Skip to main content

9789401476119

Page 1

Marc Van de Looverbosch De wereld waarvan wij droomden Zeven jaargenoten blikken terug en vooruit


Inhoud

1. Prinsstraat 13 7 2. De grote leermeesters 27 3. Herman Deleeck en de welvaartsstaat 55 4. Armoede, de schandvlek 79 5. Het verzuilde Vlaanderen 97 6. Ontzuiling en ontkerkelijking 127 7. De zwanenzang van de traditionele partijen 155 8. Politieke herverkaveling 185 9. Een nieuwe kaper op de kust 209 10. De wijde wereld 235 11. De toekomst 267 Brieven

271


‘Voor mij was het een openbaring van vrijheid, maar ook een confrontatie met mensen die iets te vertellen hadden. Ik werd meegezogen in een rijk en boeiend leven dat ik niet had gekend in de middelbare school.’ — BEA CANTILLON ‘In mijn hele opleiding, van de kleuterklas tot de London School of Economics, zijn mijn kandidaturen aan de Ufsia de twee belangrijkste jaren geweest. Alles wat ik heb geleerd, heb ik daar geleerd.’ — PATRICK JANSSENS ‘Bij de VVS ben ik niet lang gebleven, omdat ik er gemanipuleerd werd door radicaal linkse groepen.’ — JOHAN VAN HECKE


1. Prinsstraat 13 In de eerste week van oktober 1974 stond ik voor de poort van het imponerende historische gebouw van de Ufsia aan de Prinsstraat 13 in Antwerpen, letterlijk op de drempel van een nieuw academiejaar. Ik was pas ingeschreven aan de faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen (Pol & Soc) van de universitaire faculteiten SintIgnatius Antwerpen. Ik had een mislukt jaar rechten achter de rug. Mijn leraren hadden me na de maturiteitsproef in het laatste jaar Wetenschappelijke A van het Sint-Jan Berchmanscollege op de Meir sterk aangeraden rechten te gaan studeren.1 Ik kon het blijkbaar toen al goed uitleggen. Maar ik ben afgeknapt op de dorheid van de leerstof. Ik zag mezelf geen advocaat worden. Gelukkig kon ik thuis op begrip rekenen, omdat mijn oudste broer eerder ook een tweede kans had gekregen aan de unief. Dat was niet evident in een gezin met zeven kinderen, waar de moeder huisvrouw was en de vader werkte als ambtenaar in Brussel. Mede dankzij het systeem van studiebeurzen hebben mijn oudste broer en ik onze universiteit toch kunnen afmaken, de beruchte democratisering van het onderwijs, een thema dat nog aan bod zal komen in dit boek. Veel gezinnen zaten in de jaren zestig en zeventig in een vergelijkbare situatie, moeder aan de haard en vader als bescheiden kostwinner. Als er dan nog enkele kinderen rondliepen, waren beurzen vaak de enige mogelijkheid om iedereen te laten studeren. Die beurzen werden berekend op basis van onder meer inkomen en gezinssamenstelling.

1 De maturiteitsproef was een schriftelijke en mondelinge proef in het laatste jaar van de humaniora waarbij een jury van leraren oordeelde of iemand geschikt was om door te studeren.

7


Onze familie woonde met drie generaties samen in een gehuurd herenhuis. Op de benedenverdieping leefden mijn grootouders van moederskant en daarboven de andere leden van het gezin, samen elf. We waren helemaal ingeburgerd in de verschillende verenigingen van de parochie Sint-Theresia (de kleine Theresia van Lisieux of van het Kind Jezus) van de paters ongeschoeide karmelieten op de grens van Mortsel en Berchem. De vier zoons waren misdienaar en lid van de plaatselijke Chiro, net zoals mijn drie zussen. Waarom dan bij de jezuïeten gaan studeren, op de Ufsia — Sint-Ignace of zelfs Saint-Ignace in de volksmond? Eenvoudigweg omdat het een katholieke instelling was en omdat ik zelf uit een praktiserend gezin kwam. Ik kon bovendien in Antwerpen blijven. Op kot gaan in Leuven was veel te duur en de Ufsia was met tram 7 maar een ritje ver. Politieke en sociale wetenschappen, dat boeide me wel. Al had ik geen flauw benul van wat we daar allemaal geserveerd zouden krijgen. De interesse voor politiek en geschiedenis is bij mij gewekt op Sint-Jan, hoewel ik daar meer wiskunde heb gezien dan me lief was. In die jaren borrelde het zowat overal, in de Kerk, in de politiek, bij de jeugd… Klassieke opvattingen werden in twijfel getrokken, de traditionele machtsverhoudingen kraakten in hun voegen, en ik wilde weten hoe we dat moesten begrijpen. Ik zat natuurlijk niet alleen in die kandidaturen en ik laat u graag kennismaken met enkele medestudenten die ik daar heb leren kennen en die achteraf gezien niet de eerste de besten waren.

Mieke, het arbeiderskind

Mieke Vogels werd in 1954 geboren als oudste van zes in een Antwerps arbeidersgezin. Ze liep lagere school in het buurtschooltje van de nonnetjes, dat al lang niet meer bestaat. Dan naar SintLutgardis, al hadden ze thuis de huishoudschool in gedachten. De zusters van het zesde leerjaar konden haar moeder overtuigen. ‘Mieke, die kan veel meer’, zeiden de nonnen. ‘Je moet die niet naar een huishoudschool sturen, maar naar een goede school.’ Het waren de nonnen die haar gered hebben van een verkeerde schoolkeuze, bezield door de Heilige Geest van de democratisering van het onderwijs.

8


Bij Mieke thuis hadden ze het niet breed. Haar moeder was huisvrouw en haar vader was een arbeider die betaald werd per uur. De baas kwam het loon op vrijdagavond in de bus steken. Het gezin had dat geld nodig om eten te kopen. Als het te laat kwam, moest Mieke in de winkel op de poef kopen. Dat vond ze vreselijk. ‘Ik vond dat altijd gênant. Ik zal het nooit vergeten. Dan moest ik aardappelen en eieren meebrengen, omdat het goedkoop was. Ik zei dat ik het ’s anderdaags wel zou komen betalen.’ Zo kwam Mieke terecht in de meisjesschool Sint-Lutgardis, die werd gesticht door de Vlaamsgezinde industrieel Lieven Gevaert, die in de twintigste eeuw een fabriek had in Mortsel, achter de hoek waar ik woonde. Dat was tegen de zin van de directrice, die vond dat haar school niet geschikt was voor een arbeiderskind. Toch zette Mieke door, en met succes. Ze werd klasafgevaardigde en zelfs voorzitter van de leerlingenraad. Ze kwam in aanvaring met de directie over de verplichte nylonkousen. ‘Wat is dat toch met u, Vogels’, riep de directrice. ‘Ge maakt gehaktballen van mij! En dat allemaal voor een paar kousen.’ Toch kijkt Mieke met goede herinneringen terug op Sint-Lutgardis, omdat bepaalde leraren hen aanmoedigden een eigen mening te vormen, als die maar goed onderbouwd was. Op het einde van de humaniora ontstond verdeeldheid onder de leraren. ‘Die gaat nooit universiteit aankunnen’, dacht de ene. ‘Maar jawel’, vond de andere. ‘Die kan dat echt wel.’

Guy, de heiden

Guy Van Habberney, geboren in Antwerpen in 1954, studeerde Latijn-wiskunde in het atheneum van Berchem. Vader was havenkapitein, moeder huisvrouw. Als enig kind voetbalde hij met vrienden op het pleintje aan het Kiel. Hij begon er ook te schaken. Dat doet hij vandaag nog altijd met veel succes. Vader was in zijn jeugdjaren geselecteerd om lid te worden van de scoutsgroep op het koninklijk paleis met Boudewijn en Albert. Guy voelde zich een buitenbeentje, toen hij aan de katholieke Ufsia begon.

9


‘Ik kwam uit een atheneum, bij de heidenen. Dat voelde ik zo aan, toen ik bij de inschrijving bij pater Peeters op het matje moest komen. Een echte heiden, ja — ook van thuis uit. Mijn ouders waren liberaal, maar politiek werd thuis nooit te berde gebracht. Ze waren gewoon atheïstisch neutraal, zonder enige ethische oriëntatie of wat dan ook.’

Bea, moedertaal Frans

Bea Cantillon werd geboren in Antwerpen in 1956 in het gezin van een zelfstandige houtmakelaar — iemand die hout verhandelde voor de haven, een beroep dat nu vrijwel niet meer bestaat. Haar moeder was een Italiaanse, die na het huwelijk naar Antwerpen was gekomen. Ze werkte thuis en sprak uiteraard geen Nederlands. Het gezin communiceerde in het Frans. Geen van beide ouders was hooggeschoold, maar ze waren verstandig en hielden veel van muziek, cultuur en literatuur. Ze zouden nu gezien worden als een kansarm gezin. ‘Met de huidige schoolindicatoren thuistaal niet Nederlands, natuurlijk’, merkt Bea op. ‘Bovendien was die thuistaal ook van povere kwaliteit. Het was noch de moedertaal van vader, noch die van moeder. Ik leerde wel Italiaans, daar was ik fier op.’ Bea heeft haar eerste jaren in het Frans gedaan aan het Institut Belpaire. De meisjes droegen er allemaal keurig handschoenen. Zulke Franstalige scholen zijn stopgezet door de taalwetten van 1963, die het Nederlands verplicht maakten in onderwijs en administratie. Haar vader was een flamingant en anglofiel, maar wel tolerant. Hij kwam uit een vrijzinnig nest en heeft geleidelijk stappen gezet richting het geloof van zijn katholieke vrouw uit Italië. Bea heeft als tiener veel hopeloze discussies gehad over politiek met haar vader. Toen ze verhuisden naar een ander deel van de stad, veranderde Bea van school. Het werd een Vlaamse. Haar enige broer zat al op Sint-Lievens, alweer een school van Lieven Gevaert, maar Bea werd geweigerd op Sint-Lutgardis, de tweelingschool van Sint-Lievens. ‘Moeilijk om achteraf te bepalen waarom. Was het omdat ik Frans sprak? Of omdat men vond dat ik niet uit het juiste sociaalecono-

10


misch milieu kwam? Waarschijnlijk beide.’ Het werd Pulhof, het Onze-Lieve-Vrouwinstituut in Berchem. Ze begon als Franssprekende aan de humaniora. Bea voelde zich daar niet bepaald gelukkig, omdat ze te weinig werd uitgedaagd. Slechts een handvol leraren liet een inspirerende indruk op haar na.

Bernard, uit West-Vlaamse klei

Bernard Bulcke, geboren in 1953, kwam uit een groot gezin met negen kinderen. Vader was hoofdonderwijzer in het Klein Seminarie van Roeselare, moeder zorgde voor de kinderen. Een traditioneel katholiek nest uit West-Vlaanderen. Toen Bernard naar het eerste studiejaar ging, begon zijn oudste broer aan het eerste jaar geneeskunde in Leuven, een generatie verschil. Hun hele leefwereld speelde zich af in de katholieke sfeer; school, misdienaar, koor, KSA, toneel, voetbal, noem maar op. ‘De Kerk was voor mij nooit een bevoogdende institutie. Wij zagen dat als normaal, die pastoors. Het waren leraren voor ons die net zo goed koorleider, regisseur of ploegcoach waren. Religie was het decor voor onze grote vrijheid.’ Bernard volgde Latijn-wetenschappen en had vooral interesse in de buitenschoolse activiteiten. In dat grote gezin werd er af en toe stevig gediscussieerd. ‘Ik deed dat geweldig graag. Bij ons thuis was dat zo’n beetje de cultuur. Wij zaten ’s avonds vaak aan tafel of rond de kachel en het haardvuur met elkaar te praten, heel spontaan. Het ging er soms hevig aan toe, maar was altijd erg verrijkend. Het zette aan om veel te lezen en dingen op te zoeken. We hebben het met de paplepel binnengekregen.’

Patrick, de slagerszoon

Patrick Janssens werd geboren in 1956 als tweede van vier zoons in het gezin van een kleine zelfstandige. Vader had een slagerij, zoals grootvader, en moeder hielp mee in de zaak, een buurtwinkel die samen met de buurt achteruitgegaan is. Geen van beiden had gestudeerd, maar ze waren wel harde werkers. Zes op de zeven dagen was de winkel open, van half acht ’s morgens tot acht uur ’s avonds, het hele jaar door.

11


Vakantie kenden ze niet. Bij wijze van grote uitzondering trokken ze een lang weekend naar Echternach of zo. De eerste grote buitenlandse reis van Patrick was met de Bouworde (een katholieke organisatie die jongeren laat werken aan allerlei projecten) naar Italië om er vrijwilligerswerk te doen. Zijn ouders waren katholiek maar geen pilaarbijters. Patrick kwam logischerwijze terecht op de parochiale school van Sint-Michiel in graadklassen. Eerste en tweede leerjaar samen, derde en vierde, vijfde en zesde, met drie leraren en één directeur. Een oom van zijn vader, een broeder die lesgaf op de landbouwschool in Lebbeke, drukte zijn ouders wel op het hart dat ze hun jongens zeker naar een college moesten sturen. Moeder en vader Janssens kenden dat niet en dus ging het naar het dichtstbijzijnde college Sint-Norbertus, dat alleen een moderne humaniora had en op een veel lager niveau stond dan andere colleges in de buurt. Daar ontdekte Patrick voor het eerst wat het betekende om uit een eenvoudig milieu te komen, toen een leraar hem erop wees dat hij altijd dezelfde kleren aanhad. ‘Op dat moment realiseerde ik mij dat ik elke dag hetzelfde aanhad en ik voelde me echt gekleineerd. We hadden twee truitjes, een voor de ene week en een voor de volgende week. En die hielden we heel de week aan. Het was mij voordien nooit opgevallen, tot dan.’ Patrick koos Wetenschappelijke A. Buitenschoolse activiteiten stonden niet op de agenda. Patrick tekende graag, maar naar de tekenschool gaan? Thuis wist niemand hoe dat moest. Er restte voetballen in het park. Niet helemaal zonder succes, want jaren later speelde hij bij de juniores van SK Beveren. Het PMS (vandaag het CLB, Centrum voor Leerlingenbegeleiding) drong erop aan dat de zonen Janssens moesten voortstuderen. De ouders wilden dat hun kinderen zeker geen zelfstandige zouden worden. Liever een goede baan achter een bureau. Zo ging zijn oudste broer boekhouding studeren, het soort werk dat hun ouders wel goed vonden. Patrick wilde Pol & Soc studeren, een richting die zijn ouders niet konden inschatten. Toch mocht hij proberen, omdat het in Antwer-

12


pen was en omdat hij niet op kot moest. Maar evident was dat niet voor zijn ouders. ‘Toch geen universiteit? Want al de kinderen uit onze buurt die ooit universiteit hadden geprobeerd, waren allemaal mislukt. In die tijd was dat niet vanzelfsprekend. De universiteit was niet alleen financieel maar ook sociaal onbereikbaar. We hadden in die periode wel studiebeurzen en zo, maar ik durf nu niet zeggen dat ze het verschil zouden hebben gemaakt. Het was meer iets van: universiteit, dat is niet voor ons soort volk.’ Omdat er in de stad een universiteit was, werd dan toch het pad geëffend voor de universitaire scholing van de broers Janssens.

Johan, de zoon van de burgemeester

Johan Van Hecke, geboren in 1954, kwam uit een landelijk katholiek milieu in het Oost-Vlaamse Oosterzele. Vader was burgemeester en werkte bij de bank, moeder deed verzekeringen. Een milieu waarin de christelijke arbeidersbeweging, het sociale weefsel, een belangrijke rol speelde. Johan was de oudste van zeven en heeft heel de KSA doorlopen, van jongknaap tot bondsleider. Zijn vader stuurde hem al vanaf het vierde leerjaar naar het Sint-Catharinacollege, een streng bisschoppelijk college in Geraardsbergen. ‘In het begin mocht ik maar één keer per maand naar huis, later werd dat om de veertien dagen. Ik zat in de Latijn-Griekse. Ik was geen slechte student, maar ook geen bijzonder goeie. De laatste twee jaar brachten een kentering in dat college. Omdat de zusterschool in Geraardsbergen was afgebrand, kwamen die meisjes plots naar onze school. Hoe moeizaam de leerkrachten, maar vooral de leerlingen daarmee omgingen: toiletten en speelplaats aanpassen, kortom alles. We konden daar niet mee omgaan. We belandden van het ene extreme in het andere.’ Zijn vader wilde dat hij rechten zou studeren, maar dat zag Johan niet zitten. Hij wilde liever politieke en sociale wetenschappen of sociologie doen. Hoewel de Universiteit Gent dichterbij lag, was dat voor vader Van Hecke geen optie. Te anoniem, te links, te vrijzinnig. Een vriend des huizes raadde de Ufsia aan, in Antwerpen.

13


De eerste stapjes

De eerste weken zochten we allemaal onze plaats in de aula’s. De Ufsia had nog maar pas een gloednieuw betonnen gebouw neergezet in de Rodestraat, achter het Hof van Liere. Daar vonden de meeste cursussen van Pol & Soc plaats. We kenden elkaar niet en raakten de weg kwijt in een groep van vijftig à zestig studenten, een bonte verzameling van de jeugd in die tijd. Ik herinner me vooral lange haren en wilde baarden, hippies, jeans, parka’s, soepjurken, klompen en patchoeli. Fatsoenlijk rechts noemde dat langharig werkschuw tuig. Een ander deel van de studenten liep er gewoontjes bij, niet opvallend en zelfs modieus gekleed. Roken deed bijna iedereen… en pinten pakken natuurlijk. Doopfeesten waren uit den boze in Pol & Soc. Dat was iets voor de zwijnen van de rechten of TEW (Toegepaste Economische Wetenschappen). Er waren brave jongens en meisjes die bij de scouts of Chiro waren, of die actief waren in de studentenparochie. Maar er waren ook brutale vlegels bij, militanten van de maoïstische Amada (Alle Macht Aan De Arbeiders, nu PVDA), de MLB (MarxistischLeninistische Beweging) of van de trotskistische RAL (Revolutionaire Arbeidersliga). Of een paar verdwaalde dolle mina’s (linkse feministen) met hun prachtige slogan ‘een rebelse meid is een parel in de klassenstrijd’. De Amadezen, zoals ze werden genoemd, dweepten met het China van Mao Zedong en waren actief in arbeiderskringen (mijnen, metallurgie). Ze stichtten de nog altijd bestaande groepspraktijken van Geneeskunde voor het Volk, van dokter Kris Merckx. De trotskisten rekruteerden veeleer in intellectuele milieus (onder meer de linkse economieprofessor Ernest Mandel van de VUB). Ze discussieerden veel en geloofden in een socialistische democratie onder leiding van het proletariaat. Ze waren de aartsvijanden van Amada en nogal wat kameraden kozen voor de trotskisten, omdat daar mooiere grieten rondliepen… Rechts, laat staan extreemrechts, was aan onze faculteit onzichtbaar of zat in ieder geval onder de waterlijn. In andere faculteiten, zoals de rechten of TEW, was rechts wel geïnfiltreerd. Het Vlaams Blok be-

14


stond toen nog niet. Er was maar één Vlaams-nationalistische partij. De Volksunie was de democratische erfgenaam van de Vlaamse Beweging, die tijdens de Tweede Wereldoorlog stevig had gecollaboreerd. In die tijd stond de geschiedschrijving over de collaboratie en de repressie nog in de kinderschoenen. De beruchte documentaires van Maurice De Wilde verschenen pas in 1982 op het scherm, een eyeopener voor velen. Extreemrechts manifesteerde zich in die dagen als VMO (Vlaamse Militanten Orde, een knokploeg en privémilitie met uniform, in 1981 door de wet verboden), NSV (Vlaams Nationalistische Studentenbeweging), Were Di of Voorpost en nog andere groupuscules die demonstreerden voor het afschaffen van België, tegen de vreemdelingen en die ‘linkse ratten, rol uw matten!’ scandeerden. Die linkse ratten lieten zich niet onbetuigd en links en rechts ging regelmatig op de vuist, soms gewapend met stokken of kettingen. Het klinkt erger dan het was, nu lijkt het bijna folklore. Er kon geen academiejaar beginnen of links en rechts moesten eens flink geknokt hebben.

Het apartheidsregime der geslachten

De eerste lessen brachten een prettige verrassing met zich mee. Voor veel studenten was het de eerste keer dat jonge mannen en vrouwen in één leslokaal ongedwongen naast elkaar mochten zitten. Dat was even wennen, na die aparte jongens- en meisjesscholen waar de geslachten streng werden gescheiden. Die vermenging bood interessante perspectieven. Koppeltjes werden gevormd en gingen weer uiteen. Er werd flink geëxperimenteerd. Niet dat we geen omgang hadden gehad met meisjes of jongens. We hadden broers en zussen, vrienden en vriendinnen. Maar gemengd onderwijs bestond toen alleen in het Rijksonderwijs (GO of Gemeenschapsonderwijs), en dan nog niet overal. Het katholiek onderwijs is mondjesmaat gevolgd en dat heeft nog jaren aangesleept. Bij jeugdbewegingen is toen een voorzichtig gesprek op gang gekomen over gemengde werking. De Chiro, die ik het beste ken, had gescheiden jongens- en meisjesgroepen tot op het niveau van de

15


nationale leiding. In de nadagen van de kritische beweging van mei ’68, de studentenrevolte in Parijs en bij ons in Leuven in 1968, moest de oudere generatie er nog van overtuigd worden dat jongens en meisjes gewoon samen horen. Dat is stap voor stap gebeurd door jeugdclubs die in heel Vlaanderen als paddenstoelen uit de grond rezen. Daar mochten jongens en meisjes samen activiteiten organiseren; sport, quiz of volksdans, tot zelfs wilde dansavonden, thés dansants of fuiven. Vanaf achttien jaar en onder het toeziend oog van de pastoor, die dienstdeed als zedenmeester. Ik herinner me een van onze karmelieten, pater Theodoor, die gewoon mee La Bamba stond te dansen… en meisjes kuste! Andere priesters waren er vierkant tegen en preekten over Sodom en Gomorra, over hel en verdoemenis — een duivelse cocktail van drugs, seks en rock-’n-roll. De jeugdbewegingen trokken zich daar niet veel van aan en zetten rustig door. De scholen volgden en de evolutie was niet meer tegen te houden. Het is misschien wat meer in de luwte gebleven, maar dat gedeelte van de emancipatiestrijd hebben we toch gewonnen, tegen de wil van de conservatieve krachten in Vlaanderen in.

Vrijheid inademen

Ik kom zelf uit een klassiek college en ik heb daar eerlijk gezegd niet veel aan overgehouden. Een paar boeiende leerkrachten in de eerste jaren, maar in de laatste jaren werd het almaar teleurstellender. De stap naar de universiteit was een stap weg uit de bekrompenheid en een stap vooruit in ruimdenkendheid. Ik ben niet de enige die er zo over dacht. Bernard ging na de humaniora rechten studeren in Leuven, maar dat viel enorm tegen. ‘De beste proffen waren Luc Huyse en Karel Tavernier, al de rest was stofzuigen en debiteren. Dat eerste jaar was een geweldige flop voor mij, ik was compleet gedemotiveerd. En na twee jaar heb ik beslist om volledig te veranderen.’ Aanvankelijk met spijt, want eigenlijk wilde Bernard graag advocaat worden. Hij zag zichzelf al staan pleiten. Een paar vrienden die in Ant-

16


werpen studeerden, wezen hem op de kleinschaligheid van de Ufsia. Dat trok hem wel aan. Leuven was een echte studentenstad, een proffenuniversiteit waar je als student een vervelende bijkomstigheid was. Antwerpen was dan weer een grote stad waar je ook gewone mensen tegen het lijf kon lopen. Ondanks de spreekwoordelijke arrogantie van de Antwerpenaren tegenover de West-Vlamingen, voelde Bernard zich er snel thuis. ‘Ik kwam in een nieuwe omgeving terecht en ik ben daar opengebloeid. Ik heb daar geblokt gelijk zot en haalde grote onderscheiding. Daar was ik best fier op. Ik heb me die overstap naar Antwerpen nooit beklaagd’. Dat hij al bij de inschrijving aan de Ufsia toevallig kennismaakte met Bea Cantillon, zal ook wel geholpen hebben. Het klikte tussen die twee. Na een tijdje waren ze een koppel en dat zijn ze nu nog steeds. Bea noemt de stap naar de universiteit een bevrijding uit een strak keurslijf. ‘Voor mij was dat absoluut een openbaring van vrijheid, maar ook een confrontatie met mensen die iets te vertellen hadden, met studiegenoten met wie je kon praten, discussies voeren, dingen ondernemen. Ik werd meegezogen in een rijk en boeiend leven dat ik niet had gekend in de middelbare school.’ Bij Mieke is het helemaal anders gelopen, ook al zat ze op de Vlaamsgezinde school Sint-Lutgardis. Ze voelde zich al vlug ‘socialistisch’ uit een soort van onrechtvaardigheidsgevoel. Vader die zo hard moest werken voor zo weinig geld en die later maar een klein pensioentje zou krijgen. Omdat ze zich wilde inzetten voor een socialere samenleving, ging ze op haar zestien bij Amada. Elke week naar het Sint-Andrieskwartier om er les te volgen in de marxistische leer. Mieke begreep er eerst niets van. Ze zocht thuis de moeilijke woorden op in het woordenboek en leerde veel bij. Tot ze op een blauwe maandag werd opgepakt door de BOB (Belgische Opsporingsbrigade — Staatsveiligheid), omdat ze pamfletten aan het uitdelen was. De BOB beschuldigde haar van subversieve communistische activiteiten. Toen haar vader vroeg om ermee op te houden, heeft Mieke dat ook gedaan.

17


Met die achtergrond wilde ze absoluut politieke en sociale wetenschappen studeren. Maar naar de unief gaan was niet evident. ‘Ons vader zei tegen mij: “Voortstuderen? God manneke, nu had ik wel gedacht dat jij zou gaan werken. Want er zijn er nog vijf andere kinderen in huis.” Maar ons moeder zei dan: “Ons Mie kan dat, ons Mie moet dat doen!” En ons vader zei: “Ja, maar ze zal het wel zelf moeten betalen, want wij kunnen dat echt niet”.’’ Om haar studie te betalen heeft Mieke als werkstudent bij de universitaire boekhandel Somville gewerkt. Voltijds tot Pasen, daarna begonnen de bloktijd en de examens. Bovendien heeft Mieke haar studie een tijdlang onderbroken om te zorgen voor een zieke vriend, die uiteindelijk gestorven is. Bij Patrick heeft de universitaire expansie in de jaren zestig zeker meegespeeld. Daardoor waren de universiteiten beter gespreid over het land en studenten hoefden niet meteen op kot in Leuven, Gent of Brussel. De goesting om politieke en sociale wetenschappen te studeren was bij hem gegroeid in het laatste jaar middelbaar bij lessen over Herbert Marcuse en diens kritiek op de consumptiemaatschappij, iets heel herkenbaars voor Patrick. Ook de documentaires op de BRT maakten indruk, vooral als iemand aan het woord kwam die het goed kon uitleggen, bijvoorbeeld over gastarbeiders — zo heetten migranten in die tijd — en waar dan in de ondertiteling ‘socioloog’ stond. Blijkbaar waren dat mensen die iets interessants te vertellen hadden. In die periode begon Patrick met een wereldwinkel in Antwerpen. Volgens hem een engagement voor een links gedachtegoed dat niet gebonden was aan partijdiscipline of vastgeroeste ideeën. De overstap van een eenvoudig college naar de Ufsia in de Prinsstraat noemt Patrick intimiderend. ‘Ik was ongelofelijk onder de indruk van die binnenkoer. Ik vond dat fantastisch en nu nog. Dat is voor mij een van de emotioneel belangrijkste plekken in Antwerpen. In heel mijn opleiding van de kleuterklas tot de London School of Economics, zijn die kandidaturen aan de Ufsia de twee belangrijkste jaren geweest. Alles wat ik heb geleerd, heb ik daar geleerd.’

18


Het imponerende gebouw, de binnenplaats met zijn zuilengalerij en bibliotheek hebben ook op Guy indruk gemaakt. ‘Prinsstraat 13, ik vond dat toch wel heel speciaal. Niet alleen het oude gebouw, maar ook bijvoorbeeld die bibliotheek. Ik ben daar dikwijls gaan blokken. Wat toen nog niet in de mode was, zoals nu. Daar hing een soort aanstekelijke sfeer die je ertoe aanzette te studeren zonder al te veel afleiding, in rust en stilte. En nu, veertig jaar later, schijnen veel studenten het met mij eens te zijn. Die warme sfeer heb ik later nergens anders nog gevoeld.’ Johan kwam niet langs de grote poort binnen, maar via de Universitaire Parochie, waar hij op kot ging. Een veilige haven die zijn vader voor hem uitgekozen had. Daar leerde hij Karel Van Thillo kennen, de studentenpastor. ‘Karel Van Thillo, dat mag ik wel zeggen, heeft een belangrijke rol gespeeld in die twee jaar dat ik aan de Ufsia studeerde. Hij was bijzonder intelligent, dacht altijd vooruit, was heel clever in zijn analyses. Hij had zijn eigen overtuiging, die soms lijnrecht inging tegen het instituut Kerk. Over homoseksualiteit bijvoorbeeld, Van Thillo begreep toen al het standpunt van de Kerk echt niet. Ik ben daar zeer goed opgevangen, zeer warm onthaald. Mijn kotgenoten kenden de Ufsia en hebben mij rondgeleid. Hier is de bibliotheek, daar is een goed café als je zin hebt in een pint, pas op voor die, want dat is een schijnheiligaard. Ze hebben zich over mij ontfermd als over een piepklein kuikentje dat uit een streng, oerconservatief college kwam.’ De infrastructuur van de Ufsia gaf Johan een andere kijk op het leven dat hij tot dan toe gekend had. ‘Ik voelde me in een andere eeuw midden in de stad Antwerpen. Je gaat de poort binnen en je hebt een wauw-gevoel. Als je de bibliotheek binnenging, indrukwekkend, alles was goed geëquipeerd, functioneerde, draaide goed. Ik kwam van een college waar je in chambrettes ligt met gordijntjes die meestal niet volledig dicht kunnen. Waar je vaak ook geen water hebt. Dan kom je plots op een plaats waarvan je het gevoel hebt dat het stijl heeft. Ik herinner mij het eerste telefoontje met mijn bezorgde vader. Ik zei dat ik blij was dat hij mij me naar de Ufsia gestuurd had, want het leek mij een heel ernstige instelling. En dan ga je naar de lessen… je wordt overrompeld, overdonderd.’

19


Boeren, studenten, één front

Toen we in 1974 pas begonnen aan Pol & Soc, was er een erg natte herfst. De hele maand september had het geregend en in oktober sloegen de landbouwers alarm. Ze kregen problemen met de oogst. Het land was zo sompig dat de tractoren erin wegzakten. De boeren kwamen handen tekort om aardappelen en bieten te rooien. Na een noodkreet van de Boerenbond zakten veel vrijwilligers af naar de velden. De soldaten mochten toen niet komen helpen van minister van Defensie Vanden Boeynants en dus kwamen de studenten in actie. Aan de Ufsia coördineerde Mieke Vogels de hele zaak onder het motto ‘studenten moeten boeren helpen’. Een afkooksel van een of ander communistisch maoïstisch principe: arbeiders, boeren, studenten, één front! Ze riep eerst de studenten van Pol & Soc op. Wanneer dat niet voldoende was, ging ze ronselen bij de Rechten. ‘Dat was geweldig’, aldus Mieke. ‘Want zelfs professor Van Houtte en professor Van Bladel stonden met hun botten mee in het slijk en gaven ons de kans om dat te doen.’ Guy was een van de weinigen met een auto en hij kon dus voor vervoer zorgen. Dagenlang hebben de studenten op hun hurken patatten gerooid op velden die onder water stonden. Guy heeft toen een aantal spieren in zijn lichaam ontdekt waarvan hij niet wist dat ze bestonden, maar ook een toekomstig politica. ‘Mieke Vogels toonde toen toch al haar gave voor organisatie en hoe ze mensen mee kon krijgen voor een of ander doel.’ Bernard was slimmer. Hij was tijdens de vakantie tabak gaan plukken in Canada en had daar met de tractor leren rijden. ‘Tegen een boer in Zandvliet zei ik: “Zeg, als je iemand nodig hebt om met de tractor te rijden, ik ben uw man.” “Dat is goed,” zei die boer, “doe maar.” Die boer bleef bij zijn patatten en ik reed met zijn tractor het veld door. Ik vond dat zalig.’

De studentenleider

Johan had minder oog voor de aardappeloogst dan voor het studentenleven. Aan de Ufsia waren er talloze studentenverenigingen ver-

20


spreid over de faculteiten. Die kregen steun van de universiteit, maar dat moest dan wel gecontroleerd gebeuren door de overkoepelende studentenorganisatie Unifac, waar Johan voorzitter van werd. ‘Unifac was toen compleet in handen van twee extreemlinkse groepen, de maoïsten van Amada en de trotskisten van de RAL. Unifac kreeg veel geld van de universiteit en zij gebruikten dat voor partijpolitieke, revolutionaire praktijken. Vanuit de Universitaire Parochie vonden we dat zoiets niet kon en dat we moesten reageren. Bij de verkiezingen stelde ik me kandidaat. Ik won en ik werd voorzitter van Unifac. Dat betekende dan wel dat ik alleen nog naar de lessen ging die ik interessant vond. De andere broste ik.’ Het studentenleven bleef niet beperkt tot braspartijen, dopen en cantussen. Er moest ook actie worden gevoerd. De geplande verhoging van het inschrijvingsgeld aan de universiteiten door de rooms-blauwe regering-Tindemans was een uitgelezen doelwit. Betogingen, stakingen, de hele universiteit lag plat. Het werd allemaal georganiseerd door studentenleider Johan. ‘Veel later heeft Herman De Croo mij daarmee geconfronteerd. Hij was toen als minister van Onderwijs het mikpunt van de acties. Ik had een lied gecomponeerd: Met De Croo naar de zoo. Hij kon dat maar matig appreciëren. Heeft dat veel opgeleverd? Uiteraard niet. Het was een vrij pijnlijk moment van ontnuchtering. Als groep geboren uit de Universitaire Parochie werden we binnen Unifac misbruikt door de radicaal linkse groep. Die had een zware concurrent ter rechterzijde, het KVHV, het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond. Het was een strijd op leven en dood tussen die twee groepen. Wij, als neutrale groep, zaten in het midden van het bed. Als het erop aankwam, hadden we niets te vertellen.’ Er werd niet alleen actiegevoerd tegen het inschrijvingsgeld. Ook de beslissing van toenmalig minister van Defensie Paul Vanden Boeynants om 30 miljard frank (750 miljoen euro) te besteden aan nieuwe legervliegtuigen, werd zwaar op de korrel genomen. Er waren manifestaties aan alle universiteiten. Ze werden gecoördineerd door de VVS, de Vlaamse Vereniging van Studenten. Johan was daar intussen ook voorzitter van geworden.

21


www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen.

Omslagontwerp: Studio Lannoo (Nele Reyniers) Omslagfoto: Johan Van Kerkhoven Vormgeving: Keppie & Keppie © Marc Van de Looverbosch en Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2021 D/2021/45/535 — ISBN 978 94 014 7611 9 — NUR 686/740 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401476119 by Uitgeverij Lannoo - Issuu