DE TELEURGANG VAN DE WATERHOEK
5 INLEIDING
DOOR DE MANGEL VAN EEN TIJDSCHARNIER
Laten we beginnen met het moeilijke begin: ja, je moet een drempel over om de archaïsche taal te lezen waarin De teleurgang van de Waterhoek werd geschreven. Die taal is trouwens meer dan archaïsch; ze is immers ook nog eens streektaal, vaak puur dialect. En alsof dat niet volstaat, weeft Stijn Streuvels er als toemaatje een rits zelfgemaakte woorden doorheen. De geruststelling en de genoegdoening is dat je, zodra je die taaldrempels hebt kunnen nemen, volop gaat genieten van de gulle volzinnen die je worden aangereikt. Hier mag je de term ‘woordenschat’ letterlijk nemen. Hier ontdek je hoe de nog niet afgevlakte volkstaal voor elke nuance uit het dagelijkse leven in een apart woord voorziet. Hier zit je in bewondering te kijken naar een ronduit meesterlijke schrijfstijl die ervoor zorgt dat ritme, alliteratie en woordklank er op zowat elke pagina garant voor staan dat het proza een subtiel franje van poëzie krijgt. Het specifieke idioom tekent daarenboven messcherp de koppige karakters en de levensstrijd van de personages, het kleeft en klontert als de zompige grond waarop de gemeenschap van de Waterhoek eendrachtig én verdeeld door de mangel van een tijdscharnier wordt gehaald.
6
De unieke en eigenzinnig gehanteerde taal maakt van Streuvels’ werk ontegensprekelijk topliteratuur voor fijnproevers. Tegelijk vormt ze een beperking, want ze legt een hypotheek op eventuele hertalingen of vertalingen. Een aantal fervente bewonderaars van Streuvels zal het zelfs betreuren dat de voorliggende editie van den Waterhoek in een gemoderniseerde spelling wordt gepresenteerd, onder andere omdat op die manier de oorspronkelijke naamvalsuitgangen verdwijnen, waardoor meteen ook het zinsritme en het bijbehorende poëtische effect wijzigt. De uitgever volgt hier echter de uitgesproken wens van de auteur zelf. De spelling werd dan wel geactualiseerd, maar het voormelde archaïsche en dialectische taalgebruik werd behouden. Ik ben er blij om, maar — en we moeten die realiteit onder ogen durven zien — het reduceert de potentiële lezersgroep helaas tot een elite. Streuvels was zich hier trouwens maar al te zeer van bewust. Ik citeer uit een brief die hij op 3 februari 1938 aan zijn vriend en collega Antoon Coolen schreef: ‘Ik redeneer zoo: kleur, sappigheid in regionale literatuur, goed-en-wel, maar dat alles verliest volkomen zijn effect voor den lezer die met het dialect onbekend is.’ Om die reden adviseert Streuvels Coolen om in zijn werk uitsluitend ‘algemeen Nederlands’ te gebruiken. Knoop daar maar een touw aan vast. Het siert de initiatiefnemers en uitgeverij Lannoo dat ze het aandurven om anno 2021 een heruitgave van dit werk op de markt te brengen waarin niet gemorreld wordt aan het oude Vlaams. De salesmanager van het uitgeefconsortium had wellicht liever meer lucratieve projecten de revue
7
zien passeren, maar een uitgeefhuis met traditie is het aan zichzelf verplicht om ervoor te zorgen dat een ijkpunt van de Nederlandstalige literatuur in het originele taalregister beschikbaar blijft. De teleurgang van de Waterhoek is alleszins een universele en tijdloze roman. Decorgebeurtenis in het verhaal is de constructie van een brug over de Schelde. De aanleg van een bijbehorende weg zorgt voor de gedeeltelijke onteigening en herinrichting van een lang onveranderd gebleven gehucht. De impact van deze gebeurtenis op de gemeenschap die het gehucht bewoont en op het persoonlijke leven van een aantal betrokkenen vormt de ruggengraat van de vertelling. Streuvels beschrijft hier ten voeten uit hoe koele besluiten die in naam van de vooruitgang aan vergadertafels worden genomen, leiden tot schrijnende drama’s die levens tekenen en hertekenen. Mensen van vandaag, bij wie de vliegtuigen elke nacht denderend over de slaapkamer vliegen of anderen die het bericht ontvingen dat hun huis en thuis moeten verdwijnen vanwege een nieuwe autoweg of een nog groter containerdok, zullen maar al te goed de doem van het machteloze individu tegenover de onwrikbare macht van ‘hogerhand’ en van de pletwals van innovatie en vernieuwing herkennen. Alleen al in die zin is De teleurgang van de Waterhoek een boek van alle tijden en van overal. Daarnaast ontspint zich een voorspelbaar, maar toch meeslepend liefdesdrama dat eveneens lezers van altijd en van overal zal kunnen beroeren. De — in de liefde onervaren — ingenieur Maurice wordt een al te gemakkelijke prooi voor de doortrapte dorpsdeerne Mira. Zo zou je dit
8
facet van de roman kunnen samenvatten. Maar dan ga je voorbij aan de complexe karaktertekening die van de beide protagonisten wordt neergezet. Alle personages van dit boek zijn mensen die worden beschreven met hun twijfels, hun kunnen, hun falen, hun dromen … Bij Streuvels hebben ook de goeden hun slechte kanten en de slechten zijn niet helemaal rot. Vandaag ervaar ik dit als een verademing in een gepolariseerde chaos van wij-zijgeroep en zwart-witdenken. Er is nog een akkefietje dat ik ter sprake moet brengen: de voorliggende boekeditie maakt gebruik van de tekst van de ‘tweede herziene druk’ van de roman. Hierin had Streuvels behoorlijk wat passages geschrapt die in de eerste druk wel voorkwamen. In de verantwoording bij de tekstkritische editie die in 1999 verscheen, vragen bezorgers Marcel De Smedt en Edward Vanhoutte zich af of Streuvels deze passages schrapte ‘omdat ze voor het Vlaanderen van het interbellum toch al te gewaagd waren’. Wellicht was het een van de redenen; de druk van de katholieke censuur zal ongetwijfeld een rol hebben gespeeld. Maar ik kan me daarnaast ook voorstellen dat vakman Streuvels verkoos om een aantal herhalingen en al te expliciete uitweidingen te elimineren, dat hij vond dat suggestie veelzeggender kan zijn dan een met veel woorden beschreven gedachte of anekdote. Lezers van deze uitgave kunnen zelf oordelen; de geschrapte passages werden in een addendum toegevoegd. De Romeinse cijfers in de marge van de tekst verwijzen naar deze geschrapte passages. Ook na de zoveelste herlezing van De teleurgang van de Waterhoek houdt het boek me in de ban. Zelfs de banale
9
verhaallijnen blijven vragen oproepen. Hoe zal het Mira verder vergaan in haar leven? En Maurice? En zal Lander vervroegd worden vrijgelaten uit de gevangenis? En gaat die dan opnieuw aan de Waterhoek wonen? Maar ook de lamme Treute, die godganse dagen in zijn kakstoel zit te wauwelen, blijft me aan het denken zetten. Voor mij had De teleurgang van de Waterhoek het eerste deel van een epische trilogie mogen zijn. Erik Vlaminck voorjaar 2021
DE TELEURGANG VAN DE WATERHOEK
11
I OVER DE UITGESTREKTE MEERSVLAKTE 1
spreidt het zonnelicht en de stilte, één geworden in het tijdeloze van de zomernamiddag. Door de ruimte hoog en wijd — tussen ’t blauwe hemelveld en ’t groen van de bodem — wiebelt2 de aamloze3 lucht als de deining van groot water, en op de zonnesnaren gonst het leven als een verre droomzang. Alle dingen blijven aan hun zelf overgelaten, in zware rust, broeiend in ’t stoken der felle hitte. De vent die stapaan4 de gerswegel5 volgt, ontwaart eerst de Schelde wanneer hij vlak bij de oever staat. Tussen de toegetrechterde handen roept hij luid naar de overkant: — Aho! Aho! Na een tijd wachtens komt de veerman afgetroggeld6, maakt de pont7 los en trekt de handen beurtelings overslaand, bij de ketting de boot naar de andere oever. De reiziger springt in, en onder ’t varen meent hij iets te moeten zeggen, om de stilte te breken. — Warm weer … Eens dat de brug er ligt, zal het toch veel gemak meebrengen. Op dat woord snakt de veerman de kop om: — Brug? Welke brug? — ’k Heb mij laten gezeggen8 dat hier een brug over de Schelde komt. — Er zal nog veel water voorbijstromen eer dát gebeurt, man.
12
— Ik heb het alevel9 voor de waarheid gehoord, van mensen die ’t beweren te weten … — Da ’k wist dat ge waarheid spreekt, ’k smeet u hier met uw verdommenis in ’t water! De man keek verwonderd op, onthutst, reikte vreesachtig het veergeld en zo gauw de pont tegen de oever stiet, sprong hij aan wal, de berm op, en ging zonder om te kijken. — Zeg aan uwe bruggemaker dat hij met deken10 Broeke zal te doen hebben. In die onbekende reiziger zag Broeke ineens verpersoonlijkt de macht die uit ’t onbekende, hier het werk der destructie zou komen verrichten; dat stookte zijn wrok aan, en hij meende door dreiging ’t kwaad dat hem beangstigde, te kunnen afweren. Met een grol en een knuf11 trok hij — de ontzaglijke vent, met geschoren kop en brede schouders, statig en zwaar van gestalte — over ’t wegeltje naar de kleine woning, waar het scheen dat hij rechtstaande, nooit langs het lage deurgat binnen kon. Hij bleef dan ook buiten, ging onder ’t afdak der schuur, in ’t lommer aan zijn netten breien. Binnen galmde de nijdige vrouwenstem die ineens uit de stilte opschoot: — Ei! Luizevel!12 dat ligt hier midden klaren dage en nietsdoen! Al hadt gij de duivel in, we zullen eens zien of ge zult blijven de konte scheren13 en een ander laten de kost verdienen! Daarop kwam een rijzig meisje in ’t deurgat staan — blote benen, de donkere haarbos verward om ’t hoofd — keek verbijsterd14 in de zon, rekte de armen uit in de hoogte en trakelde15 zachtbenend16 weg, langs de muur, gelijk een kat.
13
Broeke trok zich van de schrobbeling17 niets aan; zelfs toen het wijf18 in een gramte19 naar buiten schoot en het meisje, om zijn uitdagend treuzelen en moedwillige houding een stamp in zijn gat kreeg, wrocht20 hij zonder opkijken voort. Hij wist er álles van, en gromde binnensmonds: — Den duivel in! …, ’k geloof het verdomd — de duivel kan dat jonk21 wel als vader gediend hebben! — Geen spit22 mee te winnen: ze zal dezelfde weg opgaan gelijk haar moeder. Nu hij hier in de stille eenzaamheid aan zijn netten wrocht, herleefde Broeke het voorval lijk het van jaren her in zijn geheugen uitgebeeld stond alsof het opnieuw gebeurde, — een noodlottigheid met geen menselijke macht af te keren. Gelijk een tafereel waarvan men in één blik al de bijzonderheden opneemt, spreidde het verleden daar voor hem open: het huiselijk leven en bestaan — zes dochters en vier zeuns23 — oekerend24 als een nest viggens25 over de huisvloer, of bijzend26 in de meers lijk jonge kalvers, te plonzen in ’t water aan de Biesbeek, morsend in de pappot, knagend aan de broodkant, te ravotten en te vechten ondereen lijk wolvengebroed, — met Remme, zijn wijf daar midden in, hees geschreeuwd, de handen blamot27 van ’t slaan en kletsen op hun harde kop, dag en nacht in de weer en bezig om die bende scheuvels28 op te kweken en de bek vol te stoppen, — zolang en zoveel tot ze haar boven ’t hoofd gegroeid waren, een eigen wil kregen, elk zijn zin zocht te doen, en eer iemand ’t voorzien kon, de wijde weg opgingen; gelijk in een vogelnest waar de jongen vlugge29 worden en uitvliegen, waren ze de een na de ander getrouwd — de zeuns met een deerne30 uit de gebuurte31, de
14
dochters van ’t zelfde — gelijk hun weerga — met een kerel van de Waterhoek — waar zij nu, op hun beurt, in eigen nest, jongens kweekten en strange32 werken moesten om aan de kost te komen. Middelerwijl33 was Romme versleten en op, en had het laten liggen34, — gelijk een oude tronk die vermolmd uiteenvalt nadat hij een aantal twijgen heeft uitgeschoten … Broeke beschouwde dit ‘als de gewone gang’ zonder meer; tot dáár was alles in orde: hij zelf had vijf en twintig jaar hard labeur35 als steenbakker en eerdewerker36 achter de rug, dertig jaar als ploegbaas met de bende uitgetrokken, en woonde nu in bij zijn dochter die met Sieper getrouwd was, maar nog gedurig voelde hij zich baas in huis, gelijk hij zich als deken, de baas wist op de Waterhoek. Doch er kleefde een zwarte vlek op zijn bestaan — iets dat hem knaagde, en met geen middels uit de kop krijgen kon: een van zijn dochters was uit de matte37 gesprongen, en zijn strenge wil, noch zijn sterke vuist had er iets tegen vermocht. Gitta had zich misgaan38, tegen alle wet en gebod in, moedwillig ’t ongeluk gezocht. Als kind reeds was zij keeraafs39: in alles tegen stroom op, geen werkenszin, vol zotte kuren, koppig als een os, vals als een kat, met vreemde voeren40 en manieren — te snel en te fijn uitgegroeid, preus41 in de kleren, wild, driftig, kittelachtig van bloed, met iets in haar doening42 waarvan geen mens kon weten wáár ze ’t geërfd had, of uit welke orije43 het mocht ontstaan zijn. Broeke had er nooit zijn aard in herkend, en van Romme’s kant ook was het in heel haar familie niet te achterhalen. Wat ze op die fotse44 geslegen45 en gestampt hadden om er dat ‘vreemde’ uit te krijgen, maar als welster46 zo taai, en zonder een kik te geven, kwam zij telkens
15
onder hun vuisten; koppig en trots, met rechte hals en opgeheven hoofd, heupwiegend, als een stadshoer, de uitdaging in heel haar zwak47 serpentenlijf, liet zij ieder misprijzend de rug zien, uittreiterend die haar mishandelden, en bleef ongetemd. In zijn jongde48 had Broeke, als proefstuk, menige stier omgekanteld, maar met dat broos, rilde49 meisseding50 wist de zware vent geen weg. In vervaarlijke, woeste gramschap hadden zijn grove polderspoten51 soms geslagen om dood, tot het kind gelijk een slunse52 ineenviel en bleef liggen — maar naderhand bleek het toch gebarenspel geweest te zijn: de ruffe53 was ongedeerd, sloop weg als een visse54, en keek hem verachtelijk aan, met groen in de ogen. Hij had er de kluts bij verloren, en het eindelijk opgegeven. Met broers en zusters kon Gitta evenmin aarden, zij leefde afgezonderd in huis, als een vreemde, met trek om buiten en weg. Aan vijftien jaren was zij een pijlde55, lang opgeschoten keeste56, lenig en plooibaar van lijf, zwak57 als wijdauw58, ’t heet vier59 in de ogen, in alle deugnieterij opgeleerd, en uitgeslapen om een oude pastoor te verleiden. Zonder God of mens te verwittigen was zij op een schone dag naar Frankrijk vertrokken om er als meid te dienen, en na ’t tweede jaar had zij er een aap gevangen60. Zogezegd om ziekte naar huis gekeerd, wist zij tot ’t laatste ogenblik ’t affront te verduiken61, zodat ’t vrouwvolk zelf er bij bedrogen was. Eerst toen zij in de pijn kwam, brak het onweer los. In zijn verbolgenheid wilde Broeke zijn verlopen dochter de nek omwringen als zij niet onmiddellijk uit zijn ogen wegkwam. In een trog op twee aalstokken62 moesten de broers heel de kluts63 buiten dragen. Hij had hen niet eens nagekeken — maar nu nog
16
bleef het hem bij als een begrafenisstoet — een lijk op een berrie. Ergens bij een gebuur had Gitta een dochtertje ter wereld gebracht. De schande voelde Broeke niet zozeer om het onwettig kind, want dit was geen zeldzaamheid op de Waterhoek — maar omdat ze ’t op de vreemde gehaald had, en ’t niet met een kerel van ’t gehucht was goed te maken; — omdat die ‘onbekende’ uit Frankrijk, aan de wraak ontsnapte verwekte de misstap de algemene veroordeling, en werd Gitta het ouderlijk huis ontzegd. Als deken der vissers hield Broeke aan de zeden en gebruiken vast, en ’t gold er onder de inwoners van ’t gehucht als een strenge wet: bij huwelijk en bij geboorte werden er geen vreemden geduld. De deken onderging de smaad, beschouwde het als een schandvlek op zijn ambt, hij vermaledijdde64 zijn dochter om nooit meer onder zijn ogen te komen. Te koppig om te smeken, was Gitta dan ook met haar bastaard vertrokken, zonder nog naar de Waterhoek om te zien; maar drie jaren later, bracht een onbekende op een schone morgen het kind terug, en wist niet anders te zeggen dan dat het meisje Mirabelle hiet65. Omdat geen der broers of zusters er van weten wilde, had Manse het tot aldertijd66 in ’t ouderlijk huis opgenomen en met haar eigen kinderen opgekweekt. Broeke was er niet tussengekomen, maar had het vreemd gespuis altijd met een kwaad oog aangekeken, en nu en dan eens zijn dochter gewaarschuwd voor later: dat er geen goed uit zulk zaad te verwachten viel … Met één jaar tenegader67 was de berusting gekomen, want Broeke stond alleen om de wrok te verduwen68. Zijn eigen bestaan was verlopen en zogoed als stilgevallen in de onnuttigheid van de oude dag. Sedert hij niet meer uitzet-
17
ten kon met de bende, en samen met patjakkers69, wijven en kinderen op ’t gehucht moest zitten heutelen70, als wanneer de ‘mannen’ op de travaux71 hun campagne deden, voelde hij zich vergauweloosd72, aan de kant gezet, en ’t draaien der seizoenen was hem onverschillig geworden. Zijn leden waren stijf en stram, jicht in de benen, goed nog enkel om ’s winters vuur te stoken in de heerd, en ’s zomers dienst te doen aan ’t veer van de Schelde. Er bleef hem nog enkel het behagen om zijn gezag als ouderling; nu meer dan ooit, was hij de deken, de opperman van de Waterhoek, die een niet omschreven, vast bepaalde macht bezit, doch leeft in ’t besef dier macht, als de drager van een heilig voorrecht. Het onderwerp van die brug bleek nu wel een ijdel droomspook, te dwaas om er aan te denken, een misdaad die stoornis op de Waterhoek voor gevolg hebben zou, — maar toch, bleef die gedachte als de dreiging van een onweer in zijn geest huizen, iets als het voorgevoel van een wereldramp. Telkens er met een woord over gerept werd, wekte dit bij Broeke ’t bewustzijn der verantwoordelijkheid. Eensdeels wilde hij ’t onheil afweren door er niet aan te geloven, doch anderdeels, in zijn diepste binnenste fluisterde een geheime begeerte om aan ’t hoofd van zijn ‘mannen’ de strijd tegen de macht uit de vreemde aan te gaan, en de onbekende ‘heren’ de kop te bieden … — Zolang ik leef, zal het niet gebeuren! Dat zwoer hij, en ’t vernooide73 zijn gemoed, in ’t vooruitzicht hoe er zou gevochten worden, en geen steen op de ander blijven staan. Dit alles herkauwde Broeke nu weer met halfluide woorden, terwijl de nokken74 der draden zijn net deden groeien.
18
Onder de notelaar75 waren de kinderen — jongens en meiskens, met Mira, in ’t stro, beest aan ’t spelen76, doch Manse die er aan en bij was, merkte er niets van, omdat het werk haar geheel beslommerde. Wanneer zij er moe van waren, liep de bende uiteen, en Mira ging in een hooiopper liggen staren in de grenzenloze ruimte. De gonzende zang van het broeiende leven kwam uit onbekende verten naar hier overgeruist, en bij pozen schalde de kreet van een geheimzinnige lokvogel er boven uit. Aan het eind van die gouden zomerdag doofden alle dingen stilaan in de eenvoud van het deemster77, scholen in de rust van de nacht. Daarop volgde een nieuwe dag, met versgeboren licht dat al de vier gewesten de einder opende voor andere mogelijkheden en gebeurtenissen. In ’t donker van die nacht had Mira een plan beraamd: terwijl Broeke naar de Schelde was om zijn netten op te halen, en Manse in de stal de koe aan ’t melken, de kinders nog sliepen, stond zij gereild en gezeild78, met ’t geld uit moeders spaarpot op zak, haar kleren ingebundeld, reisveerdig. Treute, de lamme, die de ogen nooit dicht deed om te slapen, was de enige in huis die Mira’s opzet gadesloeg. Die gaf zij nu, voor te vertrekken, en uit loutere boosheid, twee ferme muilperen79 tegen de puppekop80, om dat zij haar wraak op hem wilde uitwerken, en lucht geven aan het nijdig gevoel dat op ’t laatste ogenblik in haar opbruiste. — Dáár, dat is voor u …! … Het angstig noodgeschrei van de weerloze sukkel gaf het signaal dat de hele kleuterbende uit de morgenslaap wakker riep, en Mira haastig het huis ontvluchten deed.
19
Manse vond er alles in astrabansie81 en wist niet wat doen om de jongen te sussen die lijk een slunse voorover in zijn kakstoel hing, en niet zeggen kon wat hem deerde. Later kwam het uit: dat Mira met pak en zak vertrokken was. Broeke vernam het gebeurde zonder op Manse’s woordenvloed iets in te brengen; hij wist dat het zo komen zou, — dat het jonk de kwade drang in ’t lijf droeg en toch eerst of laatst82 in ’t wild lopen83 moest, en wie gaf er om dat het zondekind weg was? Niet meer aan denken; doen alsof ‘die’ dochter nooit bestaan had, en geen kind had voortgebracht. Om zijn gemoed te luchten, en Manse, die er bleef over zagen en zotte onderstellingen miek84 te doen zwijgen, wilde Broeke er een eind aan maken. — Een schone vernetting85 dat die hagepuid86 van ’t hof87 is. Verdolen zal ze niet, wees gerust: ze gaat op de reuk van haar moeder. En daarmede trok hij naar buiten. Doch Manse was geheel overstuur, — alle slag tegenstrijdige gedachten overrompelden haar: welgezindheid om van die koppige fotse ontslagen te zijn, deernis met ’t arme schaap dat zo jong de wereld inliep, — maar bovenal spijt om ’t geen de geburen zouden praten, uitstrooien dat zij ’t kind van haar zuster verjaagd had om ’t op de vreemde een daghuur88 te doen verdienen. Want de zeden en gebruiken van de Waterhoek lieten wel toe dat een meisje op een hofstede van ’t dorp in daghuur werkte, maar dat er een in stad ging dienen of er zich als meid besteedde, werd ten strengste afgekeurd. Daarover was Manse aan ’t verzinnen hoe ’t geval een aannemelijke uitleg te geven, om haar naam goed te maken. — Wat miserie men al tegenkomt met andermans gebroed, — en of ik er iets van wist, of enige schuld in heb,
20
kan ik voor God getuigen! Van haar kinderen wist geen hoe ’t gebeurd was, en Treute vanzelf89 kon geen woord uitleg geven, niet eens vertellen dat hij slagen tegen de kop gekregen had. De dag verliep verder als naar gewoonte, en die luttele gebeurtenis had aan ’t uitzicht der dingen niets gewijzigd. Op de bovenrand der glooiing stonden de huizen, elk met zijn omtuinde90 vrijdom, de open kant naar de meersvlakte gekeerd; een tweede rij beneden, vlak tegen de Biesbeek, en de overige woningen, samengetroppeld91 rond de knok92, of noes93 en dwars verzaaid94, dicht tegen elkaar, doorsprieteld95 met wegelingen die er omheen en er tussen kronkelden. Van op de hoogkouter gezien, lag de Waterhoek daar als een uitwas der gemeente, op zichzelf gegroeid en sedert alle menselijke heugenis onveranderd van vorm en voorkomen — een langwerpige schrode96 evenwijdig lopend met de staatsbaan97, door brede kouters er van afgescheiden in de hoogte, en naar beneden toe, de rand van de meers afzomend, — een dorp in ’t klein, dicht bevolkt; de huizen met lage lemen wanden, puntig strodak, met aangetrekken98, schuur en stalling, elk geschikt naar eigen gerief en gebruik, — alle in dezelfde trant, verschillend van vorm en fatsoen, bouwvallig, verweerd en verwersd99 maar net onderhouden, witgekalkt en geschilderd. Mede met de stand der huizen en de ligging van de bodem liepen stegen en paden — nu eens als een kloof tussen twee diepe oevers, dan weer hoog, bovenop de berm, reis100 met de vorst101 der huizen, — altijd met gekrookte102 wendingen, de loop volgend van elshagen en grachten, al naar gelang dat erven en hovingen103 de rechte doorgang belemmerden. Langs
399
EINDNOTEN DE TELEURGANG VAN DE WATERHOEK 25 biggen 1 vlakte van lage weiden 26 wild rondlopend 2 wiegelt, deint 27 als lam, verlamd 3 ademloze, windstille 28 schavuiten 4 stappend 29 bekwaam om te vliegen, 5 met gras begroeid weggetje vlug 6 aangeslenterd 30 meid, meisje 7 klein vaartuig dat langs 31 buurt een ketting over een rivier wordt gehaald 32 hard 8 laten vertellen 33 intussen 9 niettemin 34 was gestorven 10 overste van een 35 gezwoeg ambachtsgild, hier in 36 grondwerker de betekenis van hoofd 37 oneerbaar van de traditie van het gehucht Waterhoek afgeweken 11 een gegrom en een korte, 38 had zich oneerbaar gedragen droge hoest 39 dwarsdrijvend en koppig, 12 lui ding, vadsige meid helemaal verkeerd 13 de luiaard uithangen 40 vreemde streken 14 verblind 41 trots 15 drentelde 42 handelwijze 16 als op kousenvoeten lopend, 43 geslacht, herkomst, familie zacht en gluiperig 44 koppige feeks 17 schermutseling, gekibbel en licht handgemeen 45 geslagen 18 vrouw 46 varkensleer 19 kwaadheid 47 lenig 20 werkte 48 jeugd 21 meisje 49 slank, dun en opgeschoten 22 onhandelbaar 50 meid, meisje 23 zoons 51 handen van een grondwerker 24 welig tierend, tekeergaand 52 vod
WWW.LANNOO.COM Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagillustratie: Gerda Dendooven Omslagontwerp: Gert Dooreman Opmaak: Keppie & Keppie Zeventiende druk (eerste druk, 1927) © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2021 De tekst van deze uitgave (in moderne spelling) werd overgenomen uit het Volledig Werk (1971-1973) © Erven Stijn Streuvels De fragmenten in de epiloog (in oorspronkelijke spelling) werden overgenomen uit de tekstkritische editie van de eerste druk door Marcel De Smedt en Edward Vanhoutte (Manteau, 1999). D/2021/45/396 – 978 94 014 7826 7 – NUR 301 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.