M a r j e t H u i b e rt s
Hoepel op,
Stofballen! met illust raties van Annemie Berebrouckx
Hoofdstuk 1 Ik heb straf. Ik moet de hele middag op mijn kamer blijven. Ik heb iets ergs gedaan. Vindt mama. Nou, ik niet! Het is hun eigen schuld. Stomme Stofballen!
Hoofdstuk 2 Het begon zo: Sep wou een club. Sep is mijn neef. En mijn buurjongen. En mijn beste vriend. ‘Een schrijfclub’, zei ik. Schrijven is leuk. Later wil ik schrijfster worden. ‘Liever een tekenclub’, zei Sep. Sep kan grappige mannetjes tekenen. Ik niet. ‘Een voetbalclub?’ vroeg ik. Mijn voeten zijn handiger dan mijn handen. ‘Nee’, zei Sep. ‘Dan win jij altijd.’ Hij dacht even na. ‘Een kookclub?’ Sep maakt heerlijke tosti’s. Maar in de keuken staan vind ik saai.
8
‘Laten we eerst een naam voor de club verzinnen’, zei ik. ‘Iets met Tes en Sep erin. Tessep?’ ‘Of Septes’, vond Sep. Ik schreef onze letters op een blaadje.
‘Hé, het woord “pest” zit erin’, zei ik. Sep lachte. ‘Ja, leuk! Een pestclub!’ ‘Pesten is niet aardig’, zei ik. ‘Een beetje plagen mag toch wel?’ vroeg Sep. ‘Ik bedoel kattenkwaad uithalen.’ ‘Kattenkwaadclub is te lang’, zei ik. En dus werd het ‘de pestclub’.
10
Hoofdstuk3 We liepen op straat. ‘Wat gaan we doen?’ vroeg ik. ‘Belletje trekken’, zei Sep. ‘Daar, bij nummer 14. We verstoppen ons achter de heg.’ Sep drukte op de bel. Een keiharde tring. We stoven weg en doken achter de bladeren. Een man deed open. Ik zag alleen zijn schoenen. We hielden onze adem in. ‘Apenkoppen’, mopperde hij. Hij sloeg de deur met een klap dicht. Zo grappig! Ik belde bij het volgende huis. ‘Ik hoor jullie wel!’ riep een vrouw. Ze liep naar de heg. Maar toen waren we al weg. Gierend van de lach renden we de hoek om. ‘Nu ik weer’, zei Sep. Hij belde aan bij het hoekhuis. De heg zat vol gaten, dus we konden het goed zien. 11
Een oude vrouw opende langzaam de deur. Ze kwam naar buiten. Met een rollator. Ze keek de hele straat af. Links en rechts. Toen strompelde ze naar binnen. Ze tilde haar rollator over de drempel. En struikelde. Gelukkig kon ze zich nog net vastgrijpen aan de deurpost. Ze keek nog een keer. Een beetje triest. Alsof ze bezoek had verwacht dat niet kwam. Het was opeens niet grappig meer. We slenterden stilletjes naar huis. ‘Ik maak een mooie tekening voor haar’, zei Sep. ‘En die gooi ik door de brievenbus.’ Ik knikte. Dat was het einde van de pestclub. Dachten we. Maar toen kwamen de Stofballen in ons leven.
13
Hoofdstuk 4 Meneer Stofbal kenden we al. Hij heet eigenlijk meneer Stof. Een keurige man met een kaarsrechte scheiding in zijn haar. Hij is de directeur van onze school. En hij geeft les in de bovenbouw. Wij zitten in de middenbouw. Hij kwam een keer invallen, toen juf Anne ziek was. Streng! Er kon geen lachje af. Sep had een grappig tekeningetje gemaakt. Van een mannetje in een wolk van stof. ‘Meneer Stof’, had hij erbij gezet. Meester Stof zag het en werd woedend! Sep moest een uur voor het bord staan. En nablijven. Voor mensen zonder humor moet je oppassen.
14