Skip to main content

9789401471985

Page 1

“… mijn trage reistocht door de nacht …”


“… mijn trage reistocht door de nacht …” Herinneringen aan ­Raymond van den Broeck Henri Bloemen Paul Claes Lieven D’hulst Erik Hertog Ton Naaijkens Winibert Segers Emmanuel Waegemans Redactie: Winibert Segers en Henri Bloemen


Uitgeverij Academia Press Coupure Rechts 88 9000 Gent België www.academiapress.be Uitgeverij Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. ISBN 9789401471985 D/2020/45/445 NUR 616 Winibert Segers & Henri Bloemen (red.) “… mijn trage reistocht door de nacht …” Herinneringen aan Raymond van den Broeck Gent, Academia Press, 2020, 70 p. Eerste druk, 2020 Vormgeving cover: Kris Demey Vormgeving binnenwerk: Crius Group © Winibert Segers, Henri Bloemen & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Dit boek bevat de teksten van de lezingen die werden gehouden tijdens de studiedag “… mijn trage reistocht door de nacht …”. De studiedag was gewijd aan het werk van de vertaalwetenschapper Raymond van den Broeck (1935-2018) en vond plaats in Antwerpen op 8 februari 2019. Het boek beperkt zich niet tot het werk van Raymond van den Broeck. Het sluit zich niet op in het verleden, in de herinnering. Integendeel, het opent vele wegen. Vertalers en vertaalwetenschappers zullen stukjes van Raymonds tocht kunnen volgen en zullen dankzij die ervaring eigen wegen kunnen zoeken. Het boek toont dat wetenschap en menselijke ervaringen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. De op het eerste gezicht anekdotische passages in het boek zijn verweven met een wetenschap die voortdurend met zichzelf worstelt.


Inhoud

Een vertaaltheorie in de conjunctief Henri Bloemen

9

De onvertaalbare Mallarmé Een tombeau voor Raymond van den Broeck Paul Claes

17

Denken door metaforen Raymond van den Broecks cruciale bijdrage tot de c­ ognitieve ­vertaalwetenschap Lieven D’hulst

25

Sendbrief vom Dolmetschen Erik Hertog

35

Over kritisch normbesef Vertaalkritiek en -didactiek in de ogen van ­Raymond van den Broeck Ton Naaijkens

45

Therapie en vertaling Winibert Segers

55

‘Vlaamse’ vertalingen van Russische literatuur Emmanuel Waegemans

63


Een vertaaltheorie in de conjunctief Henri Bloemen In de beginjaren van de vertaalwetenschap, toen ze ook in het Engels bijvoorbeeld nog ‘science of translating’ mocht heten, had de jonge discipline de duidelijke ambitie om, zoals het een wetenschap betaamt, aan al haar onderzoekshandelingen een theorie ten grondslag te leggen. In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, toen vertalen in de belangstelling van linguïsten kwam te staan, was dat een linguïstische theorie. Het werk van Andrey Fedorov, John C. Catford, Georges Mounin, Roman Jakobson en Eugene Nida mag daarvan, naast heel wat anderen, getuigen. Linguïstische modellen werden als vanzelfsprekend op het vertalen aangewend. Ook het beginnend onderzoek naar automatisch vertalen was in die beginjaren op een linguïstische leest geschoeid. Bij theoretici als Jakobson was er zelfs sprake van een zekere reciprociteit en kon het vertalen rekenen op een centrale plaats in de linguïstische theorie zelf: Voor ons, als linguïsten en als sprekers van gewone taal, is de betekenis van elk linguïstisch teken de vertaling van die betekenis in een ander, alternatief teken, […]. Equivalentie in verschil is het kernprobleem van de taal en de zaak waar het in de linguïstiek om draait. (Jakobson 2010: 287, 288) Het grote voordeel daarvan was dat er een vrij helder discours gevoerd werd dat aan de wetenschappelijke eisen van systematiciteit, herhaalbaarheid, verificatie en falsificatie voldeed, voor zover dat voor linguïstische theorieën mogelijk was. Dat ging goed zolang als vertalen opgevat werd als een aangelegenheid die zich uitsluitend tussen talen afspeelde. Maar met de hermeneutische wending (met o.a. George Steiner) en sterker nog met de zogenaamde ‘cultural turn’ in de vertaalwetenschap, die toen in het Engels ook al Translation Studies heette, werd vertalen opgevat als 9


een breder dan alleen maar taalkundig fenomeen. Het vertalen werd ingebed in algemenere, culturele contexten. Het vertaalproces speelde zich niet langer uitsluitend tussen talen, maar wel tussen culturen af. Daarvoor werd wel een op het eerste gezicht zware theoretische prijs betaald; alles werd een stuk minder helder, temeer omdat cultuurtheoretische aannames zelf onderwerp werden van interpretatie en wellicht meer nog omdat de relatie tussen cultuur en taal tot op de dag van vandaag niet uitgeklaard is. In het begin van de jaren zeventig werd in het kader van de descriptieve vertaalwetenschap een nieuwe poging ondernomen om het vertaalonderzoek van een theoretische basis te voorzien. Nieuw was dat überhaupt de wenselijkheid van een vertaaltheorie erkend werd, en wel een theorie die vertaalfenomenen ‘en alleen die’ (Holmes 2010: 313) kon verklaren. Die exclusiviteit kon de linguïstische vertaaltheorie niet voor zich opeisen. Een ander belangrijk kenmerk van het zoeken naar een vertaaltheorie was de afwijzing van elk dogmatisch standpunt in verband met vertalen. Een vertaaltheorie moest verklaren en eventueel voorspellen, maar in geen geval voorschrijven. Alle historische aannames over het vertalen – van Cicero tot Benjamin – werden als normatief bestempeld, d.w.z. ze kwamen als uitgangspunt voor een vertaaltheorie niet meer in aanmerking. De vertaalwetenschap werd resoluut opgevat als een empirische wetenschap die niet langer van overtuigingen en visies uitging, maar van feiten. Vertalingen, het vertaalproces en het vertaalbeleid werden opgevat als ‘feiten van de doelcultuur’ (Toury). Dat is de belangrijkste wetenschapstheoretische stap geweest die van de descriptieve vertaalwetenschap uitgegaan is. Ook al moet daar meteen bij opgemerkt worden dat de toekenning van de status van ‘feit’ aan een vertaling afhankelijk gemaakt werd van een speech act, namelijk een benoeming. Omdat men niet meer op grond van voorafgaande overtuigingen kon zeggen wat een vertaling was zonder in normativiteit te vervallen, werd alles tot vertaling verklaard wat op een bepaald ogenblik en in een bepaalde cultuur vertaling ‘genoemd’ werd. Werd een tekst vertaling genoemd, ook al was hij dat misschien niet, kreeg hij de status van vertaling, en dus van een ‘feit’ dat onderzoeksobject van de vertaalwetenschap kon worden. De definitie van ‘vertaling’ die door de descriptieve vertaalwetenschap gehanteerd wordt, is dus een operationele definitie, geen ‘inhoudelijke’: men heeft ze nodig om het onderzoeksobject af te bakenen. Zo ver, zo goed. In zijn basale tekst ‘Wat is vertaalwetenschap?’ (‘The Name and Nature of Translation Studies’, 1972) heeft James S Holmes als een van de taken van 10


de ‘zuivere vertaalwetenschap’ het ontwerp van een ‘theoretische vertaalwetenschap’ of ‘vertaaltheorie’ naar voren geschoven. Hij spreekt zelfs over een ‘algemene vertaaltheorie’, die streeft met gebruikmaking van de resultaten van de DVW en van inzicht verkregen in naburige wetenschapsgebieden – naar het ontwikkelen van principes, theorieën en modellen die ge-eigend zijn om te verklaren en te voorspellen wat vertalen en vertalingen zijn. Het uiteindelijk doel van de vertaaltheoreticus in de brede zin van het woord is zonder twijfel het opstellen van een zo veelomvattende theorie dat ze alle verschijnselen op het gebied van vertalen en vertaling (en alleen die) kan verklaren en voorspellen. (Holmes 2010: 312, 313) Dat is lovenswaardig. Holmes erkent weliswaar niet de noodzaak, maar toch in zekere zin de wenselijkheid van een vertaaltheorie, althans hij vat ze op als een van de taken (onder andere) van het vertaalonderzoek. Holmes kent aan de vertaaltheorie zeker geen hiërarchische voorrang toe, maar uit zijn omschrijving blijkt wel onmiskenbaar dat ze een centrale plaats in de vertaalwetenschap inneemt. Maar er is hier iets opvallends aan de hand: de retoriek waarmee Holmes de opgave van de vertaaltheorie formuleert, verraadt overduidelijk dat hij aan de realiseerbaarheid ervan twijfelt. Hij vervolgt de passage van hierboven: Het behoeft nauwelijks betoog dat een dergelijke, werkelijk algemene vertaaltheorie (gesteld dat ze ooit bereikbaar is) uiteraard in hoge mate geformaliseerd en bovendien bijzonder complex zal zijn, hoe de onderzoeker zich ook zal inspannen om de grootst mogelijke eenvoud te betrachten. (Holmes 2010: 313) ‘Gesteld dat ze ooit bereikbaar is’: Holmes twijfelt aan de bereikbaarheid van de theorie en als ze al bereikbaar is, dan zal het niet voor meteen zijn. Met andere woorden: als het zo is dat een wetenschappelijke discipline best uitgaat van een theorie, dan veroordeelt hij hiermee de zich ontwikkelende discipline vertaalwetenschap tot een zekere voorlopigheid: ooit zal het ervan komen, nu nog niet. De heikele vraag is dan wel wat het voor een discipline betekent als ze zich zonder resp. met een alleen maar in het vooruitzicht gestelde theoretische kern moet ontwikkelen. 11


In ieder geval is de vertaalwetenschap tot op de dag van vandaag geen stap dichter bij haar theorie gekomen, de vraag naar een theorie wordt nauwelijks nog gesteld en het onderzoek ernaar lijkt nog marginaler te zijn dan het al was. Ook Holmes’ eisen aan de theorie – een hoge mate van formalisering en complexiteit – zijn wel veeleer bedoeld als vooruitlopende verontschuldiging voor de gering ingeschatte realiseerbaarheid van de theorie. Wanneer Holmes over de toestand van de theorie in zijn tijd dan ook nog zegt: De meeste tot dusver geformuleerde theorieën zijn eigenlijk weinig meer dan eerste voorstudies voor een dergelijke algemene vertaaltheorie. (Holmes 2010: 313) dan mag de vertaaltheoreticus, die deze onderneming wel nog au sérieux neemt, zich niet ten onrechte vereenzelvigd voelen met Kafka’s ‘Mann vom Lande’, die er ook niet in slaagde (en er nooit in geslaagd zou zijn) om in het binnenste van de wet door te dringen. Iemand die zich zijn hele actieve leven ernstig geïnteresseerd heeft voor de theoretische grondslagen van het vertalen, was Raymond van den Broeck. Maar de ernst waarmee hij ‘aan theorie deed’, was ook altijd vergezeld van een fundamentele twijfel, net zoals bij Holmes, maar wellicht minder cynisch. In zijn vroege werk – belangrijk is hier zijn tekst ‘Vertaaltheorie en het theoretiseren over vertalen en vertalingen’ uit 1977 – uit zich dat in een hypervoorzichtigheid in de formulering van theoretische uitspraken. Veel later, tegen het einde van zijn carrière, zou hij het wetenschappelijke discours helemaal afzweren – ook al heeft hij dat nauwelijks in publicaties te kennen gegeven. Niettemin bleef zijn theoretische interesse levendig, wat ook blijkt uit werken zoals Over de grenzen van het vertaalbare (1992) en uit zijn ijver en engagement waarmee hij aan discussies over bijvoorbeeld Benjamins ‘Opgave van de vertaler’ deelnam. In de tekst uit 1977 lijkt Raymond Van den Broeck zelf een aanzet tot een algemene theorie te willen geven. Hij doet dat op de volgende manier: Hoe zo’n theorie eruit zou kunnen zien, kan hier alleen schematisch aangegeven worden. Het type van uitspraken dat een algemene theorie van de vertaling zou kunnen gebruiken, zou men een substitutietheorie kunnen noemen. […]. Op grond van gedane waarnemingen zou, 12


bijvoorbeeld, de volgende uitspraak geformuleerd kunnen worden: de vertaler leidt uit de tekst in de brontaal (TBT) een zodanige tekst in de doeltaal (TDT) af, dat de TBT met de TDT in relevante opzichten overeenkomt. (Van den Broeck 2000: 91) Je kunt uiteraard meteen vraagtekens plaatsen bij de algemeenheid van deze uitspraken vanwege een heel aantal ‘parti pris’: waarom zou een vertaaltheorie een substitutietheorie moeten zijn, en niet bijvoorbeeld een complementtheorie? Of een overlevingstheorie? En waarom zou een vertaling een tekst zijn die ‘afgeleid’ wordt? En waarop stoelt de eis dat een vertaling ‘in relevante opzichten’ (wie, wat bepaalt de relevantie?) met de brontekst moet overeenkomen? Dat is allemaal tot daaraantoe, want als je per se een substitutietheorie wil formuleren, dan zal ze wellicht van zulke aannames uitgaan, net zoals de linguïstische theorie ervan uitging dat een vertaling de vervanging van een talig materiaal door ander talig materiaal was. De twijfel uit zich hier veeleer in het voortgezette gebruik van de aanvoegende wijs: de theorie ‘zou’ er zo kunnen uitzien, men ‘zou’ ze een substitutietheorie kunnen noemen. Na enkele bedenkingen vervolgt hij zijn aanzet: Om de gepostuleerde overeenkomst als een vorm van waargenomen regelmaat te verklaren, zou men vervolgens de eerste uitspraak met de volgende kunnen combineren: voor de overeenkomst tussen TBT en TDT komen alleen die elementen in aanmerking, die voor de communicatieve waarde van beide teksten functioneel relevant zijn. (Van den Broeck 2000: 91) Ook hier kan men vaststellen dat de aanzet tot een algemene theorie, als in een soort trechter, afdrijft naar een particuliere theorie van het vertalen: vertalingen moeten een bepaalde communicatieve waarde hebben en de elementen van die vertalingen dienen met zicht op die communicatie ‘functioneel relevant’ te zijn. Van algemeenheid kan eigenlijk al helemaal geen sprake meer zijn. Maar die inhoudelijke kritiek wordt weer opgevangen door het zoveelste ‘zou’: nog is deze theorie een theorie in de conjunctief, de modus van de potentialiteit of de irrealiteit. Ook de afsluitende bedenking staat in die modus: Een samenhangende reeks van zulke generaliseringen zou tenslotte een sluitende theorie van het vertalen, of substitutietheorie, opleveren. (Van den Broeck 2000: 92) 13


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook