Skip to main content

9789401477444

Page 1

KNIPPEN Naaien en knippen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Je moet de patroondelen uit de stof knippen, draadjes afknippen, knoopsgaten openknippen, noem maar op. Voor dit soort werkjes bestaat er gelukkig gespecialiseerd materiaal waardoor het allemaal heel gemakkelijk gaat. Patronen uitsnijden kun je ook doen met een rolmes en snijmat.

Kleermakersschaar

Stofschaar Als je deze nog niet in huis hebt, moet je nú naar de winkel hollen! Een stofschaar herken je aan de greep die in een hoek staat ten opzichte van het blad. Zo blijft het blad van de schaar tijdens het knippen op de tafel. Wij vinden metalen scharen prachtig, maar als je ze echt intensief gaat gebruiken, raden we toch een comfortabeler rubberen handvat aan. Gebruik je stofschaar enkel voor stof, nooit voor papier of andere zaken.

Borduurschaartje Dit schaartje met scherpe punt is voor het fijne knipwerk. Je gebruikt het vooral om draadjes af te knippen dicht tegen de stof en om moeiteloos naadwaarde, in- en weg te knippen. Er bestaan verschillende leuke designs van dit soort schaartjes..

Kartelschaar Een kartelrand knip je wanneer je wilt vermijden dat een onafgewerkte stofrand te veel gaat rafelen. Bijvoorbeeld bij de stofstaaltjes die je op je ‘to sew’-lijstje wilt nieten.

2

De kleermakersschaar is voor het zwaardere werk. Geschikt voor stoffen zoals meerlagige stoffen, denims en leer. Dankzij de kleine tandjes (microvertanding) in het schaarblad blijf je recht knippen wanneer je je een weg probeert te banen door de dikke stoflagen.

Draadknipper Met een draadknipper knip je in een snelle beweging loshangende draadjes af. Het werkt met een veermechanisme en je kunt er heel nauwkeurig mee knippen. Ervaren naai(st)ers laten zo’n draadknippertje het naaiproces lang aan hun ringvinger hangen terwijl ze bezig zijn. Dat vergt wel enige deskundigheid.

Applicatieschaar Deze ietwat raar uitziende schaar is ideaal voor het wegknippen van overtollige stof en draadjes bij applicaties en quiltwerk. Het gebogen blad voorkomt schade aan de applicatie of de stof en door het gebogen handvat kun je de schaar heel dicht langs naden manoeuvreren.


Vijf voordelen van een rolmes 1

Nauwkeurigheid

2

Geen spelden nodig

Met een rolmes kun je héél nauwkeurig langs de rand van het patroon snijden, want de stof blijft roerloos op de snijmat liggen tijdens het snijden. Bij een schaar zorgt het onderste mes er steeds voor dat de stof omhooggetild wordt, wat het (vooral bij gladde stoffen) erg moeilijk maakt om precies te knippen.

3

Snelheid

4

Rechte randen

5

Allerlei materialen

Naast het tijdrovende klusje van spelden dat je achterwege kunt laten, gaat het snijden met een rolmes ook veel sneller omdat je met één beweging langs de snijlijn rolt. Gebruik een groter rolmes voor de rechte stukken en een klein rolmesje voor sterk gebogen randen.

Omdat je met een rolmes probleemloos langs een (metalen) lat kunt snijden, kun je perfect rechte randen maken. Handig voor de quilters onder ons, maar ook bij het uitsnijden van biesjes en andere rechthoekige patroondelen.

MATERIALEN / NAAIGERIEF

Patroondelen op de stof spelden is met een rolmes verleden tijd. Je gebruikt gewichtjes om de patroondelen op hun plaats te houden. Dit hoeven geen professionele dingen te zijn. Alles wat enigszins gewicht heeft, kan dienen. Onze favorieten: metalen rondellen uit de gereedschapskoffer van onze man en zelfgemaakte zakjes gevuld met rijst.

Met een rolmes kun je heel makkelijk verschillende soorten materialen snijden, zoals stof, leer en papier. Je kunt het dus ook gebruiken om patronen uit te snijden. Gebruik wel een apart mesje voor stof en papier! Is het mesje bot aan het worden, dan vervang je het makkelijk door een nieuw mesje.

Pro tip!

Als je budget het toelaat, investeer je het best in een zo groot mogelijke snijmat, zodat je de patroondelen niet te veel hoeft te verschuiven tijdens het snijden. Is het patroondeel groter dan de snijmat? Dan is het beter om twee snijmatten tegen elkaar te leggen in plaats van het patroon te verschuiven.

3


VIER VEELGESTELDE VRAGEN OVER STOFFEN

4


1

Welke stoffen zijn het makkelijkst te verwerken onder de naaimachine?

Zet je nog maar net je eerste stappen in de wondere wereld van het naaien, dan is het belangrijk om te weten dat de ene stof al wat makkelijker onder controle te houden is onder de naaimachine dan de andere. Wil je dus niet dat de moed je al bij je eerste naaiproject in de schoenen zakt, kies dan voor een makkelijk handelbaar stofje zoals lichte of middelzware katoen zonder rek. Deze stof zal niet zo makkelijk in je machine getrokken worden, verschuiven of uitrekken. Het is bovendien een relatief goedkope stofkwaliteit en verkrijgbaar met verschillende leuke prints. Ideaal om bloesjes, topjes, rokken, zomerjurken en kinderkleding uit te maken. Welke stoffen zijn moeilijk om mee te naaien?

Rekbare stoffen, losse breisels, (imitatie)leer, denim, ribfluweel/corduroy en dikke stoffen zijn niet per se moeilijk om te verwerken. Ze vereisen wel een specifieke aanpak, aangepast gereedschap, en daarom ook de nodige kennis. Gelukkig heb je dit boek in handen om je alvast te helpen bij dat laatste. Lees zeker het hoofdstuk 'speciale stoffen' (p. 280) om te leren hoe je met zulke stoffen mooie resultaten kunt verkrijgen.

3

Hoe weet je of een patroon geschikt is voor soepele stoffen?

Soepele en delicate stoffen vormen een uitdaging onder de naaimachine. Gelukkig geven we je heel wat tips op p. 284. Soepele stoffen worden vaak gemaakt van natuurlijke kunstvezels zoals viscose, lyocell, modal, maar ook het synthetische polyester of natuurlijke zijde vallen heel erg soepel. Ook van andere vezels kunnen soepele stoffen gemaakt worden, mits ze als satijn of voile/chiffon geweven zijn. Ze zijn dun en glad, en hebben een specifieke val of drapage. Soepele stoffen vallen recht naar beneden in mooie, golvende plooien en blijven dus niet stijf staan. Daar moet je rekening mee houden bij het matchen met een patroon. Zo kun je mooie rimpelingen en plooien maken in soepele stoffen, maar die zullen nooit ‘poffen’ of bol staan. Je kunt met soepele stoffen geen volumes creëren (tenzij je ze ondersteunt met een andere stof of constructie). Zie je op een foto een kledingstuk dat gemaakt is van geweven katoen, weet dan dat de val van het kledingstuk er anders zal uitzien wanneer je het in een soepel vallende stof maakt. En vergeet niet: om fijn naaiwerk te kunnen verrichten in soepel vallende en delicate stoffen, is (naad)versteviging je beste vriend! Soepele stoffen uitsnijden, doe je het best met een rolmes.

Hoe weet je of een patroon geschikt is voor tricot, rekbare stoffen of niet-rekbare stoffen?

Patronen die ontwikkeld zijn voor tricotstoffen zijn meestal wat kleiner van pasvorm om de rekbare stoffen mooi aan het lichaam te laten aansluiten. Net omdat er rek in de stof zit, zullen deze nauwsluitende kledingstukken erg aangenaam zitten. Als je het patroon in een niet-rekbare stof zou maken, zou het helemaal niet zo comfortabel passen of zelfs grandioos te klein zijn. Kijk dus goed naar welke stofsoorten de patroonmaker aanraadt. Omgekeerd geldt dat als je een (aanpassend) patroon, dat gemaakt is voor een niet-rekbare stof, in tricot gaat maken, de kans groot is dat de pasvorm niet meer mooi zit. Sommige tricots zakken een beetje door, vooral de single tricots (T-shirtstof en French terry). Interlock (tricot die er aan beide kanten hetzelfde uitziet, zoals punta) is dubbel gebreid en heeft wat meer stabiliteit. Interlockstoffen zou je dus wel kunnen gebruiken voor ‘niet-rekbare’ patronen, maar dan verstevig je het best de naden met naad- en vormband om de rek eruit te halen en de vorm mooi te behouden. Ook bij alle sluitingen, opstikkingen, manchetten, kragen en andere details is het belangrijk dat je de rek uit de stof haalt door ze te bekleven met plakvlies om een mooi resultaat te krijgen. Bij lossere pasvormen, oversized stuks en kledingstukken met elastiek kun je kiezen of je voor een rekbare of nietrekbare stof gaat.

SOS Social media Hoe meer ervaring je hebt met verschillende patronen en verschillende stoffen, hoe beter je een match tussen stof en patroon kunt inschatten. Ben je een beginnende naai(st)er, dan raden we aan om op social media te kijken naar wat anderen maakten met het patroon, welke stoffen zij gebruikten en welk resultaat dat gaf.

NAAITECHNIEKEN / STOFFENWIJSHEID

2

De meest uitdagende stofsoorten zijn de delicate stoffen zoals voile/chiffon en organza, satijn, gepailletteerde stoffen en langharig (imitatie)bont.

4

Door ook zelf je creaties op Facebook en/of Instagram te posten, krijg je nuttige feedback en help je weer anderen bij het inschatten van het patroon. De patronen van La Maison Victor vind je op de socialmediakanalen door te zoeken onder de hashtag van het kledingstuk. # + naamkledingstuk + lmv, bv: #odettelmv, #silialmv, #almalmv Elk LMV-patroon heeft zijn eigen hashtag. Vermeld dus zeker de hashtag van het patroon als je jouw creatie post. Zo kunnen anderen die op zoek zijn naar een patroon ook jouw resultaat zien.

5


1

Waarom is het belangrijk om je maten te nemen voor je een patroon overtekent?

Je kunt er niet zomaar van uitgaan dat je gebruikelijke confectiemaat ook de juiste maat is van het naaipatroon dat je wilt gaan maken. Iedere designer heeft namelijk zijn eigen vastgelegde maten. Onze matentabel is dus niet dezelfde als de matentabel van een confectieketen of een coutureontwerper. Net zoals je ‘gebruikelijke’ confectiemaat kan verschillen van merk tot merk, zo kan die ook verschillen van de matentabel van La Maison Victor.

2

Hoe meet ik mezelf op?

Zorg ervoor dat het lint altijd mooi recht zit wanneer je een omtrek opmeet en trek het lint niet te strak aan, er moet nog een vingertopje tussen het lint en je lichaam kunnen. Vaak heb je niemand in de buurt om je te helpen bij het opmeten, gebruik dan het bodyfit-meetlint van La Maison Victor, zodat je correct kunt meten en de afmetingen makkelijk kunt aflezen. Dit lint heeft een knoopje waarmee je de lintmeter rond je lichaam kunt vastklikken zodat je niet voorover hoeft te buigen en mooi rechtop kunt blijven staan tijdens het opmeten. Ook makkelijk als je de omtrek van je arm wilt meten met één hand!

3

Waar op mijn lichaam moet ik precies meten?

Om te weten welke maat je moet kiezen om een kledingstuk te maken, meet je je borst-, taille- en heupomtrek. Voor de borstomtrek leg je het meetlint om het breedste punt van je borsten heen. Om te bepalen waar je je tailleomtrek precies moet meten, buig je met gestrekte rug even naar opzij. Het punt onder je ribben waar je lichaam plooit, dat is je taille. Voor de heupomtrek meet je rond het breedste punt van je heupen en zitvlak. Om dat breedste punt te vinden, verplaats je de lintmeter een paar keer op en neer. De manier van meten is hetzelfde voor vrouwen, mannen en kinderen. Verder is het ook handig om enkele controlematen te meten: je bovenarmomtrek (ongeveer 5 cm onder je oksel), je armlengte (van de schouder tot je polsknobbeltje) en je binnenbeenlengte voor het maken van broeken (van je kruis tot je enkelgewricht). Ook je dijbeenomtrek meten (5 cm onder je kruis) kan handig zijn.

Borstomtrek (BO) Tailleomtrek (TO)

6

Heupomtrek (HO) Armlengte


4

Ik heb me opgemeten, wat nu?

Vergelijk jouw borst-, taille- en heupomtrek met die van de La Maison Victor-matentabel. Wil je een bovenstuk of een jurk maken, kijk dan bij welke maat jouw borstomtrek het dichtste aansluit. Kijk vervolgens naar de taille- en heupomtrek van die maat en vergelijk met jouw maten. Liggen ze dicht in de buurt (mag 2 cm afwijken), dan mag je die maat overtekenen. Wijkt een van je opgenomen maten sterk af (meer dan 3 cm)? Dan heb je twee opties: ofwel verbind je bij het overtekenen van het patroon de lijnen van 2 of 3 maten, ofwel teken je het patroon van 1 maat over (die waarbij je borstomtrek aansluit) en pas je het patroon vervolgens aan. Meer uitleg over patronen aanpassen vind je in dit boek op p. 48. Bij het maken van een onderstuk zal je heupomtrek bepalen welke maat je het best overtekent en pas je eventueel de tailleomtrek van het patroon aan indien die te veel afwijkt.

Maak steeds een proefstuk in een goedkope stof. Zo zie je op voorhand of het kledingstuk je mooi past en kun je nog aanpassingen maken voordat je in je mooie, dure stof knipt. Bij een proefstuk hoef je niet alles netjes af te werken. Stik alleen de panden aan elkaar die je nodig hebt om de pasvorm te beoordelen. Dat gaat lekker snel.

5

Moet ik elke keer opnieuw mijn maten nemen?

Zolang je eigen maten niet veranderd zijn, mag je telkens dezelfde maat overnemen bij patronen van La Maison Victor. Heb je het gevoel dat er wat aan je lichaam veranderd is, dan meet je het best alles nog eens opnieuw en vergelijk je je nieuwe maten met de tabel. Onze maattabel verandert in principe niet. Maar we sluiten niet uit dat er ooit eens iets aan zou kunnen wijzigen. Hoewel we dat dan natuurlijk zeker zullen vermelden, check je toch maar het best telkens als je een patroon overneemt of de matentabel nog steeds overeenkomt met je eerder opgenomen maten.

6

Pro tip! Meet bij jumpsuits of bij jurken met een taillenaad ook de lengte van je bovenlijf (van hals tot taille) en vergelijk het resultaat met het patroon. Voeg indien nodig extra lengte toe aan het bovenstuk.

7

Bij het kiezen van onze fotomodellen houden we er rekening mee dat hun lichaamsmaten overeenkomen met onze gemaakte standaardmaat. Zo zal het ontwerp van het kledingstuk goed tot zijn recht komen en krijgen jullie als lezers een juiste indruk van de pasvorm. Maken wij een oversized stuk, dan zal het er op het model ook oversized en dus eerder ruim uitzien. Maken wij een aanpassend stuk of een stuk dat losjes valt, dan zal het er op het model ook zo uitzien. Ook met de lengte houden we rekening: omdat modellen vaak tien centimeter groter zijn dan onze standaardmaten, verlengen we de kledingstukken voor de foto-opname naargelang hun lengte, zodat je een duidelijk beeld krijgt van hoe lang het kledingstuk volgens ons (en dus volgens de afmetingen in onze matentabel) zou moeten vallen. Bijvoorbeeld: valt de rok boven de knie of onder de knie? Als we dat niet zouden doen, zou de rok bij iemand van 1m68 onder de knie vallen en bij het model van 1m78 boven de knie. We zorgen er dus voor dat de foto’s in het magazine een goede referentie zijn qua ontwerp en pasvorm. Kijk er goed naar om een correcte inschatting te kunnen maken van het ontwerp. Zo zul je niet teleurgesteld zijn over het resultaat op jezelf.

Wat met de lengtes van de kledingstukken?

Ook de lichaamslengte waarvoor wij de patronen ontwerpen staat vermeld in de matentabel. Houd hier dus zeker rekening mee, want als jij veel groter of kleiner bent, zul je het kledingstuk moeten verlengen of verkorten (hierover vind je meer uitleg op p. 52). Daarnaast is de juiste lengte van een kledingstuk iets wat deels bepaald wordt door smaak. Sommige mensen hebben graag dat hun bovenstukken lekker lang vallen tot op de heupen, anderen hebben liever kortere bovenstukken omdat ze die graag in hun broek of rok steken en niet te veel stof willen wegsteken. Hetzelfde geldt voor broeken: er zijn vrouwen die willen dat de pijpen mooi over hun hoge

Is een foto in een magazine een goede referentie om de pasvorm in te schatten?

8

PATRONEN / MATEN NEMEN

Pro tip!

hakken vallen, anderen dragen nooit hakken en willen een iets kortere zoomlengte. Of je houdt van blote enkels en wilt vooral trendy ‘cropped’ broeken dragen. Ook bij roklengtes en mouwlengtes heeft ieder zijn eigen voorkeur. Het leuke aan naaien is dat je dit allemaal helemaal zelf kunt bepalen! Het enige wat je moet doen, is de lengte van de patronen even nameten voordat je ze uitknipt. Ga bij jezelf na tot waar het kledingstuk zou vallen en pas aan naar je eigen smaak en voorkeuren.

Naadwaarde weglaten om een patroon te verkleinen: goed of slecht idee?

Beter niet doen. Door naadwaarde weg te laten, verander je de vorm van het patroon. Kijk maar eens goed naar de gradatie (matensprongen) tussen twee maten. Een patroon wordt niet op elk punt evenveel vergroot of verkleind. Als je een patroon wilt verkleinen en je laat de naadwaarde weg, dan kun je weleens een foute pasvorm overhouden, vooral aan zijnaden, arm- en halsuitsnijdingen. Wil je het patroon op een bepaalde plaats verkleinen, teken dan ofwel de lijnen van een maat kleiner over, ofwel pas je je patroon aan volgens de juiste methodes die je vanaf p. 52 vindt. 7


8


DRAADRICHTING Stoffen worden geweven met verticale kettingdraden, waardoor horizontale inslagdraden worden geschoten. De zijkanten van de stof noemen we ‘zelfkanten’. Recht van draad is de richting van de kettingdraden, parallel met de zelfkanten. Dwars van draad is de richting van de horizontale inslagdraden, dwars op de zelfkanten. Schuin van draad (biais) is in een hoek van 45° ten opzichte van de kettingdraden/zelfkanten.

VLEUG Om te bepalen of jouw stof een vleug heeft of niet, strijk je met je hand naar boven en naar beneden over de stof. Merk je een kleurverschil, dan heeft je stof een vleug en moet je hiermee rekening houden tijdens het knippen, zodat de panden geen kleurverschil vertonen wanneer ze aan elkaar gestikt zijn. Kijk in welke richting de kleur je het meest bevalt en leg dan alle patroondelen in dezelfde richting. ‘Met de vleug mee’ is wanneer je de haartjes van de stof platstrijkt, ‘tegen de vleug in’ is wanneer je tegen de richting van de haartjes strijkt. Poolstoffen, zoals fluweel en corduroy, knip je ‘tegen de vleug in’. Maar bij stoffen met een poolhoogte van meer dan 5 mm, zoals teddy en imitatiebont moet je de patroondelen met de vleug mee knippen.

KNIPPLAN LEZEN Hoe je de patroondelen op de stof moet leggen, staat altijd aangegeven met een tekeningetje bij de werkbeschrijving. Zo zorg je ervoor dat alle delen zo voordelig mogelijk uit de stof geknipt worden. Vaak moeten patroondelen tweemaal uit de stof geknipt worden. Voor het gemak vouwen we daarom onze stof dubbel, zodat we maar één keer moeten knippen om twee delen over te houden. Het dubbelvouwen van de stof doe je altijd door de zelfkanten op elkaar te leggen. Je hebt dan

STOFHOEVEELHEID BEREKENEN

PATRONEN / KNIPPEN

Op patroondelen staat steeds met een pijl of lijn de ‘recht van draad’-richting aangeduid. Zo weet je precies hoe je elk deel op de stof moet leggen. Hoe je het patroon ten opzichte van de draadrichting legt, zal namelijk bepalen hoe het kledingstuk zal vallen en in welke richting de rekbaarheid zal zitten. Schuine draadrichting rekt altijd meer dan rechte draadrichting. Een bandje dat je rond een ronde rand wilt stikken als afwerking, knip je altijd in schuine draadrichting. Want door de lichte rekbaarheid zal het bandje makkelijker in een ronde vorm te manipuleren zijn. Daarom noemen we zo’n bandje ‘biaisband’.

één stofvouw. Sommige delen moeten aan de stofvouw gelegd worden, zodat je één symmetrisch deel uitknipt. Een knipplan kan ook getekend worden met dubbele stofvouw. Dan liggen de zelfkanten in het midden en heb je aan weerszijden een stofvouw. Dit kan in sommige gevallen voor minder stofverbruik zorgen. Het kan ook gebeuren dat er wordt aangegeven om eerst je stof met enkele stofvouw te plooien om enkele patroondelen uit te knippen. En daarna de stof open te leggen of met dubbele stofvouw te plooien om de resterende delen uit te knippen. Kijk dus altijd heel goed naar het knipplan om te zien hoe je de patroondelen het beste kunt leggen.

Exact berekenen hoeveel stof je nodig hebt om een bepaald kledingstuk te maken kan je kosten besparen en zo zorg je ervoor dat je niet met heel wat reststof blijft zitten. Dit doe je door de stof te simuleren op tafel of op de grond en het knipplan uit te leggen.

HOE GA JE TE WERK?

1 Ga na hoe breed de stof is die je wilt kopen. Wij gaan uit van een standaardstofbreedte van 140 cm.

2 Om de stofdelen twee keer uit de stof te knippen, moet je de stof dubbelvouwen.

Je houdt dus een stofbreedte over van 70 cm. Leg een lange lat tegen de rand van de tafel en meet 70 cm naar boven. Rol hier je lintmeter uit. 9


1

WAAROM, WAT EN HOE?

In de werkbeschrijvingen wordt aangeduid welke delen van een kledingstuk je moet verstevigen. En daar zijn goede redenen voor.

10


Wat verstevig je?

In onze naaiwerkbeschrijvingen zie je vaak een tussentiteltje ‘verstevigen’. Daar sommen we op welke patroondelen je moet bekleven met plakvlies, naad- of vormband. Het is belangrijk dat je deze stap niet overslaat. En wel om deze acht redenen.

• Zowel losse als aangeknipte belegdelen. Dit zijn stukken buitenstof die aan de binnenkant van een kledingstuk zitten en dienen om randen af te werken en de buitenstof meer stevigheid te bieden aan de randen. Losse belegdelen worden aan de randen van het kledingstuk gestikt. Aangeknipte belegdelen zijn al aan het patroon getekend en moeten enkel nog omgevouwen worden.

1

Om de plaats waar je een drukknoop gaat bevestigen te verstevigen. Zo zal de stof minder snel gaan scheuren wanneer er kracht op gezet wordt bij het opentrekken.

2

Een stukje plakvlies kan kwetsbare hoekpunten versterken, bijvoorbeeld de punt van een V-hals.

3

Plakvlies met stabiliserende lengtedraden zal vermijden dat een los geweven stof gaat uitzakken.

4

Om te voorkomen dat naden van soepele stoffen scheuren of gaan golven, gebruik je naadband voor rechte naden en vormband voor ronde naden.

5

Naad- en vormband zijn ook ideaal om te voorkomen dat de stof gaat uitrekken op de schuine draadrichting, bijvoorbeeld aan de schoudernaden, halsuitsnijding, revers of schuine omslag.

6

Plakvlies of strijkbare tussenvoering wordt het meest gebruikt om bepaalde delen meer steun te geven en iets minder soepel te maken, bijvoorbeeld manchetten, kragen, belegdelen, zakkleppen.

7

Om structuur en vorm te geven aan een kledingstuk, met andere woorden: om de ‘val’ te manipuleren. Bijvoorbeeld bij voorpanden van jasjes en bij speciaal ontworpen naaiconstructies.

8

Om de rekbaarheid uit de stof te halen. Wanneer je bepaalde technieken wilt toepassen op tricotstoffen kan het helpen om de stof niet-rekbaar te maken, zodat ze makkelijker te verwerken is.

• Kragen, boorden, kleppen, manchetten, ceinturen. Deze bestaan telkens uit twee delen waarvan je enkel het onderste deel verstevigt. Wanneer ze maar uit één deel bestaan en je moet ze omvouwen, dan verstevig je ze voor de helft. • Stukken van de panden in buitenstof die je wilt beschermen tegen uitrafelen of uitrekken.

Hoe verstevig je? • Knip de panden die verstevigd moeten worden uit het verstevigingsmateriaal van je keuze (lees meer over de verschillende soorten op p. 78). Niet-plakbare tussenvoering naai je mee tussen de naden bij het in elkaar zetten van de panden. Voor plakbare tussenvoering ga je als volgt te werk. • Leg de averechtse kant van de stofdelen op de lijmkant van de versteviging. • Bedek je strijkplankhoes met een doek of stuk patroonpapier, leg de stofdelen met versteviging erbovenop. Leg hier overheen een strijkdoek en ga met drukkende bewegingen over de stofdelen met versteviging. Houd het strijkijzer telkens enkele seconden stil, zodat de lijm kan smelten en aan de stof kan hechten.

VERSTEVIGEN / WAAROM, WAT EN HOE?

Waarom verstevig je?

• Laat de delen na het persen afkoelen voor je verder gaat naaien. • Knip de randjes bij indien nodig.

11


1

2

3

4

5

6

8

7

Pro tip!

9

12

Houd er rekening mee dat je bij sommige steken ook een ander persvoetje moet gebruiken. Raadpleeg steeds het instructieboekje van jouw machine voor meer informatie over het instellen en het gebruik van de steken.


1

RECHTE STEEK

Dit is de standaardsteek om naden te naaien. De steeklengte kun je aanpassen naargelang de stof die je gebruikt. • Dunne tot middelzware stof 2,5 mm voor naden - 3,5 mm voor doorstikkingen • Zwaardere stof 3 mm voor naden - 4 mm voor doorstikkingen • Dikke stof 3,5 mm voor naden - 4,5 mm voor doorstikkingen

2

ZIGZAGSTEEK

Een zigzagsteek gebruik je voornamelijk voor de onderstaande toepassingen. • O m de randen van de stof af te werken wanneer je geen overlockmachine hebt en je naaimachine geen overlocksteek heeft. Het zigzaggen van de randen voorkomt dat de stof verder gaat uitrafelen. • O m rekbare naden en doorstikkingen te maken. De naden gaan niet knappen wanneer de stof wordt uitgerekt, want deze steek rekt mee. • Om elastiek vast te stikken. • Om applicaties op een stof te naaien.

3

MEERVOUDIGE ZIGZAGSTEEK

Deze zigzagsteek voorkomt enigszins dat stretchstof gaat samentrekken tijdens het stikken.

4

STRETCHSTEEK

De naam zegt het al. Het is een steek die je gebruikt om stretchstoffen te stikken, zodat de naden rekbaar blijven. Ook de naden die schuin van draad zijn gesneden in niet-rekbare stoffen en flexibel moeten blijven, stik je het best met deze steek. De steek wordt aangeduid met een bliksemschicht en naait eerst een stukje naar voren, dan een klein stukje naar achteren en dan weer naar voren. Deze steek staat niet op alle naaimachines. Houd er rekening mee dat deze steek meer garen verbruikt dan een rechte steek.

DRIEVOUDIGE STRETCHSTEEK

Dit is een sterke steek en wordt aangeduid met drie stiksels naast elkaar. Je kiest deze steek voor naden waar elasticiteit én sterkte nodig zijn, met het oog op comfort. Bijvoorbeeld bij het naaien van een legging of body. Ook bij niet-rekbare stoffen is dit een goede steek om kruisnaden en zakvoeringen extra sterk te maken.

6

SIERSTEKEN

Vele nieuwe naaimachinemodellen zijn uitgerust met extra borduur- en siersteken. Die gebruik je voor decoratief doorstikwerk. Bijvoorbeeld aan de knopenpat van een bovenstuk, op een achterzak van een broek, langs de rand van een placemat of om een stof zelf te bewerken met borduursels.

7

KNOOPSGATSTEEK

Sommige naaimachines kunnen een knoopsgat volautomatisch maken. Dan is het voldoende om de grootte van het knoopsgat in te geven en de machine doet de rest. Vaak kun je kiezen tussen een vierkant knoopsgat, een afgerond knoopsgat of een sleutelgatknoopsgat. Bij oudere machines moet je het knoopsgat in vier stappen naaien: bovenkant – zijkant – onderkant – andere zijkant. Raadpleeg het instructieboekje van je naaimachine, want wat je precies moet doen, kan bij elk model van naaimachine wat anders zijn.

8

OVERLOCKSTEEK

Deze steek imiteert de steek van een overlockmachine en je gebruikt ze om rafelranden af te werken wanneer je niet in het bezit bent van een overlockmachine. Vaak kun je kiezen uit een open en een gesloten overlocksteek.

9

NAAITECHNIEKEN / STIKSTEKEN

De rechte steek kun je ook gebruiken om panden tijdelijk aan elkaar te rijgen of om rimpeldraden te stikken. In beide gevallen maak je een tijdelijk stiksel door te stikken met de grootste steeklengte (min. 5 mm) zonder aan en af te hechten. Dit stiksel kun je makkelijk weer verwijderen.

5

BLINDZOOMSTEEK

Met deze steek kun je machinaal een blinde zoom naaien. Je moet de stof op een bepaalde manier onder je naaimachine leggen, zodat de naald een piepklein draadje van de buitenstof meeneemt wanneer ze de grote zigzag maakt. Lees meer op p. 89 over hoe je dit precies doet.

13


LIGGENDE PLOOI A A

A A

• B ij een liggende plooi staan er op het patroon twee plooilijnen aangeduid en een pijl. Op het merkteken waar de pijl vertrekt, strijk je een vouw in de stof. De vouw leg je op het merkteken waar de pijl naartoe wijst. De plooiwaarde leg je naar de kant van het eerste merkteken. Als je verschillende liggende plooien naast elkaar maakt, leg je de plooiwaarde telkens naar dezelfde kant. • J e kunt de plooien spelden en vervolgens bovenaan in de naadwaarde horizontaal vaststikken. • O f je vouwt de merktekens op elkaar met de goede kant van de stof naar binnen en je geeft in de vouwlijn een verticaal stiksel van een paar centimeter lang. • A ls je dit wenst, kun je het vastgestikte deel van de plooi aan de goede kant van de stof en vlak naast de naad nog eens doorstikken.

14


STOLPPLOOI

DUBBELE STOLPPLOOI E

2 cm

• Bij deze plooi is de plooiwaarde dubbel zo diep als bij een enkelvoudige stolpplooi. Er staan vijf merktekens op het patroon aangeduid. • Je vouwt twee stolpplooien bovenop elkaar. • Dit soort plooi komt het mooist tot zijn recht in middelzware, stijvere stof.

• Voor een stolpplooi staan er drie merktekens op het patroon aangeduid. De twee buitenste leg je met de goede kanten op elkaar en je geeft een verticaal stiksel een paar centimeter naar beneden, of je stikt de plooien bovenaan vast in de naadwaarde met een horizontaal stiksel. • Vervolgens duw je op de plooiwaarde zodat het middelste merkteken precies op het stiksel ligt.

PLATTE PLOOI D

D

• Strijk de plooi plat.

• Een platte plooi is de typische plooi die je op het rugpand van (over)hemden terugvindt. Deze plooien zorgen voor wat extra ruimte op de rug, zodat je de armen goed kunt bewegen. • Voor een platte plooi staan er drie merktekens op het patroon aangeduid. De twee buitenste leg je met de averechtse kanten op elkaar en je geeft een verticaal stiksel een paar centimeter naar beneden.

NAAITECHNIEKEN / PLOOIEN

• Een stolpplooi, ook wel springplooi genoemd, wordt vooral om esthetische redenen gebruikt. Je kunt er verschillende kleintjes naast elkaar plaatsen voor een zigzageffect, maar die soort plooi komt ook heel mooi tot zijn recht als ze als één grote plooi in een ontwerp wordt gebruikt, bijvoorbeeld op de rug van een jas of in het voorpand van een rok.

• Vervolgens duw je op de plooiwaarde, zodat het middelste merkteken precies op het stiksel ligt. • Strijk de plooi plat.

15


10 gouden tips

1

1

Patroonkeuze

2

Groot werkvlak

3

Snijd in een enkele stoflaag

NAAIEN MET DELICATE STOFFEN

Chiffon/voile, zijde, satijn, dunne viscose … het zijn prachtige delicate textielsoorten waarmee je pareltjes van kledingstukken kunt maken. Maar ze zijn best lastig om te verwerken. Heb je er nog nooit mee genaaid of alleen nog maar slechte ervaringen mee gehad? Laat dat je niet tegenhouden om er (opnieuw) aan te beginnen. Met enkele slimme tips lukt het jou ook.

16

Delicate stoffen zijn niet geschikt voor patronen die heel vormgevend zijn. Heb je een patroon met veel nepen en coupenaden om een aanpassend silhouet te verkrijgen, kies dan liever niet voor dunne, transparante stoffen. Gebruik chiffon en soortgelijke stoffen enkel voor redelijk loszittende patronen met zachte golvende lijnen waarbij de val van de stof mooi tot zijn recht kan komen.

Delicate stoffen moeten goed ondersteund worden tijdens het knippen en het stikken, want anders zorgt hun eigen gewicht ervoor dat de patroondelen vervormen. Als je kniptafel niet groot genoeg is, leg je stof dan op de grond om de patronen uit te knippen. Kies bij voorkeur een opzetstuk om het werkvlak aan je naaimachine groter te maken, ook wel aanschuiftafel genoemd, zodat de stof tijdens het stikken mooi gelijk blijft liggen. Een naaimachine die ingewerkt is in het tafelblad is ideaal voor dit soort projecten.

In plaats van je patroondelen te snijden uit dubbelgevouwen stof, leg je de stof helemaal open en snijd je de delen uit een enkele stoflaag. De delen die je normaal gezien aan de stofvouw zou moeten leggen, moet je dan eerst spiegelen, zodat je een volledig en symmetrisch patroondeel op de stof kunt leggen. Delicate stoffen zijn zo glad en vloeiend dat het heel moeilijk is om je patroondelen er perfect uit te kunnen knippen met een schaar. Zodra je het onderste blad van de schaar onder de stof schuift, glijden de vezels al weg en knip je niet meer in een mooie rechte lijn. Een beter idee is om de stof te snijden met een rolmes op een snijmat, zodat de stof mooi vlak kan blijven liggen. Gebruik gewichtjes in plaats van spelden om de patroondelen op hun plaats te houden tijdens het snijden.


4

Vermijd knipjes als merktekens

5

Gebruik een boventransportvoet

6

7

De naden van delicate stoffen wil je zo weinig mogelijk beschadigen om doorscheuren te voorkomen. Gebruik dus geen schaar om merktekens aan te duiden in de naadwaarden. Wat je wel kunt doen is een streepje zetten met kleermakerskrijt of het merkteken aanduiden met rijgdraadjes.

Wanneer je twee lagen lichtgewicht stoffen op elkaar stikt, gebeurt het vaak dat enkel de onderste laag goed geleid wordt onder de naald en de bovenste laag aan een trager, onregelmatig tempo meegaat. Een boventransportvoet zorgt ervoor dat beide stoflagen gelijkmatig onder de naald glijden. Hij vermijdt ook dat gladde stoffen, zoals satijn, steeds wegschuiven.

Kies de juiste naald Start je een nieuw naaiproject met een soepele stof die geweven is met een hele fijne vezel, dan is het belangrijk om zeker een nieuwe naald, het liefst een microtexnaald, in je naaimachine te steken. Een naald die al een tijdje in gebruik is, heeft een haakje aan de punt gekregen dat fijne vezels zal beschadigen. Voor stoffen die losjes geweven zijn of gebreid, is een jersey- of ballpointnaald het meest geschikt. Deze naalden hebben een afgeronde punt die de vezels opzij duwt in plaats van ze te doorboren. Zo vermijd je dat de stof scheurt en gaat rafelen aan de stiksels. Gebruik de rechte steekplaat De rechte steekplaat zorgt voor een stabielere steek en heeft een kleinere opening, wat beter is voor het verwerken van fijne stoffen. Ze voorkomt dat de machine de stof zal ‘opeten’. Vraag ernaar bij je naaimachinehandelaar.

8

Vermijd achteruitstikken

9

Probeer eens een versteviger

Normaal gezien zou je een stiksel hechten aan begin en einde door even achteruit te stikken. Bij een dunne, delicate stof veroorzaakt zo’n hechting een puinhoop: de stof trekt samen of verdwijnt zelfs in het spoelhuis en het garen vormt lelijke knopen. Kortom, achteruitstikken beschadigt je stof. In plaats van te hechten laat je een lang stuk draad hangen aan het begin en einde van het stiksel. Nadien leg je in de lange draden een knoopje met de hand. Het is een goed idee om eerst op een proeflapje van dezelfde stof te stikken om de draadspanning te testen en eventueel aan te passen.

Word je echt helemaal zenuwachtig van het stikken van extreem dunne stofjes zoals voile? Er is een aantal hulpmiddeltjes op de markt waarmee je de stof tijdelijk kunt verstevigen waardoor het stikken van de naden makkelijker zal gaan. Zo kun je de naden die je gaat stikken verstevigen, met scheurvlies of soluvlies. Het eerste trek je er na het stikken gewoon weer af, het laatste lost op in water. Er bestaat ook een spray waarmee je de naden kunt inspuiten. De stof wordt dan op die plaatsen wat stijver. Wanneer je alles gestikt hebt, spoel je het product er weer uit met water.

10 Rolzomen

Fijne rolzomen zijn de perfecte manier om een kledingstuk in een delicate stof af te werken. Brede zomen kunnen het kledingstuk uit vorm trekken door het gewicht en belemmeren de soepele val van de stof. De gemakkelijkste manier om een fijn zoompje te naaien is met behulp van een rolzoomvoet die je op je naaimachine bevestigt. Zulke voetjes zorgen ervoor dat de stof precies op de juiste breedte omrolt terwijl je stikt. Zo hoef je dus niet de hele zoomlengte vooraf om te strijken, wat je heel wat tijd bespaart. Je kunt de rolzoompjes ook met de hand naaien. Zo kun je een zoom creëren die haast onzichtbaar is aan zowel de buiten- als de binnenkant van het kledingstuk.

SPECIALE STOFFEN / NAAIEN MET DELICATE STOFFEN

17


7

EEN ONZICHTBAAR ELASTIEK IN JE TAILLE Wil je jouw jurk wat meer taillering geven zonder al te veel moeite, dan kun je een elastiek stikken op de taillenaad tussen top en rok.

18


HOE GA JE TE WERK?

1 Speld de taillenaad van top en rok met de goede kanten

2 Knip een stuk elastiek naar wens en afhankelijk van

de rekbaarheid van je elastiek (zie ook het hoofdstuk over elastiek op p. 118). Doorgaans is dit volgens de omtrek van je taille + 2 cm, maar dit is soms ook ontwerpgebonden, afhankelijk van hoe strak je het graag draagt en de elasticiteit van je elastiek. Verdeel het elastiek vervolgens in vier gelijke delen en duid aan met speldjes.

HACKEN / TAILLE ELASTIEK

op elkaar, zodat de MV-merktekens op elkaar liggen, de zijnaden gelijk liggen en de MR-merktekens op elkaar liggen. Stik vast en werk de naad af met een zigzagsteek of overlock.

3 Stik het elastiek, terwijl je het uitrekt, aan de naadwaarde van de taillelijn (let op: stik het elastiek enkel aan de naadwaarde). Zorg ervoor dat de speldjes overeenkomen met het MR-merkteken, de beide zijnaden en de MV-naad. Stik rondom vast. Leg de uiteinden van het elastiek 1 cm over elkaar en stik vast.

19


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401477444 by Uitgeverij Lannoo - Issuu