Jean Blaute
MET VALLEN EN OPSTAAN De memoires
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagontwerp: Studio Lannoo Lay-out: Armée de Verre Bookdesign Foto cover: Saskia Vanderstichele Foto’s binnenwerk: archief auteur, foto p. 192 © Tom Gorré ©Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2022 en Jean Blaute D/2022/45/476 – ISBN 978 94 014 7396 5 – NUR 661 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever
INHOUD
VOORWOORD 7 1
DE ZOON VAN DE MUZIEKWINKEL 9 Een ongewone jeugd en Zottegems-Waalse roots
2
DE VIJFDE BEATLE 27 Hoe The Fab Four en producer George Martin hun stempel drukten
3
DE VRIJE WERELD VAN ROLAND 35 Weg met school en gehoorzaamheid, leve de bohemien
4
IK BRENG ANDEREN NAAR DE MEET 51 Drs. P doceert onzin en de waarde van kunde in het Arcatheater
5
TE HARD GEWERKT EN GEFEEST 62 De hipste vogel in de studio’s verleidt Wim De Craene en crasht
6
DE LESSEN VAN KLUGER 77 Via Johan Verminnen en Jean Kluger naar meer discipline
7
DOORBRAAK NA TIEN JAAR PLOETEREN 94 Raymond van het Groenewoud en de Centimeters breken de ban
8
LIEVER SPEELS DAN KOMISCH 110 Urbanus en De Nieuwe Snaar, of hoe humor in muziek werkt
9
DE RARE JAREN TACHTIG 124 De era van de digitalisering en een in elkaar stuikende belpop
10
SCHOON INTERNATIONAAL VOLK IN DE ICP 151 Over een studio als ontmoetingsplaats en avonturen in musicalland
11
DE SUCCESVOLLE JAREN NEGENTIG 168 Schoten in de roos met K’s Choice, Clouseau, Turalura, De Kreuners, De Mens, Hugo Matthysen
12
DE WILDE FANTASIE VAN DE BOECHOUTSE FILOSOFEN 193 In het wonderlijke brein van Bart Peeters, Hugo Matthysen en Jan Leyers
13
DE UITSTAPJES VAN EEN MEDIAMENS 204 Over zijpaadjes richting televisie, (motor)reizen en ny-jazzclubs
14
OUDE VRIENDEN EN NIEUWE VERBONDEN 233 Mooie en verrassende producties in de jaren 2010
15
ET MAINTENANT… UN BILAN 247 Reflecteren over leven, liefdes, studiowerk en de toekomst Chronologisch overzicht Register
266 268
VOORWOORD
Dierbare lezer, Mijn oprechte dank omdat u dit boek hebt gekocht of omdat u het hebt gestolen bij uw grootvader, die het kocht voor oma’s verjaardag. Wees gerust, de opbrengst gaat integraal naar een goed doel, namelijk mijzelf. U moet weten: ik ben een kleine zelfstandige, net als wijlen mijn ouders, heb nooit een vaste job gehad, nooit een baas, nooit een sociaal-financieel vangnet. Dat heeft mij nooit één halve bal kunnen schelen en toch was het bij momenten balen om te kunnen betalen. Nu nog. ‘Hoe is dat toch mogelijk?’ hoor ik u vol ongeloof roepen. ‘Zo’n beroemdheid, zo knap, zo mooi, zo blond en om de haverklap op de televisie. Die moet toch een kapitalist zijn, met bv-korting in de winkels en een vette rekening op de Kaaimaneilanden?’ Niet dus, en dat ga ik u haarfijn proberen uit te leggen tijdens onze gezamenlijke trip door mijn uitpuilende zeventigjarige geheugen. Verwacht geen saillante kommer en kwel over mijn spaak gelopen relaties, ook niet over mijn huidige schandalig actieve seksleven. Ook geen sentimentele kwijl over hoe graag ik mijn twee kinderen zie, ik zeg ze dat wel rechtstreeks. U zult geen gênante geheimpjes vernemen over al die fantastische artiesten met wie ik heb gewerkt, gespeeld, geproducet en het leven gedeeld. Roddelen en revanchisme behoren nu eenmaal niet tot mijn hobbysfeer. Oei, wat blijft er dan nog over? Meer dan genoeg. In goed gezelschap en met wat gefermenteerde vloeistof erbij kan ik mijn toehoorders urenlang entertainen met de herinneringen aan dat
7
ongewone leven dat ik in ontvangst mocht nemen, met dank aan mijn wel heel speciale ouders. Met dank ook aan zowat iedereen die mijn pad kruiste. Een grote buiging voor al die mensen die vanaf de volgende bladzijde de revue passeren, is meer dan gepast. Ik hoop dat u zich amuseert tijdens het lezen en het bekijken van de greep uit mijn persoonlijke fotocollectie. Af en toe een traan wegpinken is ook toegestaan, want er is meer dan de eeuwige zotskap Jean Blaute. Dat zal na het dichtklappen van het boek wel duidelijk zijn. En o ja, mocht u mij later ergens tegen het lijf lopen, begin dan niet te zagen over die ene prachtige single van Joske V. die niet vermeld werd. Ik zal steevast antwoorden met de woorden: ‘O fuck, helemaal vergeten.’ Afgesproken? Met hartelijke groet, Jean Corry Léonard Blaute
8
1
DE ZOON VAN DE MUZIEKWINKEL Een ongewone jeugd en Zottegems-Waalse roots
Ik lag in mijn bedje en kon de slaap niet vatten. Een verdieping lager was mijn vader accordeons aan het stemmen. Het ambacht dat hij geleerd had, oefende hij noodgedwongen ’s nachts uit. We hadden het in die periode niet breed thuis. Om genoeg geld in het laatje te brengen, moest vader er een dagtaak bijnemen, als verkoper bij kaasmaker Het Klaverken in Herzele. Daar lag ik dan in het donker te luisteren naar het fwieten van accordeons. Noem het gerust mijn eerste vorming. Ear training. Op die manier heb ik als vierjarige de kwinten en kwarten leren kennen. Ook heb ik er mijn eeuwige liefde voor de accordeon en zijn klank aan te danken. Ik hield er overigens nog iets aan over, want tot op vandaag ben ik een slechte slaper. Ik kon eerder noten lezen dan woorden. De aanstoker was, zij het onrechtstreeks, mijn grootoom Roger. Die gaf me op mijn vijfde een groene melodica, een geste waarvan hij de verstrekkende gevolgen onmogelijk had kunnen inschatten. Nonkel Roger speelde zelf niet onverdienstelijk blokfluit en samen deden we zotte deuntjes na die we kenden van de radio. Toen mijn vader, een muzikant in hart en nieren, ons bezig hoorde, vond hij het tijd voor de eerste lesjes notenleer, door hem keurig neergepend in een blauw schriftje. In het prachtigste handschrift. Amper een jaar later was ik al rijp voor het echte werk, pianolessen. Zes jaar lang was de lieve lerares Mimi mijn gids. Stap voor stap wijdde ze me op woensdagmiddag in de schoonheid van Bach in, met de juiste vingerzetting en nuances. Menuetjes, fuguettes
9
en tweestemmige Inventionen. Ik werd als tienjarige smoorverliefd op mijn mooie pianolerares. Terwijl ik zowat wegsmolt, speelde ze op het einde van een leesuurtje nog een extraatje op haar Gaveau-vleugel. For my ears only. Een stukje Chopin. Ik betaalde 60 Belgische frank en rende in opperste vervoering naar huis. Ik heb later nooit mooiere uitvoeringen van de etudes en nocturnes van Chopin gehoord. Ik leerde de twee notenbalken lezen – de solsleutel en de fasleutel – zonder op voorhand notenleer te hebben gehad. Dat is de aloude Duitse methode. Tot voor kort hanteerden wij hier nog altijd de afschuwelijke Franse methode die generaties muzikanten in de knop heeft ontmoedigd omdat ze eerst een jaar notenleer moesten volgen voor ze aan een instrument konden beginnen. Dat is de omgekeerde wereld. Muziek spelen, met de nadruk op spelen, moet in eerste instantie op een aangename, plezierige manier worden aangebracht. Achteraf kun je nog altijd leren welke noten je exact aanslaat. Dat Duitse systeem heeft mij enorm snel vooruitgeholpen. De Fantasia van Mozart speelde ik al op mijn vijftiende. Ik verjazzde dat. Bach kun je ook makkelijk laten swingen. Ik moet een jaar of zes zijn geweest toen mijn ouders mij voor het eerst op zondagmiddag meenamen naar de Ancienne Belgique in Gent. De sfeer in die zaal, met bloemen op de netjes gedekte tafels, was heel bedwelmend. Het spektakel begon om 15 uur met een bigband, geleid door een zotte klarinettist genaamd Leo Martin. Wat later maakten ook een goochelaar en een clown hun opwachting. Dat was mijn kennismaking met de revue. In een tijd waarin er amper een televisie bestond in ons leven was zoiets betoverend voor een kind. Het is gek, maar ik kreeg het gevoel dat het bij mijn wereld hoorde. Ik speelde al wel blokfluit en piano, maar daar in de Ancienne Belgique ontkiemde het idee dat die artiesten op dat podium een soort familie waren. Niet dat ik er meteen happig op was om zelf te gaan optreden. Ook rond mijn zesde kreeg mijn vader de vraag om accordeon te
10
spelen op de kermis in Zottegem. Omdat ik toen al met liedjes van de radio meespeelde op mijn blokfluit, suggereerde mijn vader om er samen een nummer te brengen. De een of andere Italiaanse klassieker. In eerste instantie zette zijn voorstel kwaad bloed, ik durfde helemaal niet op een podium te gaan staan. Ik had net een film van Charlie Chaplin gezien en kreeg een lumineus idee. Ik vroeg aan mijn meter geld voor een Chaplin-masker zonder erbij te zeggen waarvoor het moest dienen, in de wetenschap dat zij mij toch niets kon weigeren. Voor ik op moest, zette ik het masker op. Met het bekende waggelende Chaplin-loopje wandelde ik naar het podium, mijn blokfluit ronddraaiend als een wandelstok, waardoor ik de lachers al op mijn hand kreeg. Ik voelde mij prompt op mijn gemak. Met mijn gezicht verstopt achter het masker viel alle schroom weg. Zonder vermomming was ik die dag niet gedebuteerd als performer. Inmiddels hadden mijn ouders een kleine muziekwinkel geopend in de Hoogstraat in Zottegem. We verkochten instrumenten, maar op onze toog stond ook een bakje met dertig singles van het Belgische Teeny-label. Het ging om letterlijk goedkope covers van hits, uitgevoerd door studioratten en balzangers. Ik kon de brol behoorlijk onderscheiden van the real thing. Ik luisterde toen al naar Radio Luxemburg en wist maar al te goed hoeveel straffer de originelen waren. De deus ex machina kwam in de gedaante van Kamiel Schoepen binnenwandelen. Jawel, de broer van de zingende cowboy Bobbejaan. Hij was handelsreiziger van de firma Inelco, die de platen van het prestigieuze rca-label verdeelde. Hij zorgde ervoor dat Elvis, Harry Belafonte en Jim Reeves hun intrede deden in ons bescheiden winkeltje. Deze charmante meesterverteller had de wereld rondgereisd met zijn broer en diste wonderlijke verhalen op over de sterren van Nashville. Om de veertien dagen schoof hij op woensdag bij ons aan tafel aan. Daar keek ik telkens weer naar uit. Ik hing aan zijn lippen, want door hem droomde ik van Amerika en zingende cowboys.
11
Op een dag had Kamiel iets voor me meegenomen, een elpee van Chet Atkins. Een klein gebaar met grote consequenties, want met die plaat sloeg de gitaargekte toe. In de etalage van onze winkel stond een gitaar van Framus, een Duits merk, het model Teenager. Ik was nog geen tien jaar toen ik al hoorde dat de gitaarriffs van Chuck Berry niet echt moeilijk in elkaar staken. ’s Avonds, als de winkel sloot, nam ik het gitaartje uit de etalage om die riffs na te spelen. Ook de motiefjes van Alley Cat en Freight Train van Chet Atkins had ik snel in de vingers. Door al die pianolessen had ik genoeg muziektheoretische kennis om snel de juiste noten en akkoorden te vinden. Op mijn tiende verjaardag stond dat gitaartje naast mijn bed, een cadeautje van mijn moeder. Nu ik een teen ager was, kwam mij dat wel toe. Dat eerste gitaartje hangt hier nog altijd ergens aan de muur. Vanaf mijn zevende hielp ik in de winkel. Ik demonstreerde melodica’s, orgeltjes en blokfluiten, en ik verkocht platen. In die tijd liet je geïnteresseerden nog stukjes uit elpees horen. Rond mijn vijftiende – mijn balorige jaren – was ik een enorme fan van The Beatles én van jazz. Ik kreeg een zekere branie en pretentie over me: ik wist wat goede muziek was! In die periode waren Eddy Wally en Corry en de Rekels erg populair. Hun platen verkochten als zoete broodjes. Op een middag kwam een vrouw naar een plaat van Eddy Wally vragen. Ik liet véél te korte fragmentjes horen en op een verkeerd toerental – een grap die ik wel vaker uithaalde. Ik kon absoluut niet wegsteken dat ik met frisse tegenzin Eddy Wally door de winkel liet galmen. Na afloop riep mijn moeder mij bij zich. Ze slingerde me een grote les in het gezicht. Ik kon fantastisch dollen met mijn moeder, maar op dat moment was ze bloedernstig. ‘Jean, het is niet de schuld van Eddy Wally dat mensen in Zottegem geen platen van Miles Davis kopen.’ Baf, dat kwam aan. Sindsdien is dat het adagium van mijn leven: aanvaard dat mensen een andere smaak hebben. Dat was heel goed gezien van mijn moeder. Had ze geroepen
12
dat ik wat beleefder moest zijn, dan had dat weinig indruk gemaakt op de opstandige puber die ik was. Maar nee, ze verpakte het in een levensles. Ik denk er nog vaak aan terug. Mijn vader raakte steeds meer in de ban van de evolutie in de audiotechniek: platendraaiers, versterkers, speakers… Het allerbeste veroverde in geen tijd een plaats in onze winkel en in de living boven. Het werd regelmatig vervangen door het allernieuwste gerief en de beste en duurste merken. Daardoor raakte ook ik verslaafd aan sound. In een kleine dancing kon mijn vader zich verkneukelen met de al even audiofiele eigenaar. Daar hoorde ik de best klinkende soul van Aretha Franklin, James Brown, Booker T… Nooit in mijn leven werd ik blootgesteld aan een warmere sound, vrij luid maar niet oorverdovend schadelijk. Heeft een café een uitmuntende installatie, dan kan ik daar echt zitten kicken op de kwaliteit. Het favoriete merk van de Blautes was Carad, een top fabrikant uit Kuurne. Mijn vader was bevriend geraakt met de familie. Mijn audiofilie vertaalde zich later in een nauwgezette keuze van gitaarversterkers en instrumenten. Ze heeft honderd procent bepaald hoe ik mijn eerste producties wilde laten klinken.
Kings of swing Mijn vader, Léonard Blaute, was een Waalse mijnwerkerszoon met een Vlaamse moeder uit het Henegouwse dorpje Familleureux. Samen met zijn drie jaar oudere broer Jules volgde hij al heel vroeg accordeonles. De twee groeiden uit tot lokale kindsterren in de streek van Binche, La Louvière en Le Rœulx. De accordeon bleek het uitgelezen vehikel om uit de stoffige ellende van de mijnen te ontsnappen. Je kunt het gerust vergelijken met de uitweg die de bluesgitaar bood in de Mississippi Delta. Vader had pech tijdens de Tweede Wereldoorlog. Terwijl zijn broer Jules verhuisd was naar Brussel, waar hij werk vond bij De Post, verkaste hij samen met zijn ouders naar Zottegem, waar zij
13
een cafeetje openden. Omdat mijn vader als Franstalige op school gepest werd, verlangde hij al snel terug naar Wallonië. Hij kreeg de kans om in het accordeonatelier van de gastvrije Italiaanse familie Sabatini in Charleroi een opleiding tot accordeonbouwer, -reparateur en -stemmer te volgen. Met zijn scherpe gehoor werd hij de beste in zijn vak. Vele jaren later, in de jaren negentig, woonden we samen een optreden bij van mijn Amsterdamse vriendin Fay Lovsky en Jean Corti, de accordeonist van Jacques Brel. Toen de grote meneer Corti in de backstage van De Roma mijn vader uitbundig omhelsde en mij toevertrouwde dat Léonard de beste accordeur ter wereld was, viel ik haast flauw van trots en ontroering. Na de oorlog speelden Léonard en Jules op zondagmiddagen ten dans in het Zottegemse café van hun ouders, Le Rendez-Vous. Daar kwam veel jong volk op af, zelfs van buiten het provinciestadje. Zo ook de vrolijke Anna uit Erwetegem. Zij liet algauw haar oog vallen op de jonge muzikant met gitzwart halflang zigeunerhaar, fijn Clark Gable-snorretje en flamboyante Italiaanse styling. In 1950 trouwde ze met Léonard, twee jaar later kwam ik piepen. Op het Stationsplein mochten mijn ouders in hotel-café- frituur Petit Bruxelles een eigen swingtent runnen. Ik ontpopte mij als de mascotte van de vrolijke klandizie van jonge artistieke types: muzikanten, kunstschilders, fotografen en hun entourage. De tent werd the hippest joint in Crazy Town. Mijn moeder draaide 78 toerenplaten van Les Paul & Mary Ford, Django Reinhardt, Nat King Cole, Glenn Miller, Bing Crosby, Frank Sinatra en Louis Armstrong. The kings of swing… Mijn vader kreeg met zijn orkestje The Flamingo’s het jonge volk aan het dansen. Naast de swing jazz standards stonden valse musette, tango en al eens een scottish op het repertoire. Toen mijn ouders later met de muziekwinkel moesten stoppen – we balanceerden op de rand van het faillissement – namen ze
14
met beide handen het aanbod aan van de deken om het parochie café Gildenhuis uit te baten. Ook dat café werd razend populair, bij alle leeftijden. Het was vooral mijn moeder die non-stop de klanten entertainde. Ze was haar tijd vooruit als stand-upcomedian. Moeder kon zeer ad rem en scherp zijn. Ze had een aversie tegen poseurs en hypocrieten, en dat uitte ze vaak verbaal. Cyriel Van Gent, een acteur van het ntg met wie ik nog heb samengewerkt, kende mijn moeder van het amateurtoneel in Zottegem. ‘Waarom is jouw moeder nooit mijn collega in het ntg geworden?’, vroeg hij ooit. Het antwoord is simpel, ze kwam uit een achtergestelde buurt in Erwetegem. Zelfs in de winter moest ze op klompen naar school. Net als andere meisjes werd ze door een degoutante pastoor vernederd, omdat ze arm was. Daar heeft mijn moeder een levenslange hekel aan pastoors en het instituut Kerk aan overgehouden, hoewel ze heel gelovig was. Ze was voorbestemd om artiest te worden. Zingen, acteren, tekenen en schrijven, daar had ze talent voor. Maar toen brak de Tweede Wereldoorlog uit en moest ze als zestienjarige in naaiateliers gaan werken om de kost te winnen. Het was geen toeval dat ze een muziekwinkel begon. Ze deed niets liever dan met platen meezingen. Zelfs met muziek die ze niet kon appreciëren, want die ridiculiseerde ze dan met veel jolijt. Moeder was erg geestig, mijn zus Corry heeft die komische natuur nog het meest geërfd. Moeder schreef ook veel, Corry heeft haar schriftjes bijgehouden. Het was moeilijk leesbaar, omdat ze nauwelijks interpunctie gebruikte. Ze had nooit op school geleerd om komma’s en punten te plaatsen. Corry heeft geprobeerd haar verhaaltjes, die vooral over vroeger gingen, te ontcijferen. Dat moeder een rasechte verteller was, wisten we al wel, maar Corry stond ook versteld van de psychologische diepgang van haar pennenvruchten. Dat verraste mij iets minder. Moeder wist echt raad met depressieve mensen. Een vriend van mij, die psychologie had
15
gestudeerd, ging soms bij haar langs om de behandeling van een patiënt te bespreken.
Waalse roots, Italiaanse stijl Als we op zondag onze kleine familie in het arbeidersmilieu in Henegouwen gingen bezoeken, voelde ik al snel een grote verbondenheid. Ik ben een Vlaming, maar net zo goed een halve Waal. Ik ga niet met een vlag staan zwaaien. Pin me niet vast op een identiteit. Al van in mijn prille jeugd ben ik het gewend veel Frans rondom mij te horen. Ik voel me daarmee vertrouwd. Verhitte discussies heb ik daarover gehad met Urbanus. Als hij begint te klagen dat ‘de Walen’ met al het geld van de Vlamingen gaan lopen, kwetst hij mij, omdat ik me voor een stuk Waal voel en dat altijd zal blijven doen. Vaak maakte mijn vader van het familiebezoek gebruik om bij de werkplaats Sabatini in Charleroi binnen te lopen, waar hij destijds het vak leerde. Dan kon hij het niet laten om snel een klus voor hen te klaren of een mooie blinkende accordeon te kopen, die vervolgens tien jaar onverkocht in de etalage van onze winkel bleef liggen. Ik zal nooit vergeten hoe ik als vijfjarig jongetje met mijn vader meeging naar een huis in het centrum van Charleroi. Op de derde verdieping gingen we een kamertje binnen waar een arme oude Italiaan zat. Aldo heette hij. Toen hij mijn vader zag, sprong hij meteen recht om hem een stevige knuffel te geven. Aldo graveerde merknamen op accordeons, op een kalligrafisch verfijnde manier, en legde er glazen pareltjes in. Dat graveerwerk was zo knap en geniaal dat ik er tranen van in de ogen kreeg. Het was putje winter en bitterkoud. Aldo moest zijn ambacht uitoefenen met wollen handschoenen waar de vingertoppen afgeknipt waren. Hij deed zijn werk met een enorme passie en zonder één moment te klagen. Sinds die dag leef ik mee met de vele Italiaanse
16
migranten in Wallonië en Limburg. Mijn moeder was overigens de eerste vrouw in Zottegem die spaghetti maakte. Dat had ze opgepikt toen ze na haar huwelijk met mijn vader een tijdje in Charleroi had gewoond en er aan de slag was gegaan als huishoudhulp. Mijn vader wilde ontzettend graag eens naar Italië reizen, het land van de accordeon. Mijn moeder was daar niet zo op gebrand. Een dag naar Heist-aan-Zee of Luxemburg was voor haar al meer dan genoeg qua trip. In 1962 was het zover. Ik mocht, als tienjarige, in de zomer met mijn vader, mijn grootoom Louis en schilder Rufin ‘Fine’ Stevens mee naar Stradella, de wereldhoofdstad van de accordeonbouwers. De tocht op zich was al magisch. Met onze Fiat 1100 reden we over de Gotthardpas – een tunnel was er nog niet. We maakten een tussenstop in Zwitserland, waar we in een tuin onze tent mochten opzetten. In Stradella en Castelfidardo kon ik mijn ogen niet geloven. Niet alleen in het stadje zelf, maar ook in alle omliggende dorpjes bulkte het van de accordeonbouwers en -fabriekjes. Overal waar je kwam, hoorde je de klanken van het instrument en het gepiep van stemmers. Onmiddellijk was ik getroffen door de hartelijkheid en gastvrijheid van de Italianen. Hoewel mijn vader nooit eerder in Italië was geweest, voelde het voor hem als thuiskomen. In mijn beleving was het eerder een reis naar de maan. Ik zag er een andere wereld dan die ik kende. Stradella stond helemaal los van Zottegem, maar vreemd genoeg voelde alles tegelijk heel vertrouwd. Toen ik even alleen aan een meer bij onze camping zat, zag ik een film voor mijn geestesoog. In gedachten was ik al op de terugweg naar huis. Ik werd overmand door heimwee. Ik miste het begin van het nieuwe schooljaar. September was al enkele dagen ver toen ik weer in de klas zat. Een leraar liet mij spontaan en onvoorbereid een spreekbeurt over mijn reis geven. De woorden gulpten uit mijn mond. Ik mag gerust stellen dat de trip naar Stradella mijn reishonger aanwakkerde. Toen we later met De bende van Wim over de Zwitserse bergen reden, voelde ik
17
me op slag weer tien. Het flitste me automatisch terug naar die allereerste reis. Rond mijn twintigste verbleef ik enkele maanden als student-demonstrator in de Farfisa-fabriek in Ancona. Aanvankelijk had ik daar geen zin in – ik vertoefde liever in de muziekstudio’s, waar ik al veel werk had – maar opnieuw voelde het niet alsof ik in den vreemde was gedropt. En weer voelde ik me vervlochten met de instrumentenbouwers. Iedere ochtend om halfacht kwam een Italiaanse schone me met haar Fiatje 500 oppikken om me naar de orgelfabriek te brengen. Ik werd platonisch verliefd op haar stijl, haar naturel en de tocht door de heuvels. Sindsdien ben ik een sucker voor de Italiaanse stijl. Ik ben graag in het gezelschap van Italiaanse Vlamingen als Rocco Granata, Mauro Pawlowski of Remo Perotti. En ja, ‘de laars’ is nog steeds een favoriete reisbestemming.
Gitaargek Van mijn vader erfde ik de liefde voor vakwerk. Ik hou erg van instrumenten en van muzikanten. Die liefde moest wel uitmonden in het vak van producer. Ik vuur graag muzikanten aan. Vraag me wel niet om aan een instrument te sleutelen, zoals mijn pa deed. Ik heb twee linkerhanden, ik kan nog geen schroef losvijzen of ik maak al brokken. Maar naar gitaren kijken? Daar krijg ik, net als andere gitaristen, nooit genoeg van. Vanaf mijn elfde vergezelde ik mijn vader naar de Frankfurter Musikmesse. Alle instrumentenbouwers met naam en faam hadden daar een stand. Bij die van Hammond bleef ik makkelijk twee uur hangen om orgel te spelen. In Frankfurt mocht ik legenden als Les Paul, Leo Fender, Jim Marshall en de synthesizerpioniers Robert Moog en Tom Oberheim in levenden lijve ontmoeten. Zij toonden er hun uitvindingen. Als je zoiets als jong gastje mag meemaken, draag je dat voor de rest van je leven mee. Als vijftienjarige speelde ik tolk voor mijn vader, die geen Engels kon. Ik zag
18
dat die beroemde mensen gecharmeerd waren door dat kereltje dat hen te woord stond en bijvoorbeeld details vroeg over een gitaarnek. Mijn ouders dachten dat gitaar spelen voor mij een hobby was, maar het was zoveel meer. Pianospelen deed ik ook graag, maar daar hing toch iets schools aan, daar moest ik voor werken en studeren. Zien dat je tegen een bepaalde deadline de tweestemmige Inventionen van Bach kon spelen, dat was toch een opgave. Op de gitaar speelde ik wat ik wilde. En dan het object zelf, gitaren zijn toch zo mooi. En geen twee zijn identiek. Op mijn vijftiende ging ik met mijn vader naar Schott Frères, een muziekuitgeverij in Brussel. Zij verkochten vooral muziekboeken en partituren, maar waren ook invoerder van Gretsch, een bekend gitaar- en drummerk dat zeer geliefd was bij jazzmuzikanten. En wie speelde op een Country Gentleman van Gretsch? George Harrison. Dat model hing daar in de winkel, in een glazen kooi. Prijskaartje: 36.000 Belgische frank. Als rabiate Beatlesfan wilde ik absoluut weten hoe die zou aanvoelen. Mijn vader vroeg aan de eigenaar of ik die gitaar even mocht vasthouden. Op een verschrikkelijk pretentieus toontje antwoordde die man: ‘Dat is niet mogelijk, dat is een instrument voor de professionelen.’ Ik snauwde: ‘Ach, ik moet ze toch niet hebben.’ In mijn binnenste dacht ik: ‘Professionelen? Wacht maar!’
De vriendelijk kordate Toots Thielemans In mijn vaders combo zat ook een jonge gast, Herman ‘Toots’ De Vos. Hij was de godfather van de jazz in Zottegem. Achter de kerk runde hij een cafeetje. Daar begon hij op een gegeven moment jazzconcerten te organiseren. Vanaf mijn tiende was ik er vaste klant. De jazzgroten der aarde kwamen daar spelen, met dank aan de connectie met Roger Vanhaverbeke, een bassist en organisator uit Oostende die in Brussel woonde. Die wist figuren als Dexter
19
Gordon, Clark Terry, Lou Bennett, Dave Pike en Hammond-organist Milt Buckner te strikken. Later verhuisde de jazzclub naar een oude watermolen, net buiten Zottegem, een heel romantische locatie. Ik miste geen enkel optreden. Toots Thielemans passeerde jaarlijks in de Zottegemse jazz club. Ik heb hem daar voor het eerst ontmoet. Ik stond in bewondering voor zijn gitaartechniek – hij zag zichzelf trouwens in de eerste plaats als gitarist, veel meer dan als mondharmonicaspeler. Hij zei soms dat hij geld verdiende met zijn mondharmonica – hij werd zelfs gevraagd om erop te blazen voor commercials – maar zijn gitaar was en bleef zijn eerste liefde. Django Reinhardt was zijn grote voorbeeld. Met open mond stond ik, als vijftienjarige, in Toots’ Jazzclub naar zijn gitaarspel te kijken. Tussen de nummers door vertelde hij heerlijke verhalen. Bijvoorbeeld hoe hij in de vs fingerpicking had opgepikt, en dat die techniek je toelaat om tegelijk de begeleiding en de melodie te spelen. ‘Chet Atkins heeft het me geleerd.’ Die naam deed uiteraard meteen een belletje bij me rinkelen. Toots had in de gaten dat ik gebiologeerd stond te kijken en luisteren. Nadat hij zijn derde set had afgewerkt, zei de Zottegemse Toots tegen de Brusselse: ‘Die kleine kan een aardig stukje pianospelen.’ Toots Thielemans vroeg of ik het zag zitten om een blues in sol te spelen, een bijzonder wijs voorstel, want een makkelijke toonaard voor de jonge pianist. Dat moment waarop we samen hebben gemusiceerd, staat natuurlijk in mijn geheugen gegrift. Maar hij was het evenmin vergeten! Ik heb hem later nog vaak ontmoet en we zijn zelfs een beetje vrienden geworden. Hij verwees geregeld nog naar die jam in Zottegem. Het typeert de hartelijke en genereuze mens die hij was. Als twintiger trad ik met hem op in een tv-show. Hij was verbaasd dat ik al een Fender Rhodes-piano had. Dat instrument had hij tot dan enkel in Amerika gehoord – ik moet de eerste in deze contreien zijn geweest die het bezat. Hij stelde voor om samen de
20
standard Autumn Leaves te spelen. Terwijl hij op zijn mondharmonica begon te improviseren, vond ik er niet beter op dan te antwoorden op de motiefjes die hij speelde. Toen Toots dat doorhad, gaf hij een teken om het nummer stil te leggen. ‘Jeanke, hier is de baas! Ik zal wel een signaal geven als het aan jou is.’ En al lachend ging hij verder. Dat was een fantastisch lieve manier om mij op mijn plaats te zetten. Hij corrigeerde mij, een beetje zoals mijn moeder destijds met het geval Eddy Wally had gedaan. Hij was vriendelijk, maar kordaat. Toots Thielemans was geregeld te gast in Lalala live, het liveprogramma met Bart Peeters dat zowel in Vlaanderen als in Nederland liep. Wie tv-shows zegt, zegt wachten. Héél veel wachten. Ik weet nog dat wijlen Dirk Godts, zijn manager, op een keer vroeg om Toots wat gezelschap te houden. Toots was moe en Dirk vreesde dat hij in slaap zou vallen. Hem bezighouden deed ik bijzonder graag. Ik hoorde hem dan uit over zijn Amerikaanse avonturen. Algemeen wordt het moment dat de band van klarinettist Benny Goodman hem inlijfde beschouwd als de officiële start van zijn roemrijke Amerikaanse carrière. Maar als ik hem erover liet vertellen, haalde hij het jammen met Charlie Parker in een New Yorkse jazzclub als hét sleutelmoment aan. Hij had zich daar extreem goed op voorbereid. Het nummer Au Privave had hij helemaal ontleed. Hij leerde het in verschillende toonaarden spelen op zijn mondharmonica. Dat had hij goed gezien, want toen hij uiteindelijk mee het podium op mocht, fluisterde Parker naar zijn muzikanten om het in een andere toonaard in te zetten. Hij wilde die Belg testen. Toots ging zijn virtuoze gang en was stante pede aanvaard. Hij wist perfect dat hij vertrokken zou zijn als iemand van het kaliber Charlie Parker hem accepteerde als een van hen. Dat had hij niet kunnen bereiken als hij enkel braafjes akkoorden had gespeeld bij Benny Goodman of George Shearing, in een of andere chique club in Las Vegas.
21
Zeker in de jazz wordt de kwaliteit van een muzikant vaak afgemeten aan de groten met wie hij of zij heeft samengewerkt. In het geval van Toots vallen dan namen als Paul Simon, Billy Joel of Pat Metheny. Het gekke is dat die artiesten dat zelf omkeren. Ze zijn er bijzonder trots op dat zij met Toots hebben kunnen musiceren. Ooit trad Toots op in de New Yorkse club Blue Note – volgens hemzelf ‘de McDonald’s van de jazz’ – toen Pat Metheny in het publiek in vervoering toekeek. Dirk Godts stond toevallig naast hem. Na de show vertrouwde Metheny Dirk toe dat hij wat graag met Toots zou samenspelen. ‘I can fix that. I’m his manager’, antwoordde Dirk. Die anekdote zegt alles over de prominente plaats die Toots in de muziekwereld innam. Als je hoort hoe Quincy Jones of Stevie Wonder nog altijd in volle bewondering over hem spreekt… Ze noemen hem ‘het wereldwonder uit Brussel’. Ze erkennen zijn unieke grandeur. Weerklinkt ergens muziek van Toots, dan herken je die al na één noot. Dat is enkel voor de allergrootsten weggelegd.
Zottegem Blues Alles, maar dan ook alles wat ik ben en doe, is te herleiden tot mijn jeugd in Zottegem. Bij de meeste Vlaamse muzikanten lijkt het net andersom: na hun achttiende verlieten ze hun ‘boerengat’. Ze dachten dat Gent, Leuven of Brussel hun New York was en verloochenden niet zelden hun afkomst. Dat zal ik nooit doen. Ik pak vaak uit met de boutade ‘ook Bob Dylan kwam uit Hibbing, Minnesota – zijn Zottegem, als het ware – om vervolgens in New York zijn mythe te creëren’. Laten we dat maar niet vergeten. Wie het over Zottegem en muziek wil hebben, kan niet om Miele heen. Miele had een dagtaak als arbeider bij sabena en was de zingende drummer van het combo van mijn vader, maar schreef daarnaast ook eigen liedjes in het Zottegemse dialect. Hij was de eigenaar van een diepe stem en zo’n beetje onze
22
plaatselijke Johnny Cash. In de Swan Studio in Buizingen, eigendom van Sylvain Tack, de man achter de Suzywafels, nam ik in 1974 met hem de elpee Zottegem Blues op. Ik was een enorme fan van zijn authenticiteit en persoonlijkheid. In 2018 is Miele gestorven. Hij heeft gelukkig nog kunnen meemaken hoe dat jaar Reus Miele in Zottegem werd ingehuldigd, in aanwezigheid van de toenmalige cultuurminister Sven Gatz. Miele is werkelijk wereldberoemd in onze streek. In het vernieuwde treinstation van Zottegem prijkt een tekstflard uit Zottegem Blues, een nummer over zijn leven als proletariër: ‘Hier stierf nog nooit iemand van de dorst’. In mijn jonge jaren had Miele een grote invloed op mij. Ik was weg van zijn volkse vermogen om te oordelen, of moet ik zeggen veroordelen? Hij kon vernietigend afgeven op het Vlaamse variété. Hoewel ik het daar doorgaans niet mee eens was, amuseerden zijn tirades me wel. Miele had een welgemeende fuck you over zich. In onze winkel ontvingen wij geregeld populaire zangers voor de uitreiking van een gouden plaat of voor een signeersessie: Rocco Granata, Paul Severs, Marva, Louis Neefs… Ook behoorlijk wat beeldende kunstenaars kwamen bij ons over de vloer. Vanaf de jaren vijftig bezat Zottegem een bloeiende kunstscene. De cafés in ons stadje puilden uit van het artistieke volk. Heel wat muzikanten kwamen er hun keel smeren, maar ook schilders als Rufin Stevens en de familie Verstraeten. Op een dag kwam de redelijk befaamde Gentse schilder Dees De Bruyne in de omgeving wonen. Mijn vader ging soms in zijn atelier langs om muziek te spelen, terwijl Dees aan het schilderen was. Hij heeft nog een zeer touchant doek gemaakt, een portret van mijn accordeon spelende vader – het hangt op een prominente plaats bij mij thuis. Ik voelde een zekere verwantschap met de kunstenaars die aan huis kwamen. Ze vuurden me ook aan, niet enkel om muziek te spelen, maar ook om aquarellen te schilderen. Zonder enige frustratie stelde ik na een tijdje vast dat er
23
geen groot tekenaar in mij school. Maar een kunstliefhebber ben ik altijd gebleven, ik ben nog steeds een verwoed bezoeker van tentoonstellingen. Lange tijd telde Zottegem maar één boekhandel, die zeer katholiek was en vooral de catechismus en de boeken van Uitgeverij Averbode in de aanbieding had. Toen ik dertien of veertien was, opende in onze straat totaal onverwacht Boekhandel Uilen spiegel de deuren. Zeer alternatief van snit en in die hoedanigheid vrij uniek in het Vlaanderen van toen. Je kon er alle Nederlandse auteurs vinden, die niet zelden tamelijk controversieel waren: Willem Frederik Hermans, Gerard Reve, Jan Wolkers, Jan Cremer. De zeer vriendelijke uitbater, een ex-leraar, raadde me boeken aan. Zo ontdekte ik de iets gewaagdere literatuur. Ik las gedichten van Hugo Claus die niet bestemd waren voor mijn leeftijd. Ik verslond Mieke Maaike’s obscene jeugd van Louis Paul Boon, Turks fruit van Jan Wolkers en Ik, Jan Cremer. Boeken die niet alleen voor mijn brein maar ook voor mijn rechterhand een goede training waren. Tegen mijn zeventiende was ik al een gevorderde literatuurliefhebber. Net op dat moment haalde de moedige man van Boekhandel Uilenspiegel het in zijn hoofd om in Parochiaal Centrum Velzeke een soort boekenbeurs te organiseren. ’s Avonds kwam de grote Louis Paul Boon er signeren. Ik kocht zijn roman Mijn kleine oorlog en schoof mee aan. Ik keek zo vreselijk op naar Boon dat ik met een ei in mijn broek zat. Hij was niet zomaar een auteur, vandaag zouden we hem een bv noemen. Hij was enorm populair dankzij zijn deelname aan ’t Is maar een Woord, een spelprogramma op televisie. Met zijn volkse Aalsterse tongval viel Boon heel erg op tussen de andere panelleden, die keurig Nederlands spraken. Toen het mijn beurt was, stamelde ik doodnerveus mijn naam. Boon had die verkeerd verstaan. Hij kribbelde: ‘Voor de Zottegemse Jan de Lichte’. Eindelijk kon ik drie woorden hakkelen tegen een echte schrijver, dat betekende erg veel voor mij. Iemand
24
als Bart Peeters dicht mij veel mensenkennis toe. Als ik die al heb, dan verwierf ik die deels achter de toonbank van de muziekwinkel, maar distilleerde ik die zeker ook uit boeken. Wie leest, leeft vele levens. Zeker als je puber bent, zetten de vele beschrijvingen zich vast in je brein. Als een rugzak neem je die mee op je wandeling door het echte leven. In de jaren tachtig pikte José Lapaige in Zuid-Frankrijk het idee op van een grote dancing met belendende concertzaal. Met discotheek Krypton introduceerde hij dat concept in Zottegem. José gaf mij de kans om daar concerten te organiseren. Hij was een grote fan van Fats Domino en toen ik ontdekte dat die rock-’n-rollpionier in een bepaalde periode in Europa toerde en vrij makkelijk naar Zottegem te halen was, boekten we hem zonder dralen. De zaal stroomde vol. Een groot succes was ons deel. Dat veelbelovende experiment stimuleerde mij om een persoonlijke favoriet naar Krypton te lokken: Flaco Jiménez, een Amerikaanse accordeonist die toonaangevend was in Mexicaanse genres als norteño, tex-mex en tejano. Mijn vader had zijn accordeon nog gerepareerd en had hem een houten gereedschapskistje meegegeven, dat Flaco sindsdien met veel trots mee op tournee nam. Helaas kon Flaco, buiten mij, in Zottegem niet op veel aanhangers rekenen. Hetzelfde was helaas het geval toen ik Chaz Jankel, ooit de luitenant van Ian Dury, liet overkomen. Mijn functie als concertorganisator in Krypton bleek vrij snel een verlieslatende onderneming. José nam me dat niet kwalijk, maar het was wel een eerste indicatie dat mijn commerciële feeling gelimiteerd is. Toen ik een aantal jaren geleden tot ereburger van Zottegem werd gemaakt, zei de socialistische senator Kurt De Loor in zijn toespraak dat ik moest beloven ineens peter te worden van zijn festival Rock Zottegem. Dat houdt in dat ik elk jaar mag komen kijken en dan een vip-behandeling krijg. Als ik mij daar vertoon, word ik voortdurend aangeklampt. Iedereen wil mij iets komen
25
vertellen. Boudewijn De Groot kent en herkent dat fenomeen van zijn befaamde tekstleverancier Lennaert Nijgh. ‘In de klas van Lennaert zaten wel tweeduizend leerlingen.’ Sinds enkele jaren presenteer ik Jazz Zottegem, dat plaatsvindt in het golvende park rond het Egmontkasteel. Iemand kwam me daar vertellen dat zijn broer in mijn klas op het college had gezeten. ‘Merkwaardig, want ik heb twaalf jaar op het atheneum school gelopen.’ ‘Mijn broer gaat toch niet liegen!’ Heel straf, ik ben dus de leugenaar. In Zottegem kom ik altijd thuis, een zeer aangename gewaarwording. Het leuke is dat ik er voortdurend word aangesproken over mijn ouders. De warme manier waarop mensen over hen praten, met het hoogste respect, ontroert mij. Tegelijk halen ze hilarische herinneringen op aan de verbale fratsen van mijn moeder. Ik word er op de hoogte gebracht van alle overlijdens en geboortes. Telkens weer word ik helemaal ondergedompeld in het plaatselijke leven.
26
Mijn vader Léonard (links) en zijn broer Jules waren, met hun accordeonmuziek, lokale kindsterren in de mijnwerkersstreek rond La Louvière.
Hoofdstuk 1
Mijn mama, de vrolijke Anna, op de koersfiets. Een meisje uit de Vlaamse Ardennen, dat zie je zo.
Onze mooie muziekwinkel nabij het station van Zottegem.
Hoofdstuk 1