Skip to main content

9789401476621

Page 1

IDESBALD GODDEERIS

MISSIONARISSEN Geschiedenis, herinnering, dekolonisering


INHOUD WAAROM DIT BOEK? Paradoxen Markers Lezers

7 8 12 13

DE DEKOLONISERING VAN DE PUBLIEKE RUIMTE Vijftien jaar protest Het standbeeld van pater De Deken Missionarissen in de publieke ruimte

19 20 24 28

UITEENLOPENDE MISSIEGEBIEDEN De eerste bestemmingen India en China Centraal-Afrika De rest van de wereld Een balans

37 38 41 45 51 55

DE VIERING VAN GELOOFSHELDEN De eerste standbeelden Nationale missionarissen Hoogtij in de jaren 1950 Mobilisatie en propaganda

59 60 62 66 69

BRONNEN VAN LOKALE TROTS Toename van nieuwe monumenten Straatnamen, herdenkingsplaten en kapelletjes Initiatiefnemers Hernieuwde aandacht voor nationale missionarissen

73 76 82 84 88

VERANDEREND DISCOURS Beschavers en bekeerders Ontwikkelingshelpers De plaats van religie Lokale, Vlaamse en Belgische identiteiten De link met de kolonie

93 94 96 99 102 105


MISSIONARISSEN ONDER VUUR Pedofilie Wellust Kinderdiefstal

109 111 114 117

MISSIONARISSEN EN KOLONIALISME Missiewerk in Centraal-Afrika Missionarissen buiten de Belgische kolonies De heilige Damiaan in historisch perspectief

121 123 127 130

BEELDEN IN HET BUITENLAND Een overvloed aan standbeelden Initiatiefnemers en motieven Critici en beeldenstormers

137 138 145 147

WAT NU? Koloniale monumenten Meerstemmigheid En missionarissen?

153 154 159 162

BIJLAGE: MISSIONARISSEN IN DE VLAAMSE OPENBARE RUIMTE

165

BIBLIOGRAFIE

175

EINDNOTEN

183

AFKORTINGEN

191


WAAROM DIT BOEK? De missionaris is voor mij het perfecte archetype van de Vlaming die in de wereld staat, met openheid, overtuiging en generositeit. Eigenlijk zou ik een missionaris willen zijn zonder god. David Van Reybrouck Als ik een leuk idee heb, en ik ben ervan overtuigd dat het een goed idee is, wil ik het grote publiek daar ook van overtuigen. Het zal de missionaris in mij zijn. Dat heb ik dan toch geërfd uit mijn jeugd. Paul De Grauwe

Het standbeeld van pater De Smet in Dendermonde (1878) is niet het oudste monument voor een Vlaamse missionaris, maar wel het eerste in een lange traditie om missionarissen in de openbare ruimte te huldigen.

Ik ben eigenlijk arts geworden om in Afrika te gaan helpen. Als kind was ik gefascineerd door de missionaris, een man met een lange baard die zilverpapier inzamelde voor de arme kindjes, u kent dat wel. Marleen Temmerman In het Congolese bisdom Kongolo is de zaligverklaringsprocedure opgestart voor de ‘Martelaars van Kongolo’, negentien missionarissen die in 1962 gefolterd en vermoord werden door het Congolees regeringsleger. Ook vier paters uit de provincie Antwerpen stierven bij de slachtpartij, onder wie twee nonkels van Groen-politica Mieke Vogels, die hen nog persoonlijk heeft gekend. (…) ‘Ik was acht jaar toen ze vermoord werden. Enkele weken geleden werd ik door de congregatie gebeld dat ze zaligverklaard gaan worden. Ik vind het spijtig dat mijn moeder, die drie jaar geleden als laatste van de tien kinderen op 95-jarige leeftijd overleed, dit niet heeft mogen meemaken. Ze zou het geapprecieerd hebben.’ Mieke Vogels1


8

Missionarissen fascineren. Met de regelmaat van de klok verschijnen er boeken waarin journalisten en schrijvers hen achterna reizen.2 Het veelgeprezen Missie van David Van Reybrouck komt nu al meer dan tien jaar op de planken.3 De openbare omroep zond de interviewreeks Nonkel Pater uit en toont ook geregeld andere documentaires.4 En in de citaten op de vorige bladzijde identificeren publieke figuren zich met missionarissen. Naast David Van Reybrouck ook de liberale econoom Paul De Grauwe, de socialistische gynaecologe Marleen Temmerman en de groene oud-minister Mieke Vogels. Die fascinatie voor missionarissen is opmerkelijk. Zowel missionarissen als de manieren waarop wij hen herinneren, zitten vol paradoxen. Het loont de moeite om daar even bij stil te staan.

Paradoxen Een eerste paradox: we weten allemaal wat missionarissen zijn, maar we kennen amper nog individuele voorbeelden. De grote missiehelden van de voorbije eeuwen zijn in de vergetelheid geraakt. Zelfs koning Filip bekende een jaar voor hij de troon besteeg dat hij nog nooit had gehoord van pater De Smet, ‘de grote zwartrok’ (zie blz. 41) die in de negentiende eeuw missioneerde in de Far West.5 We kunnen alleen een concreet gezicht plakken op missionarissen binnen de eigen familie of uit de eigen streek. Maar ook die lokale kennis moet niet overschat worden. Pater De Smet deed niet één belletje rinkelen bij vijftig jongeren die bevraagd werden bij zijn standbeeld in zijn geboortestad Dendermonde.6 Er is een uitzondering die de regel bevestigt. Een missionaris werd verkozen tot Grootste Belg. Pater Damiaan. Hij legt nog meer tegenstrijdigheden bloot. We associëren missionarissen met Congo, maar hij trok naar Hawaï. We plaatsen missionarissen in de koloniale periode, maar hij had al lepra op het moment dat Leopold II Congo in handen kreeg. We schrijven missionarissen bekeringsdrang toe, maar hij ging het leven van stervenden verzachten. We denken meteen aan mannen met lange baarden, maar Damiaan schoor zich lange tijd. En trouwens, ongeveer de helft van alle Vlaamse missionarissen was vrouw. Voor een deel zijn dit slechts schijnbare tegenstellingen. Ook Hawaï was in de negentiende eeuw het doelwit van westers expansionisme. Ook Damiaan was een geloofsbode die het woord van God verspreidde. En omgekeerd waren ook andere missionarissen niet alleen op bekering uit, maar ondersteunden ze hun prediking met de bouw van scholen, hospitalen en weeshuizen. Bovenal vormden missionarissen een zeer heterogene groep. Ze leefden in totaal verschillende periodes: van de oudheid tot de eenentwintigste eeuw. Ze trokken naar de meest uiteenlopende gebieden: van het Noordpoolgebied tot Kiribati. En ze waren actief op heel diverse vlakken. Onder missionarissen vond je


WAAROM DIT BOEK?

Missionarissen zijn niet alleen populair in kerken. Bovenaan acteur Bruno Vanden Broecke in de theatermonoloog Missie van David Van Reybrouck; onderaan de viering in 2019 van de tiende verjaardag van de heiligverklaring van pater Damiaan in het Damiaaninstituut in Aarschot. [© Koen Broos / KVS (foto boven); © Damiaaninstituut Aarschot]

9


10

fondsenwervers, leraars, parochiepriesters, architecten, ontwikkelingswerkers, woordenboekschrijvers, noem maar op. Wel deelden ze allemaal één ding: het waren geestelijken op een zending. En dat brengt ons meteen bij een andere paradox. Vlaanderen is de voorbije halve eeuw ontkerkelijkt. Door allerlei ontwikkelingen vanaf de jaren 1960 – onder meer de groeiende welvaart, de emancipatie van de vrouw, de nieuwe jeugdculturen, het toenemende individualisme en zelfs een bescheiden modernisering van het katholicisme – heeft de kerk haar gezaghebbende positie binnen de samenleving verloren. Niettemin genieten missionarissen tot vandaag algehele bewondering.7 Zoals de citaten hierboven tonen, zijn ze in onze verbeelding mee geseculariseerd. Het religieuze is niet meer essentieel. Missionarissen zijn exemplarische figuren geworden die zich een comfortabel leven ontzegden om de medemens te gaan helpen. Niet alleen de secularisering is een verschil met vroeger, toen missionering een van de mobiliserende krachten was van het christendom. Ook de unanieme bewondering voor missionarissen is nieuw. In de eerste helft van de twintigste eeuw vonden er in het Belgisch parlement felle debatten plaats over missionarissen in de kolonie.8 In de jaren 1930 kreeg Damiaan nog heel wat bagger over zich heen (zie blz. 109-110). Maar in de voorbije decennia is die kritiek verstomd. Jules Marchal publiceerde op het einde van de twintigste eeuw onder het pseudoniem A.M. Delathuy drie lijvige volumes over wantoestanden in de vroege missies in Congo, maar bracht de gemoederen daarmee niet meer in beweging. De schandalen rond de kapelhoeven zijn vergeten. Alleen de afgekapte handen blijven in ons geheugen gegrift. Deze eenstemmige eerbied voor missionarissen is misschien nog wel de interessantste paradox. De voorbije jaren staat de koloniale geschiedenis volop in de kijker. Steeds meer mensen in onze superdivers wordende samenleving hekelen dat de koloniale denkpatronen nog niet verdwenen zijn. De kijk op het verleden blijft elementen bevatten van de oude koloniale propaganda. De eurocentrische blik verraadt nog steeds een zeker superioriteitsgevoel. De vooroordelen over bepaalde etnische groepen tonen dat het wetenschappelijk onderbouwde racisme van de koloniale periode onderhuids verder leeft. En de daaruit voortvloeiende discriminatie houdt de toen ontstane ongelijke machtsverhoudingen in stand. We moeten daarvan af. Na de politieke dekolonisatie in 1960 vindt er nu een mentale dekolonisering plaats. Missionarissen komen in dit proces amper aan bod. De beeldenstorm tegen koloniale monumenten en straatnamen richt zich bijna uitsluitend op Leopold II en zijn medestanders. Het recente boek van Nadia Nsayi over de dekolonisering besteedt slechts anderhalve bladzijde aan de kerk.9 Het thema van restitutie beperkt zich tot musea en negeert de rijke collecties die missionarissen aanlegden en die nog steeds bewaard worden in kloosters en missiehuizen.10 Meer nog, missionarissen worden vandaag gebruikt om het koloni-


WAAROM DIT BOEK?

Vandaag worden missionarissen niet meer geassocieerd met hun religieuze activiteiten, maar uiteraard stonden bekering, liturgie en parochiaal werk centraal in hun apostolaat. Hiernaast een eucharistieviering door een pater van Mill Hill in het Congolese regenwoud (1932) en de intronisatie van het Heilig Hart door enkele redemptoristen (Tumba, 1923) [© KADOC-KU Leuven, BE/942855/1701/40 en KFA42212]

11


12

alisme te vergoelijken. Een Vlaams-nationalistisch ideoloog vond het tumult van Black Lives Matter in de zomer van 2020 eenzijdig: ‘De heldenmoed en zelfopoffering van Vlaamse nonnekes die weeshuizen voor leprozenkinderen gingen oprichten, diep in de wouden van Congo op gevaar van eigen leven, ook dat was de Belgische kolonisatie. Het stoort me mateloos dat het debat niet objectiever en vooral holistischer gevoerd wordt.’11 Met dit boek wil ik al die paradoxen bestuderen. Ten eerste ga ik dieper in op de geschiedenis van missionarissen. Ik bespreek de verschillende types, periodes en bestemmingen, en probeer zo hun rol te begrijpen in de WestEuropese kolonisatie van grote delen van de wereld. Ten tweede onderzoek ik de manieren waarop onze samenleving met missionarissen omgaat, zowel vroeger als nu. Ik analyseer de discoursen waarin ze beschreven werden, de technieken waarmee sympathisanten gemobiliseerd werden, en de actoren die achter deze strategieën zaten. En ik ga na in welke mate en op welke vlakken dit evolueerde doorheen de tijd. Ten derde sta ik stil bij de huidige dekolonisering van de geesten. Welke plaats moeten we geven aan missionarissen? Moeten die nu ook van hun voetstuk gehaald worden? Of, omgekeerd, leren ze ons dat de woke maatschappijkritiek te ver gaat?

Markers Al die vragen beantwoord ik aan de hand van een studie van de openbare ruimte. Standbeelden, herdenkingsplaten en straatnamen vormen een van de thema’s die vandaag het zwaarst doorwegen in het postkoloniale debat. Ze geven een status aan bepaalde helden en zijn daarom het mikpunt van de strijd. De openbare ruimte definieer ik als de plaatsen die publiek toegankelijk zijn. Dat gaat om alles in de buitenlucht dat niet in particulier bezit is, maar reikt ook tot binnen bepaalde gebouwen. De grens is niet altijd even duidelijk. Begraafplaatsen heb ik meegerekend (althans voor lege grafmonumenten en herdenkingsplaten; niet voor gewone graftombes), het privéterrein van een klooster of een missiehuis niet. De bereikbare delen van gemeentehuizen, kerken en scholen zijn wel openbaar; een sacristie of een lerarenkamer niet. Het onderzoek vertrekt van een prosopografie: een lijst van alle ‘markers’ in de Vlaamse openbare ruimte voor missionarissen die afkomstig zijn uit wat nu Vlaanderen is. Ze is achteraan in dit boek opgenomen en bevat ook korte biografische gegevens van de geëerde missionarissen. De bijlage vangt aan met een korte inleiding waarin onder meer wordt stilgestaan bij de verschillende bronnen waarmee de gegevens verzameld werden. De prosopografie wil zo volledig mogelijk zijn, maar is daar ongetwijfeld niet in geslaagd. Dat is niet erg. De huidige versie is een minimum en laat zeker conclusies toe. Aanvullingen zullen opgenomen worden op de webpagina


WAAROM DIT BOEK?

13

https://kadoc.kuleuven.be/missionarissen-straatbeeld, waar de gegevens ook op plaats doorzocht kunnen worden. Misschien toch al enkele kwantitatieve resultaten. De prosopografie bevat 58 monumenten, 167 straten en 98 andere markers in Vlaanderen voor in totaal 194 missionarissen. Bijna de helft van de Vlaamse steden en gemeenten huldigt minstens één missionaris in de publieke ruimte. Hoewel er nu al jarenlang gedebatteerd wordt over koloniale straatnamen en standbeelden, hebben deze eerbetuigingen voor missionarissen – op pater De Deken in Wilrijk na – nog nooit wetenschappelijke of maatschappelijke aandacht gekregen. Het boek vertrekt van al deze markers, maar zoomt geregeld verder uit. In de analyse van de herinnering aan missionarissen betrek ik ook krantenartikelen en stripalbums. Bij de bespreking van seksueel misbruik en koloniale expansie verlaat ik de publieke ruimte en gaat het over missionering in het algemeen. En in de hoofdstukken over buitenlandse percepties en hedendaagse debatten beperk ik me niet tot Vlaanderen, maar neem ik heel België in beschouwing. Koloniale geschiedenis is Belgisch, maar voor missiegeschiedenis is een Vlaams perspectief verdedigbaar. De overgrote meerderheid van de Belgische missionarissen kwam uit Vlaanderen (zie blz. 37-38). Franstalig België telt amper eerbetuigingen voor missionarissen. De zes markers in Brussel zijn allemaal voor Vlaamse missionarissen en staan in de prosopografie. De zeven missionarissen die ik terugvond in de Waalse publieke ruimte blijven buiten het onderzoek.12 Ook in mijn voornaamste bron – digitale kranten – heb ik me tot de Vlaamse media beperkt (zie blz. 191).13 Uiteraard zou het interessant zijn om de Vlaamse houding te vergelijken met andere regio’s, maar hiervoor ontbraken de tijd en de ruimte. In de buurlanden staan ook standbeelden voor missionarissen, zoals voor Ferdinand Hamer in Nijmegen of voor Petrus ‘Peerke’ Donders in Tilburg.14 Toch lijkt het erop dat de grote hoeveelheid monumenten en straten in Vlaanderen vrij uniek is. Verder onderzoek is echter nodig, ook bijvoorbeeld naar de verschillen tussen protestanten en katholieken of naar de postkoloniale herinneringsculturen in de diverse voormalige koloniale rijken.

Lezers Dit boek is een wetenschappelijk werk, dat op primaire bronnen steunt, nieuwe vragen stelt, originele inzichten brengt en probeert bewust om te gaan met zijn eigen plaats- en tijdsgebondheid. Door de vele kruisreferenties, de prosopografie en de begeleidende website is het ook een naslagwerk. Het boek kan ook beleidsmakers een leidraad bieden en opinievormers inspireren. Het is niet normatief: het wil geen regels definiëren over hoe we


14

moeten omgaan met het koloniale verleden en de publieke ruimte. Maar het toont wel dat standbeelden en herdenkingen een geschiedenis hebben en dus verder kunnen evolueren in de toekomst. En door een kritische blik te werpen op hedendaagse ontwikkelingen doet het ook suggesties over hoe het misschien anders kan. Bovenal is het boek geschreven voor een breed publiek. Het geeft een vlot leesbare inleiding tot de geschiedenis van missionarissen. Het toont dat het Belgische koloniale verleden veel verder reikte dan Centraal-Afrika. Het raakt lastige thema’s aan, maar probeert ook te verzoenen. De uitvoerige citaten en talrijke illustraties willen de leefwereld evoceren waarin oudere witte Vlamingen zijn opgegroeid en helpen begrijpen waarom de mentale dekolonisering voor sommigen te snel gaat. Maar bepaalde aspecten kunnen ook de ogen opentrekken en uitleggen waarom dit proces hoogdringend is. Met dit boek breng ik twee thema’s samen waar ik al jaren onderzoek naar doe: postkoloniale debatten en missionarissen. Het spruit voort uit een lezing op de Missions and Modernity Research Academy, die ik sinds 2018 met KADOC-KU Leuven en enkele Leuvense collega’s organiseer. KADOC was ook nauw betrokken bij de totstandkoming van dit boek en zal het ook mee opvolgen via de website. Heel wat van zijn medewerkers hebben een rol gespeeld: Kim Christiaens, Joris Colla, Carine Dujardin, Peter Heyrman, Patricia Quaghebeur, Luc Schokkaert, Let Smets, Jonas Van Mulder, Danielle Van Rompaey en – last but not least – Alexis Vermeylen en Luc Vints. Alexis bleef openstaan voor mijn talrijke opmerkingen bij de kaarten, de illustraties en de opmaak. Luc volgde het proces van begin tot einde en gaf in elke fase onschatbare suggesties en correcties. Zij hebben dit boek mee gemaakt! Freddy Mutombo maakte speciaal voor dit boek een nieuwe reeks foto’s van standbeelden, die aan het begin van elk hoofdstuk staan afgebeeld. Hij is een Congolese beeldend kunstenaar die regelmatig in België verblijft. Ik stuurde hem naar bepaalde monumenten en vroeg hem om te focussen op een detail dat hem bijzonder raakt. Door zijn lens zien we hoe de standbeelden kunnen overkomen bij mensen met een Afrikaanse achtergrond. Ook anderen hielpen mee aan dit boek. Mijn doctoraatstudenten die onderzoek doen naar missionarissen gaven belangrijke input: Aditi Athreya, Benjamin Steegen en Lourens Van Haaften becommentarieerden mijn teksten en Rinald D’Souza en Simon Nsielanga dachten mee. Hilde Vanmechelen en Mitchell Pontzeele van LannooCampus waren met hun steun en kritieken de betrokken uitgevers waar elke auteur van droomt. Marie-Rose Comer, Geert Daems, Ben Stevens, Guy Vanthemsche en Louis en Lieve Vos-Gevers waren elk op hun manier een hulp. Maud en Wolf zorgden ervoor dat ik de nodige afstand bewaarde. Meia aanvaardde mijn enthousiasme met veel liefde en geduld. Ik draag het boek aan haar op.


WAAROM DIT BOEK?

Sint-Denijs, een deelgemeente van Zwevegem, maakte een glasraam voor de scheutist Alidor Samain, die van 1906 tot 1952 in Congo verbleef.

15


16

Theofiel Verbist, de stichter van de congregatie van Scheut, heeft verscheidene standbeelden in Vlaanderen, maar zij staan allemaal op privéterrein, zoals hier links bij het missiehuis in Anderlecht. Ook in Kinshasa heeft hij een standbeeld (foto rechts; zie ook blz. 141).


WAAROM DIT BOEK?

17


DE DEKOLONISERING VAN DE PUBLIEKE RUIMTE De publieke ruimte is van iedereen en is voortdurend in verandering. Als samenleving gebruiken we deze ruimte om te tonen wie we zijn en waar we belang aan hechten. We eren grote en kleine helden door straten, gebouwen en pleinen naar hen te vernoemen en door standbeelden voor hen op te richten. We herdenken er gebeurtenissen uit het verleden. De publieke ruimte weerspiegelt zo hoe we vandaag en in het verleden naar onze eigen geschiedenis kijken.

Het standbeeld voor pater De Deken in Wilrijk is het enige beeld van een missionaris in Vlaanderen dat de voorbije jaren regelmatig kritiek kreeg.

De betekenissen die we geven aan de verwijzingen evolueren. Het toenemend historisch onderzoek naar de koloniale periode zet aan tot debat. Gebeurtenissen in het buitenland maken dit debat soms emotioneel en heftig. De roep van bijvoorbeeld mensen met een Afrikaanse herkomst in Vlaanderen, die vaak andere herinneringen aan het koloniale systeem overhouden dan de verhalen die in België decennialang dominant waren, weerklinkt steeds luider.


20

Het citaat op de vorige pagina komt uit de inleiding van Omgaan met koloniale verwijzingen in de publieke ruimte. Handreiking voor lokale besturen. Deze brochure van 34 bladzijden werd geschreven in opdracht van Bart Somers. De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur wou een antwoord bieden aan het protest van Black Lives Matter tegen koloniale standbeelden in juni 2020. Zijn ‘handreiking’ was al in oktober van dat jaar klaar en gaf steden en gemeenten allerlei tips om het debat te voeren. De tekst heeft het uiteraard vooral over Leopold II, maar refereert hier en daar aan missionarissen: er zijn ‘ook verwijzingen naar Belgische officieren, missionarissen en zakenmensen. De meeste beelden zijn in de decennia na de Eerste Wereldoorlog doelbewust opgetrokken om steun te winnen voor het koloniale project.’ De handreiking adviseert daarom om actief op zoek te gaan naar (oud-)missionarissen, hun familieleden of missiecongregaties, die mogelijk ‘suggesties hebben om het [gecontesteerde] beeld een andere plek te geven’.15 Maar klopt dat wel? Zijn er veel verwijzingen naar missionarissen in de publieke ruimte? Spruiten die voort uit koloniale propaganda? En waarom zouden we nu met (oud-)missionarissen moeten samenzitten om die monumenten te verplaatsen? In dit hoofdstuk bestudeer ik de vraag om het straatbeeld te dekoloniseren en ga ik meteen ook na wat missionarissen daarmee te maken hebben. Eerst bespreek ik sinds wanneer en waarom koloniale monumenten kritiek krijgen. Vervolgens zoom ik in op het standbeeld voor pater De Deken in Wilrijk: het enige monument voor een missionaris dat onder vuur kwam te liggen. En ten slotte zoek ik of er nog meer verwijzingen zijn naar missionarissen in de Vlaamse publieke ruimte.

Vijftien jaar protest In het weekend van 30 en 31 mei 2020 kregen standbeelden van Leopold II in Ekeren (Antwerpen), Hasselt en Gent rode verf over zich heen. Dat was amper vijf dagen nadat de Afro-Amerikaan George Floyd tijdens een arrestatie in Minneapolis om het leven kwam. Zijn dood gaf wereldwijde bekendheid aan een Amerikaanse beweging die al in 2013 was ontstaan: Black Lives Matter. Die klaagde in de eerste plaats politiegeweld en andere vormen van racisme tegen zwarten aan, maar richtte zich eveneens tegen standbeelden. Ook in België. In de nacht van 3 op 4 juni werd het standbeeld van Ekeren opnieuw beschadigd, ditmaal in brand gestoken. Andere monumenten voor Leopold II volgden, onder meer in Tervuren, Halle, Brussel, Oudergem, Elsene, Aarlen en Bergen. De meeste werden toegetakeld met verf of graffiti, maar dat van


DE DEKOLONISERING VAN DE PUBLIEKE RUIMTE

21

Oudergem werd van zijn sokkel getrokken (en vervolgens door de gemeente weggenomen). Ook gedenktekens voor andere personen werden onder handen genomen, zoals voor koning Boudewijn in Brussel en voor generaal Storms (een medewerker van Leopold II in Congo) in Elsene.16

De standbeelden voor de Congo-pioniers generaal Jacques in Diksmuide en Lippens en De Bruyne in Blankenberge waren al vroeg het voorwerp van protest.

Het was niet de eerste keer dat koloniale beelden onder vuur lagen. In april 2004, kort na de uitzending van een BBC-documentaire over Leopold II op de Vlaamse openbare omroep, richtten enkele ‘anarchisten’ zich op het ruitermonument van Leopold II aan de Oostendse zeedijk. Ze zaagden een hand af van een van de omringende beelden van Afrikanen, uiteraard verwijzend naar de afgekapte handen in de Congo-Vrijstaat. Het groepje noemde zich De Stoeten Ostendenoare (‘De stoute Oostendenaar’) en beloofde zijn trofee terug te bezorgen als er een bord bij het beeld zou komen met foto’s van verminkte Congolezen. Het stadsbestuur weigerde echter op die eis in te gaan. Ook toen de bronzen hand vijftien jaar later, in de nasleep van de heropening van het AfricaMuseum in Tervuren, opdook tijdens een event met de Vlaamse minister van Cultuur Sven Gatz, vond de Oostendse cultuurschepen het een sterker statement om het beeld geamputeerd te houden.17


22

Het Lumumbaplein in Elsene bestaat alleen op officieuze straatnaambordjes en op Google Maps.

Naast het ruiterstandbeeld in Oostende werden ook andere beelden gecontesteerd. Al voor 2004 waren er discussies over de monumenten voor generaal Jacques in Diksmuide (dat werd geflankeerd door een Congolees omdat Alphonse Jacques in Congo had gediend) en voor luitenant Lippens en sergeant De Bruyne in Blankenberge (vooral omwille van het opschrift dat de twee ‘een heldendood voor de beschaving’ waren gestorven in Congo). In de jaren na de actie in Oostende werden ook andere beelden voor Leopold II aangepakt, onder meer in Ekeren, Brussel en Tervuren. Soms werden ze met verf overgoten, andere keren waren de acties minder drastisch en werden kettingen, een tekstbordje of een gebreid halssnoer met handen in de Belgische driekleur over de beelden gehangen. Daarnaast kwamen straatnamen op de agenda te staan. In Brussel ijverde het nieuw opgerichte collectief Mémoires Coloniales voor een Patrice Lumumba-plein. Actievoerders brachten regelmatig papieren straatnaambordjes aan (die telkens werden verwijderd) op een anoniem pleintje in de Afrikaanse wijk Matonge in Elsene en konden Google Maps overtuigen om het plaatsje als Futur[e] Place Lumumba aan te duiden. In Vlaanderen hekelde vooral het Vlaams Belang de straten voor Leopold II, al deed het dat eerder vanuit zijn antibelgicisme. In 2004 protesteerde het in Blankenberge en Brugge, in 2010 in onder meer Tienen en Sint-Truiden. Ook Wouter De Vriendt (Groen) en Wouter Van Bellingen (de eerste zwarte schepen van het land) verzetten zich in 2010 tegen de Leopold II-laan in respectievelijk Oostende en Sint-Niklaas.18 Veel acties bereikten inderdaad een eerste hoogtepunt naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van de Congolese onafhankelijkheid. Maar ook de jaren nadien laaide het protest regelmatig op. De standbeelden van Leopold II bleven toegetakeld worden met rode verf of graffiti. Zijn borstbeeld in Vorst werd in januari 2018 van zijn sokkel verwijderd en vervangen door een imitatie die was afgewerkt met vogelzaad. Het origineel werd enkele dagen later in het struikgewas teruggevonden en teruggeplaatst, maar werd een goed jaar later opnieuw weggenomen, deze keer om plaats te ruimen voor een buste van Nelson Mandela, het symbool van de strijd tegen apartheid in Zuid-Afrika.19 Bovendien breidde de kritiek zich verder uit naar andere plaatsen. In december 2016 werd bijvoorbeeld campagne gevoerd tegen ‘De Olifant’, een monument aan de voet van de Muur van Geraardsbergen ter ere van de negen plaatselijke bewoners die in de Congo-Vrijstaat waren omgekomen.20


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401476621 by Uitgeverij Lannoo - Issuu