LUCIEN FASTRÉ, VEERLE TULLENEERS EN KAROLIEN VLAYEN
Vakdidactiek voor leraren economie EEN PRAKTIJKGERICHTE BENADERING
Tweede volledig herziene editie D/2021/45/204 – ISBN 978 94 014 7742 0 – NUR 846 Vormgeving omslag: Keppie & Keppie Vormgeving binnenwerk: Crius Group © De auteurs & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2021. Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus Vaartkom 41 bus 01.02 Postbus 23202 3000 Leuven 1100 DS Amsterdam België Nederland www.lannoocampus.be www.lannoocampus.nl
Inhoud
Voorwoord 9 Hoofdstuk 1 INLEIDING
11
1.1 Stand van zaken 1.1.1 Waarom is economie-onderwijs nodig? 1.1.2 Hoe ziet het economie-onderwijs eruit? 1.1.3 Kritische bedenkingen 1.2 Waar naartoe? 1.3 Hoe de doelstellingen bereiken?
11 11 12 18 18 22
Hoofdstuk 2 Hoe maak ik een les economie?
27
2.1 Denken en dan pas doen! 2.1.1 Lesdoelstellingen 2.2 Leerinhouden 2.2.1 Waar informeren? 2.2.2 Hoe voorbereiden? 2.2.3 Expert in alles? 2.3 Beginsituatie 2.4 Een duidelijke opbouw 2.4.1 Probleemstelling of onderzoeksvraag 2.4.2 Motivatiefase 2.4.3 Analysefase 2.4.4 Synthese en naverwerking
Hoofdstuk 3 Didactische fiches 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
Inductie – case: invloed van inflatie op het loon (3de graad) Aanschouwelijkheid – case: veiligheid in de logistieke omgeving (2de graad) Leerlingenactiviteit – case: marktvormen (3de graad) Herhaling – case: fasen van het aankoopproces (2de graad) Actualiteit – case: fusie, overname of joint venture? (2de graad) Het onderwijsleergesprek (OLG) – case: loonkostverschillen met het buitenland (2de graad) 3.7 Doceren – case: het ontstaan van organismen van internationale economische samenwerking (2de graad)
28 29 36 36 37 37 38 40 40 43 49 62
67 68 70 72 74 76 78 80
6
Vakdidactiek voor leraren e conomie
3.8 Groepswerk – case: vennootschapsvormen (3de graad) 3.9 Rollenspel – case: deskundig klantenonthaal in een winkel (3de graad) 3.10 Bordgebruik – case: loonberekening – loonkost (RSZ WG) 3.11 ICT-gebruik – case: performantie van ondernemingen (3de graad) 3.12 Boekhouden – case: boeken van een verkoopfactuur (2de graad)
Hoofdstuk 4 Ook nog aandacht voor ... 4.1 Economie en taalgericht vakonderwijs 4.1.1 Context 4.1.2 Interactie 4.1.3 Taalsteun 4.2 Bedrijfsadministratie – boekhouden 4.2.1 Leerlijn in een meerjarig curriculum 4.2.2 Consequente opbouw van een meerjarig curriculum 4.3 Bedrijfsbezoek – excursie 4.3.1 Afbakening van de doelen 4.3.2 Algemene voorbereiding 4.3.3 Tijdens het bedrijfsbezoek 4.3.4 Na het bedrijfsbezoek 4.4 Werkplekleren 4.4.1 Werkplekleren: een definitie 4.4.2 Welke vormen van werkplekleren zijn er? 4.4.3 Wat zegt de wetgeving over werkplekleren? 4.4.4 Een visie op werkplekleren? 4.4.5 Hoe het werkplekleren voorbereiden? 4.4.6 Hoe het werkplekleren begeleiden? 4.4.7 Hoe het werkplekleren evalueren? 4.5 Onderzoekscompetenties 4.5.1 Waarom onderzoekscompetenties? 4.5.2 Wat zijn onderzoekscompetenties? 4.5.3 Een leerlijn en een didactiek voor onderzoekscompetenties 4.5.4 Werken met een onderzoekscyclus 4.5.5 Een aantal aanbevelingen voor de praktijk 4.6 Evaluatie 4.6.1 Waarom evalueer je? 4.6.2 Wat evalueer je? 4.6.3 Hoe evalueer je? 4.6.4 Wanneer evalueer je? 4.6.5 Wie evalueert? 4.6.6 Wanneer is evaluatie kwaliteitsvol?
82 84 86 88 90
93 93 94 97 99 103 103 104 114 115 116 117 118 119 119 120 122 122 123 125 126 126 126 127 128 128 130 131 133 136 138 140 143 143
Inhoud 7
4.7 Binnenklasdifferentiatie 4.7.1 Leerdoelen 4.7.2 Tempo 4.7.3 Groeperingsvormen 4.7.4 Werkvormen 4.7.5 Instructie 4.7.6 Evaluatie 4.7.7 Ondersteuning 4.8 Duurzaamheid integreren in de lessen economie 4.8.1 Waarom moeten we duurzaamheid integreren in de lessen economie? 4.8.2 Welke duurzaamheidscompetenties moeten onze leerlingen verwerven? 4.8.3 Met welke didactische strategieën kun je duurzaamheid inte greren in de economieles? 4.8.4 Waar kan ik inspiratie vinden om duurzaamheid te integreren in de economieles? 4.9 Hybride leren en digitale (vak)didactiek 4.9.1 Wat is hybride leren? 4.9.2 Wat is digitale (vak)didactiek? 4.9.3 Hoe een hybride leeromgeving ontwikkelen? 4.9.4 Welke ICT-tools waarvoor? 4.9.5 Concrete aandachtspunten 4.9.6 Mag het wat minder zijn?
Bijlage: inspiratiegids 1 2 3 4 5 6 7 8
Ondernemingszin en ondernemerschap Ethiek en duurzaamheid Logistiek en retail Inflatie en monetair beleid – Algemene economie De Europese Unie Financiële geletterdheid Democratie en politiek Actualiteit en varia
Bibliografie
151 152 154 155 157 162 162 166 167 167 171 180 186 192 192 193 195 198 200 200
205 205 210 213 215 218 219 221 222
227
dankwoord 231
Voorwoord
Een halve eeuw geleden (1968) … Uit Inleiding tot de didactiek der economische wetenschappen, dr. A. Luwel, docent aan de Vrije Universiteit Brussel, Standaard Wetenschappelijke Uitgeverij/Antwerpen-Utrecht: Noodzaak der speciale didactiek ‘Men heeft lange tijd onvoldoende aandacht geschonken aan de absolute noodzaak van een meer theoretisch gericht speciale didactiek. Men huldigde veelal de opvatting dat de kwaliteit van het gegeven onderwijs grotendeels terug te brengen is tot de spontane uiting van de persoon van de leraar, gezien in het licht van diens aanleg en ervaring. Dit leidde tot een spontaniteitsopvatting omtrent de geschiktheid tot het onderwijs, die tegenwoordig echter globaal moet worden verlaten. Wetenschappelijke kennis en onderwijsaanleg zijn twee zaken die niet noodzakelijk en simultaan in dezelfde persoon aanwezig zijn. Het efficiënt aanleren van elke stof vereist eigen technieken van onderwijs, die niet meer berusten op intuïtief aanvoelen. Het opdoen van onderwijskennis door ervaring is voortaan ondoelmatig en onproductief. Het onderwijzen als routine is definitief voorbij, evenals het terugbrengen van de vakdidactiek tot een samenstel van kunstige trucjes of knepen. Vandaar de dringende behoefte aan een speciale didactiek die uitgegroeid is tot een wetenschappelijk geheel van principes en technieken, die aan rationeel onderricht van een bepaald vak ten grondslag liggen.’ Een pleidooi dus, een halve eeuw geleden al voor een KWALITEITSVOLLE VAKDIDACTIEK! Het jarenlang werken met startende leerkrachten economie in de lerarenopleiding heeft ons een halve eeuw later nog steeds de noodzaak doen voelen om aan studenten een sterk basiswerk vakdidactiek economie aan te bieden. We zijn er namelijk van overtuigd, ook door onze ervaring in het secundair onderwijs, dat je enkel vanuit een stevige vakdidactiek als leraar kunt voorzien in degelijk onderwijs. Onderwijs dat een goede economische vorming kan waarmaken voor leerlingen in onze scholen, want, zoals Loesje zegt: Het is onze ambitie als auteurs om daarin een rol van betekenis te spelen … Lucien Fastré – Veerle Tulleneers – Karolien Vlayen
HOOFDSTUK 1 INLEIDING
HOOFDSTUK 2 HOE MAAK IK EEN LES ECONOMIE?
HOOFDSTUK 3 DIDACTISCHE FICHES
HOOFDSTUK 4 OOK NOG AANDACHT VOOR ...
1.1 Stand van zaken 1.2 Waar naartoe? 1.3 Hoe de doelstellingen bereiken?
Hoofdstuk 1
INLEIDING
1.1 STAND VAN ZAKEN 1.1.1 Waarom is economie-onderwijs nodig? Als onderwijs in het algemeen neerkomt op het voorbereiden van jongeren op hun deelname aan de maatschappij, dan is het nodig dat ze die maatschappij ook begrijpen. Die maatschappij krijgt namelijk vorm in een complex – vooral economisch – weefsel. Recente financieel-economische crisissen hebben (op een pijnlijke manier) duidelijk gemaakt dat onze hele maatschappij gebouwd is op economische fundamenten die ieders leven in al zijn aspecten raakt en vormgeeft. Je kunt met andere woorden niet meer functioneren zonder ‘economie’. Elke dag staat de krant vol met artikels, grafieken, opiniestukken en verslagen die binnen het ruime (bedrijfs)economische en/of handelsgebeuren vallen. Het lijkt dan ook logisch en noodzakelijk dat we onze jongeren voldoende economische bagage meegeven tijdens hun onderwijsloopbaan zodat ze vlot kunnen participeren aan de samenleving en dat we ze wapenen om de valkuilen en verleidingen ervan te herkennen. Daarnaast erkent eenieder ook het belang van ondernemerschap en de kracht van ondernemers als een motor van onze economische samenleving. De creatie van jobs staat met stip vooraan op de to-dolijst van elke overheid, overal ter wereld. Ook dat is economisch onderwijs: mensen uitrusten met kennis én vaardigheden om risico’s te durven nemen, om van ideeën projecten te maken die onze welvaart op de een of andere manier (direct en vaak ook indirect) verhogen.
12
Vakdidactiek voor leraren e conomie
Het is dus voor elke achttienjarige toekomstige bankier, toekomstige schrijnwerker of gewoonweg toekomstige ‘burger’ een must om een stevige basis aan financieel en/of (bedrijfs)economisch inzicht te hebben. Dat zou dan impliceren dat er voor eenieder een voldoende uitgebreide vorm van economische opleiding standaard voorzien is in ons onderwijssysteem. Later in dit boek zal blijken dat ons Vlaams onderwijssysteem op dat vlak zeker kansen laat liggen, ook na de modernisering van het secundair onderwijs.
1.1.2 Hoe ziet het economie-onderwijs eruit? Ons onderwijslandschap is zeer divers, met verschillende niveaus, onderwijsnetten en opleidingsvormen. Het aanbod binnen ons vakgebied krijgt dus ook op erg verschillende wijzen vorm binnen de scholen en onderwijsinstellingen. In het lager onderwijs is er enkel binnen het vak wereldoriëntatie wat ruimte gemaakt voor een inleiding op de economie. Leerlingen maken erg beperkt kennis met een aantal sociaal-economische verschijnselen en komen in contact met wat politieke en juridische elementen. Dit zijn de relevante doelstellingen binnen het leergebied ‘mens en maatschappij’ (Onderwijs Vlaanderen, 2015): De leerlingen • kunnen illustreren dat verschillende vormen van arbeid verschillend toegankelijk zijn voor mannen en vrouwen en verschillend gewaardeerd worden; • kunnen met een zelfgekozen voorbeeld illustreren hoe de prijs van een product tot stand komt; • kunnen met een zelfgekozen voorbeeld het nut en het belang aangeven van een collectieve voorziening, waarvoor de overheid zorg draagt; • kunnen illustreren dat welvaart zowel over de verschillende landen in de wereld als in België ongelijk verdeeld is; • beseffen dat hun gedrag beïnvloed wordt door de reclame en de media; • kunnen het belang illustreren van de fundamentele Rechten van de Mens en de Rechten van het Kind. Ze zien daarbij in dat de rechten en plichten complementair zijn; • kunnen op een eenvoudige wijze uitleggen dat verkiezingen een basis element zijn van het democratisch functioneren van onze instellingen;
INLEIDING 13
• kunnen illustreren op welke wijze internationale organisaties ernaar streven om het welzijn en/of de vrede in de wereld te bevorderen; • weten dat Vlaanderen één van de gemeenschappen is van het federale België en dat België deel uitmaakt van de Europese Unie. Ze weten daarbij dat elk een eigen bestuur heeft waar beslissingen worden genomen; • kennen de erkende symbolen van de Vlaamse Gemeenschap (met name feestdag, wapen, vlag, volkslied en memoriaal). In het secundair onderwijs wordt de economische vorming, net zoals alle andere vakken, binnen verschillende graden (leeftijdsgroepen) en op verschillende niveaus (finaliteiten) ingedeeld en georganiseerd. De eerste graad voorziet in een beperkte reeks algemene economische eindtermen binnen de financieel-economische sleutelcompetentie. Deze economische basisvorming kan in het tweede jaar secundair onderwijs uitgediept worden binnen de door leerlingen te kiezen basisoptie ‘economie en organisatie’. Vanaf de tweede graad zijn er wel erg specifieke economische studierichtingen, elk met hun eigen benaming en inhoud, geclusterd binnen een studiedomein ‘economie en organisatie’. Die studierichtingen kunnen een doorstroomstudierichting zijn met een focus op het abstract-theoretische. Ze bereiden de leerlingen voor op verder studeren in het hoger onderwijs. Er zijn ook studierichtingen binnen ons studiedomein met een dubbele finaliteit, waarbij leerlingen voorbereid worden op zowel het hoger onderwijs als op een rechtstreekse intrede op de arbeidsmarkt. Ten slotte zijn er de arbeidsmarktgerichte studierichtingen die erg concreet en praktisch opgevat zijn.
14
Vakdidactiek voor leraren e conomie
De onderstaande tabel geeft een overzicht van de economische studierichtingen binnen ons domein. Tweede graad: studiedomein economie en organisatie Finaliteit doorstroom
Dubbele finaliteit
Finaliteit arbeidsmarkt
Domeinoverschrijdend
Domeingebonden
aso
tso/kso
tso/kso
bso
Economische wetenschappen
Bedrijfswetenschappen
• Bedrijf en organisatie • Toerisme
• Organisatie en logistiek
Dubbele finaliteit naar gerichte
Finaliteit arbeidsmarkt
PBA / HBO5 / arbeidsmarkt
HBO5/ arbeidsmarkt
Derde graad: studiedomein economie en organisatie Finaliteit doorstroom naar academische en of professionele bachelor
Domeinoverschrijdend
Domeingebonden
aso
tso/kso
tso/kso
bso
• Economie-wiskunde • Economie-moderne talen
Bedrijfswetenschappen
• Bedrijfs organisatie • Internationale handel en logistiek • Toerisme • Commerciële organisatie
• Logistiek • Onthaal, organisatie en sales
Tabel 1:
Overzicht economie-onderwijs in Vlaanderen
Het studiedomein ‘economie en organisatie’ vormt binnen het secundair onderwijs dus een inhoudelijk samenhangend thematisch geheel, dat van abstract tot praktisch geordende studierichtingen bevat (Onderwijs Vlaanderen, 2017).
INLEIDING 15
In die tweede en derde graad zijn er ook binnen de financieel-economische sleutelcompetentie algemene economische eindtermen voorzien. Die gelden dus voor alle leerlingen, ongeacht het studiedomein dat ze kiezen. Er is wel een kleine variatie naargelang het profiel dat deze leerlingen kiezen. Deze leerinhouden moeten echter binnen zo weinig lestijden behandeld worden dat van een echte verdieping, na de eerste graad, geen sprake is. Wanneer we naar het einde van de derde graad kijken, zien we daar ook nog enkele belangrijke vernieuwingen. De modernisering van het secundair onderwijs zorgt ervoor dat het onderscheid in het derde leerjaar van de derde graad verdwijnt. Er zal dus geen sprake meer zijn van de specialisatiejaren bso, het naamloos leerjaar, de Se-n-Se-opleidingen tso en kso en de voorbereidende jaren hoger onderwijs. Vanaf het schooljaar 2025-2026 zal er enkel nog sprake zijn van Se-n-Se-opleidingen, die niet langer gekoppeld zijn aan de onderwijsvormen (www.onderwijskiezer.be, 2020). Na het secundair onderwijs kunnen leerlingen doorstromen naar de arbeidsmarkt, korte opleidingen volgen bij Syntra of VDAB of verder studeren aan hogescholen of universiteiten. Sinds september 2019 bieden de Vlaamse hogescholen ook graduaatsopleidingen aan. Graduaatsopleidingen behoren tot het hoger beroepsonderwijsonderwijs (HBO5) en zijn erg praktijkgericht. Ze bereiden voor op een welbepaald beroep en richten zich op de arbeidsmarkt. Ze zijn minder theoretisch dan (professionele) bacheloropleidingen. Graduaten zijn sterk gericht op werkplekleren: het aanleren en toepassen van competenties in reële werksituaties. De theorie staat altijd in functie van de praktijk. Ook hier is er een studiegebied handelswetenschappen en bedrijfskunde (www.onderwijskiezer.be, 2020). Ten slotte is er het erg ruime economische aanbod binnen de professionele en academische bacheloropleidingen aan de verschillende hogescholen en universiteiten (Centrum voor leerlingenbegeleiding, 2015). Het is duidelijk dat ons vakgebied zich uitstrekt over een groot aantal studierichtingen, gaande van economische wetenschappen en bedrijfswetenschappen over internationale handel en marketing tot onthaal, distributie, logistiek … Het vak ‘economie’ komt dus onder verschillende benamingen en gedaantes voor in ons onderwijs. Wanneer we het in dit boek hebben over economie, is het duidelijk dat het veel meer is dan ‘economie’.
16
Vakdidactiek voor leraren e conomie
Voor verdere informatie en actuele gegevens omtrent de studierichtingen verwijzen we naar de website van onderwijs Vlaanderen (www.onderwijs. vlaanderen.be) en naar onderwijskiezer (www.onderwijskiezer.be). Interessant vanwege de gemeenschappelijke taal is de manier waarop Nederland haar economisch onderwijs heeft vormgegeven. Hieronder geven we een zeer beknopte samenvatting: Figuur 1:
De onderwijsstructuur in Nederland Universiteit
VWO (6 jaar)
HBO
MBO VMBO (4 jaar)
HAVO (5 jaar)
theoretische leerweg
gemengde leerweg
kader beroepsgerichte leerweg
basis beroepsgerichte leerweg
Praktijk onderwijs (6 jaar)
basis vorming primair onderwijs
Na het volgen van primair onderwijs (basisschool) stroomt een leerling door naar één van de vier vormen van vervolgonderwijs: • PrO (praktijkonderwijs); • VMBO (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs); • HAVO (hoger algemeen voortgezet onderwijs); • VWO (voorbereidend wetenschappelijk onderwijs).
Praktijkonderwijs Voor leerlingen die naar verwachting de leerwegen niet met een VMBO-diploma zullen afsluiten, is er het praktijkonderwijs. Dat is een gewone school voor voortgezet onderwijs met extra faciliteiten en speciaal onderwijs met veel praktijkvakken. Praktijklessen en stage staan centraal en de theorie is ondersteunend. De praktijkschool biedt veel scholing en training die helpt om later zelfstandig in de maatschappij een plek te vinden. De leerlingen verlaten de school met een landelijk erkend getuigschrift. De meeste leerlingen gaan na de praktijkschool naar een betaalde job of een job met een scholingstraject.
INLEIDING 17
Om praktijkonderwijs te kunnen volgen heeft een leerling een beschikking nodig van de Regionale Verwijzingscommissie (RVC).
Het vmbo: voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs Het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (VMBO) bereidt voor op het middelbaar beroepsonderwijs (MBO). Met het VMBO-diploma kun je bijgevolg naar een beroepsopleiding. Het VMBO duurt vier jaar. De eerste twee jaren vormen de onderbouw en omvatten een breed vakkenpakket. In het VMBO zijn er vier sectoren waaruit je tijdens je opleiding een keuze kunt maken. Elke sector heeft een vast vakkenpakket dat hoort bij de beroepen binnen die sector. De vier sectoren zijn de sector Techniek, de sector Zorg en Welzijn, de sector Economie en de sector Landbouw. Als je naar een school gaat voor VMBO, is het belangrijk om te weten wat het aanbod is van de school, welke leerwegen er zijn en welke sectoren. Niet elke school voor VMBO biedt hetzelfde onderwijsprogramma aan. Leerlingen krijgen in het VMBO het vak economie meestal voor het eerst aangeboden in leerjaar 2 (onderbouw) en als examenvak indien ze kiezen voor de sector Economie. Daarnaast wordt de leerling bij de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte leerweg en de gemengde leerweg geconfronteerd met een beroepsgerichte afdeling. Uit de tien profielen die daar aangeboden worden, kan een leerling kiezen voor ‘economie en ondernemen’.
HAVO en VWO Het hoger algemeen voortgezet onderwijs (HAVO) duurt vijf jaar en is vooral bedoeld als voorbereiding op het hoger beroepsonderwijs (HBO). Het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (VWO) duurt zes jaar en is vooral bedoeld als voorbereiding op het wetenschappelijk onderwijs, de universiteit. In het VWO kun je naar een atheneum of een gymnasium. Vanaf het vierde leerjaar in de bovenbouw van het HAVO en het VWO kun je kiezen uit vier profielen: 1 natuur en techniek; 2 natuur en gezondheid; 3 economie en maatschappij; 4 cultuur en maatschappij.
18
Vakdidactiek voor leraren e conomie
Welk profiel je ook kiest, elke leerling in de bovenbouw volgt een aantal gemeenschappelijke vakken die voor alle leerlingen belangrijk zijn. Verder zijn er natuurlijk de vakken die horen bij het profiel dat je hebt gekozen. Daarnaast is er een vrije ruimte die je gebruikt om vakken te volgen uit een ander profiel. In de bovenbouw van het HAVO en het VWO kun je dus meer je eigen belangstelling volgen door te kiezen voor een van de vier profielen en de vrije ruimte te benutten. Binnen het HAVO en VWO is er naast het vak economie (bij het profiel economie en maatschappij) ook het vak M&O (management en organisatie) waarvoor leerlingen een examen kunnen afleggen (Koolen, 2015).
1.1.3 Kritische bedenkingen Het overzicht van het Vlaamse onderwijssysteem met daarin de plaats van ons vak, maakt al onmiddellijk duidelijk dat we onze start missen. In het basisonderwijs, waar andere vakken hun grondslag hebben, is er weinig tot geen plaats voor economische vorming. Hier en daar is er binnen het vak wereldoriëntatie ruimte om wat economische fundamenten te leggen, maar een echte start binnen het economisch onderwijs van onze jongeren kun je dat echt niet noemen. Een volgend gemis dat we vaststellen, is dat, ondanks het invoeren van een financieel-economische sleutelcompetentie, niet iedereen een echt degelijke basis economie krijgt aangeboden. Het is perfect mogelijk, en voor heel wat leerlingen een spijtige realiteit, om op je achttiende levensjaar, na vijftien jaar onderwijs, af te studeren met enkel een inleidende economische vorming. Die leerlingen stappen als jongvolwassenen de maatschappij in met een rugzak vol allicht zinvolle en waardevolle kennis en vaardigheden op velerlei domeinen, maar zonder voldoende notie van de wetenschap waar die maatschappij op/om draait.
1.2 WAAR NAARTOE? Waar moeten we nu naartoe met ons vak? Het is uiteraard geen optie om zelf invulling te geven aan de verschillende vakken. Waar je als leerkracht moet uitkomen met je leerlingen, is met andere woorden zeer duidelijk voorgeschreven. Elk vak heeft immers een bijbehorend en richtinggevend leerplan.
inleidinG
19
Een leerplan omvat op herkenbare wijze de (specifieke) eindtermen of de beroepskwalificaties van elk vak. De school en de leerkracht hebben bijgevolg de garantie dat ze bij realisatie van het leerplan ook de eindtermen bereiken of de beroepskwalificaties nastreven. Onderwijs Vlaanderen stelt bij de modernisering zestien sleutelcompetenties centraal. Daarbij maakt men een verschil tussen transversale eindtermen en inhoudelijke eindtermen. Figuur 2:
Eindtermen basisvorming – 16 sleutelcompetenties
Eindtermen basisvorming
Transversale eindtermen
in samenhang met andere sleutelcompeten�es (A-stroom = B-stroom)
1. Competen�es op het vlak van lichamelijk, geestelijk en emo�oneel bewustzijn/gezondheid 5. Sociaalrela�onele competen�es 9. Competen�es met betrekking tot ruimtelijk bewustzijn
13.
Leercompeten�es met , inbegrip van OC, innova�edenken, crea�viteit, probleemoplossend en kri�sch denken, systeemdenken, informa�everwerken en samenwerken
Inhoudelijke eindtermen
de transversale ersale ET maken hier integraal deel van uit (A-stroom ≠ B-stroom)
2. Competen�es in het Nederlands 6. Competen�es inzake wiskunde, exacte wetenschappen en technologie 10. Competen�es inzake duurzaamheid 14. Zel�ewustzijn en zelfexpressie, zelfsturing en wendbaarheid
Mix van transversale en inhoudelijke eindtermen
3. Competen�es in andere talen
7. Burgerschapscompeten�es met inbegrip van competen�es inzake samenleven
4. Digitale competen�es en mediawijsheid
8. Competen�es met betrekking tot historisch bewustzijn
11. Economische en financiële competen�es
12. Juridische competen�es
15. Ontwikkeling van ini�a�ef, ambi�e, ondernemingszin en loopbaancompeten�es
16. Cultureel bewustzijn en culturele expressie
Bij het opstellen van de eindtermen is men bovendien ook vertrokken vanuit een vaste structuur. Die moet de leesbaarheid verhogen en ook vergelijkingen tussen de finaliteiten helder maken. Belangrijk daarbij zijn de volgende richtlijnen: • eindtermen zijn competentiegericht en evalueerbaar geformuleerd; • kennis, dimensies en – indien van toepassing – context en tekstkenmerken maken integraal deel uit van de eindtermen; • de eindtermen zijn zelfstandig te realiseren tenzij anders vermeld (a.d.h.v. richtlijnen, stappenplan …); • alle eindtermen zijn te bereiken met uitzondering van attitudinale eindtermen.
20
Figuur 3:
Vakdidactiek voor leraren e conomie
Structuur van eindtermen
Bron: Ahovoks (www.ahovoks.be, 2020)
Enkele voorbeelden van algemene eindtermen ‘Economische en financiële competenties’ (Onderwijs Vlaanderen, 2020): • de leerling maakt budgettaire keuzes voor zichzelf, rekening houdend met een eigen budget en gezinsbudget (BG); • de leerlingen lichten toe hoe de overheid via inkomsten en uitgaven impact heeft op de samenleving; • de leerlingen vergelijken spaar- en beleggingsvormen op het vlak van risico, beschikbaarheid en rendement; • de leerlingen bespreken elementen van het arbeidsrecht aan de hand van een concrete studentenovereenkomst. Sommige eindtermen van financiële geletterdheid maken deel uit van de basisgeletterdheid. Dat zijn eindtermen die elke individuele leerling bereikt aan het einde van de eerste graad, zowel in de A-stroom als in de B-stroom. Basisgeletterdheid zijn die eindtermen die nodig zijn om te kunnen participeren in de maatschappij: Nederlands, wiskunde, digitale en financiële geletterdheid.
INLEIDING 21
Enkele voorbeelden van specifieke eindtermen voor onze vakken in de tweede en derde graad (Onderwijs Vlaanderen, 2020): • de leerlingen analyseren hoe de consument en de producent hun keuzegedrag optimaliseren; • de leerlingen illustreren gevolgen van globalisering en innovatie aan de hand van actuele ontwikkelingen; • de leerlingen onderzoeken het belang van logistiek en supply chain management als onderdeel van het bedrijfsbeleid; • de leerlingen stellen, op basis van zelf geregistreerde bedrijfsverrichtingen, een balans en resultatenrekening inclusief winstverdeling op. Al de voorgaande eindtermen, kwalificaties en doelen die samenkomen in een leerplan, zijn bepalend voor wat wij als leerkracht in de klas met de leerlingen doen. Ze zijn een leidraad naar het beoogde eindpunt. Zonder een grondige studie van het leerplan weten we dus eigenlijk niet waar we naartoe moeten met een vak. De manier waarop leerplannen richting geven verschilt binnen ons onderwijslandschap, maar steeds sturen ze van ‘eerder breed en algemeen’ naar ‘meer concreet’. Enkele voorbeelden van algemene doelstellingen die we in leerplannen terugvinden: • in functie van de administratieve organisatie is de keuze voor een ondernemingsvorm bepalend voor de financiële aansprakelijkheid van de ondernemer en de boekhoudkundige verplichtingen waaraan hij moet voldoen. Vanuit een inzicht in de documentenstroom worden courante bedrijfsverrichtingen geregistreerd volgens het systeem van dubbel boekhouden (2de graad, Katholiek Onderwijs Vlaanderen); • de handelsvakken beslaan een groot gedeelte van het economische gebied. Het doel is de leerlingen kennis en inzicht in het economische mechanisme met zijn entiteiten, instellingen en relaties te verschaffen om hen zo toe te laten de nodige competenties te verwerven die gericht zijn op een succesvolle participatie in het beroepsleven (3de graad bso, GO!).
22
Vakdidactiek voor leraren e conomie
Enkele voorbeelden van leerplandoelstellingen: • de leerlingen analyseren de bedrijfskolom en de bijbehorende logistieke keten van meerdere producten (basisoptie B-stroom, GO!); • de leerlingen verklaren hoe ondernemingen door inzet van productiefactoren toegevoegde waarde en welvaart creëren (2de graad Bedrijfseconomie, D/A-finaliteit, Katholiek Onderwijs Vlaanderen); • de leerlingen verdelen en beantwoorden elektronische post met aandacht voor de regels van formele communicatie en nettiquette (2de graad Organisatie en logistiek, A-finaliteit, Katholiek Onderwijs Vlaanderen). Leerplannen bieden bovendien, naast de te bereiken doelstellingen, nog veel meer informatie. Info omtrent de beginsituatie van de leerlingen, suggesties betreffende evaluatie, voorwaarden inzake de materiële uitrusting van het lokaal worden immers ook vaak opgenomen. Daarnaast kan het ook de basis vormen voor het jaarplan omdat het soms ook een richtinggevende indeling aanbiedt omtrent de lestijden doorheen het jaar. Het is dus een erg waardevol document dat leerkrachten begeleidt bij hun onderwijsopdracht. En er zijn nog hulplijnen. Voor nagenoeg elk leerplan zijn er handboeken/ leerboeken op de markt. Meestal volgen die boeken de voorschriften van een leerplan nogal strikt en dus kunnen ze een belangrijke ondersteuning bieden. Vergeet echter niet dat het ook niet meer is dan dat. Uiteindelijk zet het leerplan de bakens uit en niet een handboek.
1.3 HOE DE DOELSTELLINGEN BEREIKEN? In het vorige deel werd het duidelijk dat we ons als leerkracht te houden hebben aan de leerplannen wanneer we onze vakken een invulling geven. De doelen zijn strikt voorgeschreven en helder. Het eindpunt is duidelijk. Hoe dat bereikt wordt, ligt in handen van de leerkracht, die het leren van leerlingen door middel van krachtige leeromgevingen kan optimaliseren. Het gaat over het ontwerpen van sterke lessen én over het stevig vertolken ervan. Het gaat ook over een kwaliteitsvolle vakdidactiek …