Het lekker dikke leesboek Voor avonturiers en dierenvrienden van 5 tot 8 jaar
Met verhalen van: Sylvia Vanden Heede, Evelien De Vlieger en Kristien In-‘t-Ven Met tekeningen van: Marije Tolman, NoĂŤlle Smit en Mattias De Leeuw
Wolf en Hond 6
De zeepridder 100
Job en de duif
216
Wolf en Hond Sylvia Vanden Heede Met tekeningen van:
Marije Tolman
SPEK Hond is de neef van Wolf. Wolf is de neef van Hond. Dat is raar, want: Wolf is wild. Hond is tam. Wolf woont in het bos op de berg. Hond niet. Hond heeft een mand. En een baas.
Hond is wit met een vlek op zijn oog. Wolf heeft geen vlek. Hij is grijs van kop tot teen. Wolf belt aan bij Hond. Op de deur staat:
De baas is niet thuis. Dat is maar goed ook. Want Wolf is bang voor de baas. ‘Dag Hond’, gromt Wolf. ‘Dag Wolf ’, blaft Hond. ‘Bijt me niet. Je bent mijn neef.
10
Dat weet ik wel. Maar ik ken je. Je blijft een wolf. Jij bijt als je trek hebt.’ Wolf klapt zijn muil dicht. Hij kijkt sip. Het is waar wat Hond zegt. Als hij trek heeft, bijt hij. Daar kan hij niets aan doen. En Wolf heeft vaak trek! ‘Wat heb je voor mij?’ vraagt Wolf. En hij likt zijn bek.
‘Spek’, zegt Hond. ‘En brood. En kaas. En ook nog wat sla.’ Wolf trekt zijn neus op. Sla lust hij niet! ‘Sla is groen. En ik eet geen groen. Geef mij maar rood. Rood vlees! Rauw vlees! Rauw en rood van bloed! Groen is goed voor een koe. Of een geit. Of een lam of een kalf.’ ‘Groen is goed voor de lijn’, zegt Hond. Hij slaat op zijn buik. ‘Van sla word je sla-nk. Slank dus. Snap je?’
12
‘Ha ha!’ lacht Wolf. ‘Wat een grap! Maar het klopt niet, hoor. Want jij eet sla. En toch ben je niet slank. Je bent zo rond als…’ ‘Ja, ja’, zegt Hond gauw. ‘Jij houdt van rijm. Dat wist ik al. Schei maar uit of ik blaf. Ik blaf heel hard, als een gek. En dan komt mijn baas. Is dat wat je wou?’ Wolf is al stil. Hij kijkt naar Hond. Hond bakt spek in een pan. Vet spek! Het zegt: kst, kst! Het spek kist. Zo heet dat: Het spek kist in het vet.
13
Mmm, wat ruikt dat goed! Wolf wordt er gek van. Gek van de trek! ‘Het is zo klaar’, zegt Hond. Hij zet het vuur laag. Dan pakt hij een bord. En een mes en een vork. Die legt hij naast het bord. Hij pakt de pan… Maar wat is dat? Waar is het spek? Het is weg! Het is op! ‘Wolf!’ roept Hond. ‘Was jij dat? At jij het spek? At jij het zo uit de pan? Zo, in één hap?’
14
‘Ja’, zegt Wolf. Hij veegt zijn bek schoon. Hij lacht eens lief. Hij schaamt zich niet eens! ‘Mijn maag was leeg. De pan was vol. Nu is de pan leeg. Maar mijn maag niet!’ Hond zucht. ‘Wolf toch’, zegt hij. ‘Ik kan wel zien dat jij wild bent. Jij eet niet, jij vreet! Jij slokt in één brok! Jij wilt geen mes en vork. Je wilt niet eens een bord!’ Wolf laat een boer. ‘Och, het scheelt in de vaat’, zegt hij. En dat is ook waar.
15
JEUK Hond heeft jeuk. Aan zijn kop. Aan zijn staart. Op zijn buik. Op zijn rug. Hij krabt met zijn poot. Hij bijt in zijn vacht. Het helpt niet. De jeuk gaat niet weg! ‘Ik denk dat ik een vlo heb’, zegt Hond. ‘Een vlo die mij bijt.’
‘Een vlo?’ lacht Wolf. ‘Eén maar? Ik heb er wel tien. Of nog veel meer.’ Hond schrikt. ‘Echt?’ vraagt hij. ‘Ja’, zegt Wolf. ‘Ik tel ze niet, hoor. Soms gaat er een weg. Soms komt er een bij. Soms vang ik er een stuk of wat. Maar ik raak ze niet kwijt. Nooit! Ach, een wolf went eraan. Je moet wel. Na een poos voel je niks meer.’ ‘Ik wel!’ zegt Hond fel. ‘Jeuk is niet leuk!’ ‘Ha ha! Dat rijmt!’ lacht Wolf. ‘En rijm is leuk.
18
Haast net zo leuk als jeuk.’ Hond lacht niet. ‘Flauw hoor!’ roept hij. Hij krabt en krabt. Hij is zo boos! Boos op de vlo. Boos om de jeuk. Plots zegt Hond: ‘Ik wed dat hij van jou komt, Wolf!’ Daar kijkt Wolf van op. ‘Wat?’ vraagt hij. ‘Of wie?’ ‘Waar dan? En hoe? Wat komt er van mij?’ Hond zucht hard. Hij krabt nog een keer. ‘Die vlo!’ snauwt hij. ‘Jij was het, Wolf! Ik kreeg die vlo van jou! Je weet wel.
19
Toen jij bij mij was. Toen je spek at. Mijn spek. Uit mijn pan! In mijn huis! Bij mijn baas!’ ‘O’, zegt Wolf. ‘Zit het zo?’ Dan is hij een poos stil. Hij kijkt naar Hond. Hij kijkt sluw. Hij loert. En hij lacht wat. Maar hij lacht niet lief. Zijn lach is vals! ‘Nu snap ik het’, zegt Wolf. ‘Daar is die vlo dus! Ik dacht al: ik mis iets. Maar wat? Maar wat?
20