Skip to main content

9789401478243

Page 1

HET LEVEN EN DE DOOD IN DE AST


5 INLEIDING

‘ELK MENS DRAAGT EEN AFGROND IN ZIJN BINNENST’

Neem alleen nog maar de scène met de muizen. We zitten op twee derde van de novelle. De drie knechten liggen eindelijk weer te slapen nadat ze voor de tweede keer die nacht de gehakselde witloofwortels hebben gekeerd. Achter de metalen ovenpoorten branden de vuren. Onderuitgezakt op een hoop balen, in een hoekje, op een stapel cokes dommelen ze weer in, terwijl op het verdiep boven hen langzaam de cichorei wordt gedroogd. En dan gebeurt het. ‘Nu wippen de muizen uit hun hol, kijken benieuwd, wantrouwig rond naar die reuzen in honderdjarige slaap verzonken.’ In de twee daaropvolgende alinea’s beschrijft Streuvels meesterlijk het gedrag van de muizen die tussen de slapende boerenkinkels naar eten zoeken, eerst schuchter, dan steeds roekelozer. Hoe ze rondrennen, klimmen, wegschieten, spelen, nee, wacht, hij heeft er oneindig veel meer woorden voor, hoe ze ‘buitelen en dansen, kachaaien en ginnegabben, piokken, takelen, tjokken, tinsen en titsen, trijkelen, kullebukken, hoosebrokken, zeerden, pierlen, kokeren en dertelen’. Zelfs als je het niet verstaat, heb je alles begrepen. De scène met de muizen is de sleutelscène van Het leven en de dood in de ast, het toneel in het toneel, de miniatuurversie van de grote tragedie die hij beschrijft. Want ook onder de muizen heb je het contrast tussen ‘de


6

schuchteren, de deemoedigen, de mannen van niemendal’ die moeten krasselen om een schamele stukje cichorei en ‘de rijken, de oversten en vette renteniers’ die jagen op een veel smakelijker stukje brood of zelfs ‘een hespenvelletje’. Ook onder muizen slaat het noodlot zonder onderscheid des persoons toe: het dolle intermezzo in het donker is brutaal afgelopen wanneer Streuvels uit de nok van het gebouw een uil ‘met ogen gelijk theepotten’ naar beneden laat vallen om een muis mee te grissen en alle andere diertjes weer wegschieten. Twee magistrale alinea’s zijn het die bevestigen wat al vaker werd gezegd: Het leven en de dood in de ast behoort tot het beste van wat ooit in het Nederlands geschreven werd en is Europese literatuur op zijn best. Het is 1926. Streuvels wordt 55 dat jaar. Hij is dan al lang een internationaal gevierd auteur. De schrijver, geboren in het West-Vlaamse Heule in 1871, heeft nochtans geen bijzondere opleiding gekregen: ja, hij is de neef van de grote dichter Guido Gezelle, dat kan helpen, maar na drie jaar lager middelbaar onderwijs is hij gestopt met studeren en moet hij jarenlang aan de kost komen als bakkersgast in Avelgem. Niet echt condities die het begin van een Europese literaire carrière voorafschaduwen. Zijn dagen vult hij met kneden en lezen. Het deeg van zijn intellectuele vorming bestaat uit onwaarschijnlijk veel literatuur, niet alleen uit de eigen gewesten, maar uit heel Europa. De grote Franse auteurs boeien hem mateloos (De Maupassant, Balzac, Zola, Flaubert), maar ook Duitse, Noorse en vooral Russische schrijvers (Tsjechov, Dostojevski, Tolstoj). Hij leert hun talen om hun werk in de oorspronkelijke taal te kunnen lezen. Vooral


7

de auteur van Oorlog en Vrede bliksemt hem van zijn paard. ‘Tolstoï miek mij waanzinnig en ik kocht een Russische spraakkunst (…) — nadat ik tamelijk ver gevorderd was, zag ik dat het me te veel tijd zou kosten, eer ik er “schoonheid” zou uit rapen.’ Ook al moest hij hem noodgedwongen in Duitse of Franse vertaling blijven lezen, Tolstoj zou voor hem een leven lang de allergrootste blijven. Enkele jaren na de verschijning van Het leven en de dood in de ast zei hij nog over zijn kennismaking met diens oeuvre: ‘Ik voelde mij als iemand die ene goudmijn heeft ontdekt.’ Eind 19de eeuw publiceert de jonge Stijn Streuvels zijn eerste prozateksten in het sterk internationaal georiënteerde tijdschrift Van Nu en Straks. In 1902 verschijnt Langs de wegen, zijn eerste voldragen roman; in 1907 De Vlaschaard, nog steeds een monument van een boek, over het oeroude conflict tussen vader en zoon in een agrarisch Vlaanderen dat we vandaag niet meer kennen. Ach ja, we kunnen onze schouders ophalen bij de oubollige omgeving en dat belegen Vlaams waarvan Streuvels zich al te graag bediende. En ja, we kennen alle clichés die latere generaties over hem hebben gestrooid — te Vlaams, te katholiek, te Germaans, te agrarisch, te heimatterig. Maar dat neemt niet weg dat hij in zijn tijd als een auteur van formaat gold: zijn werk verscheen in twaalf talen, waaronder het Duits, het Frans, het Engels, het Lets en het Sloveens, hij correspondeerde met Maxim Gorki, kende Thomas Mann en werd meermaals voorgedragen voor de Nobelprijs. Hoog tijd om opnieuw de knoestige, norse maar onverwoestbare zeggingskracht van dat oeuvre te herontdekken. Want wat Permeke is voor de schilderkunst, is Streuvels voor de letterkunde.


8

In 1926 is hij dus 55. Ouder worden is een thema dat al in De Vlaschaard centraal stond: de oude boer die het niet kan verkroppen dat zijn jonge, energieke en bekwame zoon hem begint te overtreffen. Maar Streuvels was nog een dertiger toen hij dat tomeloze epos schreef. In Het leven en de dood in de ast is hij zelf inmiddels naar de tweede helft van het leven doorgeschoven: ‘Aan twintig, dertig jaar schijnt het leven een eeuwigheid, aan veertig is ’t nog de volle kracht, aan vijftig begint men na te denken, met ’t gevoel over de helft te zijn en ’t eind inkort … Doch aan vijf en zestig, kan ’t alle dagen uit zijn…’ Midden de jaren twintig was de gemiddelde levensverwachting van een Belgische man 55 jaar. Wie zich afvraagt wat hij of zij aan moet met een verhaal van drie West-Vlaamse boerenknechten uit het interbellum die een nacht lang in een schuur cichorei staan te drogen, moet zich afvragen of de tijd dan niet meer tikt vandaag. Zie hen daar staan: Hutsebolle, de ernstige opperdroger die snakt naar liefde; Blomme, de bejaarde knecht die nog altijd droomt van een eigen lapje grond; en Fliepo, de zwakzinnige sukkel met zijn simpele verlangens. Zie hen daar staan. In de mist, in de regen, in de winter. Zij zijn u. Even nietig. Even bang. En, om dat alles niet te zien, even bezig. En dus even blind. ’s Middags hebben ze de cichoreiwortels opgeschept en door een handmatige hakselaar gedraaid tot schijven van een paar centimeter dik, want ja, sinds de tijd van Napoleon, toen de Britten een maritieme blokkade opwierpen, is cichorei opgekomen als een inheems, bitter alternatief voor koffie. Enig nadeel: om te bewaren moeten de wortels kurk-


9

droog zijn. Dat betekent stoken. Zie hen daar staan, de drie hoofdrolspelers van dit stille drama waarin veel wordt gesmacht, maar weinig wordt gezegd. Op een ladder hebben ze de zakken naar boven gedragen, uitgestrooid op de droogplaat en met harken gelijk getrokken tot een pakket van wel een halve meter dik. Ze hebben de vuren aangemaakt, een boterham gegeten en, nadat het donker geworden was, de ijzeren poort toegeschoven. Ze weten dat ze straks naar boven zullen moeten om in de stomende, zoete damp de wortels te keren, die niet mogen verbranden. In bloot bovenlijf zullen ze staan scheppen, gutsend van het zweet, terwijl buiten de winter de muren geselt met slagregen en kou. En in die nacht, die ene nacht, zal er iets gebeuren dat hun leven op zijn grondvesten zal doen daveren. Waar ooit dromen roodgloeiend opflakkerden van hoop en hitsigheid, zullen nu nog slechts sintels smeulen van wat had kunnen zijn. De dorpsjongeren die bij het begin van de avond waren langsgekomen om te ginnegappen en te flirten, het geluid van de jonge boer die met zijn koets naar het bordeel vertrok, de herinneringen aan kermissen en dorpsfeesten met wafels, dansen en meisjes, vooral die meisjes, de dromen van zonniger, zorgeloze levens, het is allemaal voorbij. Het leven en de dood in de ast neemt afscheid van de hunkering en hunkert daardoor nog des te meer. De novelle smacht naar het oude vuur van toen, laaft zich aan de gloed, maar de rug wordt steeds kouder. Wij wandelen de dood niet frontaal tegemoet, maar benaderen haar achterwaarts met onze hielen eerst, hopend nog een glimp op te vangen van wat voorbij is. ‘Maar ik ben een worm en geen mens, door iedereen versmaad, bij het volk veracht’, luidt


10

het sombere psalmenvers waarmee de tekst opent. ‘’t Is voorbij eer men er aan gedacht heeft’, voegt Streuvels eraan toe. ‘Daar is niets meer tenzij de akelige werkelijkheid.’ Hoewel een religieus sentiment nog steeds door de bladzijden waart, weerklinkt er toch ook schamperheid over het metafysische vermogen tot troost: ‘De onnozelen zullen God zien … maar intussen nemen de rijken het beste deel weg … en zitten we hier de boer zijn suikerijen te drogen.’ Als het ochtend wordt, herbegint alles weer van voren af aan. Het snijden van de wortels, het vullen van de zakken, het rakelen in de as. Niets is er veranderd en dat verandert alles: beter wordt het niet, dit is het. De uil des doods kan zomaar op je neerploffen. Het leven en de dood in de ast is een tochtig boek van een huiveringwekkende eenzaamheid. Grootse literatuur over de menselijke nietigheid. David Van Reybrouck voorjaar 2021


HET LEVEN EN DE DOOD IN DE AST 1


13

Ego2 autem sum vermis, et non homo: opprobrium hominum, et abjectio plebis. PSALMUS XXI, 7.

DE SCHUUR MET DE DUBBELE POORTluiken breed open, gelijkt een toneel waar, in de gapende diepte, door haveloze mannen, in haastig tempo, een spel wordt opgevoerd. Het gebouw staat er eenzaam op de verlaten vlakte; het toneel zonder toeschouwers, en de spelers doende achter een sluier van watermist, die ’t al omdoezeld houdt. De mannen vervullen elk zijn aangewezen rol — handeling welke ineensluit als een geordend werktuig dat in ’t ijle draait — een schouwspel dat in ’t tijd- en ruimteloze afspint. Van de torenhoge stapel, bezijds3 schept de man met de ruifel4, altijd maar wortelen in de draagbak, die effen aan5 door twee anderen opgenomen, weggedragen, in de open trechter van het snijpeerd6 omgekanteld en ledig teruggebracht, bij de hoop neervalt om weer gevuld te worden. De vierde man draait de zwengel waar het messenwiel de wortelen opvangt, die knarzelend dooreen wentelen en in stukken gesneden, langs de geul uitstromen. Een forsige kerel schept de gemalen bonen met grote ruifelgrepen op, en gooit ze met machtige zwaai in de diepte tegen de donkere achterwand der schuur waar de hoop gestadig aangroeit. Zonder toeven of verpozen, ononderbroken, gehaast, vordert het werk in eenbaarlijk7 herhalen derzelfde beweging, het een door ’t ander in gang gehouden, voortgestuwd, zonder zichtbaar doel of uitkomst, oneindig, streng


14

en onmeedogend gelijk de wanhopig gispende8 regen, ’t lijfelijk9 blazen van de wind, de onafzienbare grauwheid der wolkenvracht die loodzwaar over de wereld weegt. Aan ’t derve10 gelaat van de dag is de gang der uren niet te onderscheiden, — alle dagen der week zijn eender van uitzicht, vervuld met ’t zelfde weerkerend werk. In hun hoofd hebben de mannen geen flauw besef meer van de naam der dagen, — van ’t leven en de doening11 der mensen op ’t dorp weten ze minder dan niets, onverschillig zijn ze geworden aan alles wat ginder gebeurt. Zij leven hier met hun vijven, afgezonderd, buiten alle gemeenschap met de wereld — als op een schip in volle zee, dag en nacht aan ’t porren12 en wroeten om de torenhoge stapel wortelen — die van ver aangebracht, altijd maar hoger wordt — af te voeren, door de snijmolen te draaien, op de ast13 te laden, waar de bonen14 gekeerd en gewend, boven de vuren gedroogd, in zakken gevuld, weer de wereld ingaan. Hetgeen zij hier uitrichten is het voortdurend herhalen en herdoen, het wentelen in zotte kring, het vullen van een vat zonder bodem, het trappelen ter plaats, arbeiden ten ondomme15, waar niemand het eind of ’t begin, het doel of het nut van bespeuren kan … Op een stom teken van de opperdroger16 vallen de schoppen neer, het knarsen van het snijpeerd houdt stil — een bedrijf is afgespeeld, en zonder tussenpoos begint het volgend: de mannen trekken hun natte bovenkleren uit, klimmen de steger17 op, duwen de zoldervalle18 naar omhoog, gooien de luiken der dakvensters open en, onzichtbaar in de dikke damp, doorroefelen19 zij de droge bonen. Twee die scheppen, twee die de zakken openhou-


15

den, en een die ze langs de andere steger naar beneden draagt en daar opstapelt. Hier weer past de handeling werktuiglijk ineen, met eigen ritme, vlug en gehaast, zonder nutteloze gebaren. Vier keer scheppen — juist geteld — is de zak vol; met een handige draai de krop20 toegewrongen; op het gepaste moment verschijnt de man boven aan de trap — met hun tweeën tillen ze de zak op en zwaaien hem over de rug van de drager, die zo gauw in ’t donker gat verdwijnt, en wanneer hij opduikt, staat opnieuw een zak gevuld, wordt met dezelfde zwaai opgeladen en weggedragen. Het gelijkt een aangeleerd spel, door danig herhalen, zonder inspanning van de hand gaand, — iets om voor toeschouwers vertoond te worden. Hier op de droogzolder geschiedt de handeling echter op de tast en in ’t blinde, — de mannen zijn van elkaar niet te onderscheiden, staan er omwonden door de sterkgeurende damp die heel de ruimte vervult en langs de open luiken der dakvensters uitwarrelend, het daglicht onderschept, — als vage schimmen van wie de geweldige gebaren in een droomnevel vergaan en onwerkelijk schijnen. Op het grinzelen21 der ijzeren schop over de stenen droogplaat moeten ze raden waar het werk vordert. In gelijkig22 herhalen van scheppen, opzwaaien en wegdragen van gevulde zakken, wordt de lading droge bonen over heel de oppervlakte van de ast leeggeruifeld23, tot ook dit bedrijf is ten eind gespeeld. Onverwijld nu zal het derde vertoon24 van het schouwspel aanvangen. Druipend van het hete dampwater en bezweet, komen de mannen langs de steger in de schuur, waar ze haastig de


16

bovenkleren aantrekken en weer in de werkelijkheid van de grijze dag, met de voeten op vaste bodem, elk in hun gedaante duidelijk te onderkennen zijn. De Maf en Lot — twee jonge, stevig gebouwde kerels; — Blomme de bejaarde doch pezige vent met houterig wezen; Hutsebolle, de opperdroger — de norse zwijger, die ’t bevel geeft; en Fliepo, het schamel stuk mens, met een zak van een broek om de lutterbenen25, een wanstaltig gelaat met hazenlip en een paar weiogen26. In ’t decor der open schuur zal dit vijftal nu het derde bedrijf van het werktoneel opvoeren. Ze staan weer in hun mensenkleren, met de grijze, smodderige27 belichting van de regendag, elk in eigen bekend voorkomen en gestalte. Zonder een woord of aanwijzing — elk kent immers zijn rol en werktaak — nemen ze hun plaats in. De Maf en Lot hebben reeds hun ruifel in de hand; Hutsebolle en Fliepo zullen de zakken openhouden en Blomme dragen. Van eersten af28 zet de bezigheid in en vordert met de vereiste regelmaat: de twee schoppen schraven29 schrankend30 over de stenen vloer en scheppen met volle lading in de opengehouden zak. Op ’t gepaste ogenblik staat Blomme gereed, de krop wordt toegewrongen, en de zak opgezwaaid, komt tussen hals en schouder van de drager terecht, — deze grijpt hem vast en klautert er mede de steger op. Boven ploft de zak neer en de inhoud wordt op de droogvloer uitgegoten. Zo gauw is Blomme daar weer, — vlugger dan zijn oud, mager postuur31 het uitgeeft, torst hij de vracht naar boven en daalt gezwind naar beneden, in lijfelijk32 gaan en keren, zonder een minuut tussentijd, want de Maf en Lot scheppen gelijkmatig, gehaast, met volle ruifels de zak vol.


17

En alzo vordert de handeling als een werktuig waarvan de verschillende onderdelen aaneensluiten en ’t een ’t ander voortstuwt, in geregelde gang. Alsof hij het getal zakken die bovengedragen zijn, geteld had, neemt Hutsebolle opeens Blommes plaats in en de twee verwisselen van rol, zonder dat de bezigheid maar een ogenblik stopt en ’t laden van de ast onderbroken wordt. Dit geschiedt in ernstig stilzwijgen — door aanhoudend en voortdurend samenleven hebben de vijf het spreken ontleerd, en bijzonderlijk onder ’t werk wordt zelden een woord gewisseld — ze hebben hun adem anders te benuttigen, — ’t is uit een soort aangenomen gewoonte, alsof de handeling zelf een zekere ingekeerdheid en eerbied vereist. Maar nu dagen de eerste toeschouwers op — boerenknapen en jongens van ’t hof33 en uit de omtrek — die hun verveling ontvluchten en doelloos aan ’t slenteren, komen schuilen in de schuur om er gezelschap te vinden. Hun verschijnen hier herinnert de mannen dat ’t dageinde naakt en ’t zondag is op ’t dorp. Met een enkel woord, bedeesd, vangt het gesprek aan: een spotreden34 over en weer, wat plagerij, kout35 zonder zin, in ’t gemene36, tussen de gapers en de drogers die onversaagd hun werk voortzetten. Op lepe wijze trachten de Maf en Lot van de koeier37 gedaan te krijgen dat hij naar ’t hof een fles jenever halen zou! met gemaakte ernst dringen zij aan, met loze38 beloften en bedreigingen zoeken zij hem te bewilligen, maar de jongen — een nuchtere pierewaai39 — lacht onnozel en vermijd40, doch is er niet toe te bewegen die bescheten boodschap41 uit te voeren. Met een droge opmerking geeft Blomme de jongen gelijk, en nu triomfeert deze in stilte,


18

maar durft niet spreken. Aangezet door de luchtige toon van de Maf en Lot, wagen de toeschouwers vooruit te komen en gaan gezamenlijk Fliepo te keer, die een gemakkelijke prooi schijnt voor hun spotlust. Telkens die zich verdedigen wil en de snater roert, brengt hij een gebrabbel uit als van een kalkoen; door de opgewonden drift valt er van zijn betoog geen woord te verstaan, dat is te grappiger en wekt algemeen gelach. Fliepo blijft echter op zijn stuk, verweert zich dapper, maar mag niet van zijn werk wegkijken. In ’t voorbijgaan doet Hutsebolle af en toe alsof hij de klaai42 verdedigen en steunen wil, hem in bescherming neemt. Blomme hoort toe, laat praten, maar mengt zich niet in de zottemarterij43. Het gesprek verloopt in onsamenhangende algemeenheden, waar elk zijn woord in ’t midden brengt, dat meestal zonder weerklank wegvalt en door iets geheel anders wordt voortgezet. Het ijle van het gezegde is in eenklank44 met de heersende stemming, eigen aan de avondval en de drensregen45 van de zeurige46 winterzondag, waarvan men hier niet eens ’t bestaan vermoedt. Jongens en knapen hebben er wat leven en afleiding gebracht, — de drogers werken gezwinder, met zwieriger gebaar, gelijk toneelspelers die een publiek gekregen hebben. Ze voelen zich echter de meerderen boven hun toeschouwers, en in de toon laten ze goed de minachting doorschijnen voor de leeglopers, die omdat ze niets beters te doen hebben, hier hun tijd komen verluieren. Door toegeving enkel wordt hun aanwezigheid geduld, omdat het toch altijd enige afwisseling meebrengt, en de tijd eenzaam gesleten, lang schijnt. Maar als er een der laveiers47 in de weg loopt, of dreigt de gang van ’t werk te storen, wordt


19

hem een zak op de nek geklaaid48 of een schop in de poten geduwd en moet hij gedwongen meewerken, — ’t geen waarvoor de boerenknapen soms wel te vinden zijn en het uit vrije wil aangrijpen, uit liefhebberij, om maar wat te verrichten, en meest nog om in de gunst der drogers te komen en zich alzo ’t recht van verblijf in de ast te verzekeren. — Ho-o! roept Hutsebolle van boven op de steger. ’t Teken dat de ast volladen is. De schoppen vallen neer en de vijf trekken de steger op, waar de uitgestorte bonen met houten harken over de droogvloer opengestrieweld49 worden, tot ze overal even dik en de opperste laag schoon effen gespreid is. Nu maakt Hutsebolle met zorg de luiken dicht, laat de valdeuren neer, en de drogers komen langs de steger aan de andere kant in de ovenkamer. De ijzeren rolpoort50 schuift op losse hensels open evenals — ’t gordijn van een toneel, en geeft uitzicht over naakte land en begrimmelde51 lucht. De boerenknapen en jongens zijn langs de schuur omgelopen en staan in de poort. De ovenkamer is een beluik52 met donkere diepten, geheime insprongen, en tussen een nauwe gang, van weerszijden in de wanden gloeien de vuurmonden der droogovens. De hitte die van daar de hele plaats vervult, maakt er het verblijf gezelliger, — ’t is goed om van hier uit door het vierkante poortraam, op ’t slechte weer te kijken — men voorvoelt het behagelijke van het nachtbedrijf dat hier in dit beluik afspelen zal. Onverwijld zijn de Maf en Lot met de kruiwagen aan de gang om kolen te voeren, die zij in gaan en keren, buiten van de hoge stapel opscheppen en in ’t beschot53 naast de stook-


20

put uitstorten. Blomme en Hutsebolle zijn met ’t lange pookijzer doende om één voor één de ovens te zuiveren: de sintels moeten uit de roosterijzers losgemaakt worden, gloeiende defels54 ertssmeltsel55 afgetrokken, as doorkoteren56, en wanneer het vuur helemaal blank ligt, met volle ruifels57, kolen opschieten — in halende58 zwaai, tot tenden toe59 en tot boven vol. Alsdan wordt aan iedere ovenmuil de dubbele plaat voorgeschoven om er de trek in te brengen, en zo gauw beginnen de cokes te spokkeren60. Nu is dit bedrijf ook afgelopen. De vuren moet men nog enkel bewaken; als ze geheel in gloed zijn, zal de plaat weggeschoven worden om de hitte te regelen. Voor de drogers betekent dit een rustpoos van vier uren. Jachtig om gedaan, hebben de Maf en Lot al langs om vlugger61 hun bakwagen gevoerd en kolen gestort, en nu de hoeveelheid voor de nacht gestapeld is, snappen ze naar de ketel, putten water uit de gracht, spelen baai62 en hemd uit, en spoelen ’t vuil en zweet van kop en hals, borst en armen, tot heel hun krachtig, schoon jong lijf weer zuiver is en wit. Uit de verdiepen63 halen ze hun zondagskleren, besteden veel zorg aan hun opschik, trekken schoenen aan, zetten hun muts op, en zonder omslag of goenavond zeggen, zijn ze de gaten uit. De andere drie doen in ’t geheel niet gehaast — de drang om weg hebben ze sedert lang ontleerd — ze vegen ’t zweet van hun wezen, trekken hun zelfde bovenkleren weer aan, en vinden nog wat te doen om voor de nacht alles in orde te brengen. En dan gaan ze hun drieën elk aan een kant neerzitten om hun vesperei64 te nemen. Traag en gezapig65 spelen zij de dikke stuiten binnen, met nu en dan een slok koude koffie uit de blikken drinkpul66. Ondertus-


91

EINDNOTEN 1

eest, inrichting voor het drogen van cichorei (De cichoreiwortels worden er aan stukjes gesneden en geroost. De gerooste stukjes, ‘cichoreibonen’ of ‘suikerij’ worden verkocht om te worden fijngemalen tot de cichorei die in het huishouden wordt gebruikt ter versterking of als surrogaat van koffie.) 2 Ik ben maar een worm en geen mens: door de lui beschimpt en uitgestoten door het volk 3 bezijden 4 grote houten graanschop 5 naargelang hij vol is, geleidelijk 6 grote ijzeren bak waarin een messenwiel kan draaien voor het snijden van allerlei wortelgewassen. De wortels worden bovenaan in een brede trechtermond gegoten; de zwengel brengt de messen in werking en uit een geul opzij stroomt de gesneden materie. 7 onophoudelijk 8 striemende, (als met een kwispel gegooide, gesprenkelde) 9 hard en aanhoudend, ongenadig 10 bleke, grijze, sombere

11 wijze van doen, leefwijze 12 zwoegen 13 op de droogzolder van de eest 14 suikerij, stukjes cichorei die geroost zijn 15 zonder zin 16 ploegbaas van de arbeiders in de eest 17 ladder of trap 18 zolderluik 19 halen (zij) door elkaar 20 hals, bovenste van de zak 21 luid schuren, krassen 22 steeds hetzelfde 23 met de graanschop (ruifel) leeggehaald 24 bedrijf 25 magere benen met knikkende knieën 26 altijd tranende ogen, leepogen 27 smerige, morsige, grijze 28 terstond 29 schuren (al glijdend een krassend geluid maken) 30 afwisselend, (nu eens van de ene dan van de andere kant komend) 31 postuur 32 voortdurend 33 de hofstede (van de eigenaar van de eest)


WWW.LANNOO.COM Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagillustratie: Gerda Dendooven Omslagontwerp: Gert Dooreman Opmaak: Keppie & Keppie Veertigste druk (eerste druk, 1926) De eerste tien drukken verschenen in de bundel Werkmens(ch)en © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2021 De tekst van deze uitgave (in moderne spelling) werd overgenomen uit het Volledig Werk (1971-1973) © Erven Stijn Streuvels D/2021/45/394 – 978 94 014 7824 3 – NUR 301 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401478243 by Uitgeverij Lannoo - Issuu