MARGIT AUER
DDEE S CHO C H O OL OL VVAN A N DDEE MMAGIS A G I S CHE CHE DIEREN DIEREN HET VREEMDE SKELET
Vertaald door Corry van Bree Met illustraties van Martijn van der Linden
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. © Uitgeverij Lannoo nv, 2021 ISBN 978 94 014 7760 4 D/2021/45/219 © Tekst: Pepijn Lievens, 2021 Coverontwerp: Armée de Verre Zetwerk: www.mmmieke.be
DEEL eeN
Er ligt een hondendrol op te warmen in de ochtendzon, op de stoep voor het huis met nummer honderdvierentwintig. De rolluiken van slagerij Idrissi zijn nog dicht, ook al is het ondertussen twee minuten over acht op maandagochtend. Naast slagerij Idrissi ligt het huis met nummer honderdzesentwintig. Dat is niet zo merkwaardig. Wat wel opmerkelijk is: het is ook een slagerij. Twee slagerijen, in dezelfde stad, dezelfde straat, naast elkaar. Buren dus. Op het raam van nummer honderdzesentwintig staat in zwierige, gouden letters ‘Slagerij Vandersmissen’. Die winkel is wel al open. De toonbank is verlicht en de gloed schijnt tot op het trottoir, waarover de eerste klant komt aangelopen. We bevinden ons in de Veronalaan. Een laan die ogenschijnlijk altijd heeft bestaan. Een laan zoals een laan is: lang. Maar ook nogal rommelig. Met huizen, voetpaden, lantaarnpalen, garagepoorten, winkeltjes met en zonder luifel, een bank om op te zitten, een bank om geld af te halen, voordeuren, een vuil parkje en zebrapaden. En dus ook met een drol op het voetpad.
7
Abdel van Slagerij Idrissi doet dan toch de deur van het slot, zoals altijd een paar minuten te laat. Maar wat maakt het uit? Hij gooit een half kalf in de toonbank. Zijn vrouw Mariem doet de tl-verlichting aan. De slagerij is overwegend wit. Zelfs het inpak papier is wit. Ondanks hun getaande huid zijn ook de slager en zijn vrouw bleek, alsof ze zelden daglicht zien. Ze dragen een witte schort met een stevige riem die hun rondingen in bedwang houdt. Mariem lacht haar witte tanden bloot en fatsoeneert haar hoofddoek. Abdel schrijft op het krijtbord: ‘Kip aan het spit: één kopen + één gratis.’ Het is de laatste maandag van de maand, dan zijn de kippen altijd in de aanbieding. Straks zal Mo van kapsalon Mo langskomen, die laat zo’n kans niet liggen. Ding dong, de deurbel, een galm vol verwachting. Een ferm stuk schapenvlees of een meter merguez? Zolang het maar niet is om geld te wisselen voor de automaat van de parking om de hoek. Die geeft niet terug, er zit een handgeschreven briefje op
8
met ‘Gepast geld’. Abdel heeft er al een mail over geschreven naar de gemeente, nooit antwoord gekregen. De bel weerklinkt en Abdel en Mariem kijken simultaan op vanachter de toonbank. ‘Dag Lydia’, zeggen ze in koor. Maar Lydia trekt een vies gezicht. ‘Er ligt een drol voor jullie deur.’ Mariem en Abdel kijken haar bedremmeld aan. Enkel het tikken van de wandklok is nog te horen, het is vier minuten over acht. ‘Oh nee’, zegt Mariem. Maar Abdel is al vanachter zijn toonbank geschoten en stormt de deur uit. Hij bestudeert kort de opdrogende drol. Lydia komt met ineengevlochten vingers naast hem staan, alsof er een dode is gevallen. Met enkele passen staat Abdel voor de deur van de buren. De schuifdeur van slagerij Vandersmissen gaat automatisch open. Fliw law, weerklinkt het, zij hebben een elektronische bel. ‘Jullie stomme hond heeft weer voor onze deur gekakt’, roept Abdel zonder naar binnen te gaan. De buurman en zijn vrouw kijken hem verrast aan vanachter hun toonbank met het grijze marmeren
9
blad. Sinds de renovatie is alles in grijstinten, zelfs hun schorten en slagershoedjes. En ledverlichting, veel ledverlichting, om het smaakvolle interieur goed te laten uitkomen. ‘Wie zegt dat dat van onze Blackie is?’ vraagt de slagersvrouw geërgerd. ‘Ik herken zijn drol. Hij stinkt veel’, zegt Abdel met zijn Marokkaanse accent. ‘Ah nee hè, Abdel, we gaan niet opnieuw beginnen met die valse beschuldigingen.’ ‘Jullie geven die stomme hond zeker van die eten die over datum is? Jullie hond is ziek. Ik zie het aan zijn drol, er zitten wormpjes in.’ ‘Onze Blackie heeft geen wormpjes.’ ‘Jawel, het is van jullie Blackie.’ ‘En ik zeg je dat het niet van onze Blackie is, we zijn nog niet eens met hem gaan wandelen.’ ‘Ik wil dat je die drol wegdoet.’ ‘Geen sprake van. Ik heb niets met die drol van jou te maken.’ Maar dat laatste heeft Abdel al niet meer gehoord, hij beent terug naar zijn slagerij. ‘Stomme hond,’ sakkert hij, ‘hij jaagt onze klanten weg.’
10
‘Kun je dat nu geloven?’ vraagt Caroline aan haar man. Michel schudt zijn hoofd en verdwijnt naar de achterkeuken. ‘Kun je dat nu geloven?’ herhaalt Caroline. Deze keer richt ze haar vraag aan mevrouw Fierens, die staat te wachten op haar plat du jour. Dat is gewoon een dagschotel, maar dan chiquer. Caroline houdt een zwart bakje met daarin de maaltijd vast, ze heeft plastic handschoenen aan. ‘Ongelooflijk’, zegt mevrouw Fierens. ‘Wat een manieren. Foei.’ Mevrouw Fierens is nog lerares geweest. Ondertussen is ze met pensioen, maar ze spreekt nog altijd luid en duidelijk. Hoewel ze niet in de buurt woont, komt ze naar slagerij Vandersmissen vanwege de standing. Eigenlijk is ‘Slagerij Vandersmissen’ meer een traiteur. Caroline Vandersmissen heeft dan ook spijt dat ze tijdens de renovatie haar wil niet heeft doorgedrukt om ‘Traiteurdienst’ op de etalageruit te laten schilderen. Of desnoods: ‘Slagerij/Traiteur’. Maar nee, haar man wilde absoluut ‘Slagerij’, zoals het altijd was geweest, omdat het toch nog altijd
11
om het vlees gaat. Daar is Caroline het niet mee eens; ze bieden steeds meer kant-en-klare maal tijden aan en die maken meer dan de helft van de omzet uit. Bovendien, als ze zich traiteur zouden noemen, zouden ze zich onderscheiden van hun buren, die duidelijk slechts ordinaire slagers zijn, karkashakkers. Ze rekent hoofdschuddend af. ‘Dat is dan zestien euro, alstublieft.’
Zo gaat dat al jaren, of nee, decennia. Elke dag opnieuw verwijten en ruzie, ook op zon- en feestdagen. Zelfs op sluitingsdagen. Een alsmaar groeiende wrok. Het begon allemaal in 1984. Abdel Idrissi en Michel Vandersmissen waren nog maar vier jaar. Ze woonden net in de Veronalaan. Abdel woonde zelfs nog maar pas in het land. Ook toen waren er al huizen, voetpaden, lantaarnpalen, garagepoorten, winkeltjes met en zonder luifel, zebrapaden, voordeuren, een vuil
12
parkje en een bank om op te zitten. Maar nog geen bank om geld af te halen. De huizen van hun ouders waren nog maar net gebouwd toen ze tot hun grote ontzetting te weten kwamen dat de buren ook een slagerij gingen uitbaten. En dat de feestelijke opening op dezelfde dag was. Voor het huis met nummer honderdvierentwintig speelde een chaabi-orkestje en werd zoete muntthee aangeboden. Bij Slagerij Vandersmissen was een hoge piet van de gemeente van de partij, hij knipte een tricolore lint door. Er werd gratis champagne geserveerd, maar eigenlijk was het schuimwijn. De slagerijen gingen open en meteen kwam er behoorlijk wat volk op af. Er was geen andere slagerij in de buurt; goed bekeken om daarheen te verhuizen. Hadden de buren dat nu ook maar niet gedaan. Abdel en Michel speelden nooit met elkaar. Ze hadden nochtans geen broer of zus. Abdel speelde meestal op het voetpad met zijn knikkers. Michel keek veel tv, het liefst naar Merlina, over
13
een detectivebureau met een uitvinder genaamd Napoleon, die een paraplu had waarmee hij mensen kon bevriezen, de parafix. Soms keek Michel uit het raam en zwaaide met zijn denkbeeldige parafix naar zijn buurjongen, maar die knikkerde gewoon verder. In de kleuterklas zaten ze wel samen op het gemeenteschooltje om de hoek. Ze speelden er met alle kinderen, behalve met elkaar. Enkel voor de jaarlijkse klasfoto stonden ze dicht bij elkaar. Ze waren even groot, Abdel weliswaar twee keer zo dik, of Michel twee keer zo mager, maar even groot. De meeste kinderen lachten naar de camera. Sommige keken verdwaasd in het rond omdat de fotograaf voor het afdrukken riep: ‘Allemaal naar het vogeltje kijken.’ Maar Abdel en Michel keken ieder jaar weer stuurs voor zich uit, als door een parafix bevroren. In het eerste leerjaar bleef Abdel zitten. De ouders van Michel waren opgetogen toen ze vernamen dat hun buurjongen zijn jaar moest overdoen. Ze openden de laatste fles schuimwijn
14
van de opening, die lag al drie jaar in de kelder te wachten op een goede gelegenheid. De ouders van de zittenblijver zelf waren minder tevreden. Hij mocht de hele grote vakantie niet op het voetpad spelen. Hij verzamelde dan maar Paninistickers van de wereldbeker voetbal ’86 in Mexico. Die waren wel van het jaar daarvoor, maar ondertussen waren de stickers goedkoper. Hij was zowel fan van het Marokkaanse team als van dat van België. De buurjongens zaten dus niet meer in dezelfde klas. Michel speelde tijdens de pauze met een vast groepje jongens het bikkelspel. Abdel voetbalde, tenminste, hij stond in de goal, hij vulde die helemaal en werd altijd als eerste gekozen. Michel gaf een doktersbriefje af om op maan dagen niet te hoeven gaan schoolzwemmen, hij was allergisch voor chloor. Maar ook Abdel had een briefje. Niet van de dokter maar van zijn papa, die het door een klant uit het Arabisch had laten vertalen, er stond op: ‘Gelieve mijn zoon de vernedering van het zwemmen te besparen.’ Abdel was de eerste die een meisje kuste, hij
15
was pas elf jaar. Hij kocht Melanie om met een lamsbout voor haar hondje. Michel moest wachten tot het zesde leerjaar. Lieselot kuste hem per ongeluk. Bij een spelletje moest ze in het rond draaien en naar een jongen toe lopen om die te kussen, maar ze was zo duizelig dat ze de verkeerde zoende. Hij was er desalniettemin erg trots op. Op de middelbare school deed hij wat Abdel hem zes jaar eerder had voorgedaan: hij bleef zitten. Toch werden ze niet herenigd. Voortaan ging Michel naar de slagerijschool, hoewel zijn moeder steevast sprak over een ‘specialisatie-instituut’. Abdel ging deeltijds leren; de helft van zijn studietijd ging hij werken bij zijn oom, die was ook slager. ’s Morgens namen Michel en Abdel allebei de tram, met slechts vier minuten verschil. Vooral Abdel had veel vrienden. Het had ermee te maken dat hij altijd iets te eten op zak had, en iets te drinken, en iets voor tussendoor, en nog wat amandelkoekjes, en eetbaar papier voor in de les.
16
Michel ging elke zondag naar de kerk. Zijn ouders waren niet echt gelovig, hoe langer hoe minder eigenlijk, maar het had toch een zekere uit straling, naar de kerk gaan. Hij miste maar twee keer de zondagse ochtenddienst. Eén keer lag hij in bed met veertig graden koorts. Een andere keer reed hij op weg naar de kerk met zijn fiets onder een tram. Zijn plechtigecommuniefiets was onherstelbaar beschadigd en hij had twee gebroken armen, maar de tram was ongedeerd. Michel kon gedurende drie weken niet meer zelfstandig eten, drinken, schrijven, telefoneren en naar het toilet gaan, de langste drie weken uit zijn leven. Maar al met al bracht hij maar één dag door in het ziekenhuis. Abdel lag ooit vier maanden in het hospitaal. Hij kreeg op zijn zestiende een hardnekkige vorm van geelzucht en was lang aan bed gekluisterd. Hij vond het jammer dat hij niet meer naar zijn oom kon gaan, hij miste het hakken in een dood dier. Hij besefte dat hij slager wilde worden. Toen hij dit meldde aan zijn papa zei die: ‘Wat had je anders willen worden?’
17
Ondertussen zat Michel op een internaat en elk weekend vroeg zijn moeder: ‘Schuiven we een bordje bij?’ Haar manier om te vragen: ‘Heb je al een vriendinnetje?’ Begrijp: om mee te trouwen. En ook nog: om later de slagerij over te nemen. Hij ging dus niet al te ver op zoek, en in de afdeling Verkoop vond hij een meisje met een gezonde eetlust: Caroline. Die had eerder een carrière in de textielsector in gedachten, maar toen Michel haar vertelde wat een slagerij jaarlijks opbracht, maakte ze een carrièrewending nog voor haar carrière begonnen was. Abdel had meer problemen om de ware te vinden. Hij dacht al zonder huwelijkspartner terug naar huis te moeten keren en zijn ouders te moeten ontgoochelen, maar op de laatste werkdag bij zijn oom kwam hij haar dan toch tegen: Mariem. Hij keek in haar donkere ogen en sneed prompt met het slagersmes in zijn vinger. Toen ze hem in de keuken verzorgde, vroeg hij of ze eens met hem naar de bioscoop wilde gaan.
18
Niet lang daarna trouwden de koppels. Abdel en Mariem nodigden meer dan honderd mensen uit in de tuin van de ouderlijke slagerij. Ze aten zoet vlees met pruimen en daarna reden ze in colonne en luid toeterend door de Veronalaan. Michel en Caroline huurden de parochiezaal af en serveerden er stoofvlees met aardappelkroketten. Abdel en zijn kersverse bruid namen de zaak van zijn ouders over. Maar ook de ouders van Michel hielden ermee op en zo werd hij samen met Caroline zaakvoerder van Slagerij Vandersmissen. Toen verergerden de pesterijen. Beide partijen legden bij de politie klachten neer, allemaal in de categorieën ‘overlast’ en ‘burentwist’. Meermaals was er sprake van ‘aanhoudend pestgedrag.’ Er was een klacht over het saboteren van de brievenbus. Abdel zou een beschimmelde biefstuk bij de buren in de bus gegooid hebben. Maar de klacht werd onontvankelijk verklaard. Er was slechts één getuige en die was niet betrouwbaar: de hond Blackie. Die had verontrust geblaft,
19
waarop Caroline het vandalisme had vastgesteld, zelf had ze niet gezien wie het gedaan had. ‘Maar we hoeven natuurlijk niet ver te zoeken’, liet ze optekenen. Niet veel later was er sprake van een vergeldings actie. Michel zou ’s nachts op het dak van de buren gekropen zijn om de schoorsteen onklaar te maken. Schoorsteenvegers stelden vast dat er proppen krantenpapier in de schacht vastzaten. Toch werd ook die klacht wegens gebrek aan bewijs geseponeerd. Het jaar nadien was er zelfs sprake van een regelrechte moordpoging. Toen Michel op een koude
winterochtend
nietsvermoedend
naar
buiten stapte, gleed hij uit over een ijsplek en bezeerde zijn hoofd. Het bloed stroomde uit de open wonde. Hij werd weggebracht met een zieken wagen. Caroline beweerde dat de buren opzettelijk een plas water hadden achtergelaten op de stoep voor hun voordeur. En zo was er een hele waslijst aan vergrijpen, het ene al verregaander dan het andere, maar
20
zelden werd de zaak uitgeklaard. Meestal werden ze gecategoriseerd als ‘Escalerende burenruzie’. Maar er was ook heuglijk nieuws. Zowel Caroline als Mariem werd zwanger. Op vijf juni 2006 bevielen ze van hun eerste en enige kind, op dezelfde dag, op hetzelfde uur en zelfs op dezelfde minuut, om zeventien uur achtendertig, in hetzelfde ziekenhuis, in een kamer naast elkaar. Er was slechts één verschil: Caroline kreeg een dochter en Mariem een zoon.
Rowad Idrissi is ondertussen vijftien jaar. Hij is niet onknap, hij ziet er zelfs goed uit, met zijn twinkel oogjes, krulhaar en lederen jas. Hij is een beetje mollig, dat wel. Tenminste, hij víndt zichzelf mollig. Niet zo dik als zijn vader natuurlijk, maar toch. Voorts heeft hij een paarse chopperfiets. Julie Vandersmissen is net als Rowad vijftien jaar. Ook zij is niet onknap, zeker niet, ze heeft sproeten, van die ondeugende, en opgestoken haar
21
met een balpen erin. Zij houdt ook van chopperfietsen, althans van jongens op chopperfietsen, en een paarse chopperfiets vindt ze al helemaal cool, zó anders. Zelf houdt ze van sudoku’s oplossen. Rowad van zijn kant houdt dan weer van meisjes die sudoku’s oplossen, van de concentratie, de tong die hun bovenlip streelt. Verder doet Julie aan waterballet. Rowad niet. Hij vindt waterballet wel sierlijk, maar gaat natuurlijk nooit kijken als Julie het doet, dat zou awkward zijn. Voorts is Rowad gek op Fanta. En Julie ook, twee na elkaar zelfs, tijdens de middagpauze, uit een plastic flesje, slecht voor het milieu wel. Ze zitten op dezelfde school: Atheneum Hogeberg. In de Hogebergstraat, maar die straat is zo vlak als een biljartlaken. Hij zit in klas 4 Economie, zij doet Latijn. Elke morgen ziet Julie hoe haar buurjongen met zijn chopperfiets de straat uit scheurt. Dan springt ze ook op haar tweewieler. ‘Helm opzetten’, roept haar moeder haar na. Niet veel later passeert ze het pleintje waar Rowad staat, haar helm
22
bengelt aan het stuur. Hij ziet hoe haar haren deinen in de wind. Dat zijn zo van die momenten dat hij alleen naar haar kan kijken, hoe hard hij ook zijn best doet om het niet te doen. Het is zelfs al eens gebeurd dat hij dan onwillekeurig naar haar knipoogt. Jongens toch, de lach die ze dan op haar gezicht tovert… En hoe rood hij dan wordt… Het is toch overduidelijk? Je ziet en voelt aan alles dat Rowad en Julie gemaakt zijn voor elkaar. Een match made in heaven. Maar dat is natuurlijk niet zo. Het mag niet. Ze zijn niet voorbestemd. Tuurlijk niet, dat kan echt niet. Het is ten strengste verboden. Ik zou zelfs meer zeggen: ze haten elkaar. Want dat zit in de familie. Je zou kunnen zeggen dat het genetisch bepaald is. Ze moeten elkaar haten. Of niet soms?
‘De zon schijnt maar er hangt onweer in de lucht.’ Het zijn woorden van de grootvader van Julie. Het is 1984 en hij tuurt naar de hemel. Hij staat voor
23
zijn slagerij in aanbouw. Terwijl hij naar de lucht kijkt, parkeert er een wagen in de straat. Een man zit achter het stuur, Julies grootvader kijkt hem vragend aan. Naast hem zit een vrouw en op de achterbank een jongetje. Dezelfde leeftijd als onze Michel, denkt Julies grootvader nog. Het was beter geweest als het verhaal toen was geëindigd, toen ze elkaar voor het eerst ontmoetten, op die onweerachtige dag. De grootvader van Julie had bijvoorbeeld kunnen zeggen: ‘Oh, jullie beginnen hier ook een slagerij? Geen probleem, dan veranderen wij onze plannen en openen onze zaak aan de andere kant van de stad.’ Of de grootouders van Rowad hadden kunnen besluiten om dan maar een groentewinkel te beginnen. Zodat ze elkaar verder alleen maar vriendschappelijk hadden hoeven toe te knikken en er geen ergernis was ontstaan, geen gekibbel, geen onenigheid, geen vete die ze zouden doorgeven aan hun nakomelingen. Zodat er geen reden was geweest voor jarenlang geruzie. Als ze toen hadden geweten hoe het zou
24
aflopen, waren ze zeker elk hun eigen weg gegaan. Maar dat deden ze dus niet. Het was een zonovergoten dag en plots begon het te stortregenen.
25