Skip to main content

9789401476980

Page 1

TINNE CLAES

ZAAD ZONDER NAAM EEN BIOGRAFIE VAN DE SPERMABANK


PROLOOG — 7 PIONIERS IN STILTE — 25 REBELSE KATHOLIEKEN — 49 ZWIJGEN — 77 BRICOLEURS — 107 EEN GAT IN DE MARKT — 137 TWEE MOEDERS — 169 DONOR DETECTIVES — 207 NAWOORD — 245 CITATEN — 261


PROLOOG


Ik ben nerveus voor het interview, want het is de eerste keer dat een man reageert op een van mijn oproepen. Dat het een oproep in een vrouwenmagazine was, maakt het nog eigenaardiger. Ik hoop dat het niet gaat om een misplaatste grap. Of erger: iemand met slechte bedoelingen. Ik ga er immers ’s avonds naartoe. Alleen. Ik kom aan op het adres en word nog zenuwachtiger. Een zwarte poort, verstopt in een even zwarte schutting. De omheining is te hoog om te kunnen zien wat erachter zit, de E40 raast luid. Ik raap mijn moed bij elkaar en bel. ‘Ik zal je komen ophalen’, zegt hij met een opgepoetst WestVlaams accent. De poort gaat automatisch open. Een minuut later nadert een terreinwagen, besmeurd met modder. De kleur van de carrosserie – ook zwart – is enkel aan de bovenkant zichtbaar. ‘Het is best als je even meerijdt.’ Ik stap bij de onbekende man in de wagen. De poort verdwijnt weer in de zwarte schutting, de schutting gaat op in de duisternis. Ik doe op dat moment al ruim een jaar onderzoek naar de geschiedenis van de kinderwens. Ik ontving al tientallen reacties op advertenties in kranten en tijdschriften: ‘Gezocht: getuigenissen over ongewenste kinderloosheid’. Ik interviewde mensen met even verschillende levens als leeftijden, van twintig tot negentig jaar oud. Slechts één ding hadden ze met elkaar gemeen: het waren allemaal vrouwen. Mannen zag ik alleen als ze toevallig naast hun echtgenote zaten, stil knikkend bij wat zij vertelde. In het begin was ik nerveus voor elk interview. Het is dan ook een vreemde sociale situatie. Je stelt tientallen vragen, erg persoonlijke vragen, maar deelt amper iets over jezelf. Je hebt vaak weinig gemeen met je gesprekspartner: andere ervaringen, achtergronden, overtuigingen. Toch voer je twee à drie uur lang

9


een diepgaand gesprek, om vervolgens weer uit elkaars leven te verdwijnen. Geleidelijk raakte ik eraan gewend. Meer nog, ik begon er de schoonheid van in te zien. Ik stond ervan te kijken wat mensen bereid zijn om te delen, als je echt wilt luisteren en durft te vragen. Als het lukt, nader je soms na een paar uur de kern van hun verhaal, bots je op de scènes die hun wezen uitdrukken en vormen, zoals hun dromen en angsten, of de momenten waar ze met trots of schaamte op terugkijken. Ik besefte dat mensen hun verhaal met mij konden delen precies omdat ik een onbekende zou blijven. Dat onze ontmoeting vluchtig was, maakte dat we vrij waren om met elkaar te praten. Maar nu, in een hobbelende 4x4, voel ik die eerste zenuwen weer. ‘Ik ben Marc’, stelt de man naast mij zichzelf voor. ‘Aangenaam, Tinne’, probeer ik mijn ongemak te verbergen. De oprijlaan lijkt eindeloos. ‘Vierhonderd meter’, leest hij mijn gedachten. ‘Het is een groot domein van een rijke familie. Ik zorg voor de paarden en de jachthonden, een veertigtal Engelse foxhounds.’ We stoppen bij een bescheiden achterhuis in witte baksteen. Ik hoor geblaf. ‘Ik woon boven, de honden beneden’, verklaart hij en hij loopt de trap op. Ik volg hem en ga aan de eettafel zitten. Hij haalt een fles limonade uit de koelkast, schenkt ons elk een glas in en gaat in de stoel tegenover mij zitten. Omdat ik mezelf geen houding weet te geven, vertrouw ik op vaste gewoontes. Zoals bij elk interview leg ik hem de bedoeling van mijn onderzoek eerst kort uit. ‘In de jaren vijftig gingen mensen heel anders om met een onvervulde kinderwens’, begin ik mijn ingestudeerde praatje. ‘Vroeger bestond er alleen adoptie of pleegzorg. Toen kwamen er operaties, hormoonbehandelingen, donorinseminaties, in-vitrofertilisatie enzovoort.’

10


Marc nipt van zijn limonade. ‘Sommige mensen werden door deze nieuwe behandelingen zwanger, anderen kregen alleen maar valse hoop. Nog anderen waren niet ongewenst kinderloos door medische problemen, maar omdat ze bijvoorbeeld geen partner hadden of homoseksueel waren.’ ‘Ja’, zegt Marc. ‘Bij mij ligt het ook niet aan mijn vruchtbaar­ heid.’ Ik knik. ‘Die medische uitvindingen waren niet de enige verandering. Je had de seksuele revolutie, de Kerk verloor aan invloed, taboes werden doorbroken.’ ‘Ik ben niet zo thuis in die geschiedenis’, komt hij tussen. ‘O’, ontwaak ik uit mijn routine. ‘Dat is niet erg. Ik wil maar zeggen: jij ging waarschijnlijk heel anders om met relaties dan jouw ouders?’ ‘Absoluut. Zij waren op hun twintigste al getrouwd en kregen dan meteen kinderen.’ ‘Voilà’, beaam ik. ‘Naar zulke verschillen ben ik op zoek. Door mensen van verschillende generaties te interviewen, wil ik onderzoeken wat de invloed was van alle veranderingen die ik daarnet noemde. Ik vraag naar concrete ervaringen om te weten te komen hoe mensen zelf een onvervulde kinderwens beleefden. Zo kan ik nagaan hoe dit allemaal is veranderd sinds de jaren vijftig.’ Marc schrikt wanneer ik een bandrecorder uit mijn rugzak haal. ‘Is het goed als ik ons gesprek opneem?’ vraag ik terwijl ik het toestel op tafel leg. Hij wriemelt met zijn handen. ‘Wat ga je daarmee doen?’ ‘Zo kan ik het interview opnieuw beluisteren, om zeker te zijn dat ik juist opschrijf wat je zegt.’ Na een korte stilte mompelt hij: ‘Oké.’ Dan vertrekt zijn gezicht. ‘Maar ik wil niet dat er grappen mee worden uitgehaald. Dit

11


is toch zeker geen interview om mij uit te lachen, met een verborgen camera of zo?’ Ik verzeker hem van niet. Dat hij even zenuwachtig lijkt te zijn als ik, stelt me gerust. Ik neem een slok limonade en zet mijn opnametoestel aan. ~·~ Marc was de veertig voorbij toen hij, na een paar stukgelopen relaties, zijn huidige vriendin leerde kennen. Ze had drie kinderen uit een vorige relatie. ‘Ik had gehoopt dat de stiefkinderen het gemis zouden wegnemen, maar dat is niet zo. Ik blijf een buitenstaander. Zij zullen onderling altijd een hechtere band hebben dan met mij.’ Hij slaat zijn ogen neer. ‘Ik voelde als man nooit een biologische klok tikken. Ik stond er te weinig bij stil dat ik ouder werd. Nu ben ik 52 en nog steeds denk ik aan baby’s als ik aan mijn toekomst denk. Ik heb vrienden met volwassen kinderen, zelfs met kleinkinderen, maar zelf lijk ik niet te evolueren.’ ‘Waarom zou je graag een baby hebben?’ vraag ik. ‘Om me te kunnen herkennen in iemand’, antwoordt hij aarzelend. ‘Om voor mijn eigen kind te kunnen zorgen.’ Hij heft zijn glas op, maar drinkt er niet van. ‘Ik ben bang dat het gemis nog zal groeien wanneer mijn vriendin oma wordt. Want ik zal nooit opa zijn.’ Ik kijk zo begripvol mogelijk terwijl ik notities maak, wankelend tussen mezelf als mens en onderzoeker. Marc zoekt lang naar woorden om zijn emoties te beschrijven, alsof hij hier nog niet vaak over heeft gesproken. Hij is geen geboren verteller. Hij is er niet aan gewend dat iemand lang naar hem luistert, zoals de meeste mensen. Na een uur begint ons gesprek te sputteren. Zijn antwoorden worden korter en ik kan geen vragen meer bedenken. Onze limonadeglazen zijn leeg.

12


‘Meestal word ik afgewimpeld als ik begin over mijn kinderwens’, verbreekt hij de stilte. ‘Iedereen vindt me te oud om daar nog mee bezig te zijn. Soms lachen mensen mij vierkant uit.’ Hij opent zijn laptop. ‘Onlangs deelde ik een Facebookpost over een vrouw met stiefkinderen, maar toch een onvervulde kinderwens’, toont hij. ‘Die artikelen gaan altijd over vrouwen, maar ik herken mijzelf daarin. Ook jouw advertentie stond in een damesblad.’ Hij draait zijn scherm zodat ik kan meekijken. ‘Hier, de reacties spreken voor zich: twee huilende smileys, maar ook iemand die met een lachend mannetje reageert.’ Marc klapt zijn laptop dicht. Hij kruist zijn armen en leunt achterover. ‘We mogen niet meer jagen door de milieuwetgeving’, verandert hij van onderwerp. ‘Daarom laat mijn baas de honden nu een geurspoor volgen, zoals een vod doordrongen met vossenurine.’ Dat hij over de honden begint te vertellen, zie ik als het finale signaal om het interview te stoppen. Ik zet mijn opnametoestel uit. ‘Mijn baas volgt de honden nog steeds alsof hij echt op jacht is, ook al lopen ze alleen maar dat lokaas achterna.’ Ik lach. Ook Marc lijkt meer op zijn gemak nu mijn notitieblok en recorder weer in mijn rugzak zijn opgeborgen. ‘Het deed deugd om eens te praten’, zegt hij terwijl hij de glazen afruimt. Hij loopt de keuken in. ‘Trouwens,’ roept hij boven het geluid van de lopende kraan, ‘ik ben eigenlijk niet kinderloos.’ ‘Hoezo?’ vraag ik verrast. Even denk ik dat ons gesprek toch een misplaatste grap was. ‘Ik ben spermadonor geweest via een internetforum’, antwoordt Marc terwijl hij de woonkamer weer binnenkomt. ‘Fertiliteitsklinieken vonden mij te oud, maar op de zwarte markt was ik mijn sperma meteen kwijt.’ Met een gebaar nodigt hij me uit hem te volgen, weer de trap af. De honden blaffen alsof ze mij kunnen ruiken.

13


Terwijl we via de lange oprijlaan terug naar de poort rijden, vertelt Marc dat hij op internet zoekt naar alleenstaande en lesbische vrouwen die gedeeld ouderschap overwegen. Hij doneerde al tweemaal, maar uiteindelijk wilden de vrouwen de baby toch niet samen met hem opvoeden. ‘Ik hoop dat de kinderen later contact met mij zullen opnemen. Naar het schijnt gaan ze in de puberteit wel vaker op zoek naar hun biologische vader’, legt hij uit. ‘In elk geval geeft het me een zekere gemoedsrust dat ik ergens kinderen heb rondlopen.’ Ik gooi de deur van de terreinwagen achter mij dicht en bedank hem voor het openhartige gesprek. Even later verdwijnt de zwarte poort weer in de schutting. ~·~ De volgende maanden werk ik verder aan mijn onderzoek over de geschiedenis van ongewenste kinderloosheid. Ik interview tientallen vrouwen. In een woonzorgcentrum ontmoet ik een negentigjarige dame die door haar priester op het matje werd geroepen omdat ze na drie jaar huwelijk nog geen kind had. Een vrouw van 82 spreekt stiekem met mij af in een café, omdat haar echtgenoot niet mag weten dat ze nog eens wil praten over hun lang vervlogen kinderwens. In een fermette spreek ik een vrouw die al in het begin van de jaren tachtig probeerde om een kind te krijgen door in-vitrofertilisatie, toen een nieuwe en controversiële techniek. ‘Mijn buurman dacht dat de dokters mijn baby letterlijk zouden grootbrengen in een proefbuis. Hij vond het schandalig.’ Aan de hand van hun getuigenissen probeer ik een onbekend stukje verleden te ontginnen, de tegenhanger van een verhaal dat wel tot ons collectieve geheugen behoort. Al in de middelbare school leerde ik over de ‘seksuele revolutie’. Mijn leraar vertelde dat de komst van de anticonceptiepil in de jaren zestig het einde van de jaren stilletjes betekende en het begin van de seksuele bevrijding. Toen ik later geschiedenis ging studeren, vond

14


ik in de Leuvense universiteitsbibliotheek talrijke boeken over de omgang met seksualiteit in het verleden. Ze gingen over onderwerpen zoals geboorteplanning, seksuele voorlichting of abortus. De nadruk lag op wat mensen vroeger allemaal deden om niet zwanger te worden. Wat mensen deden om wél kinderen te kunnen krijgen, kwam amper aan bod. De stilte in geschiedenisboeken doet bijna uitschijnen dat ongewenste kinderloosheid een hedendaags fenomeen is, een yuppieprobleem van moderne westerse vrouwen die hun kinderwens uitstellen om carrière te maken. Niets is minder waar. Ongewenste kinderloosheid is wellicht zo oud als de mensheid zelf, en zeker zo oud als de geschreven geschiedenis. Oude Mesopotamische, Egyptische en Griekse medische teksten vermelden tips om zwanger te worden. Verhalen over onvruchtbaarheid komen niet alleen voor in het Oude Testament, maar ook in eeuwenoude mythes en sprookjes. Tal van middeleeuwse oorlogen braken uit omdat vorsten kinderloos bleven. Precieze cijfers over ongewenste kinderloosheid in het verleden ontbreken omdat statistieken zelden vertellen of iemand gewenst of ongewenst kinderloos was. Er zijn alleen maar schattingen. Op basis van rudimentaire demografische gegevens berekende de Hoge Gezondheidsraad dat in de twintigste eeuw minstens zeven tot tien procent van de gehuwde koppels in België met fertiliteitsproblemen kampte, een cijfer dat in de loop van de eeuw vrij stabiel bleef. Wat deed deze groep mensen om hun kinderwens toch te proberen te vervullen? Dat is de grote vraag die ik met mijn onderzoek wilde beantwoorden. Vandaag kloppen de meeste koppels met een onvervulde kinderwens aan bij een fertiliteitskliniek. Wie vroeger niet zwanger werd, bleef kinderloos of adopteerde. Vanaf wanneer gingen mensen onvruchtbaarheid bekijken als een medisch probleem, als iets waarvoor je naar de dokter ging?

15


Daarnaast wilde ik nagaan hoe ideeën over ouderschap en gezinsvorming zijn verschoven. Sinds de jaren vijftig zijn er immers ook nieuwe vormen van families ontstaan: denk aan adoptiegezinnen met Afrikaanse of Aziatische kinderen, maar ook aan zogenaamde regenboogfamilies, gezinnen met homoseksuele ouders. Of aan bewust alleenstaande moeders, die in de jaren tachtig nog bewust ongehuwde moeders of BOM-moeders werden genoemd. ~·~ Intussen bleef het verhaal van Marc door mijn hoofd spoken. Misschien was het omdat ik tijdens mijn onderzoek veel minder mannen dan vrouwen interviewde, of omdat ik zelden een man heb ontmoet die zich zo kwetsbaar durfde op te stellen. Een jaar na het interview liet hij me weten dat zijn relatie was gestrand, deels door de spanningen rondom zijn spermadonorschap en onvervulde kinderwens. Was het door het verhaal van Marc dat ik mij steeds meer ging verdiepen in de geschiedenis van spermadonatie? Ik weet het niet. Hoe dan ook, ik zocht op hoe oud het fenomeen is. Ik ging na wanneer en waar de eerste banken met diepgevroren sperma ontstonden. Ik vroeg me af of lesbische vrouwen, voor het ontstaan van het internet, misschien spermadonoren zochten via annonces in de krant. Waarom de geschiedenis van de spermabank mij ging fascineren, kan ik moeilijk verklaren. Ik kreeg de vraag nochtans al tientallen keren. Om de een of andere reden zijn mensen nieuwsgieriger naar je motivatie als je de geschiedenis van de spermabank onderzoekt dan wanneer je een boek over de Tweede Wereldoorlog schrijft. Ze nemen aan dat je zelf worstelt met een onvervulde kinderwens, je eicellen wilt doneren of ontdekte dat je een donorkind bent. Alsof je een persoonlijke relatie met dit onderwerp moet hebben om je ervoor te kunnen interesseren.

16


In mijn geval is dat niet zo. Ik vind ook niet dat onderzoekers een persoonlijke relatie moeten hebben tot het onderwerp dat ze bestuderen. Om met een open blik te interviewen, kan het zelfs helpen om geen eigen ervaringen te kunnen projecteren op andermans verhaal. Ik kan alleen maar zeggen dat iets mij intrigeerde. Ik was nieuwsgierig, en hoe meer ik me in de geschiedenis van de spermabank ging verdiepen, hoe meer ik erdoor werd gegrepen. Ik flirtte met het onderwerp, en gek genoeg flirtte het terug. Het stuurde me steeds meer berichtjes waar ik om moest glimlachen. Alsof het de wil was van het universum, zag ik opeens overal verhalen over de spermabank. Een collega vertelde me dat ze een donorkind is. Ik hoorde dat een kennis uit de middelbare school moeder was geworden via de spermabank. Een vriend bleek donor te zijn geweest. Wanneer ik een krant opensloeg, zag ik een krantenartikel over een Nederlandse fertiliteitsarts die tientallen kinderen had verwekt met zijn eigen zaad. Hoewel ik eigenlijk de bredere geschiedenis van de kinderwens wilde bestuderen, besteedde ik steeds meer aandacht aan de geschiedenis van spermadonatie. Ik begon me aan het onderwerp te binden. Ik las boeken, bezocht archieven, ontmoette mensen. Mijn fascinatie rijpte, en tegelijk vertakte ze zich in steeds meer interesses: de geschiedenis van mannelijkheid, van geheimen, van de spermahandel. Hoe voller mijn verwondering werd, hoe meer wortels ernaartoe leidden – een beetje zoals een boom kiemt en groeit. Alles trok me naar dat nieuwe onderwerp: de geschiedenis van de spermabank. Het biologeerde mij zodanig dat dit uiteindelijk geen boek is geworden over de geschiedenis van de kinderwens, maar over de geschiedenis van de spermabank. Al vraag ik me terwijl ik dit schrijf af of er wel zo’n scherp onderscheid bestaat tussen beide.

17


Langzaamaan ben ik de spermabank gaan beschouwen als een lens om naar bredere ontwikkelingen in de geschiedenis van ongewenste kinderloosheid te kijken. De spermabank is niet alleen een aantrekkelijk onderwerp voor sappige krantenkoppen of om als debutante een boekcontract te strikken, het vertelt ook veel over wezenlijke historische veranderingen. ~·~ Laat ons beginnen bij het begin. Kunstmatige inseminatie is de oudste techniek waarmee mensen met vruchtbaarheidsproblemen toch zwanger konden worden. Het eerste verslag over donorinseminatie dateert van 1884. De arts William Pancoast behandelde in Philadelphia een gelovige vrouw die al jarenlang probeerde om zwanger te worden. Nadat hij haar meermaals binnenstebuiten had gekeerd, merkte de Amerikaanse arts op dat de oorzaak bij haar echtgenoot lag. Daarop riep hij het echtpaar bij zich voor een laatste ‘onderzoek’. Terwijl de vrouw bewusteloos van de verdoving op tafel lag, met zes geneeskundestudenten in een cirkel om haar heen, duwde Pancoast een spuit met donorsperma in haar leeg. Dankzij de gift van een van de studenten – degene die door een democratische stemming als de knapste was aangewezen – beviel de vrouw negen maanden later van een baby. Pas vijfentwintig jaar na deze geboorte, nadat Pancoast was gestorven, publiceerde een van de studenten een brief over dit geslaagde experiment in het tijdschrift Medical World. Volgens de brief wist de onvruchtbare echtgenoot wel dat er een spermadonor bij betrokken was geweest, maar had hij op doktersadvies beslist om zijn vrouw de waarheid te besparen. Toen ik dit voor het eerst las, fronste ik mijn wenkbrauwen. Als hedendaagse lezer vond ik de gang van zaken verwerpelijk. Zelfs als ik de leugen buiten beschouwing liet, deed het mij denken aan aanranding. Toch geloofden Pancoast en zijn studenten

18


dat ze juist hadden gehandeld. Ook de echtgenoot dacht dat hij zijn vrouw een gunst bewees. Zij zou zorgeloos van haar gezinsgeluk kunnen genieten, omdat ze niet wist dat ze het kind van een vreemde had gekregen. Het is slechts een van de vele voorbeelden in dit boek van hoe ethiek verandert. Het onderscheid tussen goed en fout ligt niet vast, maar verschuift in de tijd, op manieren die moeilijk te voorspellen zijn. Uit het jarenlange stilzwijgen van de studenten blijkt dat de behandeling van Pancoast controversieel was, maar dat had niets met het gebrek aan toestemming te maken. Wel vond destijds niet iedereen dat kunstmatige inseminatie tot het takenpakket van de dokter behoorde. Donorsperma inspuiten kon je toch moeilijk beschouwen als een medische behandeling? Er werd namelijk niets genezen. De opvoedvader kreeg wel een kind, maar bleef even onvruchtbaar als ervoor. Toegegeven, een bril geneest ook geen ogen. Het verschil is dat je om ogen te testen en een bril te maken wel kennis nodig hebt. Een inseminatie met vers sperma is daarentegen technisch gezien zo simpel dat iedereen het kan. Om donorsperma in te brengen heb je geen speciale vaardigheden nodig, laat staan een diploma in de geneeskunde. Al wat je nodig hebt, is een spuitje. Pas nadat banken met diepgevroren sperma opgekomen waren in de jaren zeventig, werd de behandeling complexer vanuit geneeskundig of technisch standpunt. Waarom werd donorinseminatie dan het domein van artsen? Was het idee om een kind te krijgen van iemand anders alleen aanvaardbaar als het werd verpakt als een medische behandeling? Of had het vooral te maken met het waarborgen van de anonimiteit: ging het in essentie niet om de geneeskunde, maar om het geheim? Hoe het ook zij, de medische wereld verwierf nooit een monopolie. Vanaf de jaren zeventig zochten alleenstaande en lesbische vrouwen soms op eigen houtje een spermadonor omdat dokters

19


hen niet wilden behandelen. Tot vandaag bestaat er een zwarte markt voor donorsperma. Op internetfora maken wensouders zoals Marc afspraken met elkaar, onder andere omdat het persoonlijker en goedkoper is. Want was het óók niet via de spermabank dat nieuwe groepen in de samenleving een kind konden krijgen en dat alternatieve familievormen ontstonden? Hoewel lesbische en alleenstaande vrouwen in de jaren zeventig nog uit fertiliteitsklinieken werden geweerd omdat ze, in de woorden van een vooraanstaande fertiliteitsarts, ‘even gelukkig zouden zijn met een kleine hond’, zijn ze volgens recente cijfers goed voor meer dan driekwart van de behandelingen met donorsperma. Vertelt de geschiedenis van de spermabank ook iets over emancipatie, over de rechten die minderheidsgroepen verwierven? Bovendien ontstonden door de spermabank verhitte debatten over identiteit en het recht om je biologische oorsprong te kennen. Zeker het principe van donoranonimiteit is de laatste decennia controversieel geworden. Vele Europese landen werken alleen nog met gekende donoren, wier identiteit aan de kinderen kan worden vrijgegeven. In Nederland ging de donoranonimiteit op de schop in 2004. In België, waar anonimiteit de norm blijft tot vandaag, pleiten activistische donorkinderen voor een gelijkaardige wetswijziging. Ze vinden dat ze recht hebben op informatie over hun biologische vader. Verschillende politieke partijen – zowel links als rechts in het politieke spectrum – zijn te vinden voor zo’n wetswijziging, maar tot nu toe werd er geen meerderheid gevonden. Hoe komt dit? In Nederland helpt de organisatie Fiom mensen bij hun zoektocht naar biologische familie tot en met de tweede graad. Hun DNA-databank staat ten dienste van geadopteerden die op zoek zijn naar hun biologische ouders, afstandsmoeders die hun kind willen ontmoeten, donorkinderen en donoren die benieuwd zijn naar elkaar. In april 2021 schoot het Vlaamse Afstammings­

20


centrum uit de startblokken, met een gelijkaardige missie. Met slechts tientallen stalen is hun DNA-databank nog behoorlijk leeg, waardoor de kans op een match met een ouder of kind miniem blijft. Maar donorkinderen gaan ook op eigen houtje op zoek in internationale DNA-databanken, zoals 23andMe en MyHeritage. Zo komen ze halfbroers en -zussen op het spoor. Op basis van verre genetische matches kunnen ze hun familiestamboom afmaken. Steeds meer donorkinderen vinden op deze manier de man van wie ze afstammen, ondanks het principe van donoranonimiteit. Wat drijft donorkinderen en op welke obstakels stuiten ze in hun zoektocht? Wat zeggen hun verlangens over de hedendaagse betekenissen van identiteit? Door zulke DNA-testen kwamen de laatste jaren verschillende schandalen aan het licht over de spermabank. Het bekendst is het verhaal van Jan Karbaat, de Rotterdamse arts die minstens 81 donorkinderen met zijn eigen sperma verwekte. Recent werden er gelijkaardige feiten ontdekt over fertiliteitsartsen werkzaam in Den Bosch, Leiderdorp en Zwolle. Ook in België sluimeren de eerste schandalen. In 2019 dagvaardde een man een arts uit Brugge die zijn moeder met donorsperma zou hebben bevrucht, terwijl dat niet zo zou zijn afgesproken. Een ander donorkind overweegt juridische actie omdat hij wellicht afstamt van de fertiliteitsarts die hem verwekte. De fysieke gelijkenis is treffend, maar dat is niet alles. Via een match in een online databank bleek dat het donorkind de helft van zijn DNA deelt met een van de wettige kinderen van de dokter in kwestie. Zulke onthullingen over de spermabank doen de gemoederen oplaaien, verschijnen op de voorpagina’s van kranten, en laten politici dubben en debatteren. Het toont dat het verleden voortleeft, dat het beladen blijft. En ook al nemen gedane zaken geen keer, toch hoort het verleden een plaats te krijgen in het

21


heden. Kennis over het verleden kan spanningen ontladen. Geschiedenis laat toe om fouten te erkennen en recht te zetten, maar ook om begrip op te brengen voor hoe anders het vroeger was. De geschiedenis van de spermabank gaat dus over veel meer dan zaad. Dit is een boek over dokters en patiënten, normen en waarden, geneeskunde en geld, identiteit en genetica, emoties en ervaringen, mannelijkheid en vrouwelijkheid, taboes en geheimen, vroeger en vandaag. ~·~ Bovenal is dit een boek over de mensen wier leven is vervlochten met de spermabank. Daarom spreek ik in de titel niet van een geschiedenis, maar van een biografie. Dit boek gaat over de mensen die mijn verwondering tijdens mijn jarenlange onderzoek bleven aanwakkeren. Ik vertel de verhalen van dokters die hun patiënten stiekem moesten behandelen, van donorouders die de waarheid jarenlang verzwegen voor hun kind, van donorkinderen die met behulp van DNA hun biologische vader vonden. Allen moeten ze omgaan met een wereld die is veranderd op manieren die ze nooit hadden kunnen voorspellen. Sommige van de donoren en wensouders die ik sprak, wilden anoniem blijven of alleen met hun voornaam worden vermeld. Daarom noem ik iedereen bij voornaam. Een hoogleraar wel consequent met een titel of familienaam aanwijzen en een wensmoeder of donor niet, schept immers een beeld van ongelijkheid. Het komt er al te vaak op neer dat mensen in machtsposities met hun achternaam worden aangesproken en anderen niet. Ik wil alle hoofdpersonages in dit boek gelijk behandelen, want hun perspectieven zijn voor mij even waardevol. Wie anoniem wilde blijven, kreeg een fictieve voornaam. Voor de rest is dit boek non-fictie, al twijfel ik of er wel iets bestaat als een getrouwe weergave van de werkelijkheid. Over een

22


en dezelfde gebeurtenis, die maar één keer plaatsvond, schrijven historici honderd verschillende boeken. Zelfs in de bronnen die we lezen, geschreven door de mensen die er zelf bij waren, staan verschillende versies van de feiten. Hoe dan ook, niets wat ik hier als reportage voorstel, is verzonnen. Elke ontmoeting die wordt beschreven, is echt gebeurd. Deze geschiedenis is kleurrijk, maar niet ingekleurd. Als gebeurtenissen uit het verleden in scène worden beschreven – alsof het zich voor je ogen ontvouwt – dan zijn de details gebaseerd op vragen die ik stelde tijdens interviews of op opzoekingswerk. Om bijvoorbeeld locaties te kunnen beschrijven, bekeek ik historische foto’s en documentaires. Ik heb dus weinig toegevoegd, maar wel veel geschrapt. De personages in dit boek zijn gecast zoals in een film. Uit meer dan honderd interviews selecteerde ik twaalf hoofdpersonages wier verhaal past bij de grotere ontwikkeling die ik als historica wilde schetsen. Ik heb hun verhalen uitgekozen omdat wat hen overkwam veelzeggend was voor een bepaalde episode uit de geschiedenis van de spermabank. Zoals een cameravrouw een scène kadreert om het beeld krachtiger te maken, koos ik voor de verhalen die het verleden volgens mij het best belichamen. Niet alles wat de personages aan mij hebben verteld, staat in dit boek. Ook hier heb ik geschrapt. Ik heb passages uit de interviews geselecteerd en gesorteerd tot ze een nieuw verhaal werden. Ik heb gezocht naar de poëzie in een mensenleven, en die vind je altijd. Ook heb ik nagedacht over zaken zoals de spanningsboog, de beeldtaal en de ontknoping. De werkelijkheid heeft vaak geen plot, maar een boek kan moeilijk zonder. De hoofdstukken zijn chronologisch opgebouwd, in die zin dat het verhaal van het eerste personage vooral veelzeggend is voor een vroegere geschiedenis en het verhaal van het laatste personage voor vandaag. Toch is het verloop van dit boek niet strikt lineair. Ik wil de verhalen van de personages als historica in een

23


breder kader plaatsen. Daarom spring ik geregeld achteruit – en soms vooruit – in de tijd. Ik heb historische reflecties daar geplaatst waar ze volgens mij het meest tot hun recht komen. Het levensverhaal van het personage primeerde daarbij op de volgorde van de geschiedenis. De personen die ik in de volgende hoofdstukken opvoer, ben ik zeer dankbaar voor onze ontmoetingen en het vertrouwen dat ze mij gaven. Ik hoop dat ze zich kunnen herkennen in de manier waarop ik hen gestalte heb gegeven. Alle hoofdpersonages die vandaag nog in leven zijn, hebben de tekst voor publicatie gelezen. Wat tussen aanhalingstekens staat, zijn hun woorden en niet de mijne. Met de citaten wilde ik iedereen zijn of haar waarheid laten vertolken, zonder zelf een oordeel te vellen. Toch ben ik mij er ten volle van bewust dat de personen die ik heb ontmoet, niet samenvallen met de personages die ik van hen heb gemaakt. Dit boek blijft een persoonlijk verslag van hoe ik mijn onderzoek, ontdekkingen en ontmoetingen heb ervaren. Je kunt de herinnering van iemand anders nooit volledig vatten, ook niet als historica. Onze relatie met de geschiedenis die in dit boek wordt beschreven, is daarvoor te verschillend. Voor mij is dit een boek dat ik kan dichtslaan, voor hen is het een verleden dat ze in zich dragen. Voor hen is er geen punt aan het einde van de zin, maar gaat het leven door.

24


I

PIONIERS IN STILTE


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401476980 by Uitgeverij Lannoo - Issuu