagen ogen, waarin de argeloosheid verstard scheen, was in overeenstemming met de kalme trekken en de voornaam bleke tint van het gelaat. Maar door die ingetogen ernst straalde er bij enkelen toch een zweem van kinderlijke lieftalligheid naar buiten; hier en daar speelde iets als een flikkering van lust, met de uitdrukking van een inwendige, kinderlijke blijheid. Maar de stilte drukte daarboven — en daarrond, de onverroerbare stilte van die stenen omgeving en die uitdrukking van genot op ’s meisjes wezen, ontaardde nooit tot een volle glimlach. In de rang hielden de weeskinderen de armen stil en zonder zwieren, — al de binnenkant hing hij neder, zodat de twee gezellinnen elkanders vingers genaakten28, terwijl de arm al29 de buitenkant met de elleboog tegen het lijf gesloten bleef en de hand open tegen de borst gedrukt. Er lag een gedweeë gelatenheid in die gelijke houding en gemeten gang der driehonderdvijftig jonge meisjes; het eindeloos herhalen van gelijke oefeningen, in dezelfde stilte, had ze gedrild tot zulke afgemeten, geschoolde automaten. Hoelang had de vaste dwang van een strenge regel op al die tedere kinderzieltjes ingewerkt, om ze zo mak te krijgen en die verstarde, éénzelfde uitdrukking op al die verschillende wezens te leggen, die ze allen aan gezusters of kinders van één huisgezin deden gelijken, met dezelfde spierentrek, zonder één rimpel of plooi die aan een meisje eigen scheen of haar deed uitkennen30 in de bende. De gelijkgehouden, getemperde lucht hadden zij zolang ingeademd, tot zij als planten uit een broeikas, zich hier ’t gevoel van volmaakt geruste veiligheid hadden aangekweekt en dat gevoel hun eigen geworden was als een tweede natuur. Hier had nooit
17
een windeke hun teder gemoed beroerd, en was hun zelfs het besef van mogelijke storm of stoornis onbekend. Over die veilig omsloten ruimte van het ‘speelplein’ dat door het middenplankier in twee gelijke perken verdeeld was, waar tussen de eerden31 grond zwart lag en effen, hard gemaakt door de danige en langdurige trappeling van voeten, daar in eigen afzondering, wandelden de meesteressen — een vijftal kloosterzusters — over en weder. Hun zwarte kap en wijde, wollen kleren tekenden hun gedaante als een vlottende schim, waar de beweging van hoofd en armen gedoken bleef in de losse plooien van het nonnengewaad. Maar het blanke linnen, waarmede de binnenkant der kap gevoerd was en de witte zwachtels die voorhoofd en gelaat omsloten hielden, het wit van de grote wimpel, die van onder de hals tot beneden de borst bedekt hield, deed de effen bleekheid van het gelaat nog meer uitkomen. Zij hadden dezelfde streng bedaarde uitdrukking van de weesmeisjes, strenger nog, met een trek over ’t kruis van het aangezicht die de wenkbrauwen neergebogen hield en een zelfde trek om de fijne, gesloten mond zonder rood aan de lippen, die hun meesterschap en gezag verried. Maar het gelaat der nonnen miste die straal van onschuldige welgezindheid, die de argeloze jeugd alleen geven kan. In hun blik echter lag een uitdrukking van goedheid die enkel door lang geoefend geduld verkregen wordt. De nonnen wandelden schijnbaar doelloos dooreen, terwijl zij de kring in ’t klein beschreven die de weeskinderen in ’t brede langs de muren van het omhein32 beliepen. ’t Bewaken dier33 meisjes bleek hier echter loutere vormelijkheid en de meesteressen er enkel uit gewoonte, aan-
18
wezig; zij bleven dan ook heel ingetogen en met hun eigen godsvrucht bezig; nu en dan enkel flitste een loerende blik uit de halfgeloken ogen die speurde over de voorbijtredende stoet. Wanneer het getal rondgangen, waarvan de meesteressen alleen de duur bepaalden, voltrokken waren, werd door een der nonnen een stil teken gegeven en dat teken had voor uitwerksel34 dat de twee meisjes, die de rang openden, zonder ommezien of enige verwondering te laten blijken, nu het open deurgat insloegen waar zij als bij toeval, juist aangekomen waren. Paarsgewijze volgden de anderen reekaan35, en heel de lange, zwart-en-wit gevlekte rij, de slangsleep verdween in het donker deurgat van de refter. Daar vond ieder zijn eigen plaats aan de lange withouten tafels en werd het morgenbrood met melkthee in stilte gegeten. Een kwartier uurs later waren de meisjes bij groepen verdeeld en weeral zonder tik of toon36, verspreid in de vele zalen van het gesticht, waar elk zijn wegen kende en de les of werkuren zouden aanvangen. De werk- en leerzalen waren beneden of boven, alhier, aldaar in ’t een en ’t ander der vier gebouwen. Maar ’t zij boven of beneden, overal, op de ruimte na, waren die zalen gelijkig van schikking en uitzicht: vier effen, witte wanden en een effen, witte zoldering, waarin het licht als een kubieke blok, de ruimte vulde zonder schaduwen. Het witte licht scheen er uit zichzelf ontstaan, want de hoge, boogvormige vensters aan weerskanten de lange zijmuren, waren met matte ruiten voorzien, waar witte behangsels voorgeschoven waren, zodat de helderheid van het daglicht
19
door ’t witte linnen der gordijnen getemperd, tussen de effen ruimte gespreid lag. Onder het hoge gewelf, in die atmosfeer van onzijdig, geteemste37, witte licht, zaten de meisjes in rijen op de banken, verdiept elk in zijn bezigheid. De dag was ingezet gelijk gister en gelijk al de andere dagen die in oneindige reeks voorbij waren of komen moesten, met dezelfde regelmatige verdeling en opeenvolgende oefeningen die met de gang van de tijd zelf vergroeid schenen te zijn. Elk volgens leeftijd, waren de weesmeisjes over al de zalen van het gesticht verdeeld, allen aan ’t werk, ’t zij leren, ’t zij breien, naaien, borduren of kantwerken. Met al die bedrijvigheid in die dicht bezette zalen, hing over heel het Wezenhuis de doodse stilte van een verlaten veld, — nergens enig geluid of gerucht, — het gezoem en geruis, dat als de levensadem uit een stille menigte opgaat, was hier zodanig gedempt dat het tot wezenloosheid scheen te vervloeien met het effen licht. In elke afzonderlijke zaal, in elke klas kon niemand ooit gewaarworden wat er bachten38 de wanden gebeurde: of het de luchtijle ruimte was, ofwel andere zalen waar andere wezens in dezelfde stilte, afgezonderd hun werk verrichtten. In een ruime zaal waren een vijftigtal van de oudste weesmeisjes aan ’t kantwerken. Bij ’t aanvangen der klas had de non het gebed opgezegd dat door de meisjes als een les, op dezelfde toon, beantwoord werd. Daarna hadden zij gezamenlijk en met zoete stem, een geestelijk lied gezongen. Nu zaten zij gebogen over het kantkussen, elk met zijn werk en gedachten bezig. Daarna was de stilte weer ingevallen alsof er nooit gerucht39 bestaan had. In de zaal weer-
20
kaatste het matte licht tegen de vier wanden, gelijk in een ruimte omsloten door helder glas — iets als een lichtende lanteern40, die in ’t ijle van de lucht ergens afgezonderd zou hangen boven de wereld. Stilte en licht waren hier zodanig vermengd in de ijlte, dat ’t onderscheid er van verloren ging, men ’t licht stil en de stilte lichtend had kunnen noemen. Die twee dingen in hun afzonderlijke hoedanigheid of tot éénheid versmolten, vormden hier die kuise luchtkring, die de meisjes inademden en er van leefden, zonder dat ze ’t bewust gewaarwerden. Het licht was hun altijd stil toegeschenen, de stilte immer lichtend voorgekomen; daardoor ontstond die inwendige gemoedsrust, die spotteloze reinheid, waarin hun onschuldige zieltjes baadden, — het innerlijke licht- en stiltegevoel, dat in der eeuwigheid met het uitwendige van die omgeving in overeenstemming bleef. Had een rimpel ooit de effen spiegeling van het gevoel in die omgeving komen storen? Zo veilig en goed bewaakt, zaten de weesmeisjes hier, zo zorgvuldig waren al de uren van de dag met afwisselende oefeningen bezet, dat er nooit bij één van hen een gevoel van verveling of een eigen begeerte naar iets anders, had kunnen ontstaan. De meesteressen dreven de zorgzaamheid zover dat zij tijdens de stille werkuren ook nog de gedachten van hun leerlingen op stichtelijke onderwerpen wisten te sturen, om alzo te beletten dat een buitensporig gepeins ooit hun maagdelijke verbeelding zou komen verontrusten. Met uiterste voorzichtigheid en onverdroten geduld, hadden de meesteressen het zover gekregen dat de eigen geaardheden van deze verschillende karakters afgesleten waren en gelijk-
165
EINDNOTEN 1 buitenblinden 2 scharrelend 3 gezicht 4 troepje 5 duizendvoudige, veelkleurige 6 dorpsgedoe 7 bakte 8 hemel, hemelgewelf 9 tin, kanteel 10 gelijkmatig 11 binnenplein 12 tuin 13 luchtpijp 14 leven, welvaart 15 mortelvoegen 16 liniaal 17 pantoffeltje, licht schoentje 18 rijen 19 naast elkaar 20 dubbele rij, gelid 21 stoep, trottoir 22 halsdoek 23 kapje 24 netjes, keurig 25 afhangende stukken doek 26 inkeping 27 glijdende, zwevende gang 28 raakten 29 aan
30 uitsteken, herkennen 31 aarden 32 omheinde ruimte 33 van die 34 uit 35 voortdurend, aaneengesloten 36 het minste geluid 37 als vallend door een teems of zeef, gezift, gezeefd 38 achter 39 geluid, lawaai 40 lantaarn 41 kronkelende slingers, krullijnen, spiralen 42 steken die de zoom van het kantwerk uitmaken 43 garen (van de vezels van netelplanten) waarmee hier kant wordt gemaakt 44 werkten 45 rammelen 46 vaardige, bedreven 47 wonderbare worp, goocheltoer 48 maakte 49 overeenstemming 50 poos 51 bovenlichten, raampjes (boven deuren) 52 schemering 53 frommelen, kreukelen
WWW.LANNOO.COM Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagillustratie: Gerda Dendooven Omslagontwerp: Gert Dooreman Opmaak: Keppie & Keppie Zevende druk De eerste druk verscheen in de bundel Najaar I (1909) © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2021 De tekst van deze uitgave (in moderne spelling) werd overgenomen uit het Volledig Werk (1971-1973) © Erven Stijn Streuvels D/2021/45/397 – 978 94 014 7827 4 – NUR 301 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.