Skip to main content

9789401473996

Page 1

100 Meesterwerken codart Canon Nederlandse en Vlaamse kunst

1350-1750


Inhoud

6 Woord vooraf Maartje Beekman 8 Het maken van een canon: werk in uitvoering Quentin Buvelot Friso Lammertse 12 codart Canon 100 Meesterwerken Nederlandse en Vlaamse kunst in chronologische volgorde Bijdragen van 100 conservatoren 216 Friends of codart 221 Dankwoord 222 Register 224 Fotoverantwoording

jan van eyck (Maaseik 1390/1399 – 1441 Brugge) hubert van eyck (Maaseik 1366/1370 – 1426 Gent) > De aanbidding van het Lam Gods (detail van Maria) 1432 Olieverf op paneel | 375 · 520 cm Sint-Baafskathedraal, Gent


Woord vooraf Maartje Beekman Directeur codart

r achel ruysch (Den Haag 1664 – 1750 Amsterdam) > Bloemstilleven (detail) ca. 1726 Olieverf op doek | 75,6 · 60,6 cm Toledo Museum of Art, Toledo, vs (aangekocht met behulp van een schenking van Edward Drummond Libbey)

Zou het niet mooi zijn als codart, als wereldwijd netwerk van conservatoren Nederlandse en Vlaamse kunst, een canon – een selectie van meesterwerken – kon samenstellen? Het was een vraag tijdens een diner na afsluiting van een codartfocus-studiedag in Mechelen in 2018. De vraag bleek een mooi gespreksonderwerp voor aan tafel en de aanwezigen werden naarmate de avond vorderde steeds enthousiaster over het idee. De eer voor het ontsteken van dit vuur gaat naar Luc Devoldere, destijds hoofdredacteur van Ons Erfdeel. De vlam brandt nog steeds, en met dit boek hopen we deze door te geven aan vele lezers. Niet alleen in dit opzicht voelt het codart Canon-project, dat we in 2019 startten, als een Olympiade. Een intensieve voorbereiding, een korte sprint, de uitslag die live te volgen was, persaandacht, commentaar vanaf de zijlijn – het is allemaal voorbijgekomen. Luc vertelde ons hoe hij meewerkte aan een literaire canon van Nederlandstalige literatuur vanuit Vlaams perspectief. Een uitgangspunt daarbij was dat de canon bestaat uit discussie óver de canon. Deze wil geen absolute waarheid verkondigen, niets opleggen, maar liever aanzetten tot nadenken over wat van waarde is, wat van belang is, en waarom. Die discussie is ook in het geval van de codart Canon volop gevoerd, door de leden van de programmacommissie die de eerste selectie samenstelden, door de leden van codart die hun selectie hebben doorgegeven, en door het publiek dat kon stemmen en zo de uitkomst kon sturen. De codart Canon is een weloverwogen selectie geworden, een lijst van honderd Nederlandse en Vlaamse meesterwerken uit verschillende disciplines uit de periode 1350-1750. Hoewel schilderkunst de boventoon voert, hebben we bewust een gewogen verdeling gemaakt zodat ook beeldhouwkunst, prent- en tekenkunst en toegepaste kunst vertegenwoordigd zijn. Alle informatie over het proces en de criteria kunt u nalezen op de website over de canon: canon.codart.nl. De codart Canon is, zoals elke canon, een momentopname. Deze zegt iets over de tijd waarin we leven. Als we de lijst een jaar later hadden samengesteld, was deze ongetwijfeld anders geweest, en wie weet hoe we over vijftig jaar naar deze lijst kijken. Het staat in ieder geval vast dat ieder van ons op een andere manier naar kunstwerken kijkt, los van de feiten die we erover kunnen leren. Een uitzonderlijk kunstwerk kan je raken, het kan je omverblazen, nieuwsgierig maken, inspireren. Het kan je doen verlangen naar een plek waar je nog nooit bent geweest, zoals de oud-voorzitter van onze Friends of codart Foundation schrijft in haar bijdrage over Hobbema’s Laantje van Middelharnis. Ik dank onze vrienden en de Nederlandse Ambassade in Brussel, zonder wie dit boek er niet was geweest, en ik dank alle leden van codart die hebben willen bijdragen aan het boek dat voor u ligt: honderd conservatoren uit 78 musea uit twintig landen. Dank voor het delen van jullie kennis en passie voor het vak. Ik hoop dat u, de lezer, geniet van deze bijzondere selectie en van de verhalen over deze prachtige kunstwerken.


Het maken van een canon: werk in uitvoering Quentin Buvelot & Friso Lammertse Voorzitter en oud-voorzitter van de codart programmacommissie

rembr andt van rijn (Leiden 1606 – 1669 Amsterdam) > Isaak en Rebekka bekend als Het Joodse bruidje (detail) ca. 1665-1669 Olieverf op doek | 121,5 · 166,5 cm Rijksmuseum, Amsterdam (bruikleen van de gemeente Amsterdam, legaat A. van der Hoop)

Iedereen maakt wel eens een lijst of lijstje, al is het maar om je eraan te herinneren welke boodschappen je nog moet doen of wie je nog moet bellen of mailen. Sommigen gebruiken het voor veel meer dan dat: voor het ordenen van hun werk, hun leven of de wereld om hen heen. De beroemde schrijver Umberto Eco (1932-2016), die in 2009 zijn boek De betovering van lijsten aan dit onderwerp wijdde, beschouwde het opstellen van een lijst zelfs als het begin van cultuur. Hij benadrukte dat juist bij kunstgeschiedenis de lijst een essentieel middel is om te rangschikken, om vat te krijgen op een schier oneindig aantal mogelijkheden. Het boek dat nu voor u ligt is zo’n lijst, een lijst met honderd meesterwerken die tussen grofweg 1350 en 1750 in de Lage Landen ontstonden of elders werden gemaakt door kunstenaars die uit het huidige Nederland en België afkomstig waren. Het gaat om cruciale werken voor deze periode. Er is brutaliteit – sommigen zouden zeggen overmoed – nodig om een dergelijke verzameling tot een canon te verklaren. Een canon is immers een lijst met pretentie en claimt een bepaalde autoriteit. Als echter één groep mensen in staat zou moeten zijn om een dergelijke selectie te maken, zijn het wel de conservatoren die overal ter wereld in hun museum de oude Nederlandse en Vlaamse kunst beheren. Al sinds 1998 verenigt deze groep zich in codart. Het lag dus voor de hand dat deze organisatie het project op zich nam. Als alle leden een lijst hadden gemaakt, zouden er evenzoveel lijsten zijn geweest, met veel overlap, maar ook met talloze verschillen. De uiteindelijke keuze is dan ook een compromis, de uitkomst van talloze lijsten, bijeenkomsten en vergaderingen met soms zeer verhitte woordenwisselingen tussen de leden van de programmacommissie van codart. Ook tijdens een openbaar toegankelijk symposium in het Rijksmuseum, op 18 november 2019, kwam een pittige discussie op gang. Na de laatste ronde waarbij ook het publiek kon meestemmen, hebben uiteindelijk de leden van codart gekozen. Vanaf het begin stond vast dat het een canon van kunstwerken en niet van kunstenaars zou zijn. Uit de aard van hun beroep zijn conservatoren sterk objectgericht. Uiteraard is de maker belangrijk, maar het gaat hun in de eerste plaats om het fysieke werk. Bovendien biedt deze keuze de mogelijkheid om anonieme werken op te nemen, zoals een met apen versierde beker uit ca. 1425-1450 (p. 26) of de invloedrijke serie prenten met landschappen, waarvan de onbekende ontwerper de noodnaam – een typisch kunsthistorisch verschijnsel – Meester van de Kleine Landschappen heeft gekregen (p. 88). Maar ook om juist dat ene superieure stuk van een kunstenaar te kunnen toevoegen, wiens overige œuvre de middelmaat niet ontstijgt, zoals het adembenemende stilleven in het Mauritshuis van Pieter van Anraedt (p. 188). In de eerste plannen zou de canon een lijst van louter schilderijen worden. Bij nader inzien leek het ons interessanter en verrassender om ook de andere kunstvormen die tot het werkgebied van de conservatoren van codart behoren – beelden, tekeningen, prenten en kunstnijverheid – op te nemen. De schilderkunst heeft met zestig


10 van de honderd nummers nog wel steeds een overwicht. Dat leek ons gerechtvaardigd omdat de schilderkunst vrijwel altijd, en zeker de laatste eeuwen, de meeste aandacht en daarmee de meeste invloed heeft gehad. Maar wat maakt een kunstwerk cruciaal, wat zijn de redenen om het in deze lijst van honderd op te nemen? Hoewel deze codart Canon naar ons weten de eerste in zijn soort is, bestaat er een lange traditie in het rangschikken van kunst uit de Lage Landen, die onder andere tot uitdrukking komt in tal van overzichtswerken over de Nederlandse en Vlaamse kunst. Het ordenen begint eigenlijk meestal al op het moment dat het werk in de wereld komt. Bij de keuze van de honderd kunstwerken is het belangrijk zich bewust te zijn van deze voorgeschiedenis. Wat wij nu belangrijk of mooi vinden is bepaald door tradities, die zich in de afgelopen eeuwen vormden. Een groot aantal in de Lage Landen vervaardigde kunstwerken vond de afgelopen eeuwen een nieuwe eigenaar buiten de landsgrenzen, waarmee de waardering van deze objecten aanzienlijk werd vergroot. Eind achttiende eeuw konden verzamelaars werkelijk hun slag slaan, want toen kwamen de mooiste verzamelingen van Oude Meesters op de kunstmarkt terecht, als gevolg van onzekere tijden in Europa (na het uitbreken van de Franse revolutie in 1789 en de napoleontische oorlogen vanaf 1792). Het Musée Napoléon, ondergebracht in het Louvre, was enkele jaren een soort van gedroomd museum, waarin een enorm aantal topstukken van oude kunst was samengebracht, afkomstig uit verschillende Europese landen. Dit museum bepaalde als het ware lange tijd de canon, mede door de uitgave van de Galerie du Musée Napoléon (tien delen, 1804-1815). In deze geïllustreerde catalogi staan ook topstukken van Hollandse en Vlaamse meesters, waaronder Potters Stier (p. 162). Vanwege het alledaagse onderwerp op groot formaat en de vergaande detaillering kreeg het schilderij enorme faam toen het gedurende twintig jaar in het Louvre werd getoond, nadat de Fransen het vanuit Den Haag als roofkunst hadden meegenomen naar Parijs. Destijds was het een van de beroemdste Hollandse schilderijen in Frankrijk. Die status is sinds de negentiende eeuw misschien wat afgenomen, maar het betreffende schilderij is wél opgenomen in de codart Canon. De gangbare smaak werd in de negentiende eeuw niet alleen bepaald door musea en privéverzamelaars, maar ook door kunsthandelaren. Bijzonder is dat een van deze handelaren, de Engelsman John Smith (1781-1855), uitgebreid publiceerde over schilderijen van Hollandse en Vlaamse kunstenaars. Zijn omvangrijke Catalogue Raisonné of the Works of the Most Eminent Dutch, Flemish and French Painters (negen delen, 1829-1842) vormde lange tijd een bijbel voor kunstverzamelaars. Deze zou de canon voor Hollandse en Vlaamse schilderkunst lange tijd bepalen. Smith catalogiseerde het werk van vele Hollandse schilders, beginnend met Gerard Dou, die toen zeer geliefd was. Bij de vertegenwoordigers van de Vlaamse schilderkunst beperkte hij zich tot Coques, Van Dyck, Rubens en Teniers. In vele verzamelingen die in die tijd in Europa werden bijeengebracht, ook die van musea, zie je de invloed van de œuvrecatalogi van Smith. Schilders als Johannes Vermeer of Frans Hals, die wij beschouwen

albert eckhout (Groningen ca. 1610 – 1666 Groningen) > Dans van de Tapuyas ca. 1640-1650 Olieverf op doek | 172 · 295 cm Nationalmuseet, Kopenhagen

als grote kunstenaars, ontbreken bij Smith. Zij moesten nog worden ‘herontdekt’ door de Franse kunsthistoricus en criticus Théophile Thoré (1807-1869), die Smith’ catalogi veelvuldig had geraadpleegd. De visie van de Fransman op de kunst van de Lage Landen klinkt nog steeds sterk door in onze huidige opvattingen. Thoré’s smaak komt naar voren in zijn publicaties, maar ook in zijn privéverzameling. Daarin waren schilderijen van Vermeer opgenomen (diens werk was toen nog verkrijgbaar), en ook Fabritius’ Puttertje, een schilderij dat tegenwoordig ongekend geliefd is (p. 178). Het is duidelijk: reputaties komen en gaan, ook die van Hollandse en Vlaamse kunstenaars. Hun roem werd en wordt bepaald binnen de grenzen van Nederland en België, maar evenzogoed daarbuiten. Het waren Engelse liefhebbers die in de achttiende eeuw speciale belangstelling kregen voor monumentale Hollandse landschappen, in het bijzonder voor die van Aelbert Cuyp (p. 184). De faam van Vermeer begon pas te groeien, nadat vanaf 1850 Franse bewonderaars als Thoré en later Marcel Proust (1871-1922) hem onder de aandacht hadden gebracht. Amerikaanse verzamelaars aan het begin van de twintigste eeuw zorgden ervoor dat de Delftse schilder definitief op de ‘schildersparnassus’ kwam te zitten. Elke tijd heeft zijn eigen favorieten en voorkeuren. Wie en welke dat zijn, is na te gaan, maar vastomlijnd is dat nooit. Bepaalde tendensen zijn te onderscheiden, maar op het moment dat je ze wilt vastleggen, blijken ze weerbarstige materie. Iedere keuze heeft niet alleen te maken met de gekozen uitgangspunten, maar ook met persoonlijke voorliefdes, met de waarde die aan bestaande tradities of historische opvattingen of juist aan nieuwe ontwikkelingen wordt gehecht.


Zoals in het Woord vooraf al is gezegd, is elke canon een momentopname, en dat is de kracht ervan. Hij kan daardoor als een ijkpunt fungeren voor wat op een bepaald moment belangrijk wordt geacht. Als tien jaar geleden een dergelijke lijst zou zijn opgesteld, zou deze er anders hebben uitgezien. Zo lijkt het niet waarschijnlijk dat toen alle vrouwelijke kunstenaars zouden zijn opgenomen die nu wel zijn geselecteerd. Hoe de lijst er over tien jaar zal uitzien, is moeilijk vast te stellen. Zal Rembrandts Nachtwacht (p. 156) nog van de partij zijn? De commissie die de eerste opzet van de huidige canon opstelde, had het schilderij niet gekozen in de overtuiging dat Rembrandts Joodse bruidje (p. 8) op dit moment meer wordt gewaardeerd. Maar in de tweede ronde, toen de leden van codart hun reacties mochten geven, werd deze beslissing direct ongedaan gemaakt. De commissie had ook Albert Eckhouts Dans van de Tapuyas (Nationalmuseet, Kopenhagen) geselecteerd. Het schilderij, een bijzonder en zeldzaam werk waaruit het koloniale verleden van de Hollandse republiek in Brazilië naar voren komt, overleefde de tweede ronde echter niet.

De codart Canon is samengesteld door museumconservatoren. Hun keuzes kunnen niet los gezien worden van de ideeën van andere kunsthistorici en tentoonstellingsmakers, maar ook van journalisten, schrijvers, handelaren, kunstenaars en museumbezoekers. Het gaat om een wisselwerking, die van talloze factoren afhankelijk is en zich iedere keer weer langs andere paden ontwikkelt. Recente tentoonstellingen, publicaties en spraakmakende restauraties hebben ervoor gezorgd dat de schilderijen van vijftiende-eeuwse kunstenaars als Jan van Eyck, Rogier van der Weyden en Hans Memling weer op het netvlies van vele kunstliefhebbers staan. Maar het onderzoek en de tentoonstellingen in de afgelopen decennia van onderbelichte groepen kunstenaars in de Hollandse schilderkunst hebben zeker niet altijd tot een grotere waardering bij een algemeen publiek geleid. Pieter Lastman, de belangrijkste leermeester van Rembrandt, is nog altijd geen beroemdheid, ondanks de aandacht voor de zogenaamde ‘Pre-Rembrandtisten’. Hetzelfde geldt voor Caesar van Everdingen, de voorman van het Hollands classicisme (p. 168), terwijl toch een groep specialisten grote waardering voor hem heeft. Het onderzoek naar en de exposities van de fijnschilders heeft Gerard Dou niet de enorme faam teruggegeven die hij van de zeventiende tot ver in de negentiende eeuw genoot. Adriaen Coorte is daarentegen door ontelbare bewonderaars in de armen gesloten. In het algemeen lijkt het erop dat de virtuositeit van de kunstenaar vandaag de dag minder van belang wordt geacht; een zekere eenvoud lijkt op prijs te worden gesteld. Dus is er wel veel belangstelling voor de eenvoudige composities van Coorte (p. 210), maar niet voor de bonte stillevens van de in vakmanschap en overdaad excellerende Jan Davidsz. de Heem.

Omdat het maar om honderd kunstwerken gaat, heeft veel, heel veel, de uiteindelijke selectie niet gehaald. Er is geprobeerd ook kunstwerken te kiezen uit kleinere instellingen, maar het merendeel komt uit de grote en beroemde musea. Dat is onontkoombaar. Deze canon gaat niet om onbekende meesterwerken, maar juist om werken die doordat ze steeds weer worden genoemd, een vaak iconische status hebben bereikt. Wij hopen dat velen de lijst en de teksten met plezier zullen bestuderen en geïnspireerd zullen raken om de werken in het echt te gaan bekijken. Maar ongetwijfeld zullen er ook mensen zijn die teleurgesteld zijn, zo niet verontwaardigd, omdat bepaalde werken niet voorkomen. Anderen zullen het hele idee van deze canon verwerpen in de overtuiging dat kunst iets is dat we juist niet moeten classificeren en al helemaal niet binnen landsgrenzen. Omdat de leden van codart deze canon hebben samengesteld, lag de beslissing om zich tot de Lage Landen te beperken voor de hand. Het komt zeker niet voort uit nationalisme – de meeste leden hebben immers geen Belgische of Nederlandse achtergrond. Het komt voort uit de bewondering van en verwondering over de uitzonderlijke kunstproductie in deze gebieden. In musea is meestal slechts een selectie van hun collectie te zien; een aanzienlijk deel ligt opgeslagen in depots. In de zalen zelf krijgen bepaalde kunstwerken een ereplaats terwijl andere met een donker hoekje genoegen moeten nemen. Zelfs in de dikste overzichtswerken van de Nederlandse en Belgische kunst worden noodgedwongen talloze kunstenaars en prachtige kunstwerken weggelaten. We ontkomen niet aan ordening en selectie. Deze canon hoopt een beeld te geven van wat op dit moment belangrijk wordt geacht in de kunst van de Lage Landen vóór 1750. Door het beperkte aantal werken is het een scherpe keuze. Misschien te strikt in uw ogen, maar dan staat niets u in de weg zelf aan de slag te gaan: maak uw eigen lijst!


12


codart Canon 1350-1750


14

1350 16 Borstbeeld van de Heilige Frederik Elias Scerpswert 18 Kruisigingsretabel Jacques de Baerze & Melchior Broederlam 20 Kaarsenkroon Anoniem 22 Mozesput Claes Sluter

1400 24 Les Très Riches Heures du Duc de Berry Gebroeders Van Limburg 26 Beker met apen Anoniem 28 De panelen van Flémalle Meester van Flémalle 30 Aanbidding van het Lam Gods bekend als Het Gents Altaarstuk Jan & Hubert van Eyck 32 Portret van Giovanni (?) Arnolfini en zijn vrouw bekend als het Arnolfini Portret Jan van Eyck 34 De Kruisafneming Rogier van der Weyden 36 Triptiek met Het Laatste Avondmaal Dieric Bouts 38 Reliekschrijn van Karel de Stoute met Sint-Joris Gérard Loyet 40 Portret van een jonge vrouw Petrus Christus 42 Aanbidding der koningen bekend als het Monforte-altaarstuk Hugo van der Goes 44 Twee vechtende boeren bij het kegelspel Meester fvb 46 Getijdenboek van Maria van Bourgondië Meester van Maria van Bourgondië 48 Diptiek van Maarten van Nieuwenhove Hans Memling 50 Praalgraf van Maria van Bourgondië Renier van Thienen & Jan Borman (ii) 52 Johannes de Doper in de woestijn Geertgen tot Sint Jans 54 Sint-Jorisretabel Jan Borman (i) ? & Jan Borman (ii) 56 De Tuin der Lusten Jheronimus Bosch

1500 58 Het uilennest Jheronimus Bosch 60 Studieblad met de Spinario, laarzen, helmen en leeuwenkoppen Jan Gossart 62 Triptiek van de broederschap der Heilige Anna Quinten Massys 64 Het melkmeisje Lucas van Leyden 66 Besloten hofje met de Heilige Elisabeth, Ursula en Catharina Anoniem 68 Charon steekt de rivier Styx over Joachim Patinir 70 Danaë Jan Gossart 72 Slag bij Pavia (serie) Willem & Jan Dermoyen 74 Pieter Jan Foppesz. en zijn gezin Maarten van Heemskerck 76 Glas-in-loodramen en cartons van de Sint-Janskerk in Gouda Dirck & Wouter Pietersz. Crabeth, Joachim Wtewael e.a. 78 Bordeelscène Jan Sanders van Hemessen 80 Cartons voor wandtapijten van De verovering van Tunis door Karel v Jan Cornelisz. Vermeyen 82 Vleesstal met de Heilige Familie Pieter Aertsen 84 Zeden en gewoonten der Turken Pieter Coecke van Aelst 86 Val van de opstandige engelen Frans Floris 88 Kleine landschappen (serie) Joannes & Lucas van Doetecum 90 Portretten van Sir Thomas Gresham en zijn vrouw Anne Ferneley Anthonis Mor 92 Jagers in de sneeuw Pieter Bruegel de Oude 94 De imkers Pieter Bruegel de Oude 96 Zelfportret Johan Gregor van der Schardt 98 De vier zondaars Hendrick Goltzius 100 Mercurius ontvoert Psyche Adriaen de Vries


1600 102 Sine Cerere et Libero friget Venus Hendrick Goltzius 104 Karel van Mander op zijn sterfbed Jacques de Gheyn (ii) 106 Winterlandschap met schaatsers Hendrick Avercamp 108 Naer het leven (serie) Roelant Savery 110 Kruisoprichting Peter Paul Rubens 112 Plaisante plaetsen (serie) Claes Jansz. Visscher 114 Kan met deksel Adam van Vianen (i) 116 Praalgraf van Willem van Oranje Hendrick de Keyser 118 Stilleven met kazen, amandelen en krakelingen Clara Peeters 120 De bespotting van Christus Gerard van Honthorst 122 De vijf zintuigen (serie) Jan Brueghel de Oude & Peter Paul Rubens 124 Vier marktscènes Frans Snijders 126 Nicolaas Rubens met een ketting van koraal Peter Paul Rubens 128 Een paar bruidshandschoenen Anoniem 130 Portret van Tieleman Roosterman (?) bekend als ‘The Laughing Cavalier’ Frans Hals 132 De Heilige Sebastiaan verzorgd door Irene Hendrick ter Brugghen 134 De bemoste boom Hercules Segers 136 Iconografie (serie) Anthony van Dyck 138 De kunstkamer van Cornelis van der Geest Willem van Haecht 140 De Heilige Susanna François Du Quesnoy 142 De jonge fluitspeler Judith Leyster 144 De drie Gratiën Peter Paul Rubens

146 Portret van Saskia Rembrandt van Rijn 148 Karel i op jacht Anthony van Dyck 150 De rokers Adriaen Brouwer 152 Ontbijtje Pieter Claesz. 154 De koning drinkt Jacob Jordaens 156 Schutters van wijk ii onder leiding van kapitein Frans Banninck Cocq bekend als De Nachtwacht Rembrandt van Rijn 158 De drie bomen Rembrandt van Rijn 160 Gezicht op Haarlem en het Haarlemmermeer Jan van Goyen 162 De stier Paulus Potter 164 Schuttersmaaltijd ter viering van de Vrede van Münster Bartholomeus van der Helst 166 Huiselijke werkzaamheden (serie) Geertruydt Roghman 168 Oranjezaal Jacob van Campen, Jacob Jordaens en anderen 170 Vierschaar Artus Quellinus (i) 172 Interieur van de Sint-Odulphuskerk in Assendelft Pieter Saenredam 174 De bedreigde zwaan Jan Asselijn 176 Rustend hondje Gerard Dou 178 Het puttertje Carel Fabritius 180 Galante conversatie bekend als De vaderlijke vermaning Gerard ter Borch 182 De Joodse begraafplaats Jacob van Ruisdael 184 Gezicht op Dordrecht vanuit het noorden Aelbert Cuyp

186 De binnenplaats van een huis in Delft Pieter de Hooch 188 Stilleven met aardewerken kruik en pijpen Pieter van Anraedt 190 Het melkmeisje Johannes Vermeer 192 Gezicht op Delft Johannes Vermeer 194 Briefschrijvende jongeman bij geopend venster en Brieflezende vrouw Gabriël Metsu 196 Zelfportret met twee cirkels Rembrandt van Rijn 198 Het Sint-Nicolaasfeest Jan Steen 200 Gezicht op de Gouden Bocht in de Herengracht vanuit het oosten Gerrit Adriaensz. Berckheyde 202 Het laantje van Middelharnis Meindert Hobbema 204 Tulpenvaas ‘Grieksche a’-werkplaats onder leiding van Adrianus Kocx 206 Het poppenhuis van Sara Ploos van Amstel-Rothé Anoniem

1700 208 Granaatappel en blauwe Morpho menelaus-vlinder Maria Sibylla Merian 210 Stilleven met bosaardbeien Adriaen Coorte 212 Bloemstilleven Rachel Ruysch 214 Preekstoel Laurent Delvaux


16

elias scerpswert (Utrecht 1320/1330 – 1387 Utrecht) > Borstbeeld van de Heilige Frederik 1362 Deels verguld zilver | 45,2 · 24,2 · 17,5 cm Rijksmuseum, Amsterdam (aankoop met steun van de Vereniging Rembrandt en het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap) In 1578 slaat in Utrecht het noodlot toe. Door de voortdurende strijd tussen de Spanjaarden en opstandelingen zit de Republiek in een diepe financiële crisis. De Utrechtse kerken worden door de StatenGeneraal in Brussel gesommeerd om al hun gouden en zilveren voorwerpen af te staan ten behoeve van de leeggelopen staatskas. In slechts drie maanden tijd verdwijnt al het middeleeuwse edelsmeedwerk in de smeltovens van de plaatselijke munt en is het einde van de Utrechtse dom- en kerkschatten een feit. De wonderschone houder voor het schedelreliek van de Heilige Frederik ontspringt de dans. Hoe kan dat? En wat maakt deze zo bijzonder? Dankzij een unieke inscriptie op de bodemplaat weten we veel over de totstandkoming van de buste. In 1362 gaf het kapittel van de Oud-Munster- of Sint-Salvatorkerk opdracht aan de plaatselijke goudsmid Elias Scerpswert om deze reliekhouder te vervaardigen, nadat kort ervoor de tombe van bisschop Frederik (ca. 780-838) was geopend. Scerpswert gold indertijd als een van de meest vooraanstaande goud- en zilversmeden van de stad. De verfijning en expressie van de buste zijn excellent. De stilistische invloed van de voorname West-Europese kunstcentra, zoals Keulen en Parijs, is onmiskenbaar. De reliekhouder is het best gedocumenteerde, Utrechtse, middeleeuwse kunstwerk dat aan ons is overgeleverd, waardoor we het in de eeuwen na de vervaardiging goed kunnen volgen. Aan het einde van de zestiende eeuw – na de reformatie en Beeldenstorm – wordt de Sint-Salvatorkerk bedreigd met afbraak. In 1578, kort voor de confiscatie van kerkelijke kostbaarheden, besluit het kapittel het noodlot te omarmen. Het zet alle schatten in negen kisten klaar. Het borstbeeld ontbreekt echter. Het kapittel sluist namelijk kort ervoor de pronkstukken in het geheim weg naar vertrouwelingen in het Duitse Emmerik. Vele katholiek gebleven reliekredders bekommeren zich in de daaropvolgende eeuwen over de buste. In de negentiende eeuw koopt het Rijksmuseum het borstbeeld en de rest is geschiedenis. In 2019 maakte ik de tentoonstelling De Münster Domschat, waarin veel aandacht was voor het verhaal van de verloren schatten van de Utrechtse kerken. Ik heb zo vaak het grote verlies dat de Domstad leed betreurd. Utrecht, als bisschopszetel, kende in de middeleeuwen een bloeiend kunstenaarsklimaat. Daarvan getuigen de vele Utrechtse topstukken in musea wereldwijd. Topstukken van hout, steen, perkament en zijde, maar door de omsmelting zeer zelden van zilver of van goud. Gelukkig is daar altijd nog Frederik, waardoor we toch oog in oog kunnen staan met een schitterend staaltje Utrechts meesterschap en een glimp kunnen opvangen van wat glans gaf aan de geloofsbeleving van onze voorvaderen. Annabel Dijkema Hoofd museale zaken Slot Loevestein, Poederoijen


> 1362

1400

1500

1600

1700


18


jacques de baerze (actief vóór 1384 – na 1399) melchior broederlam (Ieper ca. 1355 – ca. 1411 Ieper) > Kruisigingsretabel 1391-1399 Beschilderd en verguld hout, olieverf op paneel | 167 · 502 cm Musée des Beaux-Arts, Dijon Hertog Filips de Stoute (1342-1404) stichtte het kartuizerklooster Chartreuse de Champmol nabij Dijon in het laatste kwart van de veertiende eeuw en gaf vooraanstaande kunstenaars opdrachten om het te verfraaien. In 1390 ziet hij in de Bijloke in Gent twee in hout gesneden altaarstukken van Jacques de Baerze, waarna hij besluit twee retabels – een met martelaren en heiligen, en een met de kruisiging – bij dezelfde meester te bestellen voor Champmol. Deze opdracht is bijzonder goed gedocumenteerd. Zo is bekend dat De Baerze de twee retabels in 1391 vanuit Dendermonde levert aan Dijon, waarna ze in 1393 naar Ieper worden gebracht om ze te laten polychromeren door Melchior Broederlam. In 1399 worden de altaarstukken geplaatst in het kapittelhuis en de kloosterkerk. Ruim 600 jaar later is alleen het kruisigingsdrieluik volledig bewaard gebleven. De door Broederlam geschilderde luiken vormen een iconografische eenheid met het beeldhouwwerk van De Baerze. Kunst uit de late veertiende eeuw is schaars en beeldhouwkunst met originele polychromie is zeer zeldzaam. Het is dan ook uitzonderlijk dat dit retabel in goede staat aan ons is overgeleverd. Tevens is het een van de weinige getuigenissen van de adembenemende kwaliteit van laat veertiende-eeuwse kunst. Ragfijn gesneden nissen met rozetvensters, pinakeltjes en rondzwevende engeltjes bekronen de figuren die van links naar rechts drie verhalen verbeelden: de Aanbidding door de koningen, de Kruisiging en de Graflegging. Zware gewaden met ronde plooival geven de figuren volume en maken hen los van de architectuur. Maar het zijn vooral de bewegingen en emoties van de figuren die het werk zo krachtig maken. Aandoenlijk zijn het handje van de kleine Jezus op de wang van de geknielde koning, en de ondersteuning en troost die Johannes en Maria Magdalena bieden aan de Maagd tijdens de graflegging. Deze interesse in het menselijke aspect is ook terug te vinden op de geschilderde luiken van Melchior Broederlam die de Annunciatie, Visitatie, Presentatie in de Tempel en de Vlucht naar Egypte weergeven. Jozef die stilhoudt om zijn waterfles leeg te gieten in zijn mond en Maria die haar kindje teder onder haar mantel beschermt. Dit gaat gepaard met een realistische schilderstijl, suggestie van diepte en subtiele lichtinval. De schilder plaatst de figuren in innovatieve ruimtes die – hoewel niet correct perspectivisch geschilderd – toch een sterke dieptewerking suggereren. Ook het landschap dat zich opwerpt als een moeilijk te beklimmen berg, kenmerkt zich door de nauwgezette en realistische weergave van natuurlijke details. Het schilderwerk is een lust voor het oog en werpt in vele opzichten een blik vooruit naar de kunst van de Vlaamse primitieven. Anne van Oosterwijk Hoofd collecties Musea Brugge, Brugge

> 1391 1400

1500

1600

1700


20

anoniem Gelre (Zutphen) > Kaarsenkroon ca. 1395 IJzer, oorspronkelijk waarschijnlijk (gedeeltelijk) verguld en beschilderd | 270 cm, ø 264 cm Sint-Walburgiskerk, Zutphen In de Zutphense Sint-Walburgiskerk hangt op enkele meters hoogte een monumentale kaarsenkroon uit omstreeks 1395. Boven het hoofd van de kerkgangers ontvouwt zich een intrigerend schouwspel van zwarte schaduwfiguren waaronder eenhoorns, herten, jagers, reidansers en liefdesparen. Dit beeldverhaal bevindt zich op de onderste etage van de tiaravormige kroonluchter en is een aaneenschakeling van uit ijzer gesmede hoofse scènes. Daaronder een fries met de namen van de twaalf apostelen, Christus en Maria. Het geheel geeft ons een blik op de veertiende-eeuwse adellijke voorstellingswereld, zowel de profane als de religieuze. De kaarsenkroon hangt, een kort uitstapje naar een tentoonstelling in 2018 daargelaten, al ruim zes eeuwen onafgebroken in situ. Dat dit fameuze smeedwerk zich nog altijd in de Sint-Walburgiskerk bevindt en de zestiende-eeuwse religieuze onlusten heeft overleefd, is voor Nederlandse begrippen bijzonder. Bovendien is het een van de slechts zes zogenoemde Jeruzalemluchters die in Europa bewaard zijn gebleven. Deze luchters worden gekenmerkt door hun dodecagonale plattegrond met architecturale elementen en symboliseren het hemels Jeruzalem. Het neerdalen van deze eschatologische stad aan het einde der tijden wordt beschreven in het Bijbelboek Openbaring (21-22). Andere voorbeelden zijn de beroemde Barbarossaluchter in de Paltskapel in Aken en die in de Dom van Hildesheim. Door de hoge tiaravorm en de scènes rondom neemt de Zutphense kaarsenkroon een unieke plaats in binnen de kleine groep bewaard gebleven Jeruzalemluchters. Toch is het vooral het bijzondere decoratieprogramma waardoor deze luchter tot de canon van de Nederlandse en Vlaamse kunst vóór 1750 behoort. Op de twaalf friezen is een keur aan adellijke bezigheden te zien, onder andere de hertenjacht met jagers, honden en hoornblazers. Deze jacht kan ook gezien worden als een verwijzing naar het liefdesspel waarbij het hart van een vrouw moet worden veroverd. Ditzelfde geldt voor de vele eenhoorns die op de friezen te zien zijn en die eveneens bejaagd worden. Deze mythologische dieren zouden alleen gevangen kunnen worden door een maagd in wier schoot de eenhoorn zijn hoofd legt. Vanuit een christelijk oogpunt kan dit ook verwijzen naar Christus die uit de maagdelijke schoot van Maria werd geboren. De eenhoorn zou daarmee verwijzen naar de menswording van Christus. Het hoofse karakter van het beeldverhaal komt ook tot uiting door een minnend liefdespaar onder een boom. Mogelijk een verbeelding van de legende van Tristan en Isolde, een in de middeleeuwen veelgelezen liefdesverhaal. Wie de opdrachtgever van deze bijzondere kaarsenkroon in Zutphen is geweest is helaas niet duidelijk, maar deze zal binnen het hertogelijk hof in Gelre gezocht moeten worden. Ingmar Reesing Conservator Museum Gouda, Gouda


> 1395 1400

1500

1600

1700


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401473996 by Uitgeverij Lannoo - Issuu