Van Siska van Rosemael tot Max Havelaar Receptie van Nederlandstalige literatuur in Tsjechische vertaling tussen 1848 en 1948 Wilken Engelbrecht
Lage Landen Studies 14
TER INLEIDING Herbert van Uffelen opende de bundel Object: Nederlandse literatuur in het buitenland. Methode: onbekend van Petra Broomans en collega’s (2006) met een artikel Toeval dat na de gebeurtenis noodzakelijk bleek. Deze titel is, zoals hierna zal blijken, ook van toepassing op het voorliggende werk. De laatste jaren is er veel onderzoek gedaan naar de receptie van Nederlandstalige literatuur in het buitenland. Er verschenen diverse studies die zich bezig houden met receptie van Nederlandstalige literatuur in een bepaalde periode en meestal ook in een bepaald taalgebied. Als de oermoeder van de moderne Centraal-Europese studies op dit gebied mag wel de omvangrijke studie Moderne niederländische Literatur im deutschen Sprachraum 1830-1930 van Herbert van Uffelen (1993a) worden beschouwd. In deze studie wilde hij ‘het eigen karakter en de eigen dynamiek van de Nederlandse literatuur benadrukken’ (Van Uffelen, 1993a, 14). Naast de literaire vertalingen en belangrijke gebeurtenissen in beide literaire systemen bekeek Van Uffelen ook culturele en politieke betrekkingen tussen beide taalgebieden, de inzet van individuen en uitgeverijen voor de Nederlandstalige literatuur en de bevordering van deze literatuur door Nederlandse en Vlaamse instanties (Van Uffelen, 1993a, 15). Kortom, het is een studie die om met Pierre Bourdieu te spreken, de actoren in het veld en hun activiteiten bekijkt. Omdat de receptie van Nederlandstalige literatuur in het Duitse taalgebied, en dan met name in Duitsland, zeker tot 1938 vrij belangrijk was voor de receptie in het Tsjechische taalgebied, wordt deze studie verschillende keren geciteerd en was zij in veel opzichten ook een voorbeeld. Een andere belangrijke studie over receptie van Nederlandstalige literatuur in het Duitse taalgebied is Zulk vertalen is een werk van liefde. Bemiddelaars van Nederlandstalige literatuur in Duitsland, 1890-1914 van Jaap Grave (2001). Deze studie concentreert zich op het werk van vier vertalers uit het Nederlands naar het Duits die destijds de taken van literair agent, uitgever en vertaler combineerden en dan ook door Grave als ‘bemiddelaars’ worden aangeduid. Grave bekijkt ook de beeldvorming van Nederlandstalige literatuur in correspondentie, recensies, voorwoorden en artikelen van de bemiddelaars (Grave, 2001, 18-19). Ook zijn studie was een voorbeeld voor de analyse van de rol van bemiddelaars in het Tsjechisch. Omvattende studies voor de receptie van Nederlandstalige literatuur bestaan verder nog voor de Scandinavische talen. Diederik Grit, Driewerf zalig noorden 1
T ER
IN LEID IN G
(1994), een bundeling van eerder gepubliceerde artikelen, onderzoekt de receptie van Nederlandstalige literatuur vanuit een comparatisch perspectief, waarbij hij de drie Scandinavische talen Deens, Noors en Zweeds als één cultuurgebied behandelt (Grit, 1994, 17). Grit (1994, 25-26) constateert dat de door hem behandelde periode van de zeventiende tot en met de twintigste eeuw veel te groot is om van één bepaalde methode uit te gaan. Hij is eclectisch te werk gegaan, waarbij hij elementen uit de polysysteemtheorie van Itamar Even-Zohar, de descriptieve vertaaltheorie en andere in een systemisch historisch receptie-onderzoek heeft verwerkt (Grit, 1994, 26). Een soortgelijk uitgangspunt heeft ook de Poolse literatuurwetenschapper Jerzy Koch die evenals Grit ook als literair vertaler actief is, in zijn diepgaande studie over de receptie van Multatuli in Polen Multatuli (1820-1887) w Polsce: próba historycznoliterackiej analizy przebiegu recepcji na przełomie XIX i XX wieku [Multatuli (1820-1887) in Polen: poging tot een literairhistorische analyse van het verloop van de receptie rond de eeuwwisseling van de 19e en 20e eeuw] (2000) geschreven, waarop zijn vijf jaar eerder in Spiegel der Letteren verschenen studie Het Polen van de eeuwwisseling in de spiegel van de vertalingen van Multatuli. Uit de theorie en praktijk van het receptie-onderzoek (Koch, 1995) een goede inleiding is. In zijn studie Het wel en wee van de receptie. De ontvangst van Multatuli in Polen, verschenen in Over Multatuli (Koch, 2008, 21-22) legde hij de principes van zijn onderzoek nog eens uit. Ingrid Wikén Bonde behandelt in haar studie Was hat uns dieser Gast wohl zu erzählen? oder Die Jagd nach dem Nobelpreis. Zur Rezeption niederländischer Literatur in Schweden (1997) op basis van de veldtheorie van Pierre Bourdieu de opname van Nederlandstalige literaire werken na 1830 in het veranderlijke Zweedse literaire veld. Voor de Slavische talen zijn er afgezien van de genoemde studies van Koch en enkele artikelen van Olga Krijtová (1931-2013) vrij weinig omvattende studies. Hier moet wel worden opgemerkt dat Irina Michajlova voor het Russisch en Jelica Novaković-Lopušina voor het Servokroatisch respectievelijk het Servisch veel studies aan vertalingen en vertalers van Nederlandstalige literatuur hebben gewijd.
De aanleiding voor deze studie Toeval dat na de gebeurtenis noodzaak bleek… Mijn eigen interesse wortelt in mijn familiegeschiedenis. Mijn grootmoeder is eind jaren twintig als Tsjechoslowaakse staatsburgeres (zoals destijds velen uit dat land perfect tweetalig Duits en Tsjechisch) met een Nederlandse ambtenaar van eveneens tweetalige Tsjechische afkomst in Nederlands-Indië getrouwd. Beiden werden in 1949 ‘gerepatrieerd’ naar Nederland na vijf jaar verblijf in verschillende Japanse concentratiekampen. Hun 2
T ER
IN LEID IN G
eigen vaderland was inmiddels een communistische staat geworden die voor geen van beiden aantrekkelijk was als nieuw tehuis, zodat zij in Nederland bleven wonen. In hun boekenkast stonden Nederlandse en Tsjechische (en soms ook Duitse) titels van dezelfde auteurs, een enkele keer ook van hetzelfde boek, broederlijk naast elkaar. Vanaf 1991 werk ik in Tsjechië, waar ik onder anderen vaak heb gesproken met Olga Krijtová. Zij was voor de neerlandistiek een belangrijke persoon, niet alleen als hoofd van de vakgroep in Praag, maar ook als veelvuldig bekroond literair vertaalster. De sluimerende interesse werd daardoor omgezet in actief onderzoek dat in veel opzichten voortbouwde op gegevens die Krijtová gewillig ter beschikking stelde. De vakgroep in Olomouc mag zich bovendien gelukkig prijzen dat zij na Krijtová’s overlijden een deel van haar persoonlijke bibliotheek met vaak zeldzame vertalingen mocht erven. In vergelijking met andere Slavische talen is het aantal literaire vertalingen uit het Nederlands in het Tsjechisch relatief groot. Tussen 1846 en heden zijn er ongeveer 880 literaire vertalingen uitgegeven, een gemiddelde van vijf vertalingen per jaar, waarbij het aantal per jaar met name sinds rond 2000 groter is en rond de tien boeken per jaar ligt. Duidelijke pieken zijn de jaren 1934-1937 en 1946-1948 met ruim tien vertalingen per jaar – aantallen die pas eind twintigste eeuw weer zouden worden bereikt. Ruim 380 vertalingen zijn in de eeuw voor 1948 vertaald, waarmee er in het Tsjechisch in deze periode anderhalf maal zoveel vertalingen bekend zijn als in de andere Slavische talen en het Hongaars bij elkaar. Dat is weliswaar veel minder dan het aantal in diezelfde periode in het Duits verschenen vertalingen (goed 1600 titels), maar indien het aantal moedertaalsprekers van het Duits en het Tsjechisch in ogenschouw wordt genomen – een verhouding van ongeveer 11:1 – is de verhouding van 4,3 Duitse vertalingen uit het Nederlands tegen één Tsjechische toch niet slecht. Daarbij moeten we bedenken dat de gemiddelde geletterde Tsjech zeker tot 1945 in staat was om ook Duits te lezen, een gegeven dat door de veelvuldige aanwezigheid van Duitse vertalingen van Nederlandstalig werk in Tsjechische bibliotheken wordt gestaafd (Engelbrecht, 2016c).[1] In de afgelopen jaren is er voornamelijk van mijn hand een veertigtal verschillende deelstudies over het onderwerp verschenen die de receptie van afzonderlijke schrijvers, bepaalde vertalers of tendenties belichten. Een omvattend beeld van de receptie van Nederlandstalige literatuur in Tsjechische vertaling bestaat echter uitsluitend voor de periode na 1945 in de vorm van het dissertatie-onderzoek Recepce nizozemské literatury v českém literárním kontextu let 1945-2010 [Receptie van de Nederlandse literatuur in de Tsjechische literaire context, 1945-2010] van Lucie Smolka Fruhwirtová (2011). Zij ging uit van de polysysteemtheorie van Itamar Even-Zohar. Helaas is haar studie in het Tsjechisch geschreven en daarom voor de meeste neerlandici niet toegankelijk. Een omvattend overzicht voor de voorafgaan3
T ER
IN LEID IN G
de periode vanaf 1846 ontbreekt, waarin deze studie wil voorzien. Hierbij is als onderzoeksperiode (1846) 1848 tot 1948 (1949) genomen. Dat heeft verschillende redenen.
Politieke invloeden Zoals Irina Michajlova in haar studie Uit de geschiedenis van de Russische vertalingen van de Nederlandse literatuur (2009) en nog duidelijker in Dutch and Flemish literature in the USSR (1945-1990) (2018) heeft getoond, hebben politieke ontwikkelingen de Russische receptie van Nederlandstalige literatuur sterk beïnvloed. Dat is voor het Tsjechisch niet anders.[2] Anders dan het Russisch dat sinds de zeventiende eeuw een literaire productie kent en het Pools dat zelfs al vanaf de renaissance als literaire taal present is – er zijn liefst vier Poolse winnaars van de Nobelprijs voor literatuur – is er voor het Tsjechisch een ‘gat’ van twee eeuwen tussen de eerste literaire periode van begin veertiende tot begin zeventiende eeuw en de tweede periode vanaf begin negentiende eeuw. Dit is het gevolg van de nederlaag van de legers van de Tsjechische Standen tegen de Habsburgers in de Slag op de Witte Berg bij Praag van 8 november 1620. De navolgende onderdrukking van het protestantisme op basis van de Verneuerte Landesordnung des Erbkönigreichs Bohaimb [Nieuwe Landsordening van het Erfkoninkrijk Bohemen] van 10 mei 1627 (Bohemen) en 10 mei 1628 (Moravië) bracht een enorme stroom emigranten op gang. De schattingen lopen uiteen van 150.000 tot 200.000 personen en zijn daarmee vergelijkbaar met de aantallen vluchtelingen vanuit de Zuidelijke Nederlanden naar de Republiek na de val van Antwerpen in 1585. Hiermee raakte Tsjechië een zeer groot deel van zijn intellectuele elite en middenklasse kwijt. Formeel bleef het Tsjechisch samen met het Duits landstaal, maar de praktijk was anders. Veelzeggend is dat de ‘Nieuwe Landsordening’ officieel wel in het Tsjechisch had moeten worden vertaald, maar dat deze vertaling nooit voltooid is. Omdat er geen grote groepen Tsjechische emigranten waren die aan hun moedertaal vasthielden, zoals dit later in de negentiende eeuw voor het Pools wel het geval was, werd de taal gedegradeerd tot een tweederangstaal en werd er eeuwenlang slechts weinig bellettrie in het Tsjechisch geschreven (Machala, 2015, 75-92). De noodzaak die keizerin Maria Theresia na de vele nederlagen van het Habsburgse rijk tegen het beter georganiseerde Pruisen zag om de volkeren van haar monarchie een betere scholing en meer vrijheid te geven, leidde in 1774 tot een schoolplicht in alle Habsburgse gebieden voor alle kinderen tussen 6 en 12 jaar. Op de basisschool werd daarbij voorrang gegeven aan de moedertaal van de leerlingen. Om deze reden waren er schoolboeken in allerlei landstalen nodig, wat onder 4
T ER
IN LEID IN G
andere leidde tot een ‘Nationale Wedergeboorte’ van de Tsjechische taal en literatuur. Deze wedergeboorte was min of meer afgerond in het revolutiejaar 1848. Dat jaar werd gekenmerkt door een hele reeks revoluties die in februari begonnen in Frankrijk en in maart oversloegen naar Duitsland en het Habsburgse rijk. In Duitsland was de omvorming van de Duitse Bond tot een Duitse eenheidsstaat een van de belangrijkste thema’s van de liberalen. Er waren twee scenario’s: de ‘Grootduitse’ oplossing (hereniging van alle Duitstalige gebieden, inclusief die in de Habsburgse landen) en de ‘Kleinduitse’ oplossing (hereniging van het Duitse Rijk zonder de Habsburgse landen). De Duitstalige Tsjechen waren in meerderheid voor een Grootduitse regeling, terwijl Tsjechischtalige politici juist voor het Habsburgse rijk kozen, in de hoop zo meer autonomie te verkrijgen.[3] Dit leidde tot tweespalt binnen het koninkrijk Bohemen en toenemende wrijvingen tussen beide bevolkingsgroepen, die allengs ontaardden in een taal- en cultuurstrijd. Uiteindelijk kwam er een taalwetgeving tot stand (o.a. welke taal primair in welke gemeente werd gebruikt) en werd de eeuwenoude Karelsuniversiteit in 1882 in een Duitstalige en een Tsjechischtalige gesplitst, waarbij beide nieuwe universiteiten claimden de juridische voortzetting van de in 1348 door keizer Karel IV gestichte oudste universiteit van Centraal-Europa te zijn. De geschiedenis van het Tsjechisch doet hiermee sterk denken aan die van het Nederlands in Vlaanderen. De culturele concurrentie met het Duits was er de oorzaak van dat Tsjechische intellectuelen buitenlandse literatuur begonnen te vertalen om te tonen dat het Tsjechisch als literaire en culturele taal geenszins onderdeed voor het Duits. In deze periode werden ook de eerste vertalingen uit het Nederlands in het Tsjechisch uitgegeven, waarmee het beginjaar van deze studie is gegeven. Hoewel er in de jaren veertig en vijftig van de negentiende eeuw vaak gebruik werd gemaakt van al bestaande vertalingen in het Duits en het Frans, een situatie die bij veel talen in Centraal-Europa bekend is (Grave, 2013), kwamen er al spoedig discussies op over welk vertaalregime (Pym, 1998) moest worden aangehouden. Jakub Malý (18111885), voorman van de Nationale Wedergeboorte en zelf ook literair vertaler (hij was een van de eerste Tsjechische vertalers uit het Nederlands), formuleerde in 1854/5 duidelijke normen voor hoe welk genre literatuur vertaald moest worden. Dat kwam kort gezegd hierop neer dat bellettrie altijd rechtstreeks uit de brontaal moest worden vertaald onder inachtneming van de stijl van de auteur en zonder in te korten of toe te voegen, terwijl ‘vermaakslectuur’ wel via andere talen mocht worden vertaald en zelfs bij voorkeur vertsjechischt moest worden (Engelbrecht 2013a). Later zouden in het fin de siècle de hoofdredacteur van het destijds belangrijkste Tsjechische literaire tijdschrift Lumír (en tevens vertaler van Couperus’ Noodlot) Jaroslav Kamper (1871-1911), en in het interbellum de literair criticus en vertaler Pavel Eisner (1889-1958) deze normen nog aanscherpen. Nog altijd is het 5
T ER
IN LEID IN G
in de Tsjechische literaire wereld norm dat vertalingen rechtstreeks uit de brontaal worden gemaakt en dat adaptaties eigenlijk niet acceptabel zijn. In de Tsjechische politieke, maar ook literaire geschiedenis zijn jaartallen die op een 8 eindigen vaak van cruciale betekenis. Voor de hier besproken periode zijn dat het genoemde jaar 1848, het jaar 1918 toen de Tsjechen hun staatkundige zelfstandigheid terugkregen (en de Duitstaligen in een ondergeschikte rol kwamen die voor hen onacceptabel was), het jaar 1938 met de afsplitsing van het zogeheten Sudetengebied en de navolgende bezetting van Tsjechië en ten slotte het jaar 1948, toen de communisten de macht overnamen. Met die machtsovername werd tussen februari 1948 en mei 1949 de complete literaire infrastructuur van uitgeverijen, literaire agenturen, schrijversverenigingen, zoals deze vanaf eind achttiende eeuw langzamerhand was gegroeid, in één klap geliquideerd en vervangen door een strikt op het model van de Sovjet-Unie geënt systeem van door de staat gedicteerde literatuur met het socialistisch realisme als enige geaccepteerde stijlrichting (Vimr, 2011). De censuur werd veel scherper dan die zelfs in de zwartste jaren van de nazibezetting (1943-1945) was geweest en er was voor het eerst sprake van een duidelijke breuk met het verleden, een verleden dat de nieuwe machthebbers in de jaren 1948-1951 verwoed trachtten uit te wissen, onder andere door de bibliotheken te zuiveren – in deze jaren werden er ongeveer achtmaal zoveel boeken verwijderd en vernietigd als tijdens de Duitse bezetting. Hiermee is het jaar 1948 gegeven als het einde van een eeuw ontwikkeling van receptie van de Nederlandstalige literatuur, die een bescheiden plaats in het Tsjechische literaire veld wist te verwerven.
De taalsituatie Het Nederlands en het Tsjechisch zijn beide talen in de periferie (Pym, 1998; Van Es & Heilbron, 2015). De situatie van het Tsjechisch doet wederom sterk denken aan die van het Nederlands in Vlaanderen. Zoals gezegd was het Tsjechisch in de late middeleeuwen en de renaissance een cultuurtaal met een eigen literatuur. De braindrain na 1627/8 zette het Duits op het eerste plan en degradeerde het Tsjechisch tot een huis-, tuin- en keukentaal. Zelfs de eerste studies van de Tsjechische taal uit de ‘wedergeboorte’ eind achttiende eeuw van bijvoorbeeld Josef Dobrovský werden in het Duits gepubliceerd. Pas gedurende de negentiende eeuw werd de Tsjechische taal weer autonoom. Toch was er bij geletterde Tsjechen geen aversie tegen het Duits als zodanig, maar wel tegen verduitste Tsjechen die zich liefst ‘Duitser dan Duits’ voordeden (vergelijk de Vlaamse aversie tegen ‘franskiljons’, waarmee in eerste instantie verfranste Vlamingen worden bedoeld). Echte aversie tegen het Duits als zodanig ontstond wel tijdens de nazibezetting in de Tweede Wereldoorlog toen alle Tsjechische ambtenaren gedwongen Duitse conversatieles 6
T ER
IN LEID IN G
kregen (Velčovský, 2017). Dit leidde uiteindelijk tot de verdrijving van alle Duitstaligen en vernietiging van de Duitstalige Tsjechische cultuur in de jaren 19451949. Hiermee eindigde voor lange tijd ook elke Duitse invloed op wat er in het Tsjechisch werd vertaald. Tot ongeveer 1942 was er echter in Tsjechië duidelijk sprake van een meertalige perifere cultuur (Roig-Sanz & Meylaerts, 2018, 12-13). In Tsjechische tijdschriften werden ook literaire werken die in Duitse vertaling verschenen besproken – opmerkelijk is wel dat dit vooral in Rijksduitsland of Oostenrijk uitgegeven werk betreft, in Duits-Tsjechische uitgeverijen verschenen werk werd na rond 1885 genegeerd. Voor de positie van het Nederlands was van belang dat het in Tsjechië al sinds 1921 onafgebroken een universitair vak is, als we de gedwongen pauze in de jaren 1939-1945 als gevolg van de collectieve sluiting van alle Tsjechischtalige universiteiten door de bezetter buiten beschouwing laten. Hier geldt het axioma van de vertaalwetenschapper Jiří Levý (1926-1967) dat ‘systematische vertalingen van zeldzamere talen vaak pas begonnen als het bewuste vak bij de Praagse universiteit werd ingevoerd.’ (Levý, 1996, deel 1, 156) Tsjechië verkeerde in de gelukkige omstandigheid dat er al vanaf de negentiende eeuw literaire vertalers (vaak met een goede kennis van het literaire veld in Nederland en Vlaanderen) beschikbaar waren, achtereenvolgens de gymnasiumdirecteur Václav Petrů (1841-1906) in de jaren zeventig van de negentiende eeuw tot aan de eeuwwisseling, de polyglotte priester en literair criticus Alois Koudelka (1861-1942) vanaf de jaren tachtig van de negentiende eeuw tot ruwweg de jaren tien, de literator Jaroslav Kamper rond de eeuwwisseling en beide in het Nederlands gespecialiseerde vertalers Lída Faltová (1890-1944) en Rudolf J. Vonka (1877-1964) in het interbellum. De oorlogsgeneratie van Ella Kazdová (1909-1982), Milada Šimsová (1904-1992) en Miroslav Drápal (1916-1991) vormt de overgang naar de naoorlogse situatie, waarin lang de al genoemde Olga Krijtová domineerde. De meeste huidige Tsjechische literaire vertalers uit het Nederlands zijn haar voormalige studenten.
Methodologie Bij mijn eerste onderzoekswerkzaamheden ben ik met name van Van Uffelens werk uitgegaan, waarbij de methode het beste als een historisch receptie-onderzoek in de zin van Grit (1994) en Koch (2000, 2008) kan worden verstaan. Later kreeg een en ander meer onderbouwing door de methodiek van bestudering van culturele transfer, zoals beschreven in de bundel Literary Translation and Cultural Mediators in ‘Peripheral’ Cultures van Diana Roig-Sanz en Reine Meylaerts, met name in het hoofdstuk Toward an Agent and Process-Oriented Approach (Roig-Sanz & Meylaerts, 2018, 12-23). Van de vier door hen aanbevolen analyseniveaus – analyse 7
T ER
IN LEID IN G
van de sociobiografie van de bemiddelaars, analyse van de bemiddelaars als netwerken, analyse van verschillende gebruikte transfermethodes (vertaling, multilinguale productie, zelf-vertaling, adaptatie, samenvatting, parodie, plagiaat, pastiche enz.) en analyse van non-discursieve transfermethodes als schilderen, muziek en beeldhouwen – is de laatste achterwege gelaten, omdat deze studie specifiek over literatuur gaat. Voor de analyse van het Tsjechische literaire veld is enerzijds uitgegaan van verschillende artikelen van de Tsjechische literatuurwetenschapper Ondřej Vimr die voor de Scandinavische talen heeft bestudeerd, hoe deze functioneerden in het Tsjechische literaire veld, alsook van de institutionele analyse van het Nederlandse literaire veld door Kees van Rees en Gillis Dorleijn (2006). In de studie zijn de agenten die Nederlandstalige literatuur in het Tsjechische literaire veld introduceerden, het belangrijkste. De praktische kant van de culturele transfer staat dus voorop, maar ik tracht ook naar ideologische omstandigheden te kijken (Grave, 2004, 54-55). De keuze voor bepaalde werken door uitgeverijen en vertalers werd vaak gemaakt op grond van wat Gillis Dorleijn en Wiljan van den Akker (2006, 94-97) in navolging van de door de anthropologen Mary Douglas (1921-2007) en Ludwik Fleck (1896-1961) ‘denkstijl’ hebben genoemd. Dit begrip geeft de randvoorwaarden aan die zijn gedicteerd door het ideologische collectief waartoe een bepaald individu behoort (bijv. een kerkgenootschap of een bepaalde wetenschappelijke school), waardoor min of meer tevoren is gegeven, wat goede en slechte vragen en antwoorden zijn. Bij het begrip ‘bemiddelaar’ is in de zin van Jaap Grave primair de veelzijdig actieve vertaler bedoeld, maar ook andere bemiddelaars als literaire agenten, critici, academici, uitgeverijen en ten slotte de censors komen aan bod. De rol van deze bemiddelaars, en ook zijzelf, verschillen van periode tot periode. Laten we ze hier kort langslopen. In de gehele eeuw tussen 1848 en 1948 speelden literaire vertalers de belangrijkste rol. Van 1846 tot aan het eind van de eeuw waren dit eerst polyglotten die meestal perfect Duits en Frans en passief een reeks andere talen kenden – in die periode waren Duits en Frans duidelijk de talen via welke de Tsjechen met de Nederlandstalige literatuur kennismaakten (Grave, 2013) – maar al in de tweede helft van de eeuw waren er vertalers als Václav Petrů die zich meer intensief met het Nederlands bezig gingen houden. Vanaf het interbellum tot op heden zijn er in het Tsjechische gebied altijd vertalers aanwezig geweest die zich in het Nederlands specialiseerden en meestal ook goed bekend waren met de Nederlandstalige literatuur. In het interbellum hadden deze vertalers een meervoudige rol: ze vertaalden uiteraard in opdracht, maar brachten zeer vaak ook zelf contemporaine, potentieel interessante literaire werken aan, stelden leesrapporten op en beoordeelden vertalingen. 8
T ER
IN LEID IN G
Een bemiddelende rol werd ook gespeeld door de literaire kritiek. Sinds de jaren zeventig van de negentiende eeuw begon eerst de katholieke pers, vooral het tijdschrift Hlídka literární [Literaire Wachter], rond de eeuwwisseling ook tijdschriften van andere groeperingen, met name het literaire tijdschrift Lumír [De Vredelievende], systematisch internationale literaire ontwikkelingen te volgen. Hierbij werd eerst gebruik gemaakt van de periodiek Athenaeum die tussen 1828 en 1921 in Londen uitkwam, later verschenen er met enige regelmaat in Tsjechische tijdschriften berichten over recente ontwikkelingen in de Nederlandstalige literatuur op basis van o.a. De Gids. In het interbellum kwam de literaire kritiek tot volle wasdom in tijdschriften als Rozpravy z Aventina [Berichten van de Aventijn] of Literární listy [Literaire Bladen], maar ook in de dagbladpers (Národní listy, Lidové noviny, Svobodné slovo) [Nationale Bladen, Volkskrant, Het Vrije Woord]. In allerlei tijdschriften werden specifieke groepen schrijvers besproken. Hierbij werden ook schrijvers besproken wier werk niet in Tsjechische vertaling beschikbaar was. Daarnaast treffen we ook systematisch besprekingen van vertalingen uit het Nederlands aan. Er was dus in die periode sprake van een duidelijke literaire receptie. Onbekend maakt onbemind. Dat Hendrik Conscience (1812-1883) in de jaren vijftig van de negentiende eeuw als enige belangrijke Belgische auteur in het leerboek aardrijkskunde voor Tsjechische basisscholieren werd vermeld – deze leerboeken gaven destijds ook bij elk behandeld land een korte schets van de culturele situatie (Engelbrecht, 2016a, 246) – zal zeker positief hebben bijgedragen tot zijn bekendheid bij het toenmalige Tsjechische lezerspubliek. Behandeling van buitenlandse literatuur in informatieve werken voor het grote publiek als leerboeken en encyclopedieën is van belang. In de belangrijkste Tsjechische encyclopedie Ottův slovník naučný [Otto’s encyclopedie], uitgegeven tussen 1888 en 1909 worden er liefst 43 Nederlandse, 26 Vlaamse en 2 Friese auteurs met een eigen lemma bedacht, terwijl er bovendien goede inleidende lemma’s over de Nederlandse, Vlaamse en Friese literatuur van meerdere bladzijden zijn. Ook andere encyclopedieën wijdden aandacht aan Nederlandse en Vlaamse auteurs. De literair geïnteresseerde Tsjech kon dus vrij gemakkelijk aan informatie over Nederlandstalige literatuur in zijn eigen taal geraken. Daarbij maakte de Tsjechische vakliteratuur van begin af aan een vrij duidelijk onderscheid tussen Nederland en Vlaanderen en hanteerde al in het midden van de negentiende eeuw het begrip nizozemský, ‘Nederlands’, een calque samengesteld uit de elementen nizký (laag) en země (land), dus Lage Landen. Dit begrip dat in andere Slavische talen simpelweg niet bestond, werd redelijk systematisch in officiële en wetenschappelijke publicaties gebruikt, al bleven in de volksmond net als elders de begrippen holandský (Hollands) en flámský, later vlámský (Vlaams) gemeengoed. 9
T ER
IN LEID IN G
Uitgeverijen zijn als producenten van de vertalingen een belangrijke bemiddelaar. Vanaf de jaren zeventig van de negentiende eeuw tot aan de liquidatie van de private uitgeverijen door het communistische bewind presenteerden zij Nederlandstalige literatuur in vertaling aan het Tsjechische lezerspubliek. In de negentiende eeuw waren er nog geen kwesties rond auteursrechten. Net als Nederland was Oostenrijk-Hongarije niet toegetreden tot de Conventie van Bern van 9 september 1886. Toch zien we vaak dat negentiende-eeuwse Tsjechische vertalingen wel geautoriseerd zijn, al was dat eerder een vorm van reclame omdat de vermelding ‘met autorisatie van de auteur’ een serieuzere indruk maakte (Vimr, 2014, 71). Er waren echter destijds ook in Tsjechië, net als in Duitsland (Grave, 2001), vertalers die de rechten van bepaalde werken inderdaad met de auteurs regelden – Václav Kuneš (1871-na 1913) en Alois Koudelka (1861-1942) zijn voorbeelden. Vanaf de jaren twintig trachtten de uitgevers zo veel mogelijk de auteursrechten namens de uitgeverij te regelen – hierbij speelde de toetreding van Tsjechoslowakije tot de Bernse Conventie in 1921 een rol – en namen daartoe vaak professionele literaire agenten in de arm. Vertaalcontracten werden in deze periode gestandaardiseerd en er werd een ‘normpagina’ ingevoerd van 34 regels met 60 aanslagen per regel en van katernen van 16 pagina’s (ongeveer 32.000 tekens, inclusief spaties en interpunctie maximaal 40.000 tekens) als rekeneenheid voor alle betrokken partijen. Voor de Nederlandstalige literatuur was van belang dat zij eind jaren twintig zowel in prestigieuze literaire series als Symposion van de strikt literaire uitgever Rudolf Škeřík, alsook in de abonnementsseries van op vaste afnemende leden gerichte uitgeverijen als Družstevní práce en ELK (Evropský literární klub) terecht kwam. Naar de rol van literaire agenten in het Tsjechische systeem is in het verleden nauwelijks onderzoek gedaan, voornamelijk bij gebrek aan materiaal. De archieven van de belangrijkste agenturen uit het interbellum, Centrum, Universum, Vincy Schwarz (1902-1942) en Gustav Bernau (1906-1986) zijn verloren gegaan, zodat de onderzoeker op losse stukken is aangewezen. Toch mag hun rol niet worden onderschat. Aanvankelijk werden zij in het transferproces opgenomen om met auteursrechten verbonden juridische problemen op te lossen. Dit geldt vooral bij uitgeverijen die waren gebaseerd op een vast ledenbestand en geen grote eigen literaire redactie hadden, zoals Družstevní práce en ELK, beide belangrijke bemiddelaars van Nederlandstalige literatuur in Tsjechië. Allengs speelden de literaire agenten, en dan met name Vincy Schwarz, een actieve rol bij het spotten van interessant literair werk. Ten slotte is ook de vrijwel altijd anonieme censor in zekere zin een bemiddelaar die het literaire veld tracht bij te sturen in de politiek gewenste richting. Door het verbod van de censuur tijdens de Tweede Wereldoorlog op vertalingen uit ‘vijandelijke’ talen als het Engels, Frans, Pools en Russisch kwam er ruimte voor bevriende talen dan wel ‘getolereerde vijandelijke’ talen van kleinere volkeren uit door de 10
T ER
IN LEID IN G
Duitsers bezette gebieden – met name de Scandinavische talen en het Nederlands. Vooral de Vlaamse streekliteratuur profiteerde hier sterk van. Een interessant probleem is dat van de non-vertalingen. Het gaat daarbij om literaire werken die door Tsjechische critici en bemiddelaars blijkens vermelding in recensies of handboeken als belangrijk werden beschouwd, maar om allerlei redenen niet werden vertaald of uitgegeven. In de negentiende eeuw ging het vooral om literaire werken als Consciences De leeuw van Vlaenderen of Multatuli’s Max Havelaar die niet werden vertaald bij gebrek aan ervaren literaire vertalers die conform de geldende translatologische normen rechtstreeks uit het Nederlands konden vertalen. In het interbellum speelden vaak financiële aspecten een rol. Om deze reden werd bijvoorbeeld werk van Arthur van Schendel (1874-1946) niet uitgegeven. Vanaf eind jaren dertig was het steeds vaker de censuur die de uitgave van werken belemmerde, al was er een enkele keer ook sprake van een bewuste keuze om bepaalde werken niet te vertalen – zo is de afwezigheid van de Coornvelttrilogie van Jo van Ammers-Küller (1884-1966), die in Duitsland, Polen en Hongarije populair was en door de auteur aan verschillende Tsjechische uitgeverijen werd aangeboden, frappant. In dit geval speelde de politieke voorkeur van de belangrijkste Tsjechische vertalers een rol. Tijdens de Duitse bezetting waren er verschillende literaire werken, waarvan de vertaling al klaar was, dan wel waarvoor een vertaling was gepland (en soms de auteursrechten al waren betaald), maar welke vertalingen door ingreep van de censuur niet kon worden uitgegeven. Ook dit is een vorm van non-vertalingen. In deze studie wordt de receptie van Nederlandstalige literatuur in Tsjechië vooral vanuit het Tsjechische literaire systeem geanalyseerd. Waar mogelijk is dit vergeleken met de situatie in de buurlanden, met name in het Duitse taalgebied. Het gaat daarbij om de interactie van de genoemde bemiddelaars met als doel te tonen welk beeld van de Nederlandstalige literatuur zij voor de Tsjechische lezer creëerden.
Bronnen Dankzij twee belangrijke projectsubsidies, het project Receptie van de Nederlandstalige literatuur in het Tsjechisch van de Nederlandse Taalunie (2013-2015), en het project Recepce nizozemské a vlámské literatury v českém překladu, 1848-1948 (FPVČ 2016/02) van de Palacký Universiteit in Olomouc (2016-2019) kreeg ik de kans om zowel de Tsjechische als Nederlandse en Vlaamse literaire archieven intensief te raadplegen. Het Tsjechische Literární archiv Památníku národního písemnictví (LA PNP, Literair Archief van het Monument van Nationale Literatuur) was in de jaren 2014-2016 ontoegankelijk, omdat er voor de archivalia een nieuw 11
T ER
IN LEID IN G
depot in een voormalige kaserne in Litoměřice werd gebouwd.[4] In de tweede helft van 2016 en in 2017 zijn de archieven van uitgevers, schrijvers en vertalers in het LA PNP geraadpleegd. Aansluitend kon ik dankzij de subsidie 040.11.652 van de NWO in 2018 vier maanden als gastonderzoeker bij het Huygens Instituut van de KNAW werken, een periode waarin ik zowel de archieven in het Literatuurmuseum in Den Haag, het AMVC Letterenhuis in Antwerpen, alsook speciale collecties van de universiteitsbibliotheken van Amsterdam, Gent en Leiden kon raadplegen. Dankzij de welwillendheid van het personeel in al deze instellingen kon ik overal vrijwel alle gewenste documenten fotograferen. Indien deze foto’s in dit boek zijn gebruikt, is dit steeds met voorafgaande toestemming van de bewuste instellingen en rechthebbenden van de archiefstukken gebeurd. Een zeer gelukkige omstandigheid is dat de archieven van de uitgeverijen Družstevní práce en Melantrich en het persoonlijke archief van vertaler Rudolf J. Vonka in een vrij complete staat bij het LA PNP aanwezig zijn. Een tegenvaller was dat dit juist niet het geval is met de archieven van ELK, Sfinx en Škeřík en het persoonlijke archief van Lída Faltová. De eerste twee zijn in 1949 samengevoegd met de nieuw opgerichte uitgeverij van de Tsjechoslowaakse Schrijversbond Československý spisovatel, de laatste is in 1949 opgegaan in het nieuwe staatsconglomeraat SNKLHU (Státní nakladatelství pro krásnou literaturu, hudbu a umění – Staatsuitgeverij voor bellettrie, muziek en kunst), na 1966 bekend als Odeon. Na de privatisering in 1989 gingen deze uitgeverijen failliet, Odeon in 1994, Československý spisovatel twee jaar later. Zover bekend is het merendeel van het uitgeversarchief van Odeon als oud papier vernietigd, waarmee een belangrijk deel van het Tsjechische collectieve literaire geheugen verloren is gegaan.[5] Het archief van Československý spisovatel heeft een omvang van 1216 archiefboxen, zodat niet is uitgesloten dat grote delen van de archieven van ELK en Sfinx zich daarin bevinden. Het LA PNP was helaas niet in staat hierover mededelingen te doen bij gebrek aan catalogisering. In het LA PNP zijn van ELK, Sfinx en Škeřík slechts enkele mantelstukken aanwezig. Van de uitgeverij I. L. Kober is eveneens weinig archiefnateriaal bewaard gebleven. Bij uitgeverij Jos. R. Vilímek is het omgekeerde het geval. Er is van deze uitgeverij een enorme hoeveelheid materiaal (425 archiefboxen) in het LA PNP die echter nog niet is gecatalogiseerd. In de toekomst kan juist dit archief nog enkele verrassingen opleveren. Vooral het archief van Družstevní práce bleek een goudmijn, omdat veel redactieprotocollen en interne kopieën van contracten, vaak met notities van de uitgevers in de marge bewaard zijn gebleven. Voorts waren verschillende niet uitgegeven vertalingen compleet aanwezig. Zo werd het mogelijk om een goede indruk te krijgen van de manier waarop de uitgeverij besliste over het wel of niet uitgeven van bepaalde werken en hoe de redactie op werken attent werd gemaakt. 12
T ER
IN LEID IN G
Mijn onderzoek in de Nederlandse en Vlaamse archieven betrof schrijversarchieven en de archieven van uitgeverijen als Leopold, Veen, de Wereldbibliotheek, Van Loghum en Slaterus, Manteau en Querido. De focus lag op het achterhalen van contacten van Tsjechische vertalers met ‘hun’ schrijvers, de regeling van auteursrechten en de kennis in het Nederlandstalige gebied omtrent Tsjechische vertalingen. Daarnaast bevatten de Nederlandse en Vlaamse archieven in de correspondentie een grote hoeveelheid originelen (brieven en contracten) van uitgevers en literaire agenturen, van wie de archieven in Tsjechië niet meer bestaan of slechts zeer onvolledig bewaard zijn gebleven.[6] Zowel in de Tsjechische als de Nederlandse en Vlaamse archieven leverden soms ogenschijnlijk vrij onbelangrijke documenten een hele reeks kleine gegevens op die als steentjes in een veel groter mozaïek pasten. Hier slechts enkele voorbeelden: een kattebelletje van Alois Koudelka uit 1901 aan Herman Heijermans (1864-1924) over de autorisatie van zijn vertaling van Op hoop van zegen en de briefwisseling tussen Václav Kuneš en Virginie Loveling uit de jaren 1895 en 1896 toonden dat beiden inderdaad actief Nederlands beheersten (de eenvoudige postbeambte Kuneš overigens beter dan de goed opgeleide priester Koudelka) en dat in elk geval een deel van de Tsjechische bemiddelaars serieus werk maakten van autorisatie van Tsjechische vertalingen. Een brief van 6 april 1946 van Rudolf J. Vonka aan Felix Timmermans (1886-1947) inzake autorisatie van zijn geplande vertaling van Adriaan Brouwer verraadde dat dit zijn allereerste rechtstreekse contact met Felix Timmermans was, hetgeen tegelijkertijd zijn ‘autorisaties door de auteur’ ontmaskerde als teruggaand op rechten verkregen via Insel Verlag in Leipzig. Tsjechisch is als naamvalstaal veel beknopter dan het Nederlands. Vertalingen in het Tsjechisch zijn daarom in aantallen tekens vaak ongeveer 15% tot 25% korter dan het Nederlandstalige origineel, ook indien er precies wordt vertaald en niets wordt weggelaten. Krijtová (2011, 13) stelde vast dat Vonka hele stukken van Timmermans werk geparafraseerd had en zelfs flinke stukken had toegevoegd die Timmermans nooit had geschreven. Een ogenschijnlijk onbeduidend krabbeltje van Vonka ergens op een derde van zijn manuscript van de vertaling van Pieter Breughel leverde het bewijs dat hij inderdaad, gebruikmakend van het taalkundig verschil tussen Tsjechisch en Nederlands, willens en wetens zijn vertaling precies zoveel had ‘uitgebreid’ dat het resultaat ongeveer dezelfde hoeveelheid tekst omvatte als het origineel. Zo had hij in feite de tekst met ongeveer een derde vergroot om een hoger honorarium uitbetaald te krijgen. Zowel de vele doorhalingen in defnitieve manuscripten van haar vertalingen (eigenlijk niet acceptabel voor uitgeverijen, die echt een ‘netschrift’ verlangden) alsook de correspondentie met ‘haar’ auteurs lieten Lída Faltová juist weer zien als een gewetensvol vertaalster die in veel zaken de tegenpool was van Vonka. Overi13
T ER
IN LEID IN G
gens bleek haar eigen initiatief om ongevraagd in januari 1928 een complete vertaling van Een zwerver verliefd van Arthur van Schendel (1874-1946) aan uitgeverij Družstevní práce op te sturen het begin te zijn van een lange reeks vertalingen uit het Nederlands die bij deze uitgeverij werden uitgegeven – al is de bewuste vertaling zelf helaas om financiële redenen nimmer verschenen. Dat de kopieboeken van uitgeverij Veen in alle talen zwijgen over welk contact dan ook met uitgeverij Vilímek doet vermoeden dat deze liberale uitgever zich zelfs in 1922 nog geenszins het hoofd brak over auteursrechten. Brieven van Bohumil Janda (1900-1982) aan diverse personen en de uitgebreide correspondentie van Theun de Vries (1907-2005) met zijn uitgever Jan van Tricht (1883-1964), alsook de niet minder intensieve briefwisseling van Bob Spoelstra (A. den Doolaard, 1901-1994) met diens uitgeefster Alice von Eugen-van Nahuys (1894-1967) gaven inzicht in Janda’s project om aan ‘perifere’ literaturen een sterkere positie te geven. Janda trachtte deze literaturen onderling te verbinden door systematisch boeken te kiezen die dan in al de talen van het project moesten worden vertaald. De Tsjechische wetenschapper Ondřej Vimr (2020) betitelde dit als ‘supply-driven translation’ en vergeleek Janda’s project met het huidige beleid van het Nederlands Letterenfonds en het Vlaams Fonds voor de Letteren. Met steun van o.a. de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag zijn bibliotheken en musea in de Tsjechische Republiek sinds 2004 bezig met het systematisch inscannen van alle kranten, tijdschriften en boeken (de laatste vooral voor 1945) om deze toegankelijk te maken in het systeem kramerius. Vanwege de Tsjechische copyrightwetgeving is uitsluitend (vrijwel) al het materiaal voor 1920 toegankelijk. In sommige bibliotheken, zoals de Moravská zemská knihovna (kramerius.mzk.cz) zijn tijdschriften die op de centrale server kramerius5.nkp.cz van de Nationale Bibliotheek in Praag niet vrij toegankelijk zijn, wél in te zien. Het is daarom goed om bij een onderzoek verschillende lokale bibliotheken te raadplegen. Nieuwer materiaal kan op aanvraag (en tegen betaling) worden verkregen of moet in de Národní knihovna te Praag ter plekke worden geraadpleegd.[7] Dankzij dit systeem bleek dat in het interbellum vrijwel alle vertalingen van Nederlandstalige literatuur in boekvorm zijn gerecenseerd, sommige – met name van populaire auteurs als Felix Timmermans, Johan Fabricius (1899-1981) of Madelon Székely-Lulofs (18991958)– in verschillende dagbladen en tijdschriften. Een verrassing was ook dat het mogelijk bleek om een twintigtal vertalingen van complete werken van enkele negentiende-eeuwse auteurs als Geertrui Bosboom-Toussaint (1812-1886), Hendrik Conscience, Louis Couperus (1863-1923), Herman Gorter (1864-1927), Cornélie Huygens (1848-1902), Arnold Ising (1824-1898), Virginie Loveling (18361923) en Marie Snijder van Wissenkerke (1864-1954) te achterhalen die kennelijk uitsluitend in feuilleton in de pers waren uitgekomen. 14
T ER
IN LEID IN G
Uit bestudering van krantenberichten en journalistieke commentaren bleek ook dat de traditionele aanname dat de succesvolle Belgische onafhankelijkheidsstrijd de reden was om Conscience en in zijn kielzog Nederlandstalige literatuur te gaan vertalen, onjuist is. Die strijd werd wél in de Duitstalige pers gevolgd, maar was voor de Tsjechische pers kennelijk oninteressant – men vond de zich vrijwel terzelfdertijd afspelende vrijheidsstrijd van de naburige Polen tegen de Russen veel belangrijker. Omgekeerd bleken de Tsjechische kranten de Belgische taalstrijd wel min of meer op de voet te volgen, wat gezien de eigen taalstrijd met de Duitstalige Tsjechen eigenlijk geen verbazing wekt. De taalstrijd moet dus als ‘eerste oorzaak’ van de receptie van Nederlandstalige literatuur in het Tsjechisch worden beschouwd.
Hypothese De centrale hypothese van deze studie is daarom dat in het Tsjechische literaire veld (alleen) die werken werden overgenomen die om welke reden dan ook voor het Tsjechische lezerspubliek een rol speelden of waarvan de bemiddelaars van mening waren dat ze een rol konden dan wel moesten spelen. Nederlandstalige literatuur werd met name overgenomen als zij door Tsjechische bemiddelaars veronderstelde leemten in het Tsjechische literaire systeem kon opvullen. Deze gevoelde leemten verschilden van generatie tot generatie. In de eerste periode midden negentiende eeuw vormde de aanpak van de taalstrijd door Conscience en anderen een voorbeeld voor de eigen strijd om volwaardige erkenning van het Tsjechisch. Later in die eeuw was het werk van Conscience en andere katholieke schrijvers een passend antwoord op socialistische tendenties bij gebrek aan kwalitatieve schrijvers van katholieke signatuur van eigen bodem. Rond de eeuwwisseling waren vernieuwingsbewegingen in de Nederlandstalige literatuur een bevestiging voor Tsjechische groepen dat ook zij op de juiste weg waren. In deze eerste decennia tot en met de Eerste Wereldoorlog was het meestal niet van belang dat het om Nederlandstalige literatuur ging, maar dat het om werken ging die inhoudelijk voor Tsjechische lezers van belang konden zijn. De keuze werd in die periode vooral gemaakt op basis van Duitse vertalingen en recensies in de Duitse pers – hiervan is de receptie van Multatuli (1820-1887) als ‘revolutionair’ en ‘anti-kolonialist’ een goed voorbeeld (Koch, 1995, 2008; Engelbrecht, 2011; Grave, 2013). Overzichten van recente ontwikkelingen in de Nederlandstalige literatuur die vooral vanaf de jaren tachtig van de negentiende eeuw tot eind jaren dertig van de twintigste eeuw in de Tsjechische pers verschenen, maken tegelijkertijd duidelijk dat de samenstellers veronderstelden dat geïnteresseerden ook Duitse en Franse vertalingen en tijdschriften konden lezen. 15
T ER
IN LEID IN G
In het interbellum kwamen er in het Nederlands gespecialiseerde vertalers op die doelbewust bepaalde Nederlandstalige auteurs bij het Tsjechische publiek bekendmaakten. Dezen ging het wel om de Nederlandstalige literatuur als zodanig. Maar ook hun keuzen pasten bij het toenmalige Tsjechische literaire veld. Zij gaven een gematigd progressief beeld van de Nederlandstalige literatuur. Mede omdat verschillende Nederlandstalige schrijvers al bij het Tsjechische publiek bekend waren, kon Nederlandstalige literatuur tijdens de Duitse bezetting een acceptabel alternatief voor de door de bezetter opgedrongen ideologie vormen. Daarom lag er in die periode een vrij grote nadruk op streekliteratuur en het ‘volkskarakter’.
De structuur van het werk De structuur van het werk sluit aan bij de hierboven geschetste theoretische achtergrond, de hypothese en de wens om een veelzijdig beeld van de culturele transfer van de Nederlandstalige literatuur naar het Tsjechisch in de periode 1848-1948 te geven. Het inleidende hoofdstuk ‘Het literaire veld in Tsjechië begin negentiende eeuw’ geeft enkele achtergrondgegevens voor Tsjechië en het Tsjechisch. Hierbij wordt ook ingegaan op de ontwikkeling van de begrippen nizozemština (Nederlands), nizozemská literatura (Nederlandse literatuur) en vlámská literatura (Vlaamse literatuur), zoals deze in het Tsjechisch sinds de negentiende eeuw standaard, zij het niet altijd systematisch worden gehanteerd. Voorts komt in dit hoofdstuk de opkomst van het Tsjechische literaire veld als zodanig aan bod. Hierbij wordt aandacht besteed aan de belangrijkste uitgeverijen, de literaire kritiek en vertaalnormen in Tsjechië in de onderzochte periode. Centrale personen waren daarbij Josef Jungmann die aansluitend op de discussies van August en Friedrich Schlegel zijn eigen theorieën formuleerde (de belangrijkste vertaalprijs in Tsjechië is naar hem vernoemd), Jakub Malý die in 1854/5 vaste normen voorstelde, Jaroslav Kamper, de hoofdredacteur van het belangrijke tijdschrift Lumír die in verband met o.a. zijn eigen Couperusvertaling vertaalnormen bediscussieerde, en Pavel Eisner die normen voor beroepsmatig vertalende literaire vertalers opstelde en een van de belangrijkste vertaalcritici van zijn tijd was. Bij vrijwel alle literaturen in Centraal-Europa buiten Duitsland staat het werk van Hendrik Conscience aan het begin van de receptie van Nederlandstalige literatuur. Dat is in het Tsjechisch niet anders. In het tweede hoofdstuk ‘Het begin: Conscience, vermaaksliteratuur, liberalen en katholieken’, dat de tweede helft van de negentiende eeuw behandelt, wordt nader ingegaan op vertalingen van Consciences werk. Ongeveer twee derde van zijn literaire productie is in het Tsjechisch vertaald, vaak via het Frans door allerlei priesters die in hun vrije tijd vertaal16
T ER
IN LEID IN G
den. Aansluitend worden ook andere negentiende-eeuwse vertalingen in het Tsjechisch onder de loep genomen. De nadruk ligt daarbij op vertaalde katholieke literatuur, waarbij de priester Alois Koudelka, die ook de literaire kritiek in de katholieke pers goeddeels voor zijn rekening nam, een belangrijke rol speelde. Aangezien ook voor het Tsjechische literaire veld het laatste decennium van de negentiende eeuw gekenmerkt is door het begin van de moderne Tsjechische literatuur, waarmee tevens het paradigma van wat vertaald werd zich wijzigde, is aan de periode van het fin de siècle een eigen hoofdstuk gewijd. In dit derde hoofdstuk ‘Nederlandstalige literatuur in het fin de siècle met Tsjechische ogen’ komen vertalingen van werk van de Tachtigers en auteurs uit de groep rond Van Nu en Straks door Tsjechische anarchisten, liberalen en symbolisten aan bod. Hierbij is ook een reeks vertalingen van belang die is verschenen in de destijds prestigieuze serie 1000 nejkrásnějších novell 1000 světových spisovatelů [De 1000 mooiste novelles van 1000 mondiale auteurs]. Een eigen positie nam het werk van Louis Couperus in vertaling in. In deze periode begonnen ook overzichten van contemporaine Nederlandstalige literatuur in de Tsjechische pers te verschijnen. Tezelfdertijd kwamen ook de eerste pogingen op om ‘hoge literatuur’ te propageren en omgekeerd als ‘zedenbedervend’ ervaren ‘vermaaksliteratuur’ aan banden te leggen. Dit zou uiteindelijk uitmonden in het keurslijf van het socialistisch realisme in de jaren vijftig van de twintigste eeuw. De Eerste Wereldoorlog betekende het einde van de Donaumonarchie die door de verschillende nationaliteiten steeds meer als een ‘kerker der volkeren’ werd gevoeld. Het revolutiejaar 1918, waarin de nieuwe Tsjechoslowaakse Republiek ontstond, markeert de overgang naar het interbellum[8]. Met het einde van het Habsburgse regime raakte de katholieke Kerk haar belangrijke rol in de maatschappij kwijt, waarmee ook de positie van katholieke uitgeverijen en de katholieke pers veranderde. Specifiek voor het Tsjechische literaire veld is dat er na 1918 voor het eerst vertalers kwamen die zich in het Nederlands specialiseerden. Hiermee wijkt de Tsjechische situatie af van die in andere landen van Oost-Centraal-Europa. Het vierde hoofdstuk ‘Het interbellum: de belangrijkste vertalers zetten hun stempel’ behandelt leven en werken van de drie belangrijkste Tsjechische vertalers uit het Nederlands in die periode. Dat waren de beroepsvertaalster Lída Faltová, de diplomaat Rudolf J. Vonka en de beroepsvertaalster Ella Kazdová. Dezen hebben samen een belangrijk stempel gezet op wat er vertaald werd – alle drie waren zij zowel vertaler, als persoon die bepaalde boeken aanraadde, alsook beoordelaar van voorgestelde boeken en vertalingen. Daarnaast besteedt het hoofdstuk ook aandacht aan ontwikkelingen van vertalingen uit het Nederlands buiten deze drie vertalers om, zoals de opkomende academische belangstelling voor het Nederlands en het destijds nieuwe verschijnsel van literaire agenturen. 17
T ER
IN LEID IN G
Vanaf de tweede helft van de jaren dertig en gedurende de Tweede Wereldoorlog (voor Tsjechië de jaren 1938-1945) werden er veel Vlaamse en Nederlandse streekromans vertaald. Deze romans sloten enerzijds aan bij het zogenaamde ruralisme, destijds een belangrijke stroming binnen de Tsjechische literatuur, anderzijds fungeerden zij in de periode van de Duitse bezetting als ‘vervanging’ voor verboden vertalingen uit met name het Engels en Frans en als een mogelijkheid voor uitgeverijen om te ontsnappen aan de druk van de bezetter om nazistische literatuur uit te geven. Het vijfde hoofdstuk ‘De oorlogsjaren: Nederlandstalige literatuur als literair ventiel’ zal zich onder andere aan dit genre wijden en daarbij aan de hand van redactieprotocollen en bewaard gebleven discussies laten zien hoe Nederlandstalige literatuur samen met die van Scandinavische schrijvers een heel specifieke rol vervulde in de strijd van Tsjechische uitgeverijen tegen de nazificering van de maatschappij. In deze periode waren de uitgeverijen sterker als bemiddelaar aanwezig dan de vertalers. In de drie semidemocratische jaren tussen de bevrijding in mei 1945 en de communistische omwenteling van februari 1948, kwamen er bijna veertig vertalingen uit het Nederlands uit, ofwel ongeveer tien per jaar, een aantal dat in Tsjechië pas na 1995 overtroffen werd. Deze vrije jaren hadden een specifieke dynamiek, ook in de wereld van het literair vertalen. Naast Vonka en Kazdová – Faltová was in december 1944 gestorven – begonnen twee toen jonge vertalers, Miroslav Drápal en Milada Šimsová hun vertaalcarrière. Aan deze specifieke periode is het zesde hoofdstuk ‘De laatste vrije jaren in de naoorlogse periode’ gewijd. Op de achtergrond was ook een strijd gaande tussen vertalen van literatuur die aansloot bij de smaak van het lezerspubliek, en sturing van die smaak in een cultureel en toenemend ook politiek gewenste richting, waarbij aan literatuur een opvoedende functie werd toegekend. Deze strijd werd beslist ten gunste van absolute sturing van het literaire systeem met de communistische machtsovername, instelling van een strikte censuur en de afkondiging van sorela, het socialistisch realisme als enig toegestane richting in 1949. De liquidatie van voorheen actieve bemiddelaars als literaire agenten en private uitgeverijen, alsmede het ontnemen van keuzevrijheid aan de literaire vertalers beëindigden een eeuw van min of meer organisch gegroeide receptie van Nederlandstalige literatuur. Het laatste hoofdstuk ‘Besluit’ sluit dit werk af met een overzicht en algemene conclusies. Om praktische redenen zijn citaten uit andere talen dan het Engels in de tekst in het Nederlands weergegeven. In de noot achterin treft de lezer steeds de originele tekst aan. Tenzij anders vermeld, zijn vertalingen altijd door de auteur van dit boek gemaakt. De aard van het boek brengt met zich mee dat een groot aantal personen wordt genoemd. Achterin in het boek treft de lezer een register aan voor alle genoemde Nederlandstalige schrijvers en Tsjechische vertalers, waarbij 18
T ER
IN LEID IN G
voor dezen steeds hun levensjaartallen zijn vermeld. In de tekst zijn de levensdata bij de eerste vermelding aangegeven. Ook een verantwoording van alle afbeeldingen, grafieken, kaarten en tabellen is achterin het boek in een aparte lijst opgenomen.
Dankzegging Rest mij om enkele personen met name te bedanken. Postuum is dat bovenal Olga Krijtová, de ál te bescheiden nestor van de neerlandistiek die zeker in de eerste jaren van mijn onderzoeker een grote hulp was. Ton van Kalmthout betrok mij bij de projecten CODL en Eastbound en maakte vooral het onderzoek in 2018 in Nederlandse en Vlaamse archiefbestanden mogelijk. Renata Tallová en Rostislav Krušinský van de VKOL in Olomouc leidden mijn ontelbare aanvragen van boeken en artikelen in goede banen en wisten de uitzonderlijkste publicaties op een of andere manier naar Olomouc te laten komen. Hana Kábová was een vraagbaak voor gegevens over allerlei priester-vertalers die in de negentiende eeuw een aanzienlijk grotere rol speelden dan vroeger werd aangenomen. Ten slotte moeten ook mijn echtgenote Jana en zoons Willem en Daniël worden bedankt die jarenlang moesten verdragen dat mijn aandacht nogal eens elders lag dan bij hen.
19