Baard man Kenan Akyil
Op zoek naar mijn geschiedenis
I N HOU D
Proloog: Een vader- en een moederland 7
Deel 1 — Naar de roots 9 Hoofdstuk 1 Een warme gloed 11 Hoofdstuk 2 Een voetreis naar het zuiden 27 Hoofdstuk 3 Over de Bosporus 43 Hoofdstuk 4 Een treinreis naar het noorden 57 Deel 2 — Naar een toekomst 71 Hoofdstuk 5 Baardman in Beringen-Mijn 73 Hoofdstuk 6 Van vader op zoon 91 Hoofdstuk 7 Een kindertijd in Houthalen-Oost 107 Hoofdstuk 8 (Gebroken) dromen 123 Hoofdstuk 9 Hasselt, Leuven, Brussel 137 Deel 3 — ‘Maar je zult toch leven’ 151 Hoofdstuk 10 Van KFC Park naar Parijs en Phuket 153 Hoofdstuk 11 ‘Da’s het lot, G’ 167 Hoofdstuk 12 ‘We halen Kerim naar België’ 181 Hoofdstuk 13 ‘Laat ons gaan, gurbet’ 197
Epiloog: ‘All the way up’ 213
Prol o o g E e n va de r- e n e e n moe de r l a n d
Ik ben een kind van twee landen. Ik ben geboren in België, dat ik mijn vaderland noem. Mijn ouders en grootouders zijn geboren in Turkije. Dat is mijn anavatan. Het Turkse woord voor ‘vaderland’ betekent letterlijk ‘moederland’. Als België mijn vaderland is, dan is Turkije dus mijn moederland. Maar behalve Belg en Turk noem ik me ook Houthalenaar, Lim burger, Europeaan en wereldburger. Ik beschouw mijn identiteit als een lasagne, die opgebouwd is uit verschillende laagjes, je kunt er niet zomaar eentje uit halen. Het feit dat je kunt switchen tussen die laagjes, dat je in één situatie één identiteit naar voren haalt en in een andere een tweede, derde, vierde enzovoort is niet alleen handig maar vooral ook verrijkend. We moeten af van de nadruk op één enkele identiteit. Die werkt te beperkend voor iedereen, al zeker in de oude mijnstreek waar ik woon, waar kompels van welke afkomst ook elkaar van ganser harte geluk toewensten met de eeuwenoude mijnwerkersgroet Glück auf! Ik heb de Belgische nationaliteit. Logisch, want ik ben hier geboren en getogen. Maar ik ben alleen Belg kunnen worden dankzij mijn grootvader, Mükremin Akyil. Op zoek naar een beter leven voor zichzelf en zijn familie verliet hij in 1965 zijn moederland. Mükremin kwam in Beringen terecht en ging zichzelf ‘Baardman’ noemen; hij zag er een beetje uit zoals
7
de man op de cover van dit boek. Ons goede leven hier en nu hebben wij aan hem te danken en aan zijn moedige besluit van meer dan een halve eeuw geleden. Opa leerde mij vol te houden en dankbaar te zijn. Dapper te zijn en vooruit te kijken. Hij vond inspiratie in zijn geloof, hij deelde zijn wijsheid. Hij was er voor mij. Hij leerde me veel. Dit land is mijn vaderland. Dat heb ik aan hem te danken. Nu hij er niet meer is, moet zijn verhaal verteld worden. Dit boek is een huldeblijk van een kleinzoon aan zijn grootvader. Het werk en de wijsheid van Baardman kunnen inspiratie bieden voor de toekomst. Een toekomst waarin we als gelijken samenleven, met respect voor elkaar, en waarin we samen willen werken om vooruit te komen en de wereld een beetje beter te maken. Dat zijn we verplicht aan de ontberingen die hij en de kompels in de mijnen hebben doorstaan en aan het harde labeur dat zij verrichtten. Dat zijn we aan onszelf verplicht. Dat zijn we vooral verplicht aan onze kinderen en kleinkinderen. Toekomst is belangrijker dan afkomst. Maar in de afkomst kan veel inspiratie schuilen. Noem het de boodschap van Baardman. Dit is mijn verhaal. Dit is zijn verhaal. Dit boek was er niet gekomen als niet heel veel mensen mij en mijn familie hadden gesteund in moeilijke tijden. Al die mensen, of ze nu bij naam genoemd worden in dit boek of niet, wil ik bij deze uitdrukkelijk en in naam van mijn hele familie bedanken. Ik hoop dat ook zij kracht vinden in het verhaal van opa. Dit is zijn boodschap voor jou, beste lezer. Dit boek is voor jou, lieve opa. Kenan Akyil
8
DE E L 1
Naar de roots
Ho of dst u k 1
Een warme gloed
Een warme gloed overvalt me wanneer ik de trap afdaal. De gloed laat me weten dat ik in mijn moederland ben, hij omarmt me, elke keer weer. Als ik hier aankom, voel ik me opgelaten, mijn eerste stap op het tarmac is altijd een magisch moment. Het is een jaar geleden dat ik hier was. Ik heb een reis van meer dan vijf uur achter de rug, alleen. Ik reed van Houthalen-Oost naar Zaventem, parkeerde mijn auto, ging door de check-in. Ik installeerde me in het vliegtuig, las wat en mijmerde. Hoe zouden de volgende uren en dagen verlopen? Welke emoties zou ik voelen? Ik daalde af in herinneringen. In mijn hoofd was ik weer vijf jaar oud en zat ik bij opa op schoot, in zijn huis in Beringen-Mijn, ik hoorde zijn stem weer, voelde zijn zorgende handen. De landing, na meer dan drie uur vliegen, was zacht. Het was de warmte die me terugbracht in het hier en het nu. Mijn vader was al een paar dagen eerder afgereisd. Hij zou me ophalen aan de luchthaven van Kayseri, Kayseri Erkilet. Terwijl ik op hem wachtte, liet ik mijn blik over het landschap dwalen: de gebouwen van de legerbasis naast de luchthaven, wat industrie, de torens van de stad, en verderop: de uitgestrekte vlakte van Centraal-Anatolië, bruinig, kurkdroog steppeland. In het zuiden steken de getande top-
11
pen van de Erciyes scherp af tegen de helblauwe lucht, een reus die je de adem afsnijdt, en tegelijk een herkenningspunt. Wat er ook gebeurt, als je landt in Kayseri zal de Erciyes er altijd zijn. Het is de vijfde hoogste berg van Turkije, de top ligt op 3916 meter boven de zeespiegel. Hij is veertig keer hoger dan de terril van Beringen, de kunstmatige berg die mijn familie het beste kent. Tussen beide bergen, mijmer ik, speelde zich het leven van mijn opa af – ons leven. Een halfuurtje later arriveren mijn vader en ik in Talas, een hippe oostelijke buitenwijk van Kayseri. Hij kocht er recent nog een appartement, een pied-à-terre voor wanneer we in Turkije zijn, we verblijven er een nacht. Onderweg had ik de flatgebouwen zien opdoemen, hoe dichter bij het centrum, hoe meer het er waren, blokkentorens van beton. Zoals vele Turkse steden barst Kayseri de jongste decennia uit zijn voegen. De tellingen lopen uiteen, maar vandaag heeft de stad meer dan 1,5 miljoen inwoners. Twintig jaar geleden was dat amper de helft. Onder meer door de aanwezigheid van de internationale luchthaven heeft de industriestad een grote aantrekkingskracht. En de meubelfabrieken zorgen voor werk, iets wat je moeilijk vindt op het Turkse platteland. Dat is altijd zo geweest – ‘vraag maar aan opa’, hoor ik mezelf denken, maar ik zal in zijn plaats moeten antwoorden. De straten in Kayseri worden steeds bonter, zie ik: stadsmensen lopen naast Turkse plattelanders, studenten uit Maleisië naast toeristen uit Duitsland of Japan, Syrische arbeiders houden een pauze vlak bij een groepje Afrikaanse studenten. Door het raampje waaien de begeerlijke geuren van de culinaire specialiteiten van Kayseri me tegemoet. De plaatselijke pastırma, gepekeld rundvlees dat, omgeven door
12
paprika, knoflook, fenegriek, komijn en zout, maandenlang in de openlucht heeft gedroogd, is een ware lekkernij. Maar geen goedkope: ‘even duur als goud’, zegt men wel eens, dat heeft alles te maken met het trage productieproces. Sucuk, die andere culinaire specialiteit, is meer voor ieders beurs: een dikke, gekruide lookworst, die doorgaans gebakken wordt gegeten. Ook mantı is zo’n Kayseriaanse lekkernij: met gehakt en kruiden gevulde deegwaren die meestal met yoghurt worden gegeten, een soort Turkse ravioli. Het water komt me in de mond. Vele uren reizen, veel gedachten, veel indrukken: ik ben blij dat mijn vaders huurauto halt houdt, ook al is het in dit stadsdeel behoorlijk druk. Ik laad mijn bagage uit en ga me wat opfrissen. Ik groet mijn oma en mijn moeder, die in het appartement waren gebleven. We eten en drinken iets, we praten nog wat, tot de avondkoude invalt, een kleine schok na de hete dag, en ik ga slapen. Onze echte bestemming bereiken we pas morgen. Een zestigtal kilometer hebben we voor de boeg, maar het is een rit van meer dan een uur, er is geen snelweg. Vanuit Talas rijden we in de richting van het industrieterrein, aan de noordoostelijke rand van Kayseri. We slaan proviand in bij de supermarkt en halen even de huur op, een winkelier huurt er een pand dat van opa is geweest. Naarmate we vorderen dunt de stad verder uit. De fabrieken maken plaats voor woontorens, de woontorens voor huizen, de huizen staan steeds verder van elkaar verspreid, tot er alleen nog af en toe een dorpje is, of een gehucht van niet meer dan een paar huizen, en we ons in de uitgestrekte leegte van het platteland bevinden.
13
Zelfs in dit hete, dorre gebied staat om de paar kilometer een kraampje langs de weg, waar een moedige plaatselijke boer zijn waren aanbiedt aan de reiziger. Aan een van die kraampjes stoppen we. Mijn ogen doen zich tegoed aan de vruchten, die er erg smakelijk uitzien. Ik twijfel: een paar abrikozen, een tros zoete druiven? Of eerder wat noten en vijgen? Ik kies uiteindelijk voor een sappig stuk watermeloen, en een paar van die typische, groene pruimpjes van hier: reine-claudes. Ze zijn wat zuur, maar daar houd ik van. We ademen de droge lucht in, strekken de benen. Verderop wordt de weg bochtiger, smaller ook, gevaarlijker. Geen wonder dat hier vaak ongelukken gebeuren. Eén zo’n ongeluk trof onze familie enkele jaren geleden erg hard. Een drama was het – maar we hadden toen nog geen idee welk onheil er nog zou volgen. Vandaag is het lot ons gelukkig gunstig gezind: er is niet veel verkeer. De enkele auto’s die we passeren, dragen, opvallend genoeg, zelden Turkse nummerplaten: ik tel een Nederlandse auto, een Duitse, een Franse, een enkele Belgische. De wagens worden bestuurd door gurbetçi, mensen als wij: ‘gastarbeiders’, misschien zelfs ‘ballingen’ – een licht denigrerende term, waarmee de Turken die in Turkije wonen Turkse emigranten aanduiden. Deze gurbetçi zijn vaak blijven hangen in de mentaliteit van de jaren zestig, van het moment waarop ze hun moederland verlieten. Ze hebben de evoluties in de Turkse samenleving niet op dezelfde manier meegemaakt als de Turken die in het land gebleven zijn. Velen uit deze arme streek hebben het land verlaten; in de zomer keren ze voor een paar maanden terug naar hun geboortestreek. Wij zijn ook bijna terug, deze zomer – maar het is geen terugkomst als in andere jaren.
14
Aan onze linkerzijde zien we de Rode Rivier verschijnen, de Kızılırmak. Over enkele ogenblikken komen we bij de stuwdam. Die is een jaar of tien geleden gebouwd om de watervoorziening in de regio ook in de droogste maanden op peil te houden. Even daar voorbij houden we een laatste keer halt: van de plakkerige vijgen en de droge noten hebben we opnieuw dorst gekregen. De fonteintjes die je hier en der langs de weg vindt, zijn ware kunstwerkjes. Ze zijn betaald door families, die met zo’n fonteintje de gedachte aan een overledene levend willen houden. Het is een van de dingen die ik mooi vind in de islam: het idee dat je iets slechts – de dood van een geliefde – kunt omzetten in iets goeds, in dit geval de dorstige reiziger laven. Dat idee, zal ik nog vertellen, probeer ikzelf al een paar jaar in de praktijk te brengen in mijn eigen leven. Zonder die inspiratie, zult u merken, had dit boek niet bestaan. Terwijl ik aan zo’n fonteintje mijn mond spoel en onze waterflessen vul, lees ik dat de reiziger wordt gevraagd El Fatiha op te zeggen, een gebed ter nagedachtenis aan de overledene. Ik schroef de flessen dicht, zet ze in de koffer, en prevel in mezelf de gevraagde Koranverzen – enkele ervan, tenminste, want ik ken ze heus niet allemaal uit het hoofd. Nog een twintigtal kilometer en we zijn er. Nog ongeveer evenveel minuten. Door de staat van het wegdek zakt het tempo een beetje. Nu en dan rennen loslopende honden een eindje met ons mee. Het zijn kangals, Anatolische herdershonden. Prachtige, zandkleurige beesten met een imposant lijf. Heel rustig en beheerst van karakter, maar zeer opmerkzaam, en dus uitstekende wakers. Ze lopen hier vaak in het wild. Sommige kangals dragen een belletje om de hals: zij
15
zijn eigendom van een van de herders die hun schapen hoeden op de taaie rotsflanken. De honden houden de wolven en de beren op afstand. Het leven van een herder is zonder die externe dreigingen al hard genoeg. Het is zover, ik voel het weer: iets lichts, iets als opluchting, een vorm van blijdschap, enigszins verwonderlijk als je weet waarom we hier zijn, maar het is er, zelfs nu. We zijn de heuvel op gedraaid, en na een bocht kreeg ik hem in het vizier: de Safrantı. De berg in de schaduw waarvan het dorp zich bevindt waar alles begon, ik ken hem al vanaf mijn kindertijd, hij hoedde me tijdens mijn vakanties, hij troostte me en troost me nog altijd, omdat ik weet dat hij al mijn voor ouders gekend en gehoed heeft, hij weet meer over hen dan ik. Mijn lichte gevoel versterkt nog als we even later onder de bekende boog doorrijden: Karaşeyh Köyüne hoş geldiniz, ‘Welkom in Karaşeyh’. Voor het eerst dit jaar zal ik overnachten in het dorp waar mijn familie vandaan komt. We zijn er in eerdere zomers wel eens langsgegaan, maar altijd kort, een paar uurtjes, het graf van mijn eerste oma bezoeken en onderhouden, even goeiedag zeggen bij familie. Nu blijven we enkele dagen. Intense dagen. Zoals altijd als het een tijd leeg heeft gestaan, ziet het huis er wat verlaten uit. Terwijl mijn oma en mijn mama binnen de bagage uitpakken, gaan papa en ik buiten aan de slag. On kruid moet gewied, er moet geveegd. We zetten de waterkraan open, maar er komt geen druppel uit. En ook de elektriciteit wil maar niet aanslaan. Dat gebeurt wel vaker in dit
16
seizoen; ondanks de stuwdam wat verderop is er in de zomer geregeld watertekort. We laten het niet te veel aan ons hart komen. Wat geduld en wat geregel later, werkt alles naar behoren en zijn we helemaal geïnstalleerd. Ik ga naar de straat toe en neem het huis in me op, het huis dat mijn opa lang geleden zelf liet bouwen. Het ligt, van waar ik nu kijk, rechts van de weg, wat lager, je moet een paar trappen afdalen om het te bereiken. Om binnen te gaan moet je weer enkele trapjes omhoog, dan kom je bij de voordeur. In het gangetje daarachter kun je rechts naar de keuken, waar oma en mama nu wat hapjes aan het bereiden zijn, en links naar het salon. Daarachter liggen twee slaapkamers, één aan elke zijde van de gang, die uitmondt op de badkamer. Er is maar één verdieping, het is een bungalow. Ik ga op het balkon staan, dat is er ook, aan de achterzijde van het huis. Ik zie onder me de bergplaats, waar opa’s werkgerief nog staat. In de tuin de notenbomen, die heerlijke walnoten voortbrengen, en wat braakland, waarop opa vroeger tomaten, uien en andere groenten verbouwde. Mijn blik volgt de glooiing naar beneden, een dalende curve tot aan het water, een stroompje, dat verderop een plas wordt in een wei. Het is de pınar, de plek waar ik als kind het vee zag drinken, de drenkplaats van het dorp, ook vandaag nog gaat het hele dorp er water halen en laaft het er zijn dieren. In opa’s tijd was die er al, herinner ik me uit zijn verhalen, we zijn er nog samen heen gelopen. Terwijl ik terugdenk aan de mooie vakanties die ik hier als dreumes doorbracht, glijdt mijn blik omhoog. Hij rust op de steile helling naar de Safrantıberg, waar je vanaf het balkon niet
17
naast kunt kijken. De holen in die berg hebben in oorlogstijd als schuilplaats gediend. Morgen, zo hebben we afgesproken, gaan mijn vader en ik de Safrantı beklimmen. Toen ik klein was hebben we dat ooit al eens gedaan, met mijn broer erbij. Het wordt onze eigen kleine bedevaart, een symbolische tocht, bij wijze van eerbetoon, mijn papa als gids over onherbergzaam terrein – het lijkt wel een metafoor voor mijn leven van de jongste jaren. Na de hapjes is het moment waarvoor we gekomen zijn, waarvoor ik twee dagen onderweg ben geweest, aangebroken. Oma, mama, papa en ik gaan de deur uit, klimmen omhoog, de stoffige aardeweg op. We zijn triest en we zijn blij, overmand door tegenstrijdige, gemengde gevoelens, we zeggen niet veel. Aan de overzijde van de weg doet papa het hek open. Een rommelige verzameling van zerken en stenen, kriskras door elkaar. Ik prevel in mezelf een gebed, dat doe ik, sinds ik het leerde toen ik een dicht familielid moest begraven in Houthalen-Helchteren, elke keer als ik een begraafplaats betreed. Selamun aleyküm kabir ehli, zeg ik, ‘Ge groet aan alle overledenen in de naam van God’, en ik ga verder: ‘Mogen jullie status hoog en jullie ligplekken comfortabel zijn. Mogen jullie in de genade van God verkeren, en in de liefde van de profeet.’ Papa, mama en oma wandelen zwijgend verder, tot we bij het graf zijn aangekomen. Dan begint een ritueel, dat zich bij elk grafbezoek herhaalt, handelingen van respect voor de overledene en zijn laatste rustplaats. Oma’s oude handen trekken het onkruid uit, mama harkt de aarde aan en maakt het graf schoon. Papa en ik gaan water halen. Dat heeft een belangrijke symbolische rol binnen de islam: water reinigt, maakt proper, maakt zuiver. Voor ze de
18
moskee binnengaan lopen moslims altijd eerst langs het badhuis, uit respect voor God, om zuiver zijn huis binnen te treden. Aan het graf gieten we een scheutje water op de grond, een symbolische daad, waarmee de dorst van de overledene gelest wordt en zijn ziel gereinigd. Bijna vijfentwintig jaar geleden stonden we hier ook al, maakten we schoon, plengden we water, namen we afscheid. Ik was toen zeven jaar oud, maar ik herinner het me nog alsof het gisteren was. Elif was gestorven, de eerste vrouw van opa, mijn eerste oma, de moeder van mijn vader. Haar naam heeft een grote symbolische waarde in de islam: het is de eerste letter van het Arabische alfabet. Er bestaat een uitdrukking: ‘zo recht als Elif, zo bescheiden als Waw’ (een andere letter in datzelfde alfabet). In de islamitische lettersymboliek staat ‘Waw’ voor de wereld, ‘Elif’ voor de sleutel. De begrippen zijn aan elkaar tegengesteld. ‘Elif’ is recht, sterk en onafhankelijk. ‘Waw’ is fragiel, en heeft ‘Elif’ nodig om te bestaan. In het soefisme vervolledigen de twee letters elkaar. ‘Elif’ is de sleutel naar ‘Waw’, de wereld. Die sterke oma Elif was, nog geen zestig jaar oud, bezweken aan kanker. Opa had toen dit graf laten delven. Vooruitziend als hij was, had hij toen tegelijk zijn eigen toekomstige graf laten maken. Zo zou hij ook na zijn dood in het gezelschap blijven verkeren van de moeder van zijn kinderen. Ze was niet de eerste dode in onze grote familie, maar ze was wel mijn eerste dode. Wist ik toen veel wat er nog zou volgen. Dit dus, onder andere: dat we nu met z’n vieren voor datzelfde graf staan en verplicht zijn afscheid te nemen van Mükremin Akyil, 1942-2020, de papa van mijn papa, mijn teergeliefde opa. De man bij wie ik altijd terechtkon, de man
19
www.lannoo.com
Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Vormgeving: Studio Lannoo (Mieke Verloigne) Redactie: Bart Van der Straeten Foto achteraan: Whitney Ruzzi, 2018 © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2021 en Kenan Akyil D/2021/45/549 – ISBN 978 94 014 7615 7 – NUR 688/740 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige
andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.