Skip to main content

9789401475211

Page 1

WANNES CAPPELLE HEERSERS


D/2021/45/84 – ISBN 978 94 014 7521 1 – NUR 740 Vormgeving cover: Studio Lannoo Vormgeving binnenwerk: Studio Lannoo Zetwerk binnenwerk: Studio Lannoo © Uitgeverij Lannoo nv Tielt, 2021. Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Academia Press Coupure Rechts 88 9000 Gent – België www.academiapress.com


KARAKTERS  Filosofie en literatuur in zakformaat

WANNES CAPPELLE HEERSERS Een getuigenverslag over taal en dominantie


INLEIDING

Een tijd geleden kwamen mijn kinderen mij enthousiast een TiKToK-filmpje tonen. ‘Papa, papa, dit móét je zien!!’ Het was een kort tekenfilmpje. Ik vind het niet meer terug en weet dus ook niet meer wie de maker was, maar ik schrijf het op zoals ik het me herinner. Een jongeman komt bij een wijze en vraagt: ‘Mag ik u een vraag stellen?’ De wijze knikt. De jongeman zegt: ‘O, edele wijze, wat moet ik doen als ik naar een voetbalmatch wil kijken zonder commentaar van de slaapverwekkende Frank Raes?’ De wijze denkt even na en zegt: ‘Dat is niet moeilijk. Zet het geluid van je tv uit en zet vervolgens Radio 1 aan. Dan kun je genieten van het bruisende commentaar van Peter Vandenbempt.’ Waarop de jongeman: ‘En wat als ik níét om de vijf botten naar Het Zesde Metaal wil luisteren?’ ‘Eén vraag per man. De volgende!’ antwoordt de wijze ontwijkend. Het was een van de momenten waarop ik besefte: Het Zesde Metaal, mijn geesteskindje, is mainstream geworden. Niet langer de underdog, maar een deel van de heersende klasse. Jarenlang had ik met afgunst gekeken naar muzikanten die het gemaakt hadden, en nu ik

5


daar zelf stond, betrapte ik mezelf op jaloezie tegenover zij die het nog moesten maken. Muzikanten zoals Jan, mijn drie jaar oudere broer, die toen ook begon op te treden als singer-songwriter. Met een groepsnaam als Het Onderspit wilde hij zichzelf waarschijnlijk indekken tegen elke verdenking het succes van zijn broer na te jagen, maar ik dacht: die positie is net zijn grootste troef. De rol van underdog heb ik lang genoeg gespeeld om te weten dat er een grote kracht in ligt. Ik heb mijn succes eraan te danken. Het was een lange weg, maar achteraf gezien zou ik geen andere genomen willen hebben. Ik had voortdurend af te rekenen met heersers, op alle vlakken: het Engels als heersende taal van de popmuziek, het Algemeen Nederlands als taal om jezelf verstaanbaar te maken buiten de provinciegrenzen, Flip Kowlier als heerser van de popmuziek in het West-Vlaams … Dat ik me daardoorheen ben blijven worstelen, heb ik te danken aan het feit dat ik die positie van underdog al sinds mijn kinderjaren bekleedde, en me niet snel meer van mijn stuk liet brengen als ik ergens achter in de rij moest beginnen. Ik leerde dat ik enkel groot kon worden door klein te durven zijn. Sta me toe je even terug in de tijd mee te nemen, voor een korte reis langs het pad van een underdog.

6


JEZUS, GOD DE VADER EN WILLEM VERMANDERE

Waar Obelix als kind in een pot met sterk makende toverdrank viel, ben ik in mijn kinderjaren blootgesteld aan een buitengewoon grote dosis muziek van Willem Vermandere. Ik was het vierde kind van vijf. Mijn ouders, broer en drie zussen luisterden graag naar de West-Vlaamse bard, maar bij mij ging het verder. Ik zat uren met mijn oor tegen de luidspreker om elk woord te kunnen verstaan. Naast mijn bed stond een draagbare Philips-cassetterecorder, die elke avond muziek van Vermandere speelde tot ik erbij in slaap viel. ‘Nog een plasje en een wasje, en in d’oogsjes wa zand / onzen beddenbak drijft naar het dromenland’. Ik kende alle liedjes rats vanbuiten. Als Willem met zijn muzikanten in de buurt kwam spelen, namen mijn ouders me mee. Eén keer mocht ik zelfs tijdens de pauze een tekening afgeven aan mijn held. Mijn god. Want dat was hij: je had Jezus, God de Vader en Willem Vermandere. Die stonden op dezelfde hoogte. Toen ik in het tweede leerjaar op school over de dood leerde, bekroop me een grote angst. Willem, die in mijn ogen met zijn vijfenveertig toch niet meer van de jong-

7


sten was, zou ooit ook ‘zijn sjieke uitspuwen’. Dan zouden we nooit meer kunnen gaan luisteren naar zijn concerten. Dat konden we toch niet laten gebeuren? Als zijn grootste fan voelde ik een grote verantwoordelijkheid op mijn schouders rusten: ik zou zorgen dat ik tegen die dag klaar was om Willems boodschap verder uit te dragen. Ik nam terstond pen en papier en begon zijn liedjes waar nodig aan te passen, zodat ze toch zouden kloppen met mijn eigen leven. Ik kon toch moeilijk over ‘mijn tante Madeleine’ zingen, die in Brussel op het derde verdiep woonde, terwijl ik geen zo’n tante had? Neen, ik zou de dichterlijke vrijheid nemen om te zingen over ‘mijn tante Maria’. ‘Je weunde in Wevelgem op het eerste verdiep’. Dat het niveau waar tante Maria woonde eigenlijk ‘gelijkvloers’ heette, wist ik toen nog niet. Mijn allereerste optreden volgde ergens in de zomer van 1987. Ik was acht. Tijdens de jaarlijkse playbackshow van de speelpleinwerking bracht ik, gewapend met een tennisracket als gitaar en een lege wc-rol met een in aluminiumfolie gewikkelde tennisbal als microfoon, compleet met rosse pruik en baard, ‘De ballade der antiquiteiten’ van Willem Vermandere. Een kameraad beeldde het lied uit, terwijl ik het minutieus stond mee te lippen. Ik was stomverbaasd toen uiteindelijk ‘The Final Countdown’ met de hoofdprijs ging lopen, terwijl de uitvoerders dui-

8


delijk geen flauw benul hadden van wat ze stonden mee te bekken. Al in de kleuterschool merkte ik dat niet iedereen mijn passie deelde. Slechts één leeftijdsgenoot bekende ook fan te zijn van Willem. Maar ik herinner me de ontgoocheling toen hij ‘Ik plantte ne keer patatten’ zijn favoriete lied noemde. Dat was dan wel bekend en licht verteerbaar, maar ik hield meer van liedjes als ‘D’historie van Steentje’ of ‘Als ik zing’, waarin Vermandere zich een onnavolgbare taalvirtuoos en meesterverteller toonde. Ik zat in het zesde leerjaar toen ik voor Sinterklaas een live-cd kreeg: Een avond in Brussel, waar ook de bindteksten van Willem op waren vastgelegd. Die sappige vertellingen kan ik nu nog altijd woordelijk meezeggen. In hetzelfde jaar deed ik mee aan een wedstrijd op de radio en won twee tickets voor een uitzending van Fred Brouwers, met Willem Vermandere als gast. Ik sleurde mijn vader mee op de trein naar Brussel. We waren veel te vroeg ter plekke, en mochten er met Willem mee aan tafel schuiven voor een bord soep. Dat was de belevenis van het jaar.

9


VERRAAD

Henri, onze buurman in Wevelgem die als een grootvader voor me was en bij wie ik dagelijks op bezoek ging, waarschuwde me aan het begin van mijn eerste schooljaar in het middelbaar: ‘Het gaat bij jou net gaan zoals bij je broer: je zult hier niet meer op bezoek komen, je gaat nu met andere dingen bezig zijn.’ Ik voelde me als Petrus die er door Jezus van werd beticht hem te verloochenen, nog voor hij het daadwerkelijk had gedaan. Ik zwoer een heilige eed dat ik niet minder vaak op bezoek zou komen. Maar Henri kreeg gelijk. Al gauw bleef er weinig tijd en aandacht over voor mijn oude buurman. En zo verging het ook Willem Vermandere. Mijn leeftijdsgenoten luisterden naar Engelstalige popmuziek. Zeggen dat je fan was van Vermandere, was sociale zelfmoord: je kon net zo goed meteen onder een steen kruipen. Mijn oudste zus had weliswaar een paar cassettes van Michael Jackson, Dolly Parton en Knuffelrock, maar die kende ik vooral van ze te moeten verleggen op zoek naar cassettes van Willem. Ik snapte niet waarom je naar muziek wilde luisteren waarvan je de tekst niet begreep. Mijn kennis van het Engels was dan ook barslecht. Toen we in het tweede middelbaar onze eerste lessen Engels kre-

10


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401475211 by Uitgeverij Lannoo - Issuu