E E N K L A S S I E K E R VA N
ROBERT LOUIS ST EVENSON M E T N I E U W E P L A A T J E S VA N
JAC K N O E L
M E T E E N V E R T A L I N G VA N
E D WA R D VA N D E V E N D E L
HET SCHIP Bezaansmast
Hoofdmast
Kraaiennest Dit is de ACHTERSTEVEN
Achterdek
Latijnzeil
Grootzeil
Kapiteinshut
Balkon
Hoofddek
Ziekenboeg
Roer Scheepsgevangenis
Kiel
Magazijn
Admiraalsvlag Piraten (Oftewel boekaniers) (Oftewel zoute zeehonden) Fokkenmast
Dit is de BOEG
Grootzeil
Fokzeil
g Boe
Voorschip
spr
iet
Anker Boegbeeld
IN EEN NOTENDOP
De Zee
In het kort: die flapperende dingen zijn de zeilen, die grote stokken zijn masten, de vlaggen moeten bovenop en het grote, natte stuk hout onderop.
IK
MIJN MOEDER
JIM
MIJN HUIS
Herberg
DE ADMIRAAL BENBOW
OT M T O K
RUST AAN DE KU ST
De
!
ADMIRAAL BENBOW KA ME RS VRI J – RES ERV EER
M � ME T ON TB IJT � ZEEZICHT � RU
NAAM: Jim Hawkins
LEEFTIJD: Twaalf
OVER MIJ: Ik woon in de Admiraal Benbow-herberg met mijn moeder, en ik help haar. Maar er overnachten niet heel veel mensen in onze herberg, dus soms is het een beetje saai…
ALS IK GROOT BEN: Wil ik de zeven zeeën bevaren!
JOHOHO!
I
DE OUDE ZEEROT IN DE ADMIRAAL BENBOW
I
nog voor me alsof het gisteren was, hij sjokte naar de deur van de herberg en trok
zijn zeemanskist op een handkar achter zich aan.
Herberg
DE ADMIRAAL BENBOW
grot Een
e, sterke, zware, hazelnootbruine m
met ruwe handen die onder de littekens zaten, met zwarte, gebroken nagels, en dwars over zijn ene wang zag je de vuile, doodsbleke herinnering aan de houw van een sabel.
SABEL Een heel stoer, groot zwaard met een gebogen blad.
an,
Ik herinner me hoe hij voor zich uit floot, en toen uitbarstte in een oud zeemanslied dat hij later nog vaak
♫
zou zingen:
♫
♪
♪
♪
♪
♫ Daarna roffelde hij op de deur, en toen mijn moeder verscheen, vroeg hij om een glas rum.
R A P PA PA P
!
Herberg
DE ADMIRAAL BENBOW
Rum, alstublieft!
Een goeie kroeg op een goeie plek,
Hebben jullie veel aanloop, maat?
zei hij.
DE ADMIRAAL BENBOW
Mijn moeder zei nee, weinig gasten, meer zou fijn zijn.
JA! WE HEBBEN
KAMERS VRIJ RESERVEER NU
Mooi zo,
zei hij,
dan is dit een plek voor mij.
Jullie kunnen me KAPITEIN noemen.
De Kapitein bracht vrijwel de hele dag door met een geelkoperen verrekijker op de rotsen.
’s Avonds zat hij in een hoek van de gelagkamer, naast het haardvuur, rum te drinken.
Op een dag nam hij me apart en beloofde me elke eerste dag van de maand een zilveren vierpennymunt als ik met mijn ‘meest aandachtige oog’ kon uitkijken naar een ‘zeeman met één been’. 15
Vanaf dat moment achtervolgde die zeeman me in mijn dromen… In stormachtige nachten, als de wind aan alle kanten aan het huis rukte en de branding in de baai en tegen de rotsen bulderde, droomde ik altijd van hem in duizend gedaanten, en met duizend duivelse gezichtsuitdrukkingen. Mijn ERGSTE nachtmerrie had ik als ik hem zag springen en rennen en als hij me achternazat over heggen en slootjes.
Ik was dus doodsbang voor die zeeman, maar voor de Kapitein was ik veel minder bang dan de anderen. Vooral zijn verhalen joegen de mensen angst aan. Afschuwelijke verhalen waren het – over overboord gegooid worden, en storm op zee, en woeste daden. En altijd zong hij weer dat eeuwigdurende lied:
♫
♫ ♪
♫
♪
Ik nam aan dat die ‘dodemanskist’ die grote kist van hem moest zijn, die boven in de voorkamer stond. De grote scheepskist die niemand van ons ooit geopend had gezien…
17
Op een ochtend in januari – het was bijtend koud – was de Kapitein vroeger opgestaan dan anders. Hij ging op weg naar het strand met zijn sabel die onder zijn oude blauwe jas uit slingerde, zijn geelkoperen verrekijker onder zijn arm en zijn hoed achter op zijn hoofd. NAAR HET STRAND
☠☠☠ Ik was de ontbijttafel aan het dekken toen de deur van de gelagkamer openging en er een man binnenstapte die ik nooit eerder had gezien.
Het wa
s e e n b l e k e, w a t g e z e t t e m a n , ED LAARIMDA WOBNEB
die twee vingers aan zijn linkerhand miste,
en hoewel hij een sabel droeg, leek hij niet echt een vechtjas.
Hij zag er niet heel zeemanachtig uit, en toch hing er een snufje zeegeur om hem heen. 19
Is deze tafel hier voor mijn maat Bill?
vroeg hij grijnzend.
Ik zei tegen hem dat ik zijn maat Bill niet kende, en dat dit voor iemand was die bij ons logeerde en die we de Kapitein noemden. ‘Ja,’ zei hij, ‘mijn maat Bill zou je wel de Kapitein kunnen noemen. Op zijn ene wang zit een snee en mijn maat Bill is een vrolijke gast, vooral als hij gedronken heeft. Goed, waar in dit huis is mijn maat Bill?’
20
Ik vertelde hem dat de Kapitein was gaan wandelen. ‘Welke kant op, jongen? Waar is hij heen gegaan?’ zei de man. En toen ik hem dat verteld had, bleef de vreemdeling achter de deur van de herberg staan loeren, als een kat die op een muis wacht gluurde hij steeds om het hoekje. Uiteindelijk stevende de Kapitein binnen. Hij sloeg de deur achter zich dicht, zonder naar rechts of links te kijken, en marcheerde dwars door de kamer naar waar zijn ontbijt klaarstond.
TINGELIN
G!
Jammie!
21
BILLY BONES, zei de vreemdeling. De Kapitein draaide zich razendsnel om; alle kleur was uit zijn gezicht verdwenen.
Zelfs zijn neus was blauw: hij leek op iemand die een geest heeft gezien, of de duivel, of nog iets ergers…
EEN GEEST
DE DUIVEL
22
IETS ERGERS
Geen wc-papier meer!