LANGS DE WEGEN
5 INLEIDING
EEN LEVENSGANG
Langs de wegen (1902) van Stijn Streuvels kwam veel later tot mij dan het werk van Gerard Walschap, Felix Timmermans, Ernest Claes en anderen. Dat kwam doordat Streuvels thuis niet populair was. Na De vlaschaard hadden ze het blijkbaar opgegeven. Waar het aan lag? Het Nederlands van de WestVlaming, bovendien gesteld in de ‘oude spelling’, verschilde veel meer van het Standaardnederlands dan het onze, het Brabants, het Kempens. Lang verkeerden we in de mening dat Streuvels WestVlaams schreef. Tot we leerden dat hij zich van een kunsttaal bediende, een impressionistisch boerenvlaams, het talige equivalent van onze impressionistische schilders. Ook in Nederland had je toen die mode. Talloze neologismen en woordverbindingen. Waarom ze dat deden? Volgens W.F. Hermans om ‘met die nieuwe gecondenseerde woorden nieuwe nuances, nieuwe aspecten van de werkelijkheid uit te drukken, die voordien wel hadden bestaan, maar pas door hen waren waargenomen en nu zegbaar geworden, — dachten zij’. Kortom, een modegril, want veel navolging kreeg die schrijfwijze niet. Kampioen van die stijl was Jacob Israël de Haan met zijn Pijpelijntjes vol neologismen als ‘traanvochtige oogjes’, ‘’t woelwarme bed’ enzovoorts.
6
Na eerst wat korte stukjes te hebben geschreven debuteerde Streuvels in 1899 met Lenteleven, een forse verhalenbundel. Tot mijn schaamte las ik die bundel veel later dan De vlaschaard, De teleurgang van de Waterhoek, De blijde dag enzovoort, waaraan ik veel genoegen had beleefd. Lenteleven echter sloeg me letterlijk van mijn sokken. Verhalen als Lente, Op den dool, Een ongeluk … je kunt er vandaag als jonge schrijver nog steeds mee debuteren! Hier was iemand aan het woord die komaf maakte met onze brave, gezagsgetrouwe, katholieke samenleving. Hier was de onverbloemde, vaak rauwe natuur zelf aan het woord, weliswaar gearrangeerd door een lepe dirigent die zelden aan je leesverwachtingen tegemoetkomt. In 1984 toonde ik dat aan in een stuk over De oogst, een verhaal dat overeind blijft ook al sterft het hoofdpersonage zowat in de helft, en denk je als lezer dat er nog wel een miraculeuze wederopstanding zal plaatshebben. Niet dus. Dood is dood. In zijn eerste volwassen roman, Langs de wegen, verleidt hij de lezer met een natuurbeschrijving zoals weinigen hem nadoen. Je kijkt er niet naar als naar een prentkaart, voor je het weet, maak je er deel van uit. Dat gebeurt als hij inzoomt op de grote, bedrijvige hoeve van boer Hoste. Jan Vindeveughel verzorgt er de koeien en de paarden. Hij is vooral dol op de paarden, in het bijzonder op Bruin. Hij geniet intens van diens verzorging. Hij is ervan overtuigd gelukkiger te zijn dan zijn drie andere broers, die elders werken. Hij is zowat de personificatie van het geluk. De lezer bekruipt een milde jaloezie.
7
Dan komt er een brief voor Jan, maar omdat hij zich schaamt dat hij niet kan lezen, duurt het vier dagen voordat hij de boerin durft te vragen hem voor te lezen. Jans vader blijkt overleden en reeds begraven te zijn. Jan vertrekt te voet naar het ouderlijk huis. Dat is al helemaal leeggehaald door de broers. Het huis en de grond mag hij houden. Voortaan zal hij aardappelboer worden. Buurvrouw Vina’s moeder komt te overlijden, en ook zij is alleen. Het duurt een eeuwigheid voor de twee besluiten te trouwen en hun erven samen te voegen. Vina krijgt vijf zoons. Jan werkt op de akker, Vina doet de huishouding, verzorgt de kinderen en helpt op het veld. Zij werkt zich letterlijk kapot. Jan kan het werk niet meer aan. Boer Vorster koopt de hele boerderij van hem en neemt hem in loondienst. Een slechte winter maakt dat Jan weer ontslagen wordt. Bovendien wordt hij ten onrechte beschuldigd van diefstal en moet hij het huis uit. Hij vindt onderdak in een vervallen kasteelkelder. Hij krijgt een ezeltje en een karretje, waarmee hij voor de kost kleine vrachten vervoert voor wie dat zelf niet kan. Dat is zijn enige broodwinning. Zijn jongens werken in een steenbakkerij en Jan blijft alleen achter. Een ongeluk komt blijkbaar nooit alleen. De ene misoogst volgt op de andere. Als zijn ezeltje het slachtoffer wordt van baldadige dronkaards, kan Jan onmogelijk nog voor zichzelf zorgen. Hij vertrekt, alweer te voet, terug naar de hoeve Hoste,
8
waar hij ooit zo gelukkig was geweest en verliefd op het paard Bruin, de hoeve die hij meer dan dertig jaar geleden verliet om ‘zelfstandige’ boer te worden. Als hij na een uitputtende tocht bij de hoeve Hoste aanklopt en naar boer Hoste vraagt, blijkt niemand die te kennen. Geen knecht, geen meid kent de boer nog, laat staan dat ze Jan nog zouden kennen. Alle vorige bewoners zijn intussen overleden. Jan is nu alleen op de wereld. De nieuwe bewoners laten hem uit medelijden in de schuur op het stro slapen … Je kunt dit boek op verschillende manieren lezen, maar niet als een ‘katholieke roman’. Een pastoor treedt wel op als koppelaar, en de rituelen bij huwelijken en begrafenissen haspelt Streuvels inderhaast af. In de meeste andere boerenromans speelt de pastoor een centrale rol, naast de burgemeester en de brouwer. De klassieke volksroman heeft een triest begin en een glorieus einde, een ijzersterke formule die tot op heden in menige tv-serie wordt gehanteerd. Streuvels draait die curve om. Vertrekkend van een gelukkig begin evolueert hij naar de catastrofe. Geluk, genot en liefde worden gedwongen plaats te maken voor ongeluk, lijden en mededogen. Waarom luidt de titel Langs de wegen? Er staat niet ‘wandelwegen’. We kunnen stellen: omdat Jan nogal wat kilometers te voet aflegt in het boek. Maar ik waag het anders te zien. Streuvels’ 19de-eeuwse wegen werden begaan door mensen die ’s avonds een koperen bel bij zich droegen, en bij het geringste geritsel in het struikgewas verwoed be-
9
gonnen te luiden om de everzwijnen en de wolven schrik aan te jagen. Zo lees je dit boek, als een tocht over het levenspad. Het hoofdpersonage is geen wandelaar maar een schichtige voetganger die op zijn hoede is voor al het onheil dat uit de coulissen tevoorschijn kan komen. Toch is Streuvels geen sadist. De slotregels bewijzen dat: ‘… als een echte landloper, verzonk hij met voldaan gemoed, warm in het stro, bewust van de goede, veilige omheining van schuur en stallen, der grote, oude hofstede.’ Of bedoelt hij dat in loondienst arbeiden gelukkiger maakt dan voor de vrijheid kiezen? Walter van den Broeck Langs de wegen 3 maart 2021
LANGS DE WEGEN
11
VAN VROEG IN DE MORGEN, TOEN ’T NOG vol donker was in de stal, begonnen de peerden te kletsen en te slaan met de hoeven tegen ’t berdelen1 beschot van hun sliet. Op ’t gerucht sprong Jan uit zijn bed en ontstak de lanteern. — Ho! druistig2 volk! hop! Slaat het al voor de drommel!3 tierde hij. Hij schepte met de houten maat in de haverkist, drumde4 tussen de peerden en de weeg5 en goot de haver stroelend6 in de kribben. — Daar, knabbel nu gerust en laat me nog wat slapen. Hij blies het licht uit en legde zich boven op zijn bed, daarbinst7 de peerden hun droge haver tussen de tanden knospten8. Jan verdoolde tussen waken en slapen, lag met de handen onder zijn hoofd en hoorde alleen ’t ongeduur9 der peerdspoten, ’t malen van hun eten en ’t luide asemjagen10; elders was de zwarte nachtstilte rond het hof11 en waar zijn ogen keken, was de duisternis overal. Daarom draaide hij zich naar de muur en dan voelde hij weer een verdrietigheid, een misnoegen bij zijn eerste, nuchter overdenken. De boer had gister een peerd verkocht — de brave Djole — en Jan: Een ouder die zijn kind verliest en kan niet slapen, daaraf12, dacht hij. En waarom moest de boer dat peerd verkopen? Hij lag daarop te razen in zijn eigen en te gissen waar zijn braaf beest nu mocht naartoe zijn? Als hij dacht: wat het zijn levensdagen nog mocht tegenkomen, en af-
12
zien13 — voelde hij ’t medelijden en de spijt zodanig dat hij er zelf beschaamd over werd en met houdende14 koppigheid moest duwen en steken om niet luide uit te snikken. — Alla, jongen, troostte hij zich, een peerd is een peerd, maar ’t paaien ging niet en hij wist zelf te goed wat een peerd al is, en Djole toen nog bijzonder. Jan was daar, door de lange tijd zo aan- en meegegroeid, en nu bij dat scheiden was ’t hem lijk ’t aftrekken van zijn eigen arm of been. Daarbij ’t ongemak van te leren kennen die vreemde ruin15, die als een indringer daar stond, donker in dezelfde sliet waar Djole twintig jaar geleefd had. — Meent-ge, ’t zijn schrikkelijke dingen zo’n verandering in de gewoonte van gelijke levensdagen! Jan verlangde naar de klaarte van buiten om zijn nieuw peerd te zien, maar hij wilde ook wel dat ’t lang donker bleef om zijn nieuw peerd niet te zien. ‘’t Is een oude soldaat16, Jan’, had de boer gezegd, ‘hij heeft knopen in de steert!’ En dan zag hij nog beeldelijk de ruin met hoog uitgerekte hals, de dam17 opterden18 en schuw rondkijkend, in de stal komen. — Hei, rosse19, hop! Daar stonden ze weer malkaar te bijten al over de slietrand, en de ruin was aan ’t klaveren20 met de voorpoten in zijn kribbe. Seva, die al jaren zo gerust nevens Djole stond. — ’t Zal u varen21, met uw druistige makker. Maar Jan besloot hem wel zijn kwade voeren22 af te leren. — Hij hinnikt en trappelt als een bezetene! wat moet je wel hebben, oude soldaat? we zijn hier al dat gedruis niet gewend in de stal! Jan lag zich te keren op zijn stro en
13
grommelde23 alsaan24 maar zijn mistevredenheid uit, in afwachting van de dag. ’t Ongemak van die verandering kreeg hij uit de kop niet; hij voelde een deernis als bij ’t verlies van een genegen vriendschap, met onrust of ’t de verlorene wel of kwalijk mocht vergaan, en medelijden omdat Djole heur nood niet klagen of heur goed recht verweren kon. — Ze is stommelings van ’t hof gegaan, dacht hij, zonder misbaar en de peerden hebben waarachtig malkander bekeken lijk mensen die hun broêr voor altijd zien vertrekken. Jan zocht nog wat te slapen, omdat zijn eigen gedachten hem verdroten en eindelijk kon hij ’t daar niet meer uithouden. Van eer iemand nog waagde25 op de werf, zo gauw de eerste blauwe helderheid kwam krieken tussen de ijzeren staven van ’t hoog venster, was hij al voorgoed te bene. Hij wierp de staldeuren open, gooide vlijtig de grote hooibundels in ’t rosteel26, ging buiten water putten, mengde ’t drinken en goot de kribben vol. Altijd al koutend in zichzelf. — Toe, Miete, haast u, anders verliest ge uw deel! De ruin staat scherp van honger. Wie weet, kreegt ge van ’s leven uw volle bekomste, kerel, hier kunt ge, als ge braaf zijt, wat vlees aan de ribben kweken, maar braaf zijn, hoor! Hij vleide met de hand over de ruin zijn lanken27 en zo gauw scherrelde28 ’t peerd wantrouwig de poten bezijden uit, hief de kop en hinnikte schuw. — Hola, kwade knepen, kerel; zal u wel leren gedoezig29 zijn. Maar, hoe gaan we die vreemdeling heten? Jan overpeinsde al de peerdenamen uit heel zijn geheugen: Sarie, Wieten, Ko, neen, dat allemaal niet … Djole? — Neen,
14
dan peins ik altijd op de oude blauwe, en uw ogen staan daar te weerlichtachtig30 voor, kerel. Wat meent de boer nu om me zulk een kwaad ros in de vuist te steken? ’t Peerd is bedorven door een ruwe knecht, en leer dat treffelijke voeren31! Maak dat nu tem32, he jongen! Met bravigheid zullen we beginnen. Bruin. Ja, Bruin, we zullen u maar Bruin heten. Bruin, Bruin, Bruin, herhaalde Jan veel keren om de vreemde naam gewend te worden. De dag kwam met grijsgrauw en blank van de zwarte slietberdels33 verlichten en deed de zwaarronde schonken der achterlijven van de peerden glimmen. De versheid van de wind woei dwars door de warmte en zweet- en mestreuk van ’t een door ’t ander deurgat in en uit. — Geen lelijk peerd toch. Jan streelde ’t over de steert, opwaarts, en langs de billen beneden naar de poten. Flink, stevig! De boer mag er voor uitgaan34. Jan stapte achteruit in ’t deurgat om zijn Bruin op een afstand te bezien; dan keek hij buiten in de lucht naar ’t weer. In de melkwitte mist kwamen de gekalkte muren van huis en hoving35 bloot en de bomen in de bilk36 staken zwart hun knobbelige, oude takken in de grijze lucht. De huiskave37 rookte en de wind blies uit het Oosten. De hennen kwamen kakelend van de polder38 gevlogen en liepen vernibbeld39 en haastig rond. Boven op de veurst40 van de schuur schreeuwde de pauw de nieuwe dag wakker. De koeien beurelden41 in de stal en overal achter gesloten deuren, ging gewoel en gerucht van beesten. De meiden en dochters kwamen buiten; ze waren los aangekleed, zagen slaperig door de verplakte42 ogen, zij bonden ’t verwerrelde43 haar met een wrong vast op ’t hoofd en zij wiessen44
15
zich handen en wezen45 bij de waterput. Daarmede werden ze plotseling heel wakker; hun lachende spraak kwam los en met lichte tred, de twee geel koperen ketels zwaaiend, stapten zij naar de koestal. Jan was alweer neerstig bezig bij de peerden en zijn eigen schuifeldeuntje46 verging in ’t bellend gezang van de melkende meiden en ’t veelvuldig gesnater, geloei en gesnork van de beesten. Een blijde lach klonk al door de nuchtere morgenlucht. Ineens was heel die bedrijvigheid begonnen, zo feestelijk en leutig en altijd luider groeiend, meer met de komende helderheid en met ’t heffen47 van de zon. ’t Gaan en keren verdubbelde, elk kende zijn weg en was haastig aan eigen bezigheid. Jan stond nu met opgesloofde48 mouwen te borstelen en te kammen aan zijn peerden; hij wreef en streek over de glimmende huid, die vet en malser blonk achter elke trek. — Gij ’t eerst, Seva! Dat was de gewillige, goedmoedige merrie, met muishaarde49 vel, die geen poot verroerde zonder vaste oorzaak of dwang, en Jan betroetelde en wreef dat peerd wat meer omdat het ’t oudste en ’t gewilligste was en de trouwe makker van Djole. Van toen hij, kleine koeier, met de langsteerten50 omging, stond Seva daar al en ’t was met haar dat hij overpreus51, ’t eerst het leizeel52 houden leerde en op de driewielkar naar ’t dorp reed en naar de molen. Hij zag haar geern als zijn eigen kind. Miete was de verweeuwde53 helft van ’t schoon koppel blauwe merries, dat nu geschonden was met Djole’s uitgang, en Jan troostte haar met goede woorden.
16
— Wacht, uw poten nog een borsteling. Hij wist dat ze seffens tot over de hielen in de eerde zou staan op ’t land, maar ze moest toch haar recht54 hebben. — En gij nu, Baai! Dat was Miete’s veulen, dat hij had helpen ter wereld komen, zien groeien en leren trekken, heur bradheid55 bevochten en bedwongen in zotte jongde56 en nu gedaagd en gewillig, daar staan zag in kalme gerustheid nevens haar moeder. — De boer zal u ook allicht57 afsteken58, makker. Dat ik boer ware, meende Jan en hij peinsde ’t ander inwendig. Die koophandel in beesten was hem als een onnatuurlijke, harteloze wandaad. Een onbekend peerd moest hij eerst jaren onder handen hebben, maar dan werd het hem ook zo zielseigen als zijn boer en boerin en hun jongens59 zelf; iets dat hij zonder diep verdriet node60 missen kon en lang na ’t afscheid nog in zijn gedachten bleef. Bruin borstelde hij wantrouwend en omzichtig, gedurig sussend met de tong om het zijn stem gewend te maken. ’t Peerd rilde onder zijn handen, streek de oren bij elk woord dat hij sprak en trappelde onrustig rond. — Wat hebben ze met u uitgericht om u zo eenhandig61 te maken? Een dronken knecht heeft u bevloekt en met de zweep besteld62, hé? Hier zult ge ’t beter hebben, kameraad. Kijk maar zo schuw niet. Daar stonden ze weer alle vier opgepoetst. Jan legde zijn gereedschap in de kist, trok zijn vest63 aan en zijn klak64 en ging in de keuken koffie drinken. Het gezang in de stallen hield nog altijd aan en de melk ruiste stroelend bij trekken in de ketels.
17
— Dag Jan, riepen de meiden waar hij voorbij de open staldeuren ging en hij gromde ’t zot, jong vrouwvolk elk een groet terug. Eens buiten de peerdenstal trok Jan zijn gewoon ernstig wezen aan; zijn lippen nepen de mond dicht en hij had oren noch ogen voor al de zotternij die om hem spetterde. Daartussen leefde hij als ‘de oude van ’t hof ’65 die wilde geacht worden. Hij ging recht zijn gang, schikte ’t alm66 op zijn plaats, droeg ’t gebezigde weer weg, hield zorg van al wat er op de werf lag en leefde eenzaam in ’t luide rumoer bij zijn peerden. Wat neukt67 ons dat jong gedoen68, gromde hij. Daar liet elk hem in vrede omdat ze wisten dat hij ongaarne gestoord werd. Een guitig meisje waagde soms een lachreden69, maar dan wist ze ook dadelijk buiten greep te zijn en giegelde haar leute70 ievers71 uit bachten72 de hoek van de muur. Jan ging stil bij tafel zitten, mompelde een ‘goên dag’ aan boer en boerin en gebogen over ’t bord at hij traag zijn boterhammen. — Gij gaat met Seva en de nieuwe de tienhonderd73 ommewerken74, beval de boer op slaperige toon. — Met Seva en Bruin? hervroeg Jan. — Ja, met Seva en de nieuwe ruin. — Met Bruin. Hij heeft het peerd al een naam gegeven, meende de boer en hij keek en monkelde75 verstandelijk76 naar zijn wijf77, hij wist dat er niets meer aan te veranderen viel, daarom besloot hij ook ’t nieuwe peerd: Bruin te heten. Jan veegde de koffie van zijn mond en keerde zonder verder spreken naar de stal.
18
— Hola, kerel, ge zijt de mijne vandaag, we gaan u bezeilen78 en zien wat bloed ge in ’t lijf hebt. Hij breidelde Seva, legde haar ’t jok79 over de hals en ging hetzelfde doen met Bruin, maar ’t beest scherrelde verweerd de poten open en drumde de knecht tegen de muur om hem te verpletteren. Met veel schoppen tegen ’t peerds knoessels80 kreeg Jan zijn weister81 weer. — Ha! kluchtspeler82, ge zoudt mij alzo versmachten83! We kennen die streken! Hij herbegon, maar terwijl hij ’t jok over de hals reikte, streek het peerd weer de oren, hinnikte lijk een snijdende spotlach en kletste de achterhoeven dat de zoldering dreunde. — ’t Ware de eerste keer van mijn leven dat ik een peerd niet kan garelen84 maar ge zijt toch een vinnig ros, meende Jan; hola! koes Bruintje, braaf, suste hij, en weer poogde hij ’t jok over te hangen. Maar nu draaide Bruin in één zwong85 de kop, stak de lippen op en sloeg met de tanden in Jans hand dat er een stuk afhing gescheurd. In de eerste hitsigheid en door felle pijn uitzinnig verwoed86, schopte Jan met zijn zware kloefen tegen ’t peerd zijn balg dat ’t bonsde; ’t sprong bezijds87, kwetste de heup tegen de slietrand, gilde een scherpe pijnkreet en sloeg dat het geweldig daverde. — Boer, wat de verdomd88 hebt ge me voor een peerd besteken89? ’t heeft de duivel in. Nu eerst zag hij ’t bloed van zijn hand druppen90 en de grote wonde — die zware lap vlees die er was afgescheurd — en weer kwam de razernij in hem op en hij stampte en sloeg met de vuisten overal waar hij vatten kon, zodat het peerd te rillen stond en schoorvoetend achteruit wilde.
19
Dan stond de boer in de staldeur en vloeken deed hij uit alle macht op Jan. — Wat, stampt ge mijn peerden kapot, botterik! Van mijn hof, uit de stal, lelijkaard! Zie, en hij betastte de schribbel91 aan ’t peerd zijn heupbeen en hij vloekte met nieuwe gramschap: — Ga van ’t hof als ge de peerden komt stampen, olijke92 muiker93! Jan duwde de wonde toe, hij stond bleek lijk een laken. Zonder een woord te spreken dubde94 hij een stonde95 en als de boerin ook bijkwam, liet hij de vendel96 vlees bengelen aan zijn hand, wrong met een krachtige draai ’t gebit in peerds muil, zwaaide ’t gareel over de hals en legde de strengen aan. Dan keerde hij zich naar de muur en wond zijn zakdoek aan de gekwetste hand omdat er te veel bloed uit liep. — Here-God, zijt ge gekwetst, Jan? Kom in huis, riep de boerin. Ge ziet wel, hij is gebeten, vezelde zij tot de boer, — ge staat daar purper verwoed, waarom koopt ge zulke peerden? En g’en zegt er niets van, als ge ’t wist … — Moeten daar al mee kunnen omgaan zonder stampen en stoten, grommelde de boer, maar hij liet zich toch meetrekken in huis. Jan zijn haastigheid97 was al gevallen en ’t speet hem dat ’t zo gebeurd was. Hij streelde ’t peerd met de gave hand, zonder spreken, wachtte tot zijn eigen gemoed bedaarde en Bruin van de daver98 en ’t verschot ontdaan99was. Nu leidde hij zijn koppel buiten en hing zonder moeite ’t zwindel100 in de haken, kantelde de ploeg op de sleep101 en met licht dansende tred en rinkeling van bellen, stapten
20
de twee peerden ’t hof af. Bruin rilde nog wat en draaide schuw de kop, maar gewillig ging hij toch nevens Seva. Jan zijn linkerhand pinste102 en neep geweldig. Hij snoerde onderweg de zakdoek wat nauwer toe om ’t bloed te stremmen. Met de rechter mende hij kalm ’t gespan. Hij voerde Bruin als handpeerd103 en deed hem dapper aanzetten door de dreef naar ’t land. Over de vuile eerdeweg en diep in de morsige104 wagenslagen105, keerde hij ’t getrek106 en wendde op een stuk zwarte koorneerde. Daar kantelde hij de ploeg van de slepe en … — Nu zullen we zien wat ge kunt, mijn beestje, grinnikte hij. Heel de weg had hij de ogen niet gekeerd van Bruins dansende rug en de fier knikkende kop; met een zeker ingehouden genot had hij zijn weerwraak beleid107 en eindelijk —: nu houd ik u, kerel! de zware ploegvoren zullen u wel temmen, en gaan zult ge! Hij beet zich de onderlip en keek arglistig op terwijl hij ’t zwinkel drie gaten verlegde om Bruin korter in te spannen. — Juu108, jongens, voorwaarts. Hij spuwde in de handen, greep de ploegsteert109 en spande ’t leizeel vast. De peerden schoorden110 en trokken vooruit, sterk aangezet, Bruin een dubbele voet achteruit en pijnend111 om met de kop effen nevens Seva te komen. ’t Glimmend ploegijzer sneed diep in de eerde, boorde een vore en keerde de vette schellen112 over in de recht aanhoudende lijn. Jan zijn halftoegenepen oog mikte daar langs, met spannende aandacht stuurde de gewonde hand de ploeg en hij lonkte om zo recht mogelijk te werken. Hij stapte met grote
217
EINDNOTEN 1 van planken 2 driest 3 aan gruzelementen 4 drong duwend 5 houten wand 6 stromend 7 terwijl 8 malend knabbelen 9 ongedurig stampen 10 hoorbaar ademen 11 hofstede 12 daardoor 13 te verduren krijgen 14 ingespannen 15 gesneden hengst 16 soldatenpaard 17 stenen verharding rond de stal, opstap 18 opstappen 19 helleveeg 20 scharrelen 21 je zult er spijt van hebben 22 streken, manieren 23 gromde 24 steeds, almaar 25 bewoog, roerde 26 paardenruif 27 flanken 28 spreidde 29 zachtaardig 30 schichtig (als de bliksem)
31 fatsoen 32 tam 33 planken van de sliet 34 uitkomen 35 de hele boerderij rond het erf 36 afgesloten kleine weide, boomgaard waar koeien grazen 37 schoorsteen 38 slaapplaats voor kippen (onder meer: paal met strooien dak waaronder de kippen rusten op stokken) 39 ongedurig en ongeduldig 40 nok 41 loeiden 42 half dichtgekleefde 43 verwarde 44 wasten 45 gezicht 46 gefloten deuntje 47 klimmen 48 opgestroopte 49 muiskleurig 50 koeien 51 bijzonder trots 52 leidselkoord 53 achtergebleven 54 recht op een flinke beurt 55 vurigheid, driestheid 56 jeugd
WWW.LANNOO.COM Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagillustratie: Gerda Dendooven Omslagontwerp: Gert Dooreman Opmaak: Keppie & Keppie Zestiende druk (eerste druk, 1902) © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2021 De tekst van deze uitgave (in moderne spelling) werd overgenomen uit het Volledig Werk (1971-1973) © Erven Stijn Streuvels D/2021/45/395 – 978 94 014 7825 0 – NUR 301 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.