CLW2020.12.book Page 1 Thursday, December 10, 2020 12:03 PM
Literatuur en religie Literature and Religion
CLW2020.12.book Page 2 Thursday, December 10, 2020 12:03 PM
CAHIER VOOR LITERATUURWETENSCHAP (CLW) Hoofdredacteurs: Hans Vandevoorde & Bart Eeckhout CLW 1 (2009) Tijding en tendens. Literatuurwetenschap in de Nederlanden Sascha Bru & Anneleen Masschelein (red.) CLW 2 (2010) Les nouvelles voies du comparatisme Hubert Roland & Stéphanie Vanasten (éd.) CLW 3 (2011) Hermeneutiek in veelvoud Lars Bernaerts & Jürgen Pieters (red.) CLW 4 (2012) Literatuurwetenschap en uitgeverijonderzoek Kevin Absillis & Kris Humbeeck (red.) CLW 5 (2013) Marges van de literatuur Arnout De Cleene, Dirk De Geest & Anneleen Masschelein (red.) CLW 6 (2014) De auteur Matthieu Sergier, Hans Vandevoorde & Marc van Zoggel (red.) CLW 7 (2015) Grote gevoelens in de literatuur Tobias Hermans, Gunther Martens & Nico Theisen (red.) CLW 8 (2016) Stad en migratie in de literatuur Bart Eeckhout, Vanessa Joosen & Arvi Sepp (red.) CLW 9 (2017) Genrehybriditeit in de literatuur Hybridations génériques en régime littéraire Reindert Dhondt & David Martens (red.) CLW 10 (2018) Literatuur en muziek Literature and Music Inge Arteel & Bruno Forment (red.) CLW 11 (2019) Tegen de natuur? Against nature? Sophie Wennerscheid (red.) CLW 12 (2020) Literatuur en religie Literature and Religion Veerle Fraeters, Tijl Nuyts & Gwennie Debergh (red.)
CLW2020.12.book Page 3 Thursday, December 10, 2020 12:03 PM
CLW 12 • CAHIER VOOR LITERATUURWETENSCHAP
L ITERATUUR EN RELIGIE L ITERATURE AND R ELIGION Veerle Fraeters, Tijl Nuyts & Gwennie Debergh (red.)
CLW2020.12.book Page 4 Thursday, December 10, 2020 12:03 PM
Academia Press Coupure Rechts 88 9000 Gent België info@academiapress.be www.academiapress.be
Uitgeverij Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. ISBN 978 94 014 7156 5 D/2020/45/425 NUR 617 Veerle Fraeters, Tijl Nuyts & Gwennie Debergh (red.) Literatuur en religie – Literature and Religion Gent, Academia Press, 2020, 129 p. Vormgeving cover: Keppie & Keppie Zetwerk binnenwerk: Punctilio © De auteurs & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
CLW2020.12.book Page 1 Thursday, December 10, 2020 12:03 PM
INHOUDSTAFEL Literatuur en religie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
3
Over de gebedsmat en de gêne. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Een inleiding tot het onderzoeksveld Literatuur en Religie
5
Tijl Nuyts en Veerle Fraeters
Niet-religieuze mystiek in de Franse letteren en filosofie . . . . . . . . . . . . . Een literatuurhistorisch, literatuurwetenschappelijk en filosofisch perspectief
21
Daniel Acke
Mystische Liebesmetaphorik und Sadomasochismus in Navid Kermanis Du sollst . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
33
Warda El-Kaddouri
Een vrolijke Frans . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Felix Timmermans’ Pallieter (1916) en de navolging van Sint-Franciscus
47
Kevin Absillis & Marlou de Bont
Van sabbat tot seideravond . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . De representatie van religie in de Joodse stadsroman rond 1900
63
Jacqueline Bel
‘Though gold dust is valuable, in the eyes it causes cataracts’ . . . . . . . . . . Two Modern Zen Autobiographies
79
Ben Van Overmeire
Akedat Jitschak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Het Binden van Isaak in de Joodse Bijbelexegese en Hebreeuwse Poëzie
91
Joachim Yeshaya
La figure de Jésus-Christ et la crise du langage . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Réflexions à partir de l’œuvre poétique de Vicente Huidobro et Raúl Zurita
103
Geneviève Fabry
Platform literatuur & samenleving . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
115
Literatuuronderwijs en schoolboeken: een kritische beschouwing . . . . . .
117
Elke D’hoker
Personalia . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . CLW 12 (2020)
127 1
CLW2020.12.book Page 2 Thursday, December 10, 2020 12:03 PM
CLW2020.12.book Page 3 Thursday, December 10, 2020 12:03 PM
LITERATUUR EN RELIGIE LITERATURE AND RELIGION
CLW2020.12.book Page 4 Thursday, December 10, 2020 12:03 PM
CLW2020.12.book Page 5 Thursday, December 10, 2020 12:03 PM
OVER DE GEBEDSMAT EN DE GÊNE Een inleiding tot het onderzoeksveld Literatuur en Religie Tijl Nuyts en Veerle Fraeters (Universiteit Antwerpen) Op 28 mei 2018 droeg de Antwerpse dichter en mensenrechtenjuriste Yousra Benfquih in het tot de nok gevulde kunstencentrum De Roma in Borgerhout haar gedicht ‘Dilemma’s op de gebedsmat’ voor. De voordracht maakte deel uit van de reeks ‘Worstelen met God’, waarmee het Vlaams-Nederlands huis voor cultuur en debat deBuren langs cultuurcentra in de Lage Landen reisde om met denkers, schrijvers en kunstenaars in gesprek te gaan over hun persoonlijke geloofsworstelingen en over de veelvormige wijze waarop religie zich vandaag in onze superdiverse samenlevingen manifesteert. In haar spoken word-gedicht richt Benfquih zich rechtstreeks tot God. Zich bewust van diens nijpende tijdsgebrek, doet ze dat op kousenvoeten: ‘Salam, goedenavond, / hoe maakt u het, mag ik u wat vragen?’ (Benfquih 2018: s.p.). Wat volgt is een persoonlijk verslag van de geloofsbeleving van het lyrische ik (dat in lijn met de slam-traditie heel wat gelijkenissen met de dichter vertoont), waarbij theologische vraagstukken en maatschappelijke thema’s niet worden geschuwd.1 Zo klinkt het dat het ik het spoor naar God bij momenten kwijtraakt in de westerse samenleving omdat (de islamitische) God er ‘voortdurend wordt vernederd’ en gelovigen hem ‘voortdurend moeten verdedigen’ en ‘daardoor geen tijd meer overhouden om [hem] nog echt te beleven’. Ook los van de maatschappelijke context waarin het ik haar geloof beleeft, wordt het gekweld door existentiële twijfels: het maakt zich zorgen over het lot dat haar toebedeeld zal worden in het akhirah of hiernamaals en worstelt met de vraag of haar levenstraject op voorhand door de Schepper ‘te boek werd gesteld’ (zoals de letterlijke vertaling van de door haar gehanteerde term al-maktub luidt), of dat de ‘krijtlijnen met de nodige manoeuvreerruimte’ voor haar werden uitgestippeld. In de laatste strofen doet het lyrische ik verslag van haar worsteling met de theodicee, het vraagstuk over hoe God, ondanks het kwaad en het lijden in de wereld, goed en almachtig kan zijn. Daarbij vraagt ze de schepper uit over de ziektes waarmee hij de mensheid treft, over fysieke beperkingen, vluchtelingenleed en oorlogsgeweld: ‘vallen die drones vanuit de hemel bekeken / dan niet binnen uw handbereik?’. De voordracht van ‘Dilemma’s op de gebedsmat’ maakte heel wat los bij het publiek van De Roma: tijdens de interreligieuze iftar die de gespreksavond afsloot, klampten toehoorders 1.
Door de (minstens gedeeltelijke) overlap tussen de auteur en het lyrische ik kiezen we ervoor om met vrouwelijke persoonlijke voornaamwoorden naar het ik te verwijzen.
CLW 12 (2020)
5
CLW2020.12.book Page 6 Thursday, December 10, 2020 12:03 PM
TIJL NUYTS EN VEERLE FRAETERS
Benfquih aan, en de dagen nadien kreeg haar inbox een toevloed aan emotionele emails te verwerken.2 Enkele maanden later zou Yousra Benfquih ‘Dilemma’s op de gebedsmat’ nogmaals voordragen, ditmaal als afsluiter van de studiedag over ‘Literatuur en religie’ die op 14 december 2018 door de Vlaamse Vereniging voor Algemene en Vergelijkende Literatuurwetenschap (VAL) aan de Universiteit Antwerpen werd georganiseerd.3 Een van de worstelingen waaraan ‘Dilemma’s op de gebedsmat’ uiting gaf, bleek ook voor de aanwezige onderzoekers van een dwingende relevantie: En sorry, ik heb nog een vraagje, want ik worstel ook een beetje met de koran; [...] ik weet soms niet goed of ik het heilige boek als dichter moet lezen, genietend van de literaire parels, de beeldspraak smakend, [...] of als jurist: de tekst volgens de letter, de strikte regels, of toch de geest, wat klopt het meest, en kan ik dat überhaupt weten als leek?
Bovenstaande strofe lijkt wel een poëtische samenvatting van een academisch debat dat de laatste decennia gevoerd wordt over of, en zo ja hoe, de Koran vanuit een literatuurwetenschappelijke invalshoek benaderd kan worden.4 Onderzoekers stellen daarbij vragen die ook het lyrische ik van ‘Dilemma’s op de gebedsmat’ – en de dichter-jurist Benfquih met haar – de goddelijke geadresseerde voor de voeten werpt: beroep ik mij dan op een theoloog, een geleerde, een school of een stroming en zo ja dan op wie, want wat is symboliek, wat is metafoor, wat is esthetiek, de verzen van de erfenis en van de interest: welke begrijp ik in de historische context welke zijn algemeen geldend? en als wij mensen elkaar al zo slecht begrijpen, 2. 3.
4.
6
E-mailcorrespondentie tussen Yousra Benfquih en Tijl Nuyts, e-mail Benfquih, 10 oktober 2018. Studiedag ‘Literatuur en religie’. Antwerpen, 14 december 2018, Vlaamse Vereniging voor Algemene en Vergelijkende Literatuurwetenschap i.s.m. het Ruusbroecgenootschap en het Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Nederlanden (ISLN), Universiteit Antwerpen. Zie onder meer het themanummer The Qur’an in Modern World Literature van Journal of Qur’anic Studies 16 (3), 2014, Helen Blatherwick en Shawkat Toorawa (red.), en in het bijzonder de bijdragen van David Damrosch en Ayman El-Desouky.
CLW 12 (2020)
CLW2020.12.book Page 7 Thursday, December 10, 2020 12:03 PM
OVER DE GEBEDSMAT EN DE GÊNE
hoe kan ik dan ooit de taal van uw hand verstaan [...]?
Met deze regels raakt Benfquih niet alleen inhoudelijk aan dilemma’s die de laatste decennia bepaalde literatuurwetenschappelijke onderzoeksagenda’s bepalen; ook de stijlfiguur die ze als ruggengraat voor het volledige gedicht koos, is voer geweest voor debat over het punt waar literatuur en religie elkaar raken. Het gedicht steunt op een apostrofe of aanspreking die het lyrische ik tot God richt. De polemieken rond die bij uitstek lyrische en vaak in religieuze teksten ingezette stijlfiguur kunnen als symptomatisch gelezen worden voor hoe de communicatie over literatuur en religie verloopt in onze huidige onderzoekscontext, die is ingebed in een samenleving die ‘zowel seculier als postseculier, zowel areligieus als multireligieus’ (Weyns 2015) is.5
Seculiere gêne In 2015 verscheen Theory of the Lyric, dat een voorlopig sluitstuk vormt van het onderzoek van de Amerikaanse literatuurwetenschapper Jonathan Culler naar het genre van de lyriek. In zijn monografie benadert Culler de lyriek als een publiek discours over waarde en betekenis dat – net als een ritueel – steeds opnieuw gereproduceerd kan worden dankzij (mnemotechnische) stijlmiddelen als klankspel, metrum en stijlfiguren. Hét centrale stijlmiddel dat het rituele karakter van de lyriek in de verf zet, aldus Culler, is de apostrofe (Culler 2015: 190). Wanneer Cullers bedenkingen over de apostrofe in tandem worden gelezen met Benfquihs ‘Dilemma’s op de gebedsmat’, werpen ze licht op enkele problemen die zich stellen bij het onderzoek naar het kruispunt tussen literatuur en religie. Culler beschrijft de doelmatigheid van de apostrofe in de moderne lyriek als volgt: ‘the function of apostrophe [is] to posit a potentially responsive or at least attentive universe, to which it has a relation’ (Culler 2015: 216). Wanneer het lyrisch ik een entiteit aanspreekt die niet in staat is te antwoorden, verlangt het volgens Culler om die entiteit aanwezig te stellen, en in één beweging een schijnbaar louter materiële wereld betekenis in te blazen én tot leven te wekken in het gedicht (Culler 2015: 215-6). Bijgevolg impliceert het gebruik van een apostrofe in zijn ogen een poging om een onttoverde wereld te ‘hertoveren’: To emphasize as I have apostrophic address, which presupposes an animated world that might be asked to act or refrain from acting, is implicitly to link lyric to magic, to the enchantment of the world – a world inhabited by sentient forces, a world before the flight of the gods […]. (Culler 2015: 351)
5.
We lenen de bewoording van de achterflap van Weyns (2015).
CLW 12 (2020)
7
CLW2020.12.book Page 8 Thursday, December 10, 2020 12:03 PM
TIJL NUYTS EN VEERLE FRAETERS
Dat ‘hertoverende’ gebruik van de apostrofe ziet Culler als potentieel embarassing of ‘gênant’ voor zowel dichter als publiek. De apostrofe zou gelijk staan aan een ‘embodiment of poetic pretension’: een dichter die het aandurft om zich direct tot de zon, de wind, de sterren of de goden te richten, en die niet-responsieve entiteiten bijgevolg als potentiële gesprekspartners voor te stellen, getuigt van een naïef geloof in het eigen poëtisch potentieel dat als excessief bevonden kan worden (Culler 2015: 225). Maar net die gêne, zo argumenteert Culler, stellen lyrische gedichten die hun toevlucht zoeken tot apostrofen centraal: ‘they take a risk, they court embarrassment, with figures that can be rejected as overweening or ridiculous, but it is a risk they acknowledge and often make their most intimate theme’ (Culler 2015: 351). Cullers conceptualisering van de apostrofe kan op heel wat gedichten worden toegepast. Uit een recente verzamelbundel bleek dat Theory of the Lyric ook in de studie van Nederlandstalige literatuur school heeft gemaakt, en dat Cullers concepten in die context vruchtbare interpretaties opleveren (Van der Haven en Cornelis 2018). Toch lijkt Cullers aanpak niet meteen compatibel met Benfquihs ‘Dilemma’s op de gebedsmat’. Uit dat gedicht spreekt zeker een gevoel van gêne, maar die betreft niet de aanspreking van God an sich, maar slechts het recht van het lyrisch ik om een beroep te doen op diens tijd en om een antwoord van hem te mogen verwachten. Dat wordt in het gedicht gethematiseerd door de (ritueel) herhaalde formule ‘Sorry, ik heb nog een vraagje’ en finaal beklemtoond door de slotstrofe: Sorry, het zijn nogal wat vragen, het is een hele boterham, en ik ben niet gehaast, maar had vroeg of laat toch graag een antwoord gehad.
In ‘Dilemma’s op de gebedsmat’ stelt het lyrische ik zich nederig op en lijkt het allesbehalve zeker van een antwoord, maar het bestaan van de door de apostrofe geadresseerde entiteit of de legitimiteit van de aanspreking ervan stelt het nergens ter discussie. Integendeel; het gedicht gaat er juist van uit dat God altijd aanwezig is, ook en vooral wanneer de gelovige hem niet meteen kan vinden: ‘soms zoek ik u als mijn huissleutel, / in paniek dat ik u kwijt ben / maar weet tegelijkertijd / dat u niet weg bent’. Benfquihs apostrofe hoeft geen nostalgische terugkeer naar ‘a world before the flight of the gods’ met lyrische middelen te faciliteren. Wat ‘Dilemma’s op de gebedsmat’ betreft, is de wereld een thuis met een transcendent dak dat nooit werd onttoverd. Die bevinding resoneert met een stelling die eerder werd aangedragen door Gavin Hopps in diens ‘Beyond Embarrassment: A Post-Secular Reading of Apostrophe’ (Hopps 2005). In dat artikel bekritiseert de Britse literatuurwetenschapper en theoloog Cullers kijk op de ‘gênante’ metafysische pretenties van de apostrofe en 8
CLW 12 (2020)
CLW2020.12.book Page 9 Thursday, December 10, 2020 12:03 PM
OVER DE GEBEDSMAT EN DE GÊNE
het als ongemarkeerd voorgestelde leeskader waarop die berust: ‘Apostrophe does not imply things we do not believe; it implies things that some people do not believe – though Culler takes the universality of his own scepticism as given’ (Hopps 2005: 229, originele cursivering).6 Hopps, die de apostrofe als de centrale troop van het gebed ziet, stelt zich tot doel om de ‘sceptische verarming’ en de exclusief (meta)poëticale invulling van de stijlfiguur te corrigeren door een alternatieve postseculiere lezing van de apostrofe te bieden (Hopps 2005: 230-231, 237). Hoewel Hopps in zijn kritiek niet volledig recht doet aan de genuanceerde positie die Culler inzake onttovering en hertovering inneemt,7 legt hij wel een pijnpunt bloot van de naoorlogse geseculariseerde literatuurwetenschap. Zoals in het volgende gedeelte van deze inleiding in meer detail besproken wordt, kan met recht gesteld worden dat die minstens ten dele wordt gekenmerkt door een blinde vlek voor het religieuze – een manco dat aan het begin van de eeuwwisseling fel zal worden bekritiseerd. Tekenend voor Hopps benadering is echter hoe hij het speelveld van zijn postseculiere kritiek afbakent. Wanneer hij Cullers seculiere kijk op de apostrofe onder vuur neemt, stelt hij daar een gelovige kijk op de lyrische aanspreking tegenover. Maar in overeenstemming met zijn eigen profiel als enerzijds theoloog en anderzijds specialist van de Engelse romantische literatuur, beperkt hij het profiel van de gelovige in kwestie aanzienlijk: ‘such an [apostrophic] act may be a response to and a realization of what, to a believing Christian or Jew, is in fact true and a permanent reality – namely, that personhood floods the material universe’ (Hopps 2005: 229-230, onze cursivering).8 Zodoende limiteert Hopps de reikwijdte van zijn postseculiere invulling van de apostrofe tot zijn eigen kader: de als islamitisch geprofileerde apostrofe die de structurerende stijlfiguur van ‘Dilemma’s op de gebedsmat’ uitmaakt, lijkt volledig buiten beschouwing te vallen. Hopps spreekt uiteraard vanuit een sterk verkaveld onderzoeksveld – en het perceel waarin hij zijn onderzoek verricht lijkt op het eerste gezicht weinig met de islam van doen te hebben. Hij geeft dan ook aan van leer te trekken tegen een vorm van ‘dogmatic secular criticism […], which has become increasingly influential (and unreflexive) in contemporary Romantic studies’ (Hopps 2005: 230). Zijn postseculiere kritiek richt zich met andere woorden uitsluitend op de studie van gecanoniseerde Engelstalige romantische poëzie die kan teruggevoerd worden op haar joods-chris6. 7.
8.
Hopps bekritiseert bevindingen uit Theory of the Lyric die eerder elders door Culler werden gepubliceerd (Culler 1981). Onder meer op basis van inzichten uit het proefschrift van zijn (voormalige) doctoraatsstudent Klas Molde ziet Culler de lyriek als een ‘pressure chamber’ die de balans tussen ‘enchantment’ en ‘disenchantment’ reguleert (Molde geciteerd in Culler 2015: 352). Zie ook Klas Molde, Enchantment and Embarrassment in the Lyric (PhD diss., Cornell University, 2015). Hopps volledige redenering klinkt als volgt: ‘Whilst from an exclusively secular point of view, the act of addressing that which is unseen or inanimate involves an irrational and, from another, equally warranted, point of view, such an act may be said to discover rather than to perform this apparent change. […] such an act may be a response to and a realization of what, to a believing Christian or Jew, is in fact true and a permanent reality – namely, that personhood floods the material universe – which the believer never quite forgets, but which she only directly encounters in such heightened moments of perception or being’ (Hopps 2005: 229-230).
CLW 12 (2020)
9
CLW2020.12.book Page 10 Thursday, December 10, 2020 12:03 PM
TIJL NUYTS EN VEERLE FRAETERS
telijke wortels. Ook het onderzoeksveld van Literatuur en Religie, dat zich in de tweede helft van de twintigste eeuw ontwikkelde, maar vooral aan het begin van de eenentwintigste eeuw prominenter op de voorgrond zou treden, werd initieel door diezelfde krijtlijnen afgebakend. Aanvankelijk had het vooral aandacht voor religieuze dynamieken in Angelsaksische literaire canonteksten die sporen dragen van of dialogeren met aspecten van de joods-christelijke traditie. In het laatste decennium rijzen echter stemmen op om die eenzijdige focus te verbreden en ook andere literaturen, literaire circuits en religies in beschouwing te nemen. Het onderzoeksveld Literatuur en Religie kent haar oorsprong in twee academische domeinen. Het eerste is dat van de nationaal georiënteerde (en veelal eurocentrische) departementen letterkunde waar onderzoekers aandacht besteden aan canonteksten uit heden en verleden die getekend zijn door de joods-christelijke traditie. Het tweede domein is dat van de (christelijke) theologie, die van bij haar ontstaan ruimschoots aandacht besteedde aan de hermeneutiek van sacrale teksten en aan tekstgenres die buiten de traditionele genologische triade (lyriek – epiek – dramatiek) van de belles lettres vallen, zoals het gebed, de spirituele autobiografie en het mystieke traktaat. Beide domeinen stonden en staan overigens sterk met elkaar in contact, met name in academische instellingen met een uitgesproken confessioneel profiel. Zo ontstond het gerenommeerde tijdschrift Religion and Literature, dat vandaag aan zijn 51e jaargang toe is, in de schoot van de Amerikaanse Notre Dame University, een instelling van katholieke signatuur.9 Voor de onderzoeker die Benfquihs ‘Dilemma’s op de gebedsmat’ wil analyseren, voldoet dit traditionele confessionele kader, waar onder meer een theoloog en literatuurwetenschapper als Gavin Hopps, die als letterkundige en theoloog verbonden is aan de Divinity School van de University of St. Andrews, niet. Ook het als neutraal voorgestelde seculiere perspectief van literatuurwetenschapper Jonathan Culler schiet op bepaalde punten tekort. Onderzoekers die zich willen verdiepen in literaire producten die ontstaan en circuleren in de hyperdiverse gemeenschappen van de hedendaagse geglobaliseerde wereld of in de literair-religieuze teksten die het voorwerp uitmaakten van transculturele kruisbestuivingen uit het verleden, hebben een breder kader nodig dat het eigen ideologische perspectief – of dat nu seculier is of gelovig – overstijgt. Zoals uit het volgende gedeelte van deze inleiding zal blijken, wordt de laatste decennia in verschillende hoeken van de menswetenschappen duchtig aan zo’n nieuw platform getimmerd.
9.
10
Een voorbeeld uit de Lage Landen is het Antwerpse Ruusbroecgenootschap, in 1925 gesticht door vier filologisch geschoolde jezuïeten met als doel de volkstalige mystieke en devotionele letterkunde uit het Ancien Régime de Nederlandse cultuur- en literatuurgeschiedenis in te schrijven. Hun tijdschrift Ons Geestelijk Erf is intussen aan de 90ste jaargang toe. Vandaag is het Ruusbroecgenootschap een onderzoeksinstituut van de Universiteit Antwerpen voor de studie van de geschiedenis van de spiritualiteit en mystiek in de Lage Landen en telt het onderzoekers van alle gezindten.
CLW 12 (2020)
CLW2020.12.book Page 11 Thursday, December 10, 2020 12:03 PM
OVER DE GEBEDSMAT EN DE GÊNE
Voorbij de blinde vlek In de nasleep van 9/11 heeft religie een comeback gemaakt als geopolitieke en discursieve realiteit (Monta 2009: 1). Stellen dat religie ‘terug van weggeweest’ is, zou een vertekening van de feiten inhouden – religieus engagement is ook in sterk geseculariseerde samenlevingen nooit verdwenen – maar het fenomeen bekleedt vandaag weldegelijk een meer prominente plaats in het publieke debat dan vóór de jongste eeuwwende het geval was (Turner 2010: viii). Religie heeft onmiskenbaar aan zichtbaarheid gewonnen, in nieuwsuitzendingen, opiniebijlagen en debatprogramma’s wereldwijd, maar ook in het literaire veld, waar religie tot voor enkele decennia veelal behandeld werd als een achterhaald concept of – zoals Cullers visie op de apostrofe illustreert – een relict uit een van metafysica doordrongen verleden (Heinämäki et al 2015: 1). In programmaties van literair-culturele festivals, aanbiedingsbrochures van uitgeverijen en juryverslagen van literaire prijzen blijkt God – in zijn vele gedaantes – vandaag een graag geziene gast. Dat een vooraanstaand cultureel huis als deBuren een reeks drukbezochte debatavonden als ‘Worstelen met God’ organiseert, doet vandaag dan ook minder uitzonderlijk aan dan dat in de jaren 1990 wellicht het geval zou zijn geweest. Uitgedaagd door deze dynamiek wendt ook de literatuurwetenschap, net als andere menswetenschappelijke disciplines, de blik steeds vaker naar de factor religie in de culturele productie van heden en verleden. Eerder dan als tegenpolen of opeenvolgende fasen van een teleologisch proces – zoals dat in de tweede helft van de twintigste eeuw in heel wat academische kringen gangbaar was – worden het religieuze en het seculiere vandaag beschouwd als categorieën die een gemeenschappelijke geschiedenis delen en elkaar wederzijds bepalen en in stand houden (Branch 2015, Felch 2016, Ni 2016). Onder meer geïnspireerd door het werk van filosofen als Hent de Vries (1999), Slavoj Žižek (2000) en Charles Taylor (2007) gaan steeds meer menswetenschappers ervan uit dat aan het ‘seculiere materialisme’ dat bepaalde stromingen in het naoorlogse westerse denken kenmerkte, een ‘immanent frame’ ten grondslag lag dat het transcendente al te achteloos had geschrapt.10 De ongemeen sterke terugkeer van religie op het politieke en culturele toneel dwingt de academische wereld om dat kader te herbekijken. Misschien was religie dan toch niet ‘simply irrelevant and boring’, zoals men eerder gemakshalve poneerde (Branch 2015: 92)? In de literatuurwetenschap weerspiegelt deze postseculiere wende zich in een opvallende toename van research companions, monografiereeksen en speciaalnummers van tijdschriften die de titel Literature and Religion dragen – of een variant daarop. Het lijkt dat Stanley Fish het bij het rechte eind had toen hij in 2004 als volgt antwoordde op de vraag welk onderzoeksobject in de eerste decennia van de eenentwintigste eeuw de literatuurwetenschappelijke onderzoeksagenda’s zou 10. Voor een tegengestelde visie die stelt dat de humane wetenschappen, zonder het te onderkennen, sinds hun ontstaan inherent ‘betoverd’ zijn geweest, zie Josephson-Storm (2017).
CLW 12 (2020)
11
CLW2020.12.book Page 12 Thursday, December 10, 2020 12:03 PM
TIJL NUYTS EN VEERLE FRAETERS
bepalen: ‘I answered like a shot: religion’ (Fish 2005: s.p.). Volgens Fish zou de academische studie van religie de plek vormen ‘where the action is’ (Fish 2005: s.p.) – en die claim blijkt minstens ten dele bewaarheid. In 2006 gaf het tijdschrift English Language Notes een lijvig themanummer uit over ‘Literary History and the Religious Turn’. Drie jaar later, in 2009, publiceerde Religion and Literature een special issue over ‘Religion, Literature and the Academy’ vanuit het besef, zo klinkt het in het editoriaal, van de noodzaak voor literatuurwetenschappers ‘to attend to religion’ (Monte 2009: 1). In 2015 verscheen The Routledge Companion to Literature and Religion, een jaar later gevolgd door The Cambridge Companion to Literature and Religion (2016) en sinds hun lancering in respectievelijk 2010 en 2012 tellen de monografieënseries New Directions in Religion and Literature (Bloomsbury Academic) en Literature, Religion, and Postsecular studies (Ohio State University Press) elk een twintigtal titels. Wanneer we naar de inhoud van deze publicaties kijken, valt de enorme bandbreedte op, zowel wat thema’s en methodologische invalshoeken als wat de profielen van de betrokken experten betreft. In haar inleiding tot The Cambridge Companion to Literature and Religion thematiseert Susan Felch de gulle openheid én de verwarrende vaagheid die het ‘gastvrije’ voegwoord and creëert (Felch 2016: 2-3). Onder de vlag ‘Literatuur en Religie’ vaart een zeer diverse lading onderzoeksobjecten, gaande van religieuze thema’s in het oeuvre van Shakespeare tot boeddhistische sporen in modernistisch proza, van de ondogmatische omgang met het religieuze in laatmoderne Amerikaanse romans tot het onderzoek naar pinksterkerken en poëzie van Engelstalige Afrikaanse auteurs. Ook methodologisch lijken weinig grenzen de toegang te belemmeren: zolang een tekst, auteur of methodologie zowel vanuit literair als religieus oogpunt interesse kan opwekken, blijkt het gesprek mogelijk (Felch 2016: 2). Tot nader order blijft de focus van het onderzoeksveld dan ook behoorlijk flou: What precisely constitutes the relationship between the two terms? Should we talk, for instance, about religion and literature, about literature and religion, or about religion in literature, to name just three possibilities? Are we interested in a religious reading of a literary text? A theological reading? A literary reading of a sacred text? An exposition of the ways in which a religious culture has shaped a particular author or text? A theologically inflected literary theory or cultural criticism? All of these approaches and more have been embraced — and rigorously critiqued — under the generous rubric of the study of literature and religion (Felch 2016: 3).
Zolang de twee termen van het begrippenpaar, en hun onderlinge relatie, niet duidelijker worden gedefinieerd, heeft Literatuur en Religie vooralsnog meer weg van een interdisciplinair forum dan van een welomlijnd onderzoeksveld. Op dat forum komen experten met elkaar in contact die in verschillende academische departementen en onderzoeksniches actief zijn – letterkundigen en religiewetenschappers, taal- en regiospecialisten en cultuurhistorici, filosofen en theologen – en gespecialiseerd zijn in de meest diverse tijdvakken en regio’s. Daardoor kan Literatuur en 12
CLW 12 (2020)
CLW2020.12.book Page 13 Thursday, December 10, 2020 12:03 PM
OVER DE GEBEDSMAT EN DE GÊNE
Religie fungeren als een beursvloer waarop aan hoog tempo en met groot rendement kennis en methoden kunnen worden uitgewisseld. Specialisten van de moderne en hedendaagse letterkunde die tot nog toe voornamelijk binnen een seculier kader hebben gewerkt, ontmoeten er collega’s die al langer rekening houden met religie als constituerende factor in de culturele productie. Om greep te krijgen op de teksten die ze bestuderen, waren onderzoekers actief in disciplines als de mediëvistiek en de regiostudies immers genoodzaakt om zich ook vóór de eenentwintigste-eeuwse religious turn grondig in religie te verdiepen.11 Ondanks de uitgestrektheid van het forum en de interdisciplinaire meerstemmigheid van de conversaties die er worden gevoerd, kan er in de recente special issues en companions over Literatuur en Religie toch een gedeelde onderzoekshouding onderkend worden. Het gros van de wetenschappers neemt een zogenaamd ‘postseculier’ perspectief in. Die bepaling wil een horizon aangeven die ‘perpetually future’ is: onderzoekers die aansluiten bij de postseculiere wende stellen zich tot doel om het seculiere denkkader ter discussie te stellen zonder het seculiere daarbij volledig uit het oog te verliezen (Allan 2013, Branch 2015, Ni 2016). Vanuit die optiek wordt onderzocht hoe het religieuze en het seculiere zich als steeds innig verknoopte fenomenen in literaire teksten manifesteren, wat resulteert in een open onderzoeksattitude die haar vruchten afwerpt: ‘it opens up new understandings of the cultural forms that mediate the secularism that emerges and the religiousness that remains in modernity’ (Branch 2015: 92).12 In weerwil van die openheid blijft het onmiskenbaar zo dat het eurocentrisme en de strakke nationale en confessionele afbakeningen waarbinnen het veld Literatuur en Religie zich in de twintigste eeuw ontwikkelde, tot op vandaag hun sporen nalaten. De christelijk-Angelsaksische focus laat zich bijvoorbeeld nog sterk voelen in de inleiding die anglist Mark Knight schreef voor The Routledge Companion to Literature and Religion (2015).13 Niettemin klinken de stemmen om uit die ‘com11. Zo is in het eerder genoemde speciaalnummer van English Language Notes een hele sectie gewijd aan de zogenaamde ‘vernaculaire theologie’, een bloeiend interdisciplinaire subveld binnen de mediëvistiek dat sinds 1990 een eigen noemer draagt (Robertson 2006). Letterkundigen, theologen en cultuurhistorici vinden er elkaar in de studie van het enorme corpus van laatmiddeleeuwse teksttypen – psalmische gebeden en mystieke lyriek, heiligenlevens en spirituele dagboeken, zondenspiegels en preken, innerlijke dialogen en religieus toneel, om er enkele te noemen – dat in een devotionele context heeft gefunctioneerd en daar retorisch en poëticaal de sporen van draagt. In tegenstelling tot wat de term ‘vernaculaire theologie’ laat vermoeden, bestaat het studieobject dus niet uit theologische traktaten maar uit de brede waaier van laatmiddeleeuwse volkstalige teksttypen die wortelen in de zogenaamde ‘lived religion’ of geleefde religie. 12. Voor een kritiek op die postseculiere focus, die zich op Edward Saïds secular criticism beroept, zie Mufti (2013) en bij uitbreiding het hele themanummer van boundary 2 ‘Antinomies of the Postsecular’. 13. Wanneer hij verwijst naar de kruisbestuiving tussen disciplines die in Literatuur en Religie gestalte krijgt, vermeldt Knight onderzoeksvelden als ‘biblical studies’, ‘Romanticism’, ‘Victorianism’, ‘Contemporary Literature’ (Knight 2016: 3), waarbij de Engelstalige canon en de christelijke theologie zonder dat expliciet te onderkennen als de default onderzoeksobjecten van Literatuur en Religie worden voorgesteld. Hoewel Knight aangeeft met de Routledge Companion to Literature and Religion een Gadameriaans gesprek tussen verschillende disciplines te beogen en ook expliciet niet-Engelstalige en niet-christelijke invalshoeken in de conversatie verwelkomt (Knight 2016: 4-6), is zijn blik bij het bepalen van de contouren van dat gesprek onmiskenbaar gevestigd op de horizon van de christelijke theologie en de Engelstalige literaire canon.
CLW 12 (2020)
13
CLW2020.12.book Page 14 Thursday, December 10, 2020 12:03 PM
TIJL NUYTS EN VEERLE FRAETERS
fort zone of one religion and one literature’ (Ni 2016: 51) te breken steeds luider. Zo situeren jonge onderzoekers als Zhange Ni (Chicago Divinity School) en literatuurwetenschapper Manav Ratti (Salisbury University) zich complexloos binnen het onderzoekskader van de wereldliteratuur en de wereldreligies (zonder het daarbij na te laten om ook over de problematische genealogie van beide termen te reflecteren). Hun recente monografieën The Pagan Writes Back: When World Religion Meets World Literature (Ni 2015) en The Postsecular Imagination: Postcolonialism, Religion and Literature (Ratti 2014) vormen overtuigende pleidooien om het blikveld van Literatuur en Religie radicaal open te trekken en aandacht te besteden aan niet-Engelstalige literatuur en aan genres die buiten de klassieke literaire circuits circuleren, enerzijds, en aan de veelvormigheid van globale geloofspraktijken gisteren en vandaag, anderzijds. Met dit nummer van het Cahier voor literatuurwetenschap hebben we uitdrukkelijk gevolg willen geven aan de oproep om het kruispunt tussen literatuur en religie met een meertalige en multiconfessionele blik te beschouwen en de exclusieve focus op highbrow literatuur los te laten. Het gesprek dat de bijdragen in dit nummer voeren is er een waarin aandacht wordt besteed aan uiteenlopende literaire objecten en aan de vele verschijningsvormen van het religieuze zoals die gestalte krijgen in samenlevingen die niet alleen in de hedendaagse geglobaliseerde context culturele producten uitwisselen, maar ook in vroegere periodes op velerlei wijzen met elkaar waren verknoopt. We stellen met andere woorden niet alleen de vraag hoe literaire teksten vandaag in dialoog treden met verschillende religieuze praktijken en sensibiliteiten, maar ook op welke manier religieuze denkkaders, rituelen en teksttradities uit het verleden op elkaar en op meer recente teksten inwerken, en welke (combinatie van) onderzoeksinstrumenten en methodologieën gehanteerd kunnen worden om die doorwerking te conceptualiseren. Om die vragen in al hun veelkleurigheid tot hun recht te laten komen lijkt het ons noodzakelijk om een forum te bieden aan lopend onderzoek waarvan de resultaten in verschillende talen worden gecommuniceerd en bijgevolg veelal niet geregistreerd worden door de radar van Literatuur en Religie, die ondanks alle recente inspanningen om ook niet-Engelstalige literaire teksten in het blikveld te betrekken, toch vooral op Engelstalige academische publicaties is afgestemd. Toen we de auteurs van de bijdragen in dit nummer uitnodigden voor de onderzoeksdag die we in december 2018 organiseerden, legden we hen enkele vragen voor. Die inspireerden we op de mogelijke richtingen voor het onderzoek naar Literatuur en Religie die Michael Allan formuleerde in zijn inleiding tot Reading Secularism: Religion, Literature, Aesthetics, een themanummer van Comparative Literature (2013) waar hijzelf, met een knipoog naar titels van recente rapporten van de American Comparative Literature Association (ACLA) en van het magnum opus 14
CLW 12 (2020)
CLW2020.12.book Page 15 Thursday, December 10, 2020 12:03 PM
OVER DE GEBEDSMAT EN DE GÊNE
van Charles Taylor, naar verwijst als zijn Comparative Literature in a Secular Age.14 Hoe verhoudt de interpretatie van literaire teksten zich tot de leesmethodes die gehanteerd worden om religieuze teksten uit verschillende tradities te benaderen? Hoe kunnen begrippen uit de literatuurwetenschap en de religiestudies productief met elkaar in verband worden gebracht? Welke bijdrage kunnen takken van de literatuurwetenschap die traditioneel sterk focussen op de interactie tussen religie en literatuur (zoals de historische letterkunde en verschillende taal- en regiostudies) leveren aan de algemene literatuurwetenschap en de studie van hedendaagse literaturen? Wat is de relevantie van de hernieuwde interesse voor het religieuze voor de beoefening van de literatuurwetenschap in de Lage Landen? Hoewel de bijdragen geen directe antwoorden vormen op deze vragen en steeds inzoomen op specifieke gevalsstudies uit verschillende literaire en religieuze contexten, merkten we tijdens de studiedag en bij het redigeren van dit nummer dat ze zich wel rond verschillende deelvragen en voorlopige antwoorden clusterden. Zo komt in de eerste drie bijdragen van dit nummer een bij uitstek postseculiere attitude tot uiting waarbij het veelvormige samenspel, eerder dan de oppositie, tussen het religieuze en het seculiere de focus van het onderzoek vormt. Die bijdragen focussen op literaire teksten die met verschillende vormen en uitingen van nietinstitutionele religie dialogeren, en dan met name met mystieke literatuur. Mystieke teksttradities kwamen immers vaak in de marge van geïnstitutionaliseerde religies tot bloei en laten zich door hun radicale interioriteit en lossere omgang met dogmatiek relatief gemakkelijk rijmen met een (post-)seculier perspectief. In zijn bijdrage ‘Niet-religieuze mystiek in de Franse letteren en filosofie: een literatuurhistorisch, literatuurwetenschappelijk en filosofisch perspectief’ reflecteert Daniel Acke (Vrije Universiteit Brussel) over de kruisverbanden tussen mystiek en taal, tussen religie en tekst in de Franstalige moderne en hedendaagse letteren en filosofie. Door literaire en theoretische stemmen die veelal niet samen worden beluisterd met elkaar te confronteren, biedt hij nieuwe inzichten in een literaire (natuur)mystiek die zich als niet-religieus – maar daarom niet noodzakelijk onttoverd – profileert, en die door een glijdende schaal van immanente en transcendente impulsen wordt gekenmerkt. Ook Warda El-Kaddouri (Universiteit Gent) heeft in haar ‘Mystische Liebesmetaphorik und Sadomasochismus in Navid Kermanis Du sollst (2005)’ oog voor de vloeibare grenzen tussen het religieuze en het seculiere. De lectuur van de verhalenbundel Du Sollst (2005) van de Duitse auteur Navid Kermani die ze in haar bijdrage presenteert, biedt een tegenwicht voor de ‘typisch’ geseculariseerde leeswijze om de relatie tussen erotiek en religie als uitsluitend metaforisch te benaderen. Door de raakpunten tussen de islamitische en christelijke mystieke tradities te belichten sluit haar onderzoek daarnaast aan bij de multiconfessionele focus die de laatste jaren op de voorgrond treedt in het onderzoek 14. Allan (2013: 263-264) verwijst naar Charles Bernheimers ‘Comparative Literature in the Age of Multiculturalism’ (1995), Haun Saussy’s ‘Comparative Literature in an Age of Globalization’ (2006) en Charles Taylors A Secular Age (2007).
CLW 12 (2020)
15
CLW2020.12.book Page 16 Thursday, December 10, 2020 12:03 PM
TIJL NUYTS EN VEERLE FRAETERS
naar Literatuur en Religie. In hun bijdrage ‘Een vrolijke Frans. Felix Timmermans’ Pallieter (1916) en de navolging van Sint-Franciscus’ bestuderen ook Kevin Absillis (Universiteit Antwerpen) en Marlou de Bont (Universität Wien & Universiteit Antwerpen) de doorwerking van mystieke teksten, tropen en denkbeelden. In hun studie van de omgang met de mystiek van Sint Franciscus in Pallieter van de Vlaamse auteur Felix Timmermans laten ze zien hoe mystiek-religieuze motieven en fenomenen binnen het krachtenveld van de moderniteit niet aan belang inboeten, en naargelang de interpretatiekaders die worden gehanteerd door contemporaine voor- en tegenstanders van mystieke denkbeelden, op uiteenlopende wijze met maatschappelijke ontwikkelingen kunnen resoneren. Naast voornoemde artikelen die op het samenspel tussen het religieuze en het seculiere focussen, bevat dit cahier met de bijdragen van Jacqueline Bel (Vrije Universiteit Amsterdam) en Ben Van Overmeire (Duke Kunshan University) twee studies die scherpstellen op specifieke tekstgenres die zich op het literair-religieuze kruispunt bevinden, en die bij een door seculiere aannames bepaald literatuurbegrip veelal onder de radar van het literatuurwetenschappelijke bedrijf blijven. Met ‘Van sabbat tot seideravond. De representatie van religie in de Joodse stadsroman rond 1900’ diept Jacqueline Bel een vergeten hoofdstuk op uit de plooien van de literatuurgeschiedschrijving. In haar literair-historische bijdrage brengt ze het genre van de Nederlandse joodse stadsroman in kaart, en haalt daarbij een opvallend divers tekstcorpus vanonder het stof. Daarbij toont ze overtuigend de waarde van dergelijk onderzoek aan: de door haar behandelde romans bewaren herinneringen aan een religieuze cultuur die in een geseculariseerde (onderzoeks)context ondergesneeuwd raakten, en nu opnieuw beschikbaar worden gemaakt. Ook in zijn ‘“Though gold dust is valuable, in the eyes it causes cataracts”: Two Modern Zen Autobiographies’ besteedt Ben Van Overmeire aandacht aan een van religie doordesemd literair genre dat buiten de traditionele literaire circuits circuleert. In zijn vergelijking van twee zenboeddhistische memoires uit de Verenigde Staten heeft hij niet alleen oog voor de mobiliteit van religieuze teksttypen, maar ook voor spanning tussen het literaire genre van de autobiografie en de religieuze ‘matrix’ van de zentraditie. Zijn bijdrage maakt het onmiskenbare interdisciplinaire potentieel duidelijk van onderzoek dat inzichten uit de literatuur- en religiewetenschap op elkaar betrekt. Het cahier rondt af met twee bijdragen die aandacht besteden aan de tekstuele doorwerking en toe-eigening van religieuze motieven uit verschillende tradities. Joachim Yeshaya (KU Leuven) en Geneviève Fabry (UCLouvain) hanteren daarbij respectievelijk een diachroon en een synchroon perspectief. Waar eerstgenoemde de reis van een Bijbelmotief volgt van bij zijn oorsprong in de oudtestamentische tekst, over de middeleeuwen heen tot in de twintigste eeuw, focust laatstgenoemde op verschillende twintigste-eeuwse manifestaties van het motief van de Christusfiguur in de moderne Chileense poëzie. In zijn bijdrage ‘Akedat Jitschak: Het Binden van Isaak in de Joodse Bijbelexegese en Hebreeuwse poëzie’ biedt Joachim Yeshaya een filologische tekstanalyse van de religieuze, literaire en politieke receptie van een bekend Bijbelverhaal. Door de reis van een Bijbelverhaal tot in de context van het 16
CLW 12 (2020)