GRAMMATICA VAN HET KLASSIEKE SANSKRIT
Sanskriet-Handboek_A4.indd 1
15/09/21 11:45
Sanskriet-Handboek_A4.indd 2
15/09/21 11:45
HANDLEIDING BIJ DE STUDIE VAN HET KLASSIEKE SANSKRIT
PROF. ADRIAAN SCHARPÉ
Grammatica en oefeningen (+ vertaling van de Sanskrit-oefenzinnen)
JAN GERRIS EN EVA DE CLERCQ (RED.)
Sanskriet-Handboek_A4.indd 3
15/09/21 11:45
D/2021/45/147 - ISBN 978 94 014 7668 3 – NUR 616
Vormgeving cover: Studio Lannoo Vormgeving binnenwerk: Banananas De auteurs en Uitgeverij Lannoo nv Tielt, 2021 Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv ©
Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij Academia Press Coupure Rechts 88 9000 Gent België www.academiapress.com
Sanskriet-Handboek_A4.indd 4
15/09/21 11:45
5
WOORD VOORAF BIJ DE 2e UITGAVE
door Prof. J. Gerris en Prof. E. De Clercq
Adriaan Scharpé (1913-1986) studeerde klassieke en diverse vreemde talen, waaronder Avestisch, Maleis, Oud-Javaans, Chinees, Japans en uiteraard het Sanskrit, eerst aan de Katholieke Universiteit Leuven, waar zijn vader hoogleraar Germaanse filologie was, en vervolgens ook in Utrecht bij de wereldvermaarde indoloog Jan Gonda. Hij behaalde een eerste doctoraat, in de klassieke filologie, in Leuven in 1937 en twee jaar later een tweede, in de Indo-Iraanse filologie, in Utrecht, in beide gevallen met een proefschrift over de Sanskrit-belletrie (kāvya). In 1944 werd Scharpé aangesteld als professor aan de Gentse Rijksuniversiteit voor de cursussen Sanskrit, vergelijkende Indo-Europese taalkunde en kunstgeschiedenis van Zuid- en Oost-Azië. Hij bleef er tot zijn emeritaat in 1980. In 1951-52 werd hij verkozen tot decaan van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte en in 1958 legde hij er de bakermat van wat later onze huidige vakgroep Talen en Culturen zou worden, door het Hoger Instituut voor Oosterse, Oost-Europese en Afrikaanse Taalkunde en Geschiedenis te stichten. Daarnaast was hij van 1948 tot 1978 ook aangesteld als hoogleraar aan de universiteit van Amsterdam. In zijn onderzoek legde Scharpé zich vooral toe op kāvya, in het bijzonder het werk van de grootste Sanskrit-auteur uit de geschiedenis, Kālidāsa, van wiens werken hij een lexicon samenstelde. Daarnaast publiceerde hij ook over de ZuidAziatische topografie. Bij de Vlaamse Sanskrit- en indologie-studenten is Scharpé vooral gekend als auteur van de eerste Nederlandstalige grammatica en oefenboek van het klassieke Sanskrit, in vier boekdelen. De eerste drie boekdelen (uit 1943) omvatten respectievelijk de grammatica, oefeningen en een selectie van teksten. Het vierde boekdeel (uit 1965) bestond uit een vertaling en woordenlijst bij de oefenzinnen uit het tweede deel. In 1945 bracht Scharpé ook een uitgebreidere Franstalige versie uit, Précis de Grammaire du Sanscrit Classique, dat in een parallel project eveneens heruitgegeven wordt door studenten van de Université Catholique de Louvain-la-Neuve, onder leiding van Christophe Vielle. De heruitgave die hier voorligt omvat van het oorspronkelijke werk het volledige eerste boekdeel, de grammatica, het belangrijkste stuk van het tweede boekdeel, de oefenzinnen, met de vertaling van deze uit het vierde boekdeel, gebundeld in één volume bestaande uit een deel I (Grammatica) en deel II (Oefeningen en Vertalingen). Ondanks het feit dat intussen tal van handboeken en grammatica’s van het Sanskrit zijn verschenen, waaronder ook in het Nederlands, blijft de grammatica van de Handleiding van Scharpé een evergreen vanwege zijn didactisch sterke synoptische structuur. Aan deze structuur hebben wij niets veranderd; enkel in zeldzame gevallen van onvolkomenheden hebben wij correcties aangebracht (hieronder vallen ook de correcties die Scharpé zelf opmerkt in zijn eigen exemplaar van het handboek). Een gevolg van onze keuze voor het aanhouden van deze zeer gebalde structuur, is dat wij de weergave van het Sanskrit in de standaard academische romanisatie (transcriptie) hebben moeten aanhouden, en niet die in het Devanāgarī, het vaakst gebruikte Zuid-Aziatische schrift voor Sanskrit. Waar nodig en gepast werden oubollige uitdrukkingen en archaïsche schrijfwijzen aangepast aan een meer eigentijds Nederlands. Deel II (Oefeningen en vertalingen) bestaat uit 48 stukken met selecties van oefenzinnen uit de klassieke Sanskrit-literatuur, in het bijzonder in het kāvya-genre, naar een bepaald grammaticaal thema. Sommige van deze zinnen zijn, in hedendaagse termen, niet politiek correct en zelfs misogyn te noemen. Ze verraden vooral de mannelijke en elitaire kringen waarin zij tot stand gekomen zijn. Andere zijn echter tijdloze parels over de menselijke gesteldheid die nog steeds het lezen en genieten waard zijn. Bij deze oefenzinnen, evenals de voorbeeldzinnen in de grammatica,
Sanskriet-Handboek_A4.indd 5
15/09/21 11:45
6
GRAMMATICA VAN HET KLASSIEKE SANSKRIT
werd vaak bewust gekozen om een archaïsch, ietwat stroef Nederlands te bewaren, boven een vlottere, meer eigentijdse vertaling, vanuit didactisch oogpunt. Zo koos Scharpé er bijvoorbeeld vaak voor om de syntaxis van het Sanskrit in die van de Nederlandse vertaling aan te houden, met name vooral in correlatiefzinnen. In de heruitgave hebben wij dit principe aangehouden, op voorwaarde dat de zin voor de hedendaagse Sanskrit-student nog steeds correct te begrijpen zou zijn. Ook merken wij op dat wij, doorheen dit werk, de schrijfwijze ‘Sanskrit’ met klemtoon op de eerste lettergreep aanhouden in plaats van het taalkundig minder correcte ‘Sanskriet’ zoals Van Dale en het Groene Boekje aangeven. Met deze heruitgave hopen wij voor de huidige en volgende generaties de studie van het Sanskrit te faciliteren in het Nederlandse taalgebied. Bijkomend leermateriaal, waaronder de Devanāgarī-versies van de Sanskritzinnen uit de Handleiding, worden ter beschikking gesteld op de webpagina van de UGent (www.india.ugent.be/sanskrit). Deze heruitgave komt er met de zegen van de kinderen van Adriaan Scharpé, die wij bij deze uitdrukkelijk wensen te bedanken. Verder ook dank aan Scharpé’s academische opvolgers en lesgevers Sanskrit aan de Universiteit Gent, in het bijzonder Eddy Moerloose en Frank Van Den Bossche. Tot slot bedanken wij ook Sander Hens, Isaac Demey en de medewerkers van Academia Press voor hun ondersteuning bij het tot stand brengen van deze heruitgave.
Sanskriet-Handboek_A4.indd 6
15/09/21 11:45
7
VOORBERICHT
(Bij de oorspronkelijke versie)
Voorliggende Handleiding – bij mijn weten het eerste handboek voor de studie van het Sanskrit in het Nederlands(1) – is vóór alles op de praktische studie van de klassieke taal geschreven. Met name was in dit eerste deel, de grammatica, gelet op de grote kring van studenten die aan het Sanskrit als keuzevak in het licentiaat in de Filologie slechts beperkte tijd kunnen wijden, een heldere en zoveel mogelijk synoptische voorstelling van het gewichtigste de hoofdzorg, onbezwaard bovendien met feiten of beschouwingen van de taalvergelijking, door Prof. Carnoy in zijn Grammaire élémentaire(2) reeds zo uitmuntend samengevat. Met het oog echter op het gelukkig steeds toenemend aantal van diegenen, die deze gewichtige cultuurtaal diepgaander wensen te bestuderen, is anderzijds ook aan minder onontbeerlijke stof aandacht besteed, vooral aan zulke, als compositum, syntaxis en taaleigen, welke doorgaans niet met passende breedvoerigheid wordt behandeld. Met opzet zijn, als prikkel om de vormen onderling te vergelijken en hierdoor het inzicht in de algemene bouw van de taal te vermeerderen, de paradigmata, voor zover bijeenhorend, in enkele algemene tabellen samengevoegd, en stam en uitgangen doorlopend gescheiden(3). Het tweede deeltje, met oefeningen op de sandhi*, thema’s over hoofdzaken van grammatica en vocabularium, en zinnen ter vertaling uit werken van de klassieke literatuur, is als aanvulling bij het eerste, de grammatica, en overgang naar het derde, de teksten*, gedacht en als zodanig in menig opzicht een novum. Praktische oefeningen op de sandhi lijken mij inderdaad heel wat kostbare tijd bespaard, om de beginneling het stevigst in die vaak ontmoedigende stof vertrouwd te maken, en ik sta anderzijds stellig niet alleen met de opvatting(4) dat thema het middel bij uitstek is om vertrouwd te raken met de hoofdzaken van grammatica, copia verborum en syntaxis. De korte zinnen ter vertaling zijn tegelijk een middel tot uitbreiding en verdieping van de kennis van vormleer, syntaxis en taaleigen, en als inleiding tot de studie van samenhangende teksten bedoeld. Zij werden zonder uitzondering, en uitsluitend op grond van persoonlijke lectuur(5), uit de voornaamste werken van de klassieke literatuur(6) bijeengekozen. Evenals de thema-zinnen, zijn zij vooral met het oog op zelfstudie zo overvloedig mogelijk gegeven, en zijn in het vierde deeltje* behalve woordenlijst ook vindplaats, aantekeningen en vertaling toegevoegd. Onder de in het derde deel* afgedrukte teksten zijn enkele aan de epische, de meeste aan de klassieke literatuur ontleend. Zij verschijnen hier alle voor het eerst in transcriptie en zijn door interpunctie en splitsing van de samenstellingen (met cursivering van eventuele sandhi-vocaal) zoveel mogelijk voor de studie toegankelijk gemaakt. Wat de epische letterkunde betreft is met uitzondering van de Nalopākhyāna I-V (dat zo vaak, zij het m.i. ook ten onrechte, nog de grondslag uitmaakt van het aanvankelijke Sanskrit-onderricht, en dat om die praktische reden niet kon worden uitgesloten) niets opgenomen uit het Mahābhārata(7). Het lag immers voor de hand, waar het leesboek van mijn Utrechtse leermeester, prof. Gonda(8) een zo uitmuntende keuze uit Mahābhārata en Purāṇa’s bevat, niets echter uit het Rāmāyaṇa, zich tot uittreksels uit laatstgenoemd werk te beperken. De overige stukken zijn alle aan geschriften van de zogenaamde klassieke periode ontleend. Zodoende kon deze bloemlezing, die met het Rāmāyaṇa aanvangt en over Aśvaghoṣa’s Buddhacarita, de Jātakamālā, Kālidāsa’s Raghuvaṃśa en Śakuntalā tot Daṇḍins Daśakumāracarita en Bāṇa’s Kādambarī en Harṣacarita leidt (van elk van deze werken, en van enkele andere, zijn min of meer lange, maar telkens
Sanskriet-Handboek_A4.indd 7
15/09/21 11:45
8
GRAMMATICA VAN HET KLASSIEKE SANSKRIT
in zich afgesloten gedeelten opgenomen), tegelijk tot een overzicht van enkele hoofdmomenten in de geschiedenis van de klassieke Sanskrit-literatuur worden uitgewerkt – een overzicht waaraan, hoe rudimentair ook, bij het belang en de ontoegankelijkheid van de meeste der opgenoemde teksten, wel enige behoefte bestaat. Het bij deze teksten, en ook bij de Sanskritzinnen van II behorende glossarium* verschijnt samen met de aantekeningen en de vertaling bij II in een vierde deeltje*, afzonderlijk. Mijn vroegere leermeesters, de professoren van de Leuvense universiteit Lamotte, zonder wiens aansporing dit werk wel niet ware geschreven, en Carnoy, om de bereidwilligheid het met een woord vooraf in te leiden, alsmede, om de betoonde belangstelling, de professoren Cochez en Grootaers, en de Utrechtse hoogleraar Z.E.P. Mullie, dank ik hier allen oprecht. Tot een woord van dank acht ik mij ook tegenover de N.V. De Vlaamsche Drukkerij verplicht, wegens de uitgave van dit werk en de buitengewone zorg aan de uitvoering ervan besteed.
23 Juli 1943
A. S.
(1) Prof. Uhlenbecks Handboek der Indische klankleer, in vergelijking met die der Indogermaansche stamtaal (Leiden, 1894) behandelt enkel de fonetica, en uitsluitend uit taalvergelijkend oogpunt. (2) A. Carnoy, Grammaire élémentaire de la langue sanscrite, Leuven, 19372. (3) Waar dit principe niet kon worden doorgevoerd – aldus in sommige paradigmata (deva-, dāna- e.a.) bij de verbuiging der vocaalstammen – werd een praktische scheiding toegepast. (4) Vgl. V. Henry in de voorrede tot zijn Eléments de sanscrit classique [1902], p. VI. (5) Ook het Elementarbuch van Stenzler en de Elementar-Grammatik van Prof. Gonda, bevatten een hondertal soortgelijke Übungsbeispiele. (6) De tekst der sandhi-oefening in deel II (ook voor de eerste lectuur zeer geschikt) is eveneens uit het Mahābhārata (Pauṣyaparvan). (7) J. Gonda, A sanskrit reader: containing 17 epic and puranic texts, with a glossary, Utrecht, Oosthoek, 1935. De met een * gemerkte delen maken geen deel uit van deze tweede uitgave.
Sanskriet-Handboek_A4.indd 8
15/09/21 11:45
9
INHOUDSOVERZICHT
(Wat als bijzonder belangrijk voor de eerste studie in aanmerking komt, is met een sterretje gemerkt.) pagina
Woord vooraf bij de 2e uitgave door Prof. J. Gerris en Prof. E. De Clercq. .................. 5 Voorbericht (bij de oorspronkelijke versie)............................................................... 7 Inhoudsoverzicht........................................................................................................ 9 Tekens en afkortingen................................................................................................ 17 Uitgekozen bibliografie.............................................................................................. 21 Hoofdstuk I. Klankleer (§1-36).................................................................................... 1. 2. 3. 4. 5. 6.
*Klanktekens (§1-4)...................................................................................................... *Uitspraak (§5-6).......................................................................................................... Alfabet (§7-10).............................................................................................................. Kwantiteit; klemtoon (§11-12)...................................................................................... *Guṇa, Vṛddhi, Saṃprasāraṇa (§13-14)........................................................................ Sandhi (§15-36).............................................................................................................
25 25 26 26 26 27 27
Uitwendige sandhi (§16-19).......................................................................................... *In-pausā-stelling (§16-18).................................................................................... Synopsis van de sandhi-regels (§19)....................................................................... A. *Eindklinkers............................................................................................. B. *Visarga.................................................................................................... C. *Eindmedeklinkers...................................................................................
28 28 29 29 29 30
Inwendige sandhi (§20-36)............................................................................................ 33 Klinkers (§21-22).................................................................................................... 33 Eindmedeklinkers (§23-24).................................................................................... 33 *Cerebralisatie (§25-27)......................................................................................... 34 Aspiratie (§28-29)................................................................................................... 34 Overige (§30-36).................................................................................................... 34
Hoofdstuk II. Verbuiging (§37-159).................................................................................. 37 *Inleiding (§37-40)........................................................................................................ 37 Naamwoorden (§41-141).............................................................................................. 37 A. Verbuiging van de stammen op klinker (§41-63).............................................. 37 *Inleiding (§41-42).......................................................................................... 37 Paradigmata (§43-63)...................................................................................... 38 -a stam: *deva-, *dāna- (§43-42).............................................................. 38 -ā stam: *mālā- (§45)................................................................................ 38 -u stam: *taru- (§46), vasu- (§47), dhenu- (§47)........................................ 38
Sanskriet-Handboek_A4.indd 9
15/09/21 11:45
10
GRAMMATICA VAN HET KLASSIEKE SANSKRIT
-ū stam: vadhū- (§49), bhū- (§50).............................................................. 39 -i stam: *asi- (§51), sakhi- (§52), pati- (§53), vāri- (§54), akṣi- (§55), mati- (§56) 38 -ī stam: *devī- (§57), śrī- (§58), strī- (§59)................................................. 39 -ṛ stam: *dātṛ- (§60), *pitṛ- (§61).............................................................. 41 -o stam: go- (§62)...................................................................................... 41 -au stam: nau- (§63); dyu-, rai-.................................................................. 41 *Opmerkingen bij de paradigmata ................................................................. 40 B. Verbuiging van de stammen op medeklinker (§64-124).................................. 42 *Inleiding (§64-66).......................................................................................... 42 *Buigingsuitgangen, stamwisseling (§65).......................................... 42 *Indeling (§66)................................................................................... 43 1. *Eénvormige stammen (§67-81)........................................................ 43 *Tabel (§73)....................................................................................... 44 Paradigmata (§74-81)......................................................................... 44 2. Tweevormige stammen (§82-94)....................................................... 45 1. *Stammen op -at (§84-86).................................................... 45 2. Stammen op -īyas (§87)........................................................ 45 3. *Stammen op -in (§88)......................................................... 45 *Tabel (§89)....................................................................................... 46 Paradigmata (§90-94)......................................................................... 45 3. Drievormige stammen (§95-124)....................................................... 46 1. Stammen op -vas (§97-98).................................................... 47 2. Stammen op -ac (§99-100)................................................... 47 3. *Stammen op -an (§101-105)............................................... 47 4. Afwijkende stammen (§106-107)......................................... 48 Paradigmata (§108-124)..................................................................... 48 Paradigmata.................................................................................................... 49 Eénvormige stammen:....................................................................... 50 *śarad- (§74)............................................................................... 50 *vāc- (§75).................................................................................. 50 *samrāj- (§76)............................................................................. 50 gir (§77)....................................................................................... 50 *tapas- (§78)............................................................................... 51 apsaras- (§79)............................................................................. 51 *jyotis- (§80)............................................................................... 51 yajus- (§81).................................................................................. 51 Tweevormige stammen: .................................................................... 50 *bhavat- (§90)............................................................................. 50 *balavat- (§91)............................................................................ 50 *mahat- (§92)............................................................................. 50 mahīyas- (§93)............................................................................ 50 *balin- (§94)................................................................................ 50 Drievormige stammen: . .................................................................... 51 vidvas- (§108).............................................................................. 51 tasthivas- (§109)......................................................................... 51 nyac- (§110)................................................................................ 51 anvac- (§111).............................................................................. 51 parāc- (§112)............................................................................... 51 *rājan- (§113).............................................................................. 52 *nāman- (§114)........................................................................... 52
Sanskriet-Handboek_A4.indd 10
15/09/21 11:45
inhoudsoverzicht
*ātman- (§115)........................................................................... *janman- (§116).......................................................................... panthan- (§117).......................................................................... ahan- (§118)................................................................................ śvan- (§119)................................................................................. yuvan- (§120).............................................................................. maghavan- (§121)....................................................................... *han- (§122)................................................................................ ap- (§123).................................................................................... puṃs- (§124)............................................................................... C. Algemene opmerkingen bij de verbuiging (§125-130)..................................... 1. Nom. Enkv. mann. van de stammen op medeklinker (§125-126)....... 2. Vorming van de Voc. Enkv. (§127-130)............................................... D Adjectieven (§131-141)................................................................................... 1. Verbuiging, vrouwelijk (§131-137)..................................................... *Adj. op -a (§131)............................................................................... Adj. op -i (§132).................................................................................. Adj. op -u (§133)................................................................................. Adj. op -tṛ (§134)................................................................................ Adj. op -in (§135)................................................................................ Adj. op -at (§136)............................................................................... Overige adj. (§137)............................................................................. 2. Trappen van vergelijking (§138-141).................................................. Op -īyas, -iṣṭha (§138)........................................................................ *Op -tara, -tama (§139)..................................................................... *Verbuiging, *constructie (§140-141)................................................ Voornaamwoorden (§142-153)..................................................................................... Verbuiging: tabel (§142-147)........................................................................... *mad-, asmad- (aham, vayam) (§142)............................................... *tvad-, yuṣmad- (tvam, yūyam) (§143).............................................. *tad- (saḥ) (§144)............................................................................... *etad-, enad- (eṣaḥ, enam) (§145)..................................................... *idam- (ayam) (§146)........................................................................ adas- (asau) (§147)............................................................................ Persoonlijke voornaamwoorden (§148).......................................................... Bezittelijke voornaamwoorden (§149)............................................................ Wederkerende voornaamwoorden (§150)...................................................... Aanwijzende voornaamwoorden (§151)......................................................... *Overige voornaamwoorden (§152)............................................................... Pronominale verbuiging (§153)....................................................................... *anya-, itara-, katara-, etc.................................................................. *sarva-, viśva-, *eka-, etc................................................................... *pūrva-, para-, sva-, etc..................................................................... Telwoorden (§154-159)................................................................................................. Voornaamste getallen en verbuigingen: tabel (§154-155)............................... Verbuiging (§156-157)..................................................................................... Samenstelling (§158)....................................................................................... Constructie (§159)...........................................................................................
Sanskriet-Handboek_A4.indd 11
11
52 53 53 53 52 52 52 53 53 53 54 54 54 55 55 55 55 55 55 55 55 55 55 55 56 56 56 56 56 56 56 56 56 56 56 57 57 57 57 57 57 57 57 60 60 60 60 60
15/09/21 11:45
12
GRAMMATICA VAN HET KLASSIEKE SANSKRIT
Hoofdstuk III. Vervoeging (§160-302)............................................................................. 63 Inleiding (§160-173)...................................................................................................... 63 1. *Indeling (§161).............................................................................................. 63 2. *Praeverbia (§162-163)................................................................................... 63 3. *Augment (§164-166)..................................................................................... 64 4. *Reduplicatie (§167-173)................................................................................ 64 Praesens-systeem (§174-215)....................................................................................... 65 I. Algemene opmerkingen (§174-178)................................................................ 65 1. *Indeling (§174-176).......................................................................... 65 2. *Uitgangen (§177-178)...................................................................... 65 Algemene paradigmata bij het praesens-systeem........................................... 65 I. *bhū. (§179, §186).......................................................................... 68 II. dviṣ. (§180, §187)........................................................................... 68 III. hu. (§181, §188)............................................................................ 68 V. su. (§182, 189)................................................................................ 69 VII. bhid. (§183, §190)........................................................................ 69 VIII. tan. (§184, §191)......................................................................... 69 IX. jñā. (§185, §192)........................................................................... 69 II. Thematische vervoeging (§193-206)............................................................... 72 1. Algemene stamvorming (§193-197)................................................... 72 *Eerste klasse, type bhavati (§193-194)............................................. 72 *Vierde klasse, type asyati (§195)...................................................... 72 *Zesde klasse, type kṣipati (§196)...................................................... 73 *Tiende klasse, type cintayati (§197)................................................. 73 2. *Voornaamste afwijkende vormen (§198-205).................................. 73 3. *Paradigmata (§206).......................................................................... 74 III. Athematische vervoeging (§207-215).............................................................. 75 1. *Sterke vormen (§207)....................................................................... 75 2. *Uitgangen (§208)............................................................................. 75 3. *Stamvorming (§209-214)................................................................. 75 Tweede klasse, type dveṣṭi (§209)...................................................... 75 Derde klasse, type juhoti (§210)......................................................... 75 Vijfde klasse, type sunoti (§211)......................................................... 76 Zevende klasse, type bhinatti (§212).................................................. 76 Achtste klasse, type tanoti (§213)...................................................... 76 Negende klasse, type jānāti (§214).................................................... 77 4. Paradigmata van de meest gebruikelijke athematische praesens-stammen: *as., i., han., vid., brū., śī., dhā., *kṛ. (§215)....... 77 Algemene tijden (§216-251).......................................................................................... 78 I. Perfectum (§216-231)..................................................................................... 78 1. *Reduplicatie (§216-222)................................................................... 78 2. *Uitgangen, bindings-i (§223-224)..................................................... 79 3. *Sterke en zwakke stam (§225-230)................................................... 80 *Voorbeelden........................................................................................... 81 4. *Omschreven perfectum (§231)........................................................ 83 II. Aorist (§232-241)............................................................................................. 83 1. *Soorten (§233)................................................................................. 83 2. Uitgangen (§234)............................................................................... 84 3. Wortelklinker, reduplicatie (§235-238).............................................. 84 4. Injunctivus (§239).............................................................................. 84
Sanskriet-Handboek_A4.indd 12
15/09/21 11:45
inhoudsoverzicht
13
5. Precativus (§240)............................................................................... 84 6. Aorist passief (§241)........................................................................... 84 *Voorbeelden........................................................................................... 85 III. Futurum (§242-246)........................................................................................ 86 1. *Gewoon futurum (§242-246)........................................................... 86 *Voorbeelden........................................................................................... 86 2. Conditionalis (§245)........................................................................... 86 3. *Omschreven futurum (§246)............................................................ 86 *Voorbeelden........................................................................................... 87 IV. *Passivum (§248-251)..................................................................................... 86 *Voorbeelden........................................................................................... 88 Paradigmata bij de algemene tijden.............................................................................. 89 Perfectum........................................................................................................ 89 Omschreven perfectum................................................................................... 89 *Passivum........................................................................................................ 90 Aorist............................................................................................................... 91 Precativus........................................................................................................ 91 *Futurum......................................................................................................... 90 Omschreven futurum...................................................................................... 90 Conditionalis.................................................................................................... 90 Naamwoordelijke vormen (§252-285).......................................................................... 92 I. Verbogen vormen (§252-272)......................................................................... 92 1. *Op -at -ant (Part. pr. act.) (§252-254)............................................... 92 -antī of -atī................................................................................................ 92 2. Op -vas (Part. pf. act.) (§256-258)....................................................... 93 3. *Op -māna (Part. pr. en fut. med. en ps.) (§259)................................ 93 4. Op -āna (Part. pr. en fut. med. en ps.) (§260-261).............................. 93 5. *Op -ta (Verbaaladjectief) (§262-264)............................................... 93 6. *Op -na (§265)................................................................................... 94 *Verhaaladjectief: Voorbeelden........................................................ 94 7. *Op -tavat (§266)............................................................................... 95 8. *Op -tavya, -anīya, -ya (Part. necessitatis, gerundivum) (§267-268).. 95 9. *Gebruik van de participia (§269-272)............................................... 95 II. Onverbogen vormen (§273-285)..................................................................... 96 1. *Op -tvā, -ya en -tya (Absolutivum, Gerundium)............................... 96 2. *Op -tum (Infinitief)........................................................................... 96 Afgeleide vervoegingen (§286-302).............................................................................. 97 I. *Causativum en 10e praesensklasse (§286-293).............................................. 97 Vorming (§286-290)........................................................................... 97 Vervoeging (§291-293)....................................................................... 98 Schema.............................................................................................. 98 II. Denominatieven (§294)................................................................................... 98 III. Desiderativum (§295-299)............................................................................... 99 IV. Intensivum (§300-302).................................................................................... 99 Conspectus van hoofdvormen van de voornaamste werkwoorden . ...................... 100
Sanskriet-Handboek_A4.indd 13
15/09/21 11:45
14
GRAMMATICA VAN HET KLASSIEKE SANSKRIT
Hoofdstuk IV. Compositum (§303-339)...........................................................................
109 *Inleiding (§303-308).................................................................................................... 109 I. *Dvandva (§309-313)...................................................................................... 110 II. *Tatpuruṣa (§314-318).................................................................................... 110 III. Karmadhāraya (§319-326)............................................................................... 112 IV. *Bahuvrīhi (§327-333)..................................................................................... 113 V. *Adverbiale composita (§334-335)................................................................. 115 Composita: overzicht.............................................................................................. 116 VI. *Gemengde composita (§336-337)................................................................. 117 Belangrijke woorden en suffixen aan het einde van composita (§338)................... 117 Ontleding van gemengde composita (§339)........................................................... 120
Hoofdstuk V. Hoofdzaken van syntaxis en taaleigen (§340-377).................................
123 I. Verbuiging (§340-350)..................................................................................... 123 Dualis (§340).................................................................................................... 123 Meervoud (§341)............................................................................................. 123 Nominatief (§342)........................................................................................... 124 Accusatief (§343)............................................................................................. 124 Instrumentalis (§344)...................................................................................... 125 Datief (§345).................................................................................................... 127 Ablatief (§346)................................................................................................. 128 Genitief (§347)................................................................................................. 129 Locatief (§348)................................................................................................. 130 Absolute locatief en genitief (§349)................................................................. 130 Voornaamwoorden (§350).............................................................................. 131 II. Vervoeging (§351-361).................................................................................... 132 Praesens (§351)............................................................................................... 132 Optatief (§352)................................................................................................ 132 Imperatief (§353)............................................................................................. 133 Futurum (§354)............................................................................................... 133 Passivum (§355).............................................................................................. 133 Causativum (§356)........................................................................................... 133 Verbaaladjectief (§357)................................................................................... 134 Participium necessitatis (§358)........................................................................ 134 Onpersoonlijke constructie (§359).................................................................. 134 Absolutivum (§360)......................................................................................... 135 Infinitief (§361)................................................................................................ 135 III. Enkele belangrijke partikels en voegwoorden (§362-371)............................... 136 yadi, ced (§362)............................................................................................... 136 yad (§363)....................................................................................................... 137 kim (§364)....................................................................................................... 137 iti (§365).......................................................................................................... 138 api (§366)........................................................................................................ 138 eva (§367)........................................................................................................ 139 kaccid (§368)................................................................................................... 139 alam (§369)..................................................................................................... 139 varam…na (§370)............................................................................................ 140 aho, dhik (§371)............................................................................................... 140
Sanskriet-Handboek_A4.indd 14
15/09/21 11:45
inhoudsoverzicht
Sanskriet-Handboek_A4.indd 15
15
IV. Correlatieven (§372-377)................................................................................ yatas…tatas (§372).......................................................................................... yatra…tatra (§373).......................................................................................... yasmād…atas (§374)....................................................................................... yathā…tathā (§375)......................................................................................... yādṛśa-…tādṛśa- (§376)................................................................................... yāvant-…tāvant- (§377)................................................................................... yāvat, tāvat (§377)....................................................................................
140 140 141 141 141 141 141 141
Oefeningen en vertalingen van de Sanskrit-oefenzinnen . .........................................
143
15/09/21 11:45
Sanskriet-Handboek_A4.indd 16
15/09/21 11:45
17
TEKENS EN AFKORTINGEN
bhū.
deva-
°daśa-
eka°
kartāsmi > < 1. 2. 3. I.-II.-III., enz.
Werkwoordelijke wortels worden gevolgd door een punt, naamwoordelijke stammen door een streepje. Een kringetje voor- of achteraan een woord duidt aan dat een ander woord voorafgaat of volgt. Tussen woorden die aaneengeschreven worden, duidt cursiefletter op toegepaste sandhi. wordt, worden, geworden tot (wat volgt) ontstaat, ontstaan uit (wat voorafgaat) eerste, tweede, derde persoon eerste, tweede, derde … praesensklasse, enz.
A., acc.,Acc.
accusativus
Dat.
dativus
Ab., abl., Abl.
ablativus
Dent.
dentaal
Abs., absol.
absolutivum
Dgl.
dergelijk(e)
Act.
actief, activi
d.i.
dit is
Adj.
adjectief
Dsd.
desiderativum
Adv.
adverbium
Du.
dualis
Aor.
aorist
Dv.
Dvandva
Beginmlk.
beginmedeklinker
Ed.
editie
Bep.
bepaald(e)
Eigenn.
eigennaam
Bv.
Bahuvrīhi
Eindkl.
eindklinker
cd.
conditionalis
Eindmkl.
eindmedeklinker
Cer.
cerebraal
Eng.
Engels
Constr.
constructie
enkv., ev.
enkelvoud
Cp.
compositum in cp.: in composito
enz.
enzovoort
Cs.
causativum
Ev.
enkelvoud
D.
(Bibliografie:) Devanāgarī; (§5:) Duits; (elders:) dativus.
F.
feminini generis: vrouwelijk
Sanskriet-Handboek_A4.indd 17
15/09/21 11:45
18
GRAMMATICA VAN HET KLASSIEKE SANSKRIT
Fr.
Frans
nl.
namelijk
Ft.
futurum, futuri
nw.
naamwoord
G., gen., Gen.
genitivus
o., onz.
onzijdig
geredupl.
geredupliceerd
o.m.
onder meer
gutt.
gutturaal
orspr.
oorspronkelijk
halfkl.
halfklinker
opt., Opt.
optativus
hoofdtw.
hoofdtelwoord(en)
p.
pagina
I., instr., Instr.
instrumentalis
p.p.p.
participium perfecti passivi: verbaaladjectief
i.d.
in de
Pa., pa., part(ic).
participium
Imp., Imp.
imperativus
pa.nec.
participium necessitatis
Inf.
infinitief
pal.
palataal
int.
intensivum
part.
partikel; participium
i.p.
in-pausā
pass., ps.
passivum, passivi
Ip., Ipf.
imperfectum
pf.
perfectum, perfecti
Kdh.
Karmadhāraya
pl.
plaats
koppelww.
koppelwerkwoord
p.n.
participium necessitatis
L.
locativus
Pr., pr.
praesens, praesentis
lab.
labiaal
Praep.
praepositie
m., M., mann., Mann.
mannelijk
praesens-st.
praesens-stam
m., med., med.
mediaal, medii
pron.
pronomen
middenkl.
middenklinker
rangtw.
rangtelwoord(en)
mkl.
medeklinker
red.
reduplicatie
mst.
middelsterk
resp.
respectievelijk
M, Mv.
meervoud
s.
sandhi
N., nom.
Nominativus
sigm.
sigmatisch
N.
neutri generis
siskl.
sisklank
Ndl.
Nederlands
st.
stam
Sanskriet-Handboek_A4.indd 18
15/09/21 11:45
tekens en afkortingen
19
stamkl.
stamklinker
V.
vocativus
stemh.
stemhebbende
verbaaladj., VA
verbaaladjectief
stk.
sterk
vgl.
vergelijk
subst.
substantief
vnw., voornw.
voornaamwoord
t.
type
vv.
volgende
Toep.
toepassing
vwp.
voorwerp
Tp.
tatpuruṣa
w.
wortel
tr.
transcriptie
werkw., wkw.
werkwoord(en)
transit.
transitief
z.
zich; zijn
uitg.
uitgang
z.j.
zonder jaartal
v., vr.
vrouwelijk
zw.
zwak
Bij hoofdstuk V. (Syntaxis): aangehaalde schrijvers en werken (deze laatste cursief):
Bc.: As̒vaghoṣa, Buddhacarita. Bh.: Bhartṛhari. Dk.: Daṇḍin, Das̒akumāracarita. Hc.: Bāṇa, Harṣacarita. Hd.: Hitopadeśa Kd.: Bāṇa, Kādambarī. Ki.: Bhāravi, Kirātārjunīya. Ks.: Kālidāsa, Kumārasaṃbhava. Md.: Kālidāsa, Meghadūta. Mk.: Mṛcchakaṭika. Mm.: Bhavabhūti, Mālatīmādhava.
Sanskriet-Handboek_A4.indd 19
Mr.: Mv.: N.: Pd.: Rām.: Rn.: Rv.: S̒k.: Sn.: Ur.: Vm.:
Mudrārākṣasa. Kālidāsa, Mālavikāgnimitra. Nalopākhyāna Harṣa, Priyadars̒ikā. Rāmāyaṇa Harṣa, Ratnāvalī. Kālidāsa, Raghuvaṃśa. Kālidāsa, Abhijn͂ānas̒akuntala. As̒vaghoṣa, Saundarananda. Bhavabhūti, Uttararāmacarita. Kālidāsa, Vikramorvas̒ī.
15/09/21 11:45
Sanskriet-Handboek_A4.indd 20
15/09/21 11:45