Een alledaags wonder 50 verhalen over verbinding en betrokkenheid
D/2022/45/44 – ISBN 978 94 014 7595 2 – NUR 740, 741 Vormgeving omslag en binnenwerk: Gert Degrande | De Witlofcompagnie Illustraties: Annemie Berebrouckx © De auteurs & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2022. Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Uitgeverij LannooCampus Vaartkom 41 bus 01.02 Postbus 23202 3000 Leuven 1100 DS Amsterdam België Nederland www.lannoocampus.be www.lannoocampus.nl
Inhoud Voorwoord – Steven Eggermont en Peter Vermeersch
9
1993 / JOKE VAN LEEUWEN
11
Mijn dorp / MIRA FETICU
15
Het wonder van de keukentafel
/ PETER VERMEERSCH
/ KRISTIEN BONNEURE In veertigers we trust. Brief aan mezelf / ELKE NEUVILLE De lichtschakelaar van de kosmos / OLAV GRONDELAERS Applaus voor jezelf / LODE VERMEERSCH Vluchtig verbonden / GISELINDE KUIPERS Econtro / SVEN PEETERS De jongen voor wie weer geen plek is / TOMAS VANHESTE Groepsportret / YVES DEJAEGHERE De toog van de K’narie / MIKE NAERT De heldere kant van de maan / MARC FAUCONNIER Waar is het dansen naartoe? / ANNE TERESA DE KEERSMAEKER Nooit zag ik haar brozer / CÉLINE BROECKAERT Pure sport / HANS BRUYNINCKX We zijn elkaars grootsheid en verbond / RACHIDA LAMRABET Hoop doet vrezen / NIC BALTHAZAR 22 maart 2016 / AMÉLIE GODEFROIDT Oorlogstrauma / GEERTRUI SERNEELS Fietsen / INEZ GERMEYS De gevangeniscel en het ziekenhuisbed / KRIS VANSPAUWEN Nabestaanden / KRISTEL BUNTINX Innige deelneming / KATIA VANHEMELRYCK Een nieuwe spiegel / SACHLI GHOLAMALIZAD Ik stap er niet uit, ik stap erin
INHOUD
5
18 21 24 27 31 34 38 41 45 49 53 57 61 66 69 74 78 81 84 88 93 97 100
/ SOPHIE VAN REETH Voorbij goed en kwaad / JAN VERPLAETSE Met een ex-topgangster aan je zijde / MARJAN GRYSON EN VEERLE DE WAELE 1996 / HEIDI DE PAUW De onbekende oorlogsvrouw / KATLIJN MALFLIET Erratum / JOACHIM POHLMANN Roots / BART SOMERS De straatmus en de Europese droom / MOHAMED RIDOUANI Kind van Leuven / NADIA NSAYI Sem Terra / LUC SELS Het recht om je nek uit te steken / ELS HERTOGEN In- en uitwaartse expansies / ANAËLLE GONZALEZ Het leven in een boek / SILVIE MOORS Zondags / GOMMAAR MAES Winterjassen / STEVEN EGGERMONT Noord-Kivu / ANTON STELLAMANS Een zwarte indringer / NOZIZWE DUBE Sintels / NYANCHAMA OKEMWA Labda kesho / KRIS BERWOUTS Reiger / JENS MEIJEN ‘Werken en feesten vormt schoone geesten’ / SARAH DE MUL Engagement / ANNELIES VERBEKE Wie spreekt? / JOSIEN PIETERSE Van wolken en plofkippen / EVA ROVERS Lieve D / SASKIA DE COSTER
104
Auteurs
193
Wrange verbondenheid
EEN ALLEDAAGS WONDER
6
107 111 114 118 121 125 129 133 136 140 143 147 151 155 158 162 166 170 174 176 180 183 187 190
Voorwoord
Niemand is echt alleen. Niemand redt het alleen. Op het eerste gezicht lijkt dat niet eens zo’n opzienbarende gedachte. De buitenwereld leeft in ieder van ons, elk woord dat we kennen hebben we van iemand anders geërfd, elke emotie is gekregen. Op ontelbare manieren zijn we verbonden, met elkaar, de natuur en de wereld. Jij — de persoon die jij bent, met je intiemste gevoelens en best bewaarde geheimen — bent er alleen dankzij jouw voortdurende wisselwerking met iedereen en alles om je heen. Tegelijk weten we nooit precies hoe het is om een ander te zijn. En dat er een diepe lotsverbondenheid tussen mensen bestaat, betekent nog niet dat waar mensen samen zijn vanzelf zoiets als een ‘samenleving’ ontstaat. Er is wat nodig om dat te verwezenlijken. Niet in het minst het besef dat we ‘de diepzinnigheid van onze onderlinge verbondenheid’, zoals Antjie Krog het ooit noemde, nodig hebben. En dat je dat kunt versterken door de brug te slaan naar een ander en je met een ander betrokken te voelen. In het geraas van elke dag komt dat besef wel eens in de verdrukking. Het voelt, zeker vandaag, nogal vaak alsof we het op ons eentje moeten zien te redden. Hoe vaak beschouwen we onszelf niet als de scheppers van ons eigen geluk en de enige betrokkenen bij onze mislukkingen. Maar niet altijd natuurlijk. En over dat ‘niet altijd’ gaat dit boek. Soms kijken we op uit ons individuele bestaan en merken we dat rondom ons iets wonderlijks gebeurt. Er zijn verbindingen en verbintenissen, het ‘ik’ bestaat alleen in samenhang met de ander. Dit boek gaat over dat besef van samenhang. Over hoe we deel uitmaken van de samenleving – van meerdere samenlevingen zelfs – en hoe we daarover verwonderd kunnen zijn. We hebben vijftig mensen gevraagd: wat was jouw moment van verwondering? Welke ervaring van maatschappelijke verbinding staat jou voor de geest? Vertel eens over het moment dat je plots opkeek uit je individuele bestaan en je verbonden voelde met de anderen en de wereld. VOORWOORD
9
De bijdragen komen uit alle hoeken van de samenleving: denkers, wetenschappers, dichters, hulpverleners, actievoerders, kunstenaars, dromers, noem maar op. Ze schrijven over een scala aan thema’s: van democratie tot dans, van klimaat tot muziek, van ondernemerschap tot psychotherapie. En het is verrassend om te zien wat allemaal in deze verhalen opduikt: applaus, ziekte, stilte, het dorp, de kosmos. Het gaat lang niet altijd over het grote gebaar. Activisme is maar één vorm van betrokkenheid. Aarzelen kan ook een ontmoeting zijn. Dit is, kortom, een boek vol wonderen. Het belicht de alledaagse en niet zo alledaagse connecties die mensen met elkaar maken, en de maatschappelijke betrokkenheid die daaruit kan ontstaan. Dit zijn persoonlijke getuigenissen, ongefilterd, verteld in allerlei stijlen. Samen vormen ze een prachtige verklaring, een waaier van verhalen, een bron van inspiratie. En o ja, we zijn bij vijftig gestopt omdat dat getal wel iets feestelijks heeft. De Faculteit Sociale Wetenschappen van de KU Leuven, waar het idee voor dit boek ontstond, viert dit jaar bovendien haar vijftigjarig bestaan. Zonder verbinding en betrokkenheid kan er ook geen onderzoek naar verbinding en betrokkenheid bestaan. Daarom dus: voor elk jaar een verhaal. Het hadden er gerust meer kunnen zijn. Net zoals die halve eeuw faculteit ook maar een glimp is van iets veel groters.
Steven Eggermont en Peter Vermeersch
EEN ALLEDAAGS WONDER
10
Joke van Leeuwen Auteur
1993 Ik haalde hen op van de trein. Het enige wat ze nog bezaten was een uitpuilende koffer, een volle plastic zak en elkaar. Man, vrouw, dochtertje van bijna vier. Ze kwamen uit een kazerne, die was ingericht als vluchtelingenopvang. Dochtertje at niet meer goed. Ik maakte een maaltijd klaar, een recept van mijn moeder. Ze durfden pas later te zeggen hoe vreemd ze de smaak vonden. Wie deed er nu appels in warm eten? Ze konden de bovenste verdieping gebruiken. Mijn atelier was een woon-slaapkamer met keukenblokje geworden, het kamertje ernaast een extra slaapkamer. Op zolder maakte hij een plek vrij om te kunnen tekenen, want schrijven lukte nog niet. Na één zin kreeg hij het al te kwaad. Wat hij had meegemaakt was voorbij de woorden geraakt, hij moest die voorzichtig terugvinden. Met pastelkrijt dat poeder op zijn handen achterliet, tekende hij mensen met open ogen en open monden. Hij vertelde niet veel. Één keer iets over een jongen die een duif wilde vangen omdat er vlees aan zat, en net daar en toen en die jongen kapot. In de kast met bestek vonden ze een vork die er precies hetzelfde uitzag als de vorken die ze hadden achtergelaten. Dat ding riep meer op dan vorken doorgaans doen. In het Engels beschreven ze hun huis in Sarajevo, waar welke stoel stond, wat voor behang er op de muur zat, welke planten ze hadden. Ze vertelden over de cultuur van hun stad. Niemand in hun vriendenkring was bezig met wie moslim, christen, jood of niets was. Ze keerden woorden om en herkenden elkaar daarin. Nu zaten hun beste vrienden in Canada. En nu hadden ze geen boeken meer in hun eigen taal. Zij was bang alles te vergeten wat ze wist. Hij had moeite met het klankverschil tussen heel, geel en geil.
JOKE VAN LEEUWEN
11
Ze slopen al niet meer zo geruisloos mogelijk door het huis, zoals in het begin. Dat ze mochten blijven tot ze zelf een woning toegewezen kregen, stelde hen gerust. Ze lieten me een foto zien: een rij vrienden op ski’s in de besneeuwde bergen. Die was dood, die woonde in de VS, die – ze wisten niet waar die was. Hun ouders zaten nog in Bosnië. Zij was bezig de hare naar Limburg te halen. Soms kwam er een brief van de zijne, met verhalen die de oorlog naar binnen brachten. Ze schreven over wat er op een officiële feestdag allemaal níét op tafel had gestaan, gedetailleerd werd die traditionele overdaad onder woorden gebracht. Hun dochter woonde in Duitsland, hun zoon zat in Limburg. Zij zaten in Sarajevo en probeerden zich staande te houden. Het dochtertje bloeide op. Er was ruimte, er was rust, er was een konijn in de tuin, er was een andere taal die ze meteen oppikte, met het accent van haar nieuwe omgeving. Mijn zoon, tien jaar, was blij dat hij de zolderverdieping nu ’s nachts niet meer eng vond, en dat het er overdag gezellig was geworden. We dronken boven een glas en hadden plezier, we aten de pita die zij had gemaakt. Waarom zat er geen wortel aan onze peterselie, vroeg ze. Aten we nooit peterseliewortel? En dan in haar beste Nederlands: ‘Wilt jij nog wat?’ Ik hoorde een keer iets wat op ruzie leek. Ik stond op de gang van de eerste verdieping te strijken en verstond niets. Langzaam vouwde ik de kleren scheef op. Ik was te dichtbij en te ver weg. Boven stond altijd de radio of televisie aan om hun gedachten te overstemmen. Zij had last van maagpijn, en was bang om naar bed te gaan, omdat haar hoofd dan overrompeld zou worden. ‘Laat me vergeten. Wie ben ik? Waar ben ik? Waar ga ik naartoe?’ Onze garage stond vol meubels, die eruitzagen alsof ze anders op het stort zouden hebben gelegen. Goedwillende mensen waren die komen brengen. ‘We moeten almaar dankbaar zij’, zei zij. En iedereen wilde almaar over de oorlog praten en sprak hen aan met een grafstem, alsof ze zielige vluchtelingen waren, maar zij wilde weer kunnen lachen en dansen.
EEN ALLEDAAGS WONDER
12
‘We moeten almaar dankbaar zijn’, zei zij. En iedereen wilde almaar over de oorlog praten en sprak hen aan met een grafstem, alsof ze zielige vluchtelingen waren, maar zij wilde weer kunnen lachen en dansen.
Haar ouders kwamen. Na een tijdje in een vakantiehuisje, waar vanwege de komst van vluchtelingen geen keuken meer in zat, konden ze dichterbij komen wonen. Ze kregen het niet meer voor elkaar om Nederlands te leren. Ik reed hen rond om het heuvelland te tonen. Ze kenden maar één woord om iets positiefs te zeggen: ‘Lekker’. Ze vonden het landschap lekker. Hij kreeg een gitaar van een buurman. Een goedkope, maar hij kon weer spelen. Hij zette het eerste Nederlandstalige gedicht dat hij las op muziek, ‘De Wolken’, van Martinus Nijhoff. Hij zong het met hart en ziel en hypercorrect: ‘Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet / De verre volken waarom moeder schreide.’
EEN ALLEDAAGS WONDER
14
Mira Feticu Auteur en Oost-Europadeskundige
Mijn dorp Vanaf mijn dertiende ben ik opgegroeid in een internaat. In Roemenië. Een internaat voor boerendochters die juffrouw moesten worden, wat de meeste van mijn klasgenoten ook is gelukt. Mij niet. Hun duidelijke afspraak met het lot om na zes internaatjaren terug te keren naar hun dorp en daar, of in de buurt, onderwijzeres te worden op een basisschool, liep bij mij uit op een Griekse tragedie. In het internaat stond ik bekend als degene die een jaar lang had gehuild. Omdat ik terug wilde naar mijn dorp. Ik heb veel meer gedaan dan huilen. Regelmatig probeerde ik te vluchten. Soms op de ene manier, soms op de andere. Meermalen beklom ik de enorme muur achter het internaat en haalde dan steevast mijn knieën open. Maar zelfs als het lukte om gewoon door de bewaakte poort te vluchten en ik mijn dorp bereikte, vijftig kilometer verderop, stuurde mijn vader me altijd terug, vaak nog diezelfde nacht. Na een jaar was ik gestopt met huilen. Na drie jaar ging ik ook niet meer naar huis, zelfs niet als mijn klasgenoten wel naar hun eigen dorpen gingen op de dagen dat we daar toestemming voor hadden. Ik bleef over in de stad, experimenteerde met alcohol, totale eenzaamheid en de communistische honger. Ik voelde me verloren. Regelmatig was ik ziek. De mensen verdeelde ik onder in groepen, zij die zichzelf in de liefde volledig konden geven en zij die het nog aan hun ouders moesten vertellen als ze een afspraakje hadden. En na het internaat, toen mijn klasgenotes naar huis terugkeerden om voor de klas te gaan staan, verhuisde ik naar de hoofdstad om letteren te studeren. Als ik de huizen tel waarin ik sinds mijn internaattijd heb gewoond, kom ik tot zevenenveertig. Zonder moeite noem ik elke kamer een thuis. Met mijn ouders heb ik geen band meer, als je mijn schuldgevoel niet meetelt. Maar met het dorp waar ik ben opgegroeid, mijn eerste kinderjaren heb doorgebracht, voel ik een sterke verbondenheid. De mensen daar waren mijn eerste beeld van de mensheid. Nog steeds zijn zij mijn ijkinstrument in deze buik van Jonas die we ‘wereld’ noemen. Ik weet niet MIRA FETICU
15
of zij anders waren dan de mensen uit het stadje zeven kilometer verderop of anders dan alle mensen van de wereld. Ze hadden in ieder geval minder tanden, hun handen waren groter en hun voeten waren bloot gelukkiger dan geschoeid. Maar ze lachten net als alle mensen van de stad en ze huilden ook net als zij. Maar verder dan het stadje kwamen zij nooit en na een dag of een halve dag daar, dromden ze samen bij de halte, waar eenmaal in het uur een dakari-bus stopte om hen terug te brengen naar ons dorp.
Ik ben ook dood voor hen, de dood der vergetelheid is mij overkomen. Maar ik ben een van hen en zal dat altijd blijven.
Als ik naar het dorp kwam, reisde ik meestal samen met hen, in de dakari. De geur van zweet en de smaak van het getranspireerde brood in hun tassen zitten in mijn DNA. Vaak liep ik de zeven kilometer van het station naar het dorp in de vallei ook. Mijn haastige ademhaling veranderde elke keer als ik het stadje uitliep en de vallei in daalde. Daar kon ik iedereen groeten en vooral met de ouderen maakte ik soms een praatje. ’s Zomers plukte ik leeuwenbekjes in de greppel langs de weg naar het huis van mijn ouders, in de winter worstelde ik met de bergen sneeuw. Eenmaal aangekomen beklom ik de heuvel achter ons huis, waar ik, net als Hesiodus ongeveer 2700 jaar voor mij, alle goden begroette. Dat maakte dat ik me thuis voelde. Wanneer ik weer terugging naar de stad, was er niet een keer dat ik níét huilde. Ook niet in de jaren na mijn studententijd. Niet omdat ik niet weg wilde, want dat ik nooit meer naar het dorp zou komen om er te blijven, wist ik al sinds mijn derde jaar in het internaat. Maar die hechte band was er wel. Ook nu nog groet ik, als ik wegga, alle heuvels en bijna elk huis. Ik groet de verlaten basisschool, waar docenten mijn moeder ooit vertelden dat ik voor hun dorp heel slim was. Ik zeg gedag tegen de enige brug over de
EEN ALLEDAAGS WONDER
16
bijna uitgedroogde rivierbedding, in mijn kinderjaren nog een woelige rivier die de brug een paar keer had doen instorten. En als ik na mijn verhuizing naar Nederland de slaap soms niet vatten kon, vooral in de eerste jaren, beeldde ik me in dat ik zweefde boven het dorp. Als een geluidloze helikopter hing ik boven de bushalte en keek ik naar de enige geasfalteerde weg in het dorp, de weg die leidde naar het huis van mijn ouders. Ik keek naar de buren. Leefde die arme Lica, die haar zoon in haar eentje opvoedde, nog? Was het haar uiteindelijk gelukt om ruiten te kopen voor de venstergaten in haar huis? Lica was ouder dan mijn moeder, maar na mijn vertrek uit het dorp was ze begonnen met mij met u aan te spreken. Ik was in die tijd de tweede uit het dorp die was vertrokken. Wanneer ik jaren later terugging, hoorde ik mensen in hun tuinen roepen: ‘Dat is Mihaela, de dochter van Milica, a venit aca.’ Ze is teruggekomen. Ik groette dan terug: ‘Dag tante, dag allemaal.’ Een grote, dikke zon hing aan de hemel en ik voelde mijn hart warm worden. Als ik nu met mijn moeder bel, is mijn derde vraag doorgaans: ‘Wie is er in de tussentijd nog overleden?’ Jarenlang antwoordde mijn moeder dan: ‘Waarom zou dat je nog interesseren? Je bent al zo lang weg.’ Inmiddels heeft ze door dat het me wel interesseert. ‘Die van Jaga.’ ‘O’, zeg ik dan en in mijn hoofd defileren alle herinneringen die ik aan Jaga en zijn familie heb. Zaten hun kinderen bij mij op school? Voor mijn neven en nichten, die allemaal in hetzelfde dorp wonen, was ik jarenlang als dood. Ook voor de rest van mijn dorp. Ik was immers degene die was weggegaan. Maar zij waren juist springlevend voor mij. En in mijn slapeloze nachten, ook nu, veertig jaar later, vraag ik me nog af hoe het met hun kinderen zou gaan. En of op de velden nog dezelfde bloemen groeien. Hoe het met de ruggen van de heuvels gaat. Zou de grond nog steeds verschuiven? Ik zie ze allemaal staan bij de halte. Ze lachen hun weinige tanden bloot, ik zie ook de vrouwen bij de poorten van hun huizen, ik zie hoe ze een hand voor hun mond houden wanneer ze horen over een onverwachte dood. Ik ben ook dood voor hen, de dood der vergetelheid is mij overkomen. Maar ik ben een van hen en zal dat altijd blijven. Ik schrijf vaak over hen, zij zitten in alles wat ik schrijf. Ook in wat niet over hen gaat.
MIRA FETICU
17
Peter Vermeersch Hoogleraar internationale politiek
Het wonder van de keukentafel De vrouw zei dat ze moest terugdenken aan de jaren zeventig. We zaten aan het kleine raam van haar appartement op de derde verdieping, boven een drukke boulevard in een buitenwijk van Gdańsk. Ze keek naar buiten, waar het 1994 was. Niet dat ik haar kende, toch niet echt, maar ze had mij de sleutel van de voordeur gegeven en ik sliep al enkele dagen in de tienerkamer van haar zoon, die daar allang niet meer woonde, maar zijn bed stond er nog en zijn posters hingen nog aan de muur. Een soort van analoge Airbnb: je boekte niets vooraf, je had geen telefoon, je nam gewoon de trein en op het perron waar je uitstapte stonden altijd mensen te wachten die rugzakreizigers een logeerplek wilden aanbieden. Zo was ik toevallig bij haar terechtgekomen. Ze had mij opgewacht. En nu, hier, bij de kopjes thee op de formica keukentafel — zij een alleenstaande vrouw van rond de zestig en ik een jonge vreemdeling die binnenkort weer verder zou reizen — hadden wij het over haar leven. Over de tijd van Solidarność en de onrust op de scheepswerf, de onrust in haar huwelijk, de vrienden die ze was kwijtgeraakt. Over hoe ze jong was geweest en alles nu anders was. Sindsdien verzamel ik gesprekken aan de keukentafel. Ook bij mij thuis. Een vriend die op de fiets even langskomt, op een gewone ochtend, onaangekondigd. Misschien de reparateur die de verwarmingsketel naziet. Er is niets voorbereid, maar er is nog wat koffie in de thermos en er zitten nog koekjes in het pak dat gisteren is opengemaakt. Of toevallig is het brood net gebakken en staat het af te koelen op een roostertje. Wil je een boterham? De boter smelt. En ’s avonds zit je er opeens tegenover iemand die je al lange tijd niet meer zag en je schenkt water uit in een wijnglas of whisky in een waterglas om het onverwachte weerzien te vieren of om te zwijgen bij plots verdriet. Sommige dingen kun je alleen zittend aan de keukentafel kwijt.
EEN ALLEDAAGS WONDER
18
Het fotografieproject Kitchen Stories from the Balkans van Eugenia Maximova, een BulgaarsOostenrijkse kunstenares, is een reeks stillevens van keukentjes in Zuid-Oost-Europa. Ze fotografeerde aanrechten als archeologische vondsten, met roestige gasfornuizen, pastelroze vaatdoeken en bokalen met opgelegde paddenstoelen. In ex-Joegoslavië ben ik vaak op dit soort plekken geweest, in huizen getekend door heftige verledens. In het kopje waarvan ik dronk zat soms een barst. Met wat geluk kwamen tijdens de gesprekken ook de betere dagen weer in beeld, die met zondags wit servies en kersen die glinsterden in veel te nostalgisch licht (altijd weer die kinderjaren natuurlijk: een kind leeft nu eenmaal dichter bij het tafelblad dan een volwassene). De kracht van de keukentafel is dat het gewone leven er in zijn meest onbewaakte vorm mag voorbijglijden. Alles verdwijnt achteraf toch weer in de nevel van de tijd. Zoals het hele dagelijkse leven altijd onvatbaar en vloeibaar is en zal verdwijnen. De Franse historicus en cultuursocioloog Michel de Certeau bedacht in L’invention du quotidien een theorie over alledaagse ruimtes en handelingen, waarin hij een soort van weerbarstigheid ontwaarde, of zelfs onbewust verzet tegen de regels die van buitenaf worden opgelegd. In het alledaagse vinden mensen hun eigenzinnigheid keer op keer opnieuw uit. Uit Oost-Europa ten tijde van de Koude Oorlog ken ik de keuken als een onverwacht schuiloord voor vluchtige intimiteit en politieke actie. Wanneer de publieke ruimte zijn functie niet meer kan vervullen, komen dissidenten in hun eigen geheime kamers bijeen. In Warschau organiseerden professoren op een gegeven moment de filosofiecolleges gewoon thuis, omdat het dan ook eens over Foucault of Camus mocht gaan en niet altijd over Marx en de verworvenheden van de communistische eenpartijstaat. Je moet niet PETER VERMEERSCH
19
Alles kan, niets hoeft. De keukentafel als kladpapier waarop we het leven mogen schetsen. Ook wel: een kleine vorm van vrijheid.
lang zoeken om een foto van een jonge, langharige Václav Havel in de huiselijke kring te vinden waar hij, omringd door vrienden en geliefden, het vuur van de ondergrondse strijd oppookt of in een walm van sigarettenrook een manifest zit neer te pennen. Maar het hoeft niet altijd zo indrukwekkend of ver te zijn. Stel je een zomerdag voor. De ramen staan open en vanop de straat hoor je dat binnen mensen het middagmaal eten. Er wordt gepraat, je hoort het geluid van borden die op de tafel worden gezet, de radio staat aan, het water kookt, het kind zingt. Iemand beweert iets. Iemand anders lacht. Alles kan, niets hoeft. De keukentafel als kladpapier waarop we het leven mogen schetsen. Ook wel: een kleine vorm van vrijheid. Ik heb mijn eigen keukentafel eens goed bekeken. Een bescheiden houten meubel met een lade, vermoedelijk uit de jaren vijftig. Het is de plek waar de courgette wordt gesneden, het deeg gekneed en de krant gelezen. De kruimels en het broodmes blijven er soms nog liggen tot lang na het ontbijt. Ik kocht hem in een WestVlaamse brocante toen ik in 1997 in Brussel ging wonen. Mijn moeder heeft hem destijds nog opgeknapt. Maar de volle geschiedenis van dit voorwerp valt niet te traceren. Er zijn alleen sporen: de minuscule oneffenheden op het gladde oppervlak (te hete pannen) en de slijtage aan de randen (hij mag wel eens vernist worden). En in mijn hoofd: de herinneringen aan enkele mensen die ooit met mij aan deze tafel hebben gezeten maar er nu niet meer zijn.
EEN ALLEDAAGS WONDER
20
Kristien Bonneure Journalist
Ik stap er niet uit, ik stap erin Veel mensen hebben hun aansluiting gemist tijdens corona. Er was gejammer en geweeklaag van zij die hun drukke terrasjes misten. Wie echt eenzaam was, haalde de krant niet. De kwestie is: heb je fysiek mensen rondom je nodig om je verbonden te voelen? Gij Zult Samenwerken is nochtans de rigueur. Niet in je uppie in een hoekje zitten in de kleuterklas. Groepswerk op school, brainstormen en teambuilden op kantoor, netwerken in het weekend. Overleggen en pingpongen, ja, dat is een ding tussen collega’s tegenwoordig. Er zijn weinig plekken waar ik me eenzamer voel dan op een drukke receptie, of in een lawaaierig landschapskantoor. Er zijn weinig plekken waar ik me meer verbonden voel dan in stilte. Dat gevoel strekt zich uit van de directe omgeving, de madelieven en de ochtendkoffie, tot het volledige mensdom in de eeuwen der eeuwen. Toen ik voor de eerste keer een week in stilte doorbracht met een kleine groep mensen, zonder te spreken, zonder radio en tv, zonder internet, zonder telefoon, was ik benieuwd naar het effect. Zou ik de muren oplopen? Of misschien nog angstaanjagender: zou ik er nooit meer weg willen? Na zeven dagen was ik in een opperbest humeur, verrijkt en herijkt. Op mijn gemak in mijn kort moment in de tijd, mijn kleine plek in de ruimte. In het tegelijk duizelingwekkende en geruststellende besef dat er oneindige tijd en ruimte voor, achter, boven en onder zijn en dat ik die deel met veel andere wezens. ‘Nu met extra ego-oplossende kracht’ zou een goede slogan zijn voor zo’n stilteweek. Of: ‘stimuleert de verbondenheid’. Retraiter, to retreat, terugtreden zijn woorden die nochtans het tegenovergestelde suggereren. Maar het is geen vlucht. Ik stap er niet uit, ik stap er net in, zei een vriendin eens. De oude wensen en mantra’s zijn niet voor niets al eeuwen betekenisvol. ‘Lokah samastah sukhino bhavantu’, mogen alle wezens gelukkig en vrij zijn. Het gaat niet over mij of over jou, maar over ons.
KRISTIEN BONNEURE
21
Er zijn weinig plekken waar ik me meer verbonden voel dan in stilte. Dat gevoel strekt zich uit van de directe omgeving, de madelieven en de ochtendkoffie, tot het volledige mensdom in de eeuwen der eeuwen.