Voor mijn Congolese vrienden ‘Et nous serons grands et fiers lorsque nous nous approprierons tout notre passé, nous accepterons les blessures qui nous ont été infligées et ce qu’il en naquit parfois comme terribles fleurs de sel ou de pierre (…) C’est une question essentielle: celui qui accepte son passé est maître de son avenir.’ ‘En we zullen groots en trots zijn als we ons heel ons verleden toe-eigenen, de kwetsuren die ons werden aangedaan aanvaarden en wat daaruit soms is ontsproten als vreselijke bloemen van zout of van steen (…) Het is een wezenlijke vraag: wie zijn verleden omarmt, beheerst zijn toekomst.’ Kamel Daoud, Mes indépendances, Éditions Barzakh, Alger, 2017, pp. 246-247.
WWW.LANNOO.COM Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Coverontwerp: Studio Lannoo (Nele Reyniers) Vormgeving: Studio Lannoo i.s.m. Keppie & Keppie Coverfoto: © Brian Kosnar, ter beschikking gesteld door The Arkenstone/Mineralauctions.com Redactie: Ruben Mantels © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2021, Erik Bruyland d/2021/45/400 – isbn 978 94 014 7677 5 – nur 688/692 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
INHOUD
Vooraf Scharniermomenten
DEEL I – VLOEK & ZEGEN Blauw goud Aasgieren boven de savanne Plukeconomie
DEEL II – AVONTURIERS & OPPORTUNISTEN Jackpot met mijnen Rode loper Cobalt Valley
7 9
19 39 61
91 113 135
DEEL III – SCHULD & BOETE Afroblanke Nokologie Afrotopia
167 203 239
Congo 2026 Dank Tijdlijn Lijst van afkortingen Noten Registers
271 287 289 293 295 315
CENTRAAL-AFR. REP.
ZUIDSOEDAN
KAMEROEN
REP. CONGO GABON
DEMOCRATISCHE REPUBLIEK CONGO
UG. RW. BUR.
Kinshasa TANZ.
ANGOLA
Kolwezi
Lubumbashi
ZAMBIA
VOORAF
De in het boek gebruikte plaatsnamen waren geldig op het moment dat de gebeurtenissen plaatsvonden. Zich beroepend op de ‘authenticité’ (terugkeer naar de voorouderlijke tradities) wijzigde president Mobutu in 1967 de benaming van een aantal locaties en bedrijven: Leopoldstad = Kinshasa Elisabethstad (E’stad) = Lubumbashi Shaba = Katanga Zaïre = Democratische Republiek Congo Union Minière du Haut-Katanga (UMHK) = Gécamines (GCM) In 2015 werd Katanga opgedeeld in vier nieuwe provincies: Lualaba (Kolwezi), Haut-Katanga (Lubumbashi), Haut-Lomami (Kamina), Tanganyika (Kalemie). Elk hoofdstuk wordt voorafgegaan door een beknopt overzicht van de historische context waarin de gebeurtenissen dienen te worden gekaderd. In Kobalt blues ligt de klemtoon op de Congolese kopergordel, het rijke ertsgebied in het zuiden van het land, en meer in het bijzonder op de mijnstad Kolwezi en omstreken. Kolwezi is immers vanouds de economische motor en dus bepalend voor de gang van zaken in Congo als geheel. Kobalt is een tijdens de ontginning van kopererts afgeleid afzonderlijk product dat gebruikt wordt in toepassingen voor groene en klimaatvriendelijke spitstechnologieën. Daarom verwijs ik naar Cobalt Valley, naar analogie met Silicon Valley, de kweekplaats van hightech. De koperontginning gebeurde sinds 1906 door Union Minière du HautKatanga (UMHK), een dochteronderneming van de Generale Maatschappij van België (GMB). UMHK werd in 1967 genationaliseerd en omgedoopt tot Gécamines (GCM). De hoofdstukken over het staatsmijnbedrijf worden afgesloten met een tijdlijn en een samenvatting van de belangrijkste evoluties in de behandelde periode.
7
Verderop vindt de lezer een meer complete tijdlijn over de belangrijkste gebeurtenissen in de geschiedenis van Congo, van de Congo-Vrijstaat onder koning Leopold II over de Belgische kolonisatie tot de onafhankelijkheid van Congo, het Mobuturegime (Zaïre) en de Democratische Republiek Congo in 2020. Tot bewijs van tegendeel zijn alle personen die in dit boek vermeld worden onschuldig.
8 Kobalt blues
SCHARNIERMOMENTEN
Je wordt niet ongestraft in Congo geboren. Ik heb dit boek dan ook een leven lang meegesleept. Het werd meer dan een olifantendracht, want als je er ook opgroeide en er een familiaal bedrijf hebt uitgebaat – wat bijna klinkt als ‘uitgebuit’ – ben je nog terughoudender. Decennia van botsende ervaringen en tegenstrijdige overtuigingen verlammen, en zoals de Zuid-Afrikaanse schrijver Breyten Breytenbach opmerkte: ‘Hoe langer je hier’ – in mijn geval, Congo – ‘rondloopt, hoe minder resolute uitspraken je durft te doen.’ Waarom dan toch dit boek? Niet omdat ik als een nostalgische oud-koloniaal de behoefte zou hebben om het een en ander recht te zetten of te rechtvaardigen. Wel omdat Afrika en meer bepaald Congo, in het hart van dat continent, of we het willen of niet, mee de toekomst van Europa zal bepalen. Denken dat de ontwikkelingen in Afrika een verwaarloosbare impact zullen hebben op Europa, of wegkijken zoals in de jaren 1990, toen onze aandacht haast exclusief verschoof naar het openvallende vroegere Oostblok en verder naar China, is niet langer een optie. Want het zwaartepunt van de bevolkingsgroei in de wereld ligt daar, in onze voortuin: ruim 70 procent van de meer dan een miljard Afrikanen beneden de Sahara is jonger dan dertig jaar. Dan kun je niet blijven schipperen. Ofwel zal Europa de reddingsboei worden voor nog meer aanspoelende Afrikaanse drenkelingen, terwijl de Chinezen via onze achterdeur de hand leggen op de beslissende onderdelen van onze economie, in wat hun Euraziatische achtertuin zou kunnen worden ten gevolge van de mutaties op geopolitiek vlak na de coronacrisis van 2020.1 Ofwel grijpen we als Europeanen de toekomst- en samenwerkingsmogelijkheden die Afrika te bieden heeft, zodat we op termijn niet helemaal wegzakken in een afhankelijkheidspositie van Chinese giganten die de grondstofketen van kobalt, lithium, germanium en zo meer beheersen die voor de technologieën van de eenentwintigste eeuw noodzakelijk zijn. Enkele decennia geleden hadden we dat nog zelf in de hand. In het verleden getuigde onze Afrikapolitiek zelden of nooit van een langetermijnvisie. Vandaag dreigen we, in plaats van een gedurfde Eurafrikaanse geopolitiek te ontplooien, vast te lopen in navelstaren en reflexen van boetedoening. Om die redenen en na motiverende aanmoedigingen ben ik eraan
9
begonnen, ondanks schichtige beelden uit een naargeestig verleden die dit verhaal jarenlang blokkeerden: herinneringen aan stenen gooiende meutes en ‘Sale Belge!’-kreten; een inval van militaire cohorten die mijn bebloede vader met handboeien aan de polsen wegvoerden; de vlucht uit Katanga samen met ZuidAfrikaanse huurlingen of de aanblik van onze leeggeplunderde fabriek na de inval van ex-Katangese gendarmes tijdens de Shaba-oorlogen van 1977 en 1978. Bezinksels van die donkere kant in Congo werkten jarenlang beklemmend. Er zijn ook hartverwarmende lichtpunten geweest, zoals mijn proustiaanse jeugdherinnering aan de geur van Nescafé op de plantage van een Congolese herenboer vóór de onafhankelijkheid, de ‘indépendance cha-cha’-beleving van 30 juni 1960 op het terras van Patisserie Valcke in mijn geboortestad Kolwezi, of de kameraadschap van zwarte medescouts onder de acacia’s bij een vlammende zonsondergang boven de savanne. Niettemin, als ‘halve Afrikaan’ kom je er niet ongeschonden uit. Zeker niet als ‘oud-koloniaal’ (al was je toen nog een kind) en evenmin omdat je, zinspelend op Karen Blixens Out of Africa, kunt zeggen: ‘I had a factory in Africa’, ik was bedrijfsleider in Congo. Op een terras in Brussel kun je jezelf wijsmaken dat je niets te maken hebt met de sloppenwijken van cité Caroline. Niet in Kolwezi, waar ik een kwarteeuw heb geleefd en mensen aan de overkant van de Dilalarivier zag ploeteren om te overleven. Daar kijk je de realiteit recht in de ogen. Na mijn terugkeer uit Afrika in 1984 schreef ik als journalist voor het Belgische zakenblad Trends honderden reportages over economische ontwikkelingen in Congo/Zaïre, en tal van opiniestukken. Doorgaans tegendraadse analyses, beschouwingen vanuit een ‘on-Belgisch’ perspectief, zodat ik meer dan eens werd gebrandmerkt als ‘mobutist’ (Mobutu-aanhanger) of weggezet als waterdrager van buitenlandse belangen nadat ik de plundering van de Congolese bodemschatten door Belgische bedrijven aan de kaak gesteld had. Daarop volgden pogingen om mij de mond te snoeren door intimidaties van hogerhand en met ontmoedigende juridische dagvaardingen.2 Steeds vaker lijkt het immers niet meer te gaan om wat er geschreven staat, maar wijst men naar wie dat doet. Als geboren en getogen blanke uit Congo ben je verdacht, in de ogen van zelfverklaarde Congo/Zaïre-experts en van affairistische landgenoten die profijt haalden uit lucratieve combines; meer nog voor machthebbers in Kinshasa en Lubumbashi, omdat ze aanvoelen dat je hun schimmenspel toch enigszins doorziet. Meer dan dertig jaar geleden schreef ik, na een zoveelste conflict tussen België en Congo (toen nog Zaïre), in het economische weekblad Trends een commen-
10 Kobalt blues
taar onder de titel ‘Ik ben Zaïrees’.3 Ironisch genoeg was mij enkele maanden eerder als journalist door Mobutu de toegang tot Zaïre ontzegd.4 Het was een heftige periode: het land bevond zich in een diep moeras en tussen België en Congo waren de geprivilegieerde betrekkingen opgeschort. De gemiddelde Zaïrees voelde zich – terecht – door zijn overheid bekocht, de doorsnee-Belg vond ontwikkelingshulp een alibi en vroeg zich af wat we nog in Zaïre te zoeken hadden. Op economisch vlak was dat waar: de voormalige kolonie stelde in 1989, toen ik het stuk schreef, 0,3 procent van de export voor (in 2019 was het nog 0,1 procent). Maar in mijn commentaar richtte ik de blik op de verantwoordelijkheid van België, niet voor wat er in de koloniale, maar in de postkoloniale periode gebeurd was. Dit is wat ik schreef: ‘Wat onder Leopold II en in de koloniale periode gebeurde, speelde zich af in een historische constellatie met haar kwade én positieve realiteiten, zodat we de contentieux best als afgesloten beschouwen. Zonder dit verleden opnieuw van de zolder te halen, mag de postkoloniale periode wel eens in een breder perspectief benaderd worden. Men kan dan enkel vaststellen dat het officiële België bij herhaling geblunderd heeft en aan het geprivilegieerde karakter van de relaties wel een zeer aparte inhoud gaf.’ Dit oude citaat uit 1989 vat in een notendop de inhoud van dit boek samen. Ik wil de postkoloniale periode in een breder perspectief benaderen en de Belgisch-Congolese relaties van na 1960 aan een ontleding onderwerpen. Niet om het eigen gelijk aan te tonen, want ik heb mezelf nooit als een Zaïre/Congo-expert durven benoemen. Wel om vanuit mijn ervaring een bijdrage te kunnen leveren aan het postkoloniale en bijbehorende dekolonisatiedebat. Kolwezi is daarin mijn ankerplaats en Kobalt blues het grondthema: de teloorgang van het Katangese mijnwezen leidde tot de ondermijning en instorting van het hele land. Zowel België als de internationale gemeenschap is verwikkeld geweest in deze tragedie en dus in dit boek. Kobalt wordt het ‘blauwe goud’ genoemd. Het blijft met de huidige stand van de technologie en wellicht voor de volgende tien, hoogstens twintig jaar, essentieel voor de aanmaak van batterijen, terwijl ruim 60 procent van het kobalt nog voor een poos uit Congo zal komen. China doet er alles aan om de bevoorradingsketen in zijn greep te houden. Samen met de aanvoer van kobalt, koper en andere zeldzame metalen heeft China ook 80 procent in handen van de wereld-
Scharniermomenten
11
markt voor zeldzame aarden of zeldzame aardmetalen, die ook deels afkomstig zijn uit Congo.5 Deze laatste zijn nodig in tal van hoogtechnologische toepassingen, van elektromotoren over computers, lcd-tv’s en smartphones, tot windenergie en ruimtevaart. Optimisten zullen opwerpen dat het westerse genie alternatieven en performante recyclingtechnieken zal ontwikkelen of zeldzame aarden zal collecteren uit de kosmos, van op de maan en asteroïden. Maar zal Europa bij die pioniers zijn? Verblind door onze hoogmoed rolden we na de eeuwwisseling de rode loper uit voor China, in de waan dat wij de brains zouden behouden en zij de goedkope en vervuilende industriële productie op zich zouden nemen, onder meer de extractie van die zeldzame aarden. Eén illustratie kegelt die illusie omver: techgigant in telecommunicatieapparatuur Huawei, in 2019 het doelwit van Donald Trumps tegenoffensief in zijn handelsoorlog met China, tekende in 2019 met de verkoop van driehonderd miljoen smartphones (meer dan Apple) voor een jaaromzet van 108,7 miljard euro. Twintig jaar geleden fabriceerde het als staatsbedrijf alleen maar telefooncentrales met de hulp van Bell Telephone uit Antwerpen; Europese telecomfabrikanten als Nokia, Alcatel, zelfs Ericsson en Siemens, dreigen na technologie-overdrachten in ruil voor hypothetische marktaandelen onbeduidend te worden. Huawei is intussen koploper in applicaties voor het G5-supersnelle mobiele internet en het bedrijf dat de meeste octrooien voor innovaties ter wereld neerlegt. De Europeanen zaten nochtans, onder meer via de historische banden van de Belgische Generale Maatschappij en haar filialen van Union Minière, de voorloper van Umicore, tot het einde van de jaren 1980 in Congo boven op de ertsen die cruciaal zijn voor de technologische ontwikkelingen van morgen. Niet voor niets tekende de materiaaltechnologiegroep Umicore begin 2019 een langetermijnovereenkomst met de Zwitserse grondstoffengigant Glencore voor de levering van kobalthydroxide voor de productie van batterijmaterialen. De vroegere kobalt- en kopermijnen van Union Minière kwamen in handen van Glencore en van Chinese staatsgiganten. Beide zijn de belangrijkste hofleveranciers voor techgiganten als Apple, Samsung, Huawei of Tesla. Het is de ironie van de geschiedenis en de tragedie van Kobalt blues dat wat nog steeds een succesvolle Congolees-Belgische multinational had kunnen zijn, nu zijn boodschappen moet gaan doen in China. Kolwezi, mijn geboortestad, is op die manier een metafoor voor de geopolitieke aardverschuivingen na de val van de Berlijnse Muur in 1989. De aandacht gaat in dit boek lang niet alleen naar die plek omdat ze verbonden is met mijn
12 Kobalt blues
persoonlijke verleden. Het rijke ertsgebied van Kolwezi en omstreken is altijd de economische motor geweest en dus bepalend voor de gang van zaken in Congo als geheel. Tegelijk en daardoor was en is het van geostrategisch belang voor de politieke zwaargewichten op het wereldtoneel. Vanuit mijn diepste Afrika-beleving zoek ik in een persoonlijk relaas naar antwoorden op de vraag waarom de zo gegeerde Congolese grondstoffen de Democratische Republiek Congo (DRC) niet hebben kunnen optillen tot een van de meest welvarende speernaties van Afrika. Waarom kon er geen ‘Cobalt Valley’ van Congo ontstaan – want hoe grotesk deze analogie met de Californische Silicon Valley ook lijkt, toch zat daar een potentieel van waarheid in! Heel wat – ook en met name Afrikaanse! – schrijvers, wetenschappers en denkers hebben naar verklaringen voor deze Afrikaanse paradox gezocht: een continent zo rijk dat zo arm is. De vraag was de directe inzet van Daron Acemoglu’s en James Robinsons Why Nations Fail.6 De ideeën van deze twee gezaghebbende economen over het falen van naties zullen samen met verschillende andere stemmen uitgebreid aan bod komen in dit boek (vooral in deel III). Een element uit hun verklaring ligt in wat ze in hun boek ‘critical junctures’ noemen, belangrijke scharniermomenten die de geschiedenis – en dus de toekomst van een land – een andere richting uit hadden kunnen stuwen. De privatisering van het staatsmijnbedrijf Gécamines (de opvolger van het genationaliseerde Union Minière) was rond de eeuwwisseling zo’n (gemist) kantelmoment. Vooral omdat de afbraak van deze mijngigant gepaard ging met de genadeslag voor de Congolese rechtsstaat, de kanker die Congo/Zaïre decennialang ondermijnde. De analyses van Acemoglu en Robinson sluiten naadloos aan bij wat ik in dit boek wil aantonen: er zijn in de geschiedenis van naties historische scharniermomenten die bepalen welke weg ze opgaan. In het geval van de Congolese natievorming komt daarbij onvermijdelijk de voormalige Belgische kolonisator in beeld en de wissels die hij in de Congolese geschiedenis geslagen heeft. Ook ná 1960. Toen werden de Belgen vaak als ‘nonkel’ of ‘oompje’ voorgesteld. De emotionele en soms dramatische verhoudingen tussen Congo/ Zaïre en zijn oud-kolonisator ontleed ik in dit boek daarom met een eigen concept: nokologie, dat is afgeleid van het Lingalawoord noko, dat uitgerekend ‘nonkel’ betekent. Zowel de in wezen paternalistische oproep voor een ‘terugkeer’ van de ‘noko’s’ of ‘nonkeltjes’ als een misplaatst neokolonialisme was de afgelopen decennia een schimmenspel vol dubbele bodems en misverstanden. De turbulenties manifesteerden zich het hevigst in die bewuste kritieke scharniermomenten van de geschiedenis – niet alleen voor Congo (Zaïre), ook
Scharniermomenten
13
voor Europa. De Belgen kozen er telkens voor om de Congolezen in de steek te laten. Het is dat aspect van de postkoloniale geschiedenis dat ik al sinds 1989 wil vertellen. Om het simpel te stellen: het verhaal van het ‘blauwe goud’ verdient net als dat van het ‘rode rubber’ bekend te worden. Terwijl ik Kobalt blues aan het schrijven was, laaide in België het dekolonisatiedebat op. In 2020 waren er controverses rond het aanbieden van excuses voor ons koloniale verleden, het slachtofferschap van (Belgische) Congolezen, acties omtrent het weghalen van standbeelden van Leopold II en allerhande emoties naar aanleiding van het vernieuwde AfricaMuseum in Tervuren. De wereldwijde protestbeweging Black Lives Matter uitte haar afschuw tegen racisme na de gewelddadige dood van de Afro-Amerikaan George Floyd in de VS. Het was voor koning Filip de gelegenheid om bij de zestigste verjaardag van de onafhankelijkheid van de Democratische Republiek Congo historische spijtbetuigingen aan te bieden voor ‘geweld- en gruweldaden ten tijde van Congo-Vrijstaat’ en voor ‘het leed en vernederingen die werden toegebracht in de daaropvolgende koloniale periode’. Die verklaring was het startschot voor een parlementaire Congocommissie die België in het reine moet brengen met zijn koloniale verleden. Kennelijk behoor ik mij als oud-koloniaal – zelfs niet, want ik ben slechts een ‘kind van de kolonie’ – ervan bewust te zijn dat we als blanke (tegenwoordig ‘witte’) medemens ten eeuwigen dage de koloniale erfzonde moeten dragen. Zowel hier, als immigrant in het land van mijn Vlaamse voorouders, als in Congo, waar mijn wortels liggen, waar ik geboren en een kwarteeuw getogen ben, een bedrijf had, tewerkstelling voortbracht en belastingen betaalde – maar toch nauwelijks recht van spreken had en heb. Die bedenkingen brengen mij bij de Zuid-Afrikaanse dichteres en antiapartheidsactiviste Antjie Krog toen ze in een interview ook mijn gevoelens vertolkte. Ze zei: ‘Er was een zwarte wereld in Afrika. Het was een andere wereld, maar het was een wereld. Toen kwamen de blanken met hun filosofie en taal en ze hebben de wereld van de zwarten opgebroken. Vroeger spraken de zwarten Zoeloe, nu Engels. Vroeger brachten ze offers voor hun voorouders, nu gaan ze naar de kerk. Hun hele wezen is verbrokkeld. Ik ben groot geworden in een coherente, blanke wereld van Afrikaners. Mijn wereld wordt nu voor de eerste keer in mijn leven door zwarte mensen versplinterd. Maar als ik hier bij jullie kijk, denk ik dat jullie binnen tien of vijftien jaar hetzelfde zullen meemaken. De oude patronen die je zo goed kent en die je zo respecteert, gelden straks niet meer.’7
14 Kobalt blues
Hoe zinvol de palavers over het koloniale verleden ook zijn, ze verhullen wat daarna gebeurd is. Na de onafhankelijkheid. Dit boek knoopt aan bij de jonge Belgen van Congolese origine die naar aanleiding van de VRT-televisiereeks Kinderen van de kolonie de oproep lanceerden: ‘Wanneer spreken we eindelijk ook over de rol van België in Congo na de kolonisatie?’8 Belgische beleidsmakers zijn beslist mee verantwoordelijk geweest voor postkoloniale ontsporingen, maar die episode valt stilaan in duurtijd langer uit dan de strikt Belgische kolonisatie ooit is geweest: zestig (1960-2020) tegenover tweeënvijftig (1908-1960) jaar om precies te zijn. Ruim 85 procent van de Congolese bevolking heeft de kolonisering nooit gekend. Congo heeft ook zijn eigen geschiedenis. Het houdt geen steek Europa en bovenal België als hoofdverantwoordelijke aan te wijzen voor de talloze gemiste opportuniteiten in Congo. Daarvan getuigen ook de stemmen van Afrikanen die er genoeg van hebben dat de Afrikaanse reflectie vastgeroest blijft in koloniale schuld en slachtofferschap over de vraag waarom dit continent de rest van de wereld blijft nahinken sinds de onafhankelijkheid zo’n zestig jaar geleden.9 Why Nations Fail? Waarom heeft Congo gefaald? Op naar Kolwezi.
Scharniermomenten
15
16 Kobalt blues
DEEL I
VLOEK & ZEGEN ‘Congo is geen te groot land, maar is er een dat van zijn bestuurders grootsheid vereist.’ PATRICE LUMUMBA )
(
Vloek & zegen 17
BLAUW GOUD
De Congolese Copperbelt geldt als de barometer van Congo en van de gezondheidstoestand van zijn economie. De weg Lubumbashi-Kolwezi is de ruggengraat van dit ertsgebied. Wat zich langs die hoofdas afspeelt, is vanouds een afspiegeling van de politieke en economische evoluties in heel Congo/Zaïre. Het belangrijke mijncentrum Kolwezi is sinds de eeuwwisseling een symbool geworden voor de hyperglobalisering van de wereldeconomie.
Lubumbashi-Kolwezi Van het begin van de jaren 1950 tot het midden van de jaren 1980 heb ik de weg tussen Lubumbashi en Kolwezi wel vele honderden keren afgelegd. Heen en terug, 350 kilometer lang, door een monotoon savannelandschap met lage boompjes, hoog gras en her en der rode termietenheuvels. Af en toe werd de monotonie onderbroken door een tiental hutjes in rossige, aangestampte aarde, met een lemen dak, een paar slenterende geiten en kippen eromheen. Broussedorpjes, gelegen langs het tweebaansgedeelte dat stopte in het mijnstadje Likasi, zowat halverwege, en dat verder versmalde tot een eenvaksweg die eindigde in Kolwezi, mijn mukini (mijn thuis). Kolwezi was het mijncentrum met de rijkste koper- en kobaltondergrond van de hele Copperbelt, de ‘koperen gordel’ op de zuidelijke grens van Congo en het huidige Zambia, een van de ruimst bedeelde ertsgebieden ter wereld. Het Congolese gedeelte van die Copperbelt werd sinds 1906 uitgebaat door Union Minière du Haut-Katanga (UMHK) en na de nationalisatie ervan in 1967 door de Générale des Carrières et des Mines (Gécamines of GCM). Zich uitstrekkend over een gebied ruim zo groot als de oppervlakte van België, zat de ondergrond volgestouwd met gegeerde grondstoffen als uranium, germanium, wolfraam, mangaan, koper en kobalt. Voor dat laatste – het ‘blauwe goud’ – was ze goed voor meer dan de helft van de bekende wereldreserves, terwijl ze 10 procent voor het aandeel van het Congolese kopererts noteerde. Kobalt wordt onder meer gebruikt in herlaadbare batterijen voor mobiele telefoons, in elektronica, in de vliegtuigindustrie, maar ook in verven en voe-
Vloek & zegen 19
dingssupplementen; koper is een uitstekende warmte- en elektriciteitsgeleider en vindt ook toepassingen in de bouw. In een klassieke auto zit ongeveer 15 kilogram koper, in een elektrische auto tot 60 kilogram. Van mijn jongste herinneringen als kleuter tot aan de jaren 2000 leek dit eenvormige traject eeuwig onveranderlijk. Er viel nergens iets opbouwend nieuws te bespeuren. Maar toch was ‘Lubumbashi-Kolwezi’ de ruggengraat van Katanga, de rijkste provincie van Congo, die in de tijd van Mobutu zelfs omgedoopt werd tot Shaba, wat ‘koper’ betekent in het Swahili. Alleen de kleurschakeringen van de lucht of het spel van de wolken zorgden naargelang de weersomstandigheden of het tijdstip van de dag voor afwisseling. Bij zonsopgang en bij valavond verkleurde de horizon tot een lavastroom in volle gloed. Verder niets, altijd hetzelfde landschap. Op enkele lukrake herinneringen na, zoals een vergeten, tweetalig paneel, waarschuwend in het Frans en in het Nederlands, dat eind jaren 1970 bij een spoorwegovergang verdween, een laatste relict van het koloniale tijdvak definitief uitwissend. Of toen zowat twintig jaar later het reusachtige opschrift ‘Objectif 80’, opdoemend na een bocht bij Kambove, na jaren afbladderen de vergetelheid van de geschiedenis indook. In de glorietijd van Mobutu, tot de instorting van de koperprijs in het midden van de jaren 1970, toen tegelijk de neergang van Zaïre begon door het over de kop gaan van genaaste fabrieken en landbouwondernemingen die eigendom waren geweest van buitenlanders – de mobutistische revolutie noemde dat ‘zaïrisering’ – betrachtte ‘de Gids’ zijn land op te tillen van een ontwikkelingsland tot een volwaardige industriële natie. 1980 was de streefdatum. De Zaïrese charmezanger Tabu Ley Rocherau vereeuwigde die ‘Objectif 80’-ambitie op een legendarische vinylplaat. Niet alleen Mobutu’s hofhouding applaudisseerde, zelfs het Amerikaanse weekblad Newsweek was in extase toen het uitpakte met een cover van Mobutu en de titel ‘The Zaïre Experiment’: ‘Mobutu scoort met een van de meest fascinerende experimenten in Afrika die Zaïre letterlijk op de kaart zet en het land tot de belangrijkste zwarte macht maakt van het continent, na Nigeria. (…) Zelfs in de weinig waarschijnlijke hypothese dat Mobutu op korte termijn omver zou worden gegooid, zullen zijn realisaties niet snel worden vergeten. Enkele honderden onderling erg verschillende stammen heeft hij vervlochten tot één natie en hij heeft een gedurfd experiment gelanceerd waaruit hij een unieke identiteit heeft gesmeed voor zijn volk, een identiteit die inspiratie put zowel uit de moderne, geïndustrialiseerde wereld als uit de wereld van de voorouders.’1
20 Kobalt blues
Uit ongeveer diezelfde periode herinner ik mij in de wachtkamer van de directeur van de Banque Commerciale du Zaïre in Lubumbashi het weekblad Jeune Afrique. De coverfoto was een in het oog springend beeld van armtierige huisjes op de voorgrond, met daarachter moderne hoogbouw. Het was een foto van Seoul, de covertitels van het magazine verwezen naar de fenomenale opgang van Zuid-Korea uit armoede en onderontwikkeling. Het is genoegzaam bekend dat Congo bij zijn onafhankelijkheid in 1960 een hoger ontwikkelingsniveau had dan de meeste van de latere ‘Aziatische tijgers’. Met zijn ‘Objectif 80’ beoogde Mobutu terug te keren naar die Congolese bloeitijd, en zelfs meer. In de jaren 1970-1980 was er inderdaad een aanzet tot grootse plannen. Dat zag je ook op bijna het hele traject tussen Lubumbashi en Kolwezi. Inga-Shaba doorbrak er het gestolde landschap. Deze 1800 kilometer lange hoogspanningslijn, de langste ter wereld, gebouwd door Amerikaanse en Europese bedrijven, zorgde voor hoge pylonen langs de weg. Die transporteerden elektrische stroom vanaf het reusachtige stuwdammencomplex Inga, gelegen aan de monding van de Congorivier, tot aan de mijnen van Katanga. Die stroomtoevoer was een van de ‘witte olifanten’, geldverslindende megalomane projecten uit de hoogdagen van het mobutisme, geworden en zou het zwaarst gaan wegen op de schuldenlast van Congo/Zaïre.2 Maar de dorpjes onder die hoogspanningskabels kregen geen elektriciteit en de nefaste houtkap om makala of brandkolen te maken ging onverminderd verder. Met de aanvoer van elektriciteit vanuit Beneden-Congo wilde Mobutu een nieuwe afscheiding van de ‘koperprovincie’ Katanga, zoals onmiddellijk na de onafhankelijkheid van Congo in 1960 was gebeurd, onmogelijk maken. De latere president Joseph Kabila sneed in 2015 met dezelfde bedoeling Katanga in vier kleinere provincies: Haut-Katanga, Haut-Lomami, Tanganyika en Lualaba. Na 2010 kwam er op de weg Lubumbashi-Kolwezi voor het eerst pas echt beweging in de stilstand. De asfaltbedekking, die na elk regenseizoen verder verbrokkelde, levensgevaarlijke kraters vertoonde of helemaal veranderde in een modderpoel, werd een soort autoweg met tolpoorten en meerdere rijstroken, dankzij CREC (China Railway Equipment Corporation). Anders dan de naam van deze Chinese staatsonderneming deed vermoeden, werd de voor de hand liggende oplossing voor het mijntransport, de spoorweg Lubumbashi-Kolwezi, echter verwaarloosd ten voordele van het vervoer langs de weg. Met als gevolg dat gigantische veertigtonners beladen met koper en kobalt in een eindeloze stroom over de ‘dodenweg’ tussen Lubumbashi en Kolwezi raasden.
Vloek & zegen 21