boef lacht: ‘hihi. pak me dan, als je kan!’ boef kruipt weg. agent gaat achter hem aan. hij hoort iets. trip trip trip trip… het klinkt als pootjes. héél veel pootjes. van wie zijn die?
omver daar heb je de pootjes al. ze zijn van muizen. heel veel muizen. ze rennen op agent af. ze rennen hem omver! bonk!
agent staat op. hij klopt zijn jas af. en daar gaat hij weer. hij kruipt door. hoort hij weer iets? stap stap stap stap… het klinkt als voetjes. heel veel voetjes! van wie zijn die?
daar zijn de voetjes al! ze zijn van kindjes. heel veel kindjes. ze rennen op hem af. bonk! agent ligt weer.
agent ziet een gat. hij klimt erdoor. daar is jan. ‘o o’, zegt jan. ‘mijn muizen zijn weg. weet jij waar ze zijn?’ agent knikt. ‘ja’, zegt hij. ‘ik zag ze net.’
agent gaat verder. hee… nog een gat! agent klimt erdoor. daar is juf. ‘o o’, zegt ze. ‘mijn kindjes zijn weg. weet jij waar ze zijn?’ ‘ja’, zegt agent. ‘die zag ik ook net. ze renden me omver.’
nat daar gaat agent weer. hij kruipt verder. de gang is lang. maar kijk! daar is boef! ‘ha!’ zegt agent.
‘ik héb je!’ ‘arme ik’, zegt boef. ‘nu pak je me. nu neem je me mee. ik ga de cel weer in. of… toch niet? wat heb ik in mijn hand?’
het is een stop. boef trekt hem los. wat komt er uit het gat? water! en een bal, een zwemband, een haai, en een broekje.
daar ga ik weer, denkt agent. en ja hoor. daar ligt hij weer. en hij is nog nat ook.
agent staat op. hij kijkt door het gat. waar is hij? in het zwembad. het is druk. maar niemand zwemt. dat kan niet meer. het bad staat droog.