Skip to main content

9789401471244

Page 1

Gie Vanhout

— THRILLER —

Wat zou jij doen als je wakker wordt naast je dode ik?


Hoofdstuk 1 Hoog boven Elise Deprez splitst het schemerlicht van november zich door het smalle, van een sierlijke boog voorziene raam. Ze ligt op haar rug en weet niet meteen wat deze plek eigenlijk is. Ze probeert haar hoofd op te tillen om de omgeving te verkennen, maar haar nek wil niet naar behoren functioneren. Is ze gevallen en heeft ze daarbij misschien iets essentieels gebroken, zoals een nek­wervel? Dat zal wel niet, want ze vóélt haar lichaam, en kan nu ook haar ene arm, de rechter, opheffen. Dan herkent ze de omgeving: de collegezaal van het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte, waar ze aan haar doctoraat werkt. De William Blakeachtige muurschildering die God en de engelen maar ook de verdoemden bij het Laatste Oordeel uitbeeldt, staart haar aan. In het onzekere licht lijkt het aanschijn van de Schepper somberder en dreigender dan ooit tevoren. De goddelijke figuur wordt omringd door angstige of radeloze stervelingen, weifelende hoopvollen en een paar satanische figuren die richting de mensen loensen, met duidelijk kwaadaardige bedoelingen. Al is het in dit geval niet Blake die hier passeerde om een meesterwerk achter te laten, maar een of andere kunstvolle imitator die de vrije hand kreeg en zich danig liet gaan. En dat met een in de opinie van Elise twijfelachtig resultaat. Ze ligt op de vloer tussen het podium met de kansel waarachter doorgaans een hoogleraar plaatsneemt en de eerste rij van oude,

5


in een kwart boog opgestelde en deskundig gepoetste eikenhouten klapstoelen. De namaak-Blake siert de binnenwand van de zaal, en aan de andere kant tronen hoog de ramen. Onder studenten staat de zaal bekend als de Beau Séjour. Ook de academische staf noemt hem zo. Die naam is ondertussen enkele generaties in omloop, en dateert van toen een meer vrijgevochten generatie studenten de draak stak met de vaak saaie, droge colleges die hier doorgingen. De voorbije vier academiejaren heeft Elise hier veel geleerd, ook al wordt een belangrijk deel van de stof nog steeds op diezelfde ouderwetse manier gegeven. De zaal is niet uitgerust voor moderne audiovisuele middelen. Er is geen projector, en de stem van de redenaar dringt geheel op natuurlijke wijze door tot in alle uithoeken van de zaal, zonder microfoon of kunstmatige versterking. En nu is het avond, of nacht. Ze is gevallen, dat is alles wat ze op dit moment weet. Domweg gevallen en bewusteloos geraakt. Waarom is ze hier? Hoelang ligt ze hier al? Ze steunt op die ene goede arm, terwijl ook de rest van haar ­lichaam weer begint te functioneren. Pijn heeft ze eigenlijk niet, maar wel een eigenaardig gevoel, alsof ze verdoofd is geweest, of lang ziek en nu begint te herstellen. Ook herinnert ze zich niet hoe ze hier komt, waarom ze op de vloer van deze zaal ligt, en wat er de voorbije uren gebeurde. Niets. Een woestijn in haar geheugen. Voorzichtig gaat ze rechtop zitten. Ze kijkt naar haar handen. Ze kijkt naar haar benen. Daar lijkt niets verkeerd mee. Het is schemerig, maar ze ziet geen bloed. Dat valt dus mee. Ze moet gevallen zijn en het bewustzijn verloren hebben. Maar er lijkt niets kapot. Ze slaagt erin op haar knieën te steunen en kijkt om zich heen. Achter haar ligt nog een lichaam. Het is een meisje, en vreemd genoeg lijkt het zo ongeveer dezelfde kleren te dragen als zij: een donkerblauwe jeans, een groene gestreepte sweater en een leren jasje. En die laarsjes, dat zijn dezelfde als de hare.

6


Geen idee wie het meisje is. Ze ligt met haar gezicht afgewend. Haar donkere haar verward. Elise kruipt dichterbij en schudt aan de arm van het meisje. ‘Hey’, zegt ze. Haar stem klinkt hol in de zaal. Elise kijkt op, een moment lang. Er is niemand anders in de buurt. Ze kan om hulp roepen, maar zo laat is het Instituut waarschijnlijk verlaten. De voorbije weken was zij hier vaak de enige, wanneer het buiten al begon te schemeren. Dat hinderde haar niet, en het droeg alleen maar bij tot haar concentratie. Ze schudt nog even aan de arm van het meisje. ‘Hey! Hoor je me?’ Het meisje reageert niet. Voorzichtig pakt Elise de ene arm van het meisje vast en draait haar voorzichtig om. Het donkere haar schuift weg van het gezicht. Met een gil laat Elise haar los en ze springt overeind. Ze strompelt twee, drie stappen naar achteren, tot ze met haar rug tegen de muur onder het raam staat. Het grauwe licht valt fotogeniek maar ongenadig op de stille figuur die nu uitgestrekt op de tegelvloer ligt. Net zoals iedereen ziet Elise zichzelf alleen maar in spiegels. ’s Ochtends in de badkamer, overdag in de toiletten of bij het passeren van een etalage. Je gezicht is anders in een spiegel. Mensen herkennen alleen de spiegelwereld. Ze zien een andere versie van zichzelf, behalve op foto’s. Maar dit meisje herkent ze meteen. Zíj ligt daar op de vloer. Zijzelf. Tenzij het meisje haar dubbelgangster zou zijn. Maar dat is absurd. Ze knielt weer bij het meisje neer, neemt haar voorzichtig vast. Ze droomt niet, al hoopte ze een moment van wel. Het is een jonge vrouw van vlees en bloed, met de ogen een beetje open, ogen die in het niets van de vergetelheid staren. Elise tast naar de keel van het meisje, tevergeefs op zoek naar een hartslag. Maar het enige dat ze aantreft, zijn enkele donkere plekken.

7


Voorzichtig laat Elise het meisje weer op de vloer glijden. Ze sluit haar ogen. En opent ze opnieuw. De zaal is er nog steeds, net als het levenloze lichaam. Een schaduw passeert. Nee, niet echt een schaduw. Iets wat slechts een schaduw suggereert. Iets wat even de lucht beroert. En dan is er niets meer. Er moet een zinnige verklaring bestaan voor het meisje op de vloer, daar is ze van overtuigd. Een tot nog toe onbekende tweelingzus, of iemand die geheel per toeval heel erg op haar lijkt. En die nu hier is terechtgekomen, in deze zaal, en dood is. Of iemand deed in de loop van de dag drugs in haar drankje, in haar koffie. Het een of andere middeltje, dat haar nu aan het hallucineren zet. Zoveel onmogelijke opties worden plots mogelijk. Een verklaring is wat ze wil. Geen voor de hand liggende, maar toch iets wat haar niet doet twijfelen aan haar eigen geestelijke gezondheid. Ze komt opnieuw overeind en weet één ding: ze moet meteen hulp halen. Hulp halen om deze situatie uit te klaren, om een oplossing te zoeken voor het dode meisje. Het gebouw is leeg. Ze heeft sleutels en kan dus naar buiten, maar er is op dit uur niemand anders meer om haar te helpen. Ze pakt haar gsm. Het scherm licht op. Ze toetst 112. Een warme vrouwenstem reageert meteen. ‘Politie en brandweer’, kondigt ze aan. ‘Wat is het probleem?’ ‘Mevrouw,’ zegt Elise, ‘ik wil een… een dode melden. Ik ben in het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte en hier ligt een dood meisje op de vloer…’ Ze wordt onderbroken door de vrouw. ‘Hallo? Zegt u het maar? Wat is het probleem?’ ‘Hoort u mij niet?’ vraagt Elise. ‘Hallo?’ ‘Als er een probleem is,’ vervolgt de vrouw, ‘en u kunt niets zeggen, tik dan op de microfoon van uw toestel. Eén tik is ja, twee is nee. Bent u alleen?’

8


‘Mevrouw’, zegt Elise. En voor de goede orde tikt ze één keer met haar vinger op het toestel. Maar de vrouw hoort haar niet. Het toestel is kapot, denkt Elise. Ze is gevallen, en nu werkt het ding niet meer. Ze verbreekt de verbinding. Dan maar op een andere manier hulp zoeken. Ze loopt de trap af en dan naar buiten, door de lange tuin met de Japanse honingboom en de treurbeuk en de Chinese blauweregen die van het Instituut zo’n aangename plek maken, maar die haar nu begluren als buitenaardse indringers. Ze komt in de straat terecht. Ook daar lijkt het schemerig. Studenten passeren. Een kluitje luidruchtige jongelui. Een koppeltje. Ze loopt ernaartoe. ‘Ik heb hulp nodig’, zegt ze. ‘Er is iets gebeurd…’ Maar zowel de jongen als het meisje negeert haar en ze lopen nonchalant langs haar heen terwijl ze gezellig met elkaar blijven kletsen. Alsof ze helemaal niet bestaat. ‘Hey,’ roept ze hen achterna, ‘ik heb het tegen jullie…’ Ze kijken niet eens om. Een wat oudere man, een veertiger, passeert haar haastig. ‘Meneer…’ Maar ook hij doet alsof ze lucht is en hij loopt gewoon verder. Er is iets serieus mis met de samenleving, denkt ze. Mensen helpen elkaar niet meer. ‘Hey,’ roept ze, ‘er is een ongeluk gebeurt. Er ligt daar een dode. Kan iemand de politie bellen?’ Het helpt niet. Voorbijgangers genoeg op dit uur van de avond, maar geen ervan reageert. Niemand lijkt haar te zien of te horen. Ze is onzichtbaar. Maar ze is niet onzichtbaar. Hoe kan ze nu onzichtbaar zijn? Ze staat hier! Waarom doen al die mensen alsof ze niet eens bestaat? Dit kan geen grap zijn. Er zijn te veel passanten. Zo’n idiote grap organiseren, van deze omvang, dat ligt ver buiten de mogelijkheden van haar vrienden. Maar wat dan?

9


Het moet een droom zijn. Het is een nachtmerrie. Ze wil wakker worden. Ik wil wakker worden! Maar dat gebeurt niet. Ze vlucht weer het Instituut in. Gooit de deur open en rent de trap op. Het lichaam ligt nog steeds op de vloer in de collegezaal, zoals ze het achterliet. Shit, denkt ze. En daarna weet ze niet meer wat te denken. Ze heeft een dubbelgangster, die dood in de zaal ligt, en de rest van de mensheid heeft collectief besloten haar te negeren. Haar gsm doet het niet. Ze kan niemand bereiken. Ze knielt opnieuw neer bij het meisje. Elk detail klopt. De kleren, het gezicht, het haar, het horloge en de tas. Dit is een exacte kopie van haar. Alleen dit is vreemd: ze is zelf haar eigen tas kwijtgeraakt. Ze heeft haar gsm en haar sleutels in de zak van haar jas, maar haar tas lijkt spoorloos verdwenen. Geknield op de vloer probeert ze haar gedachten bij elkaar te krijgen. Komaan, denkt ze, je hebt geleerd rationeel te redeneren, en nu bevind je je in deze bizarre situatie. Als je dit niet droomt, wat is hier dan aan de hand? Ze moet de dingen uitsluiten die onmogelijk zijn. Het meisje daar op de vloer is iemand anders. Maar iemand die – althans in dit vage licht – heel erg op haar lijkt en dezelfde kleren draagt. Dat lijkt onwaarschijnlijk, maar het is niet onmogelijk. Dat de passanten haar in de straat negeren, zal dan wellicht te wijten zijn aan de manier waarop ze zich gedroeg, alsof ze gek was of hysterisch. Niemand wil door zo’n persoon aangeklampt worden. Zou ze zelf ook niet willen. Op die manier bestaat er voor deze hele situatie een logische verklaring. Ze heeft geen idee waarom ze zelf bewusteloos in deze zaal lag, zonet, maar dat komt ze nog wel te weten. Eén ding is zeker: het meisje is dood. Er is geen bloed, maar toch is ze dood. Dus moet Elise de politie erbij halen. Bellen lukt duidelijk niet, maar er is een kantoor van de politie op het marktplein. Ja, denkt ze, daar moet ik naartoe.

10


Zolang ze zich niet hysterisch gedraagt, zullen ze daar wel naar haar luisteren. Ze verlaat opnieuw het gebouw. In de tuin, tussen de gevels, die dicht op elkaar geprangd lijken te staan en waartussen de klimplanten hun best doen om elke vorm van menselijke beschaving te verstikken, vertraagt ze. De wereld lijkt geluidloos geworden, maar dat fenomeen merkte ze hier op deze plek wel vaker op. Het hele gebouw is een oase van ingetogen academische terughoudendheid in deze kleinschalige en drukke stad. Maar dat is niet de reden waarom ze vertraagt. Ze is niet alléén. Daarbuiten, in de straat, lopen geregeld mensen langs – maar ook hier in de tuin lijkt het alsof ze niet alleen is. Ze kijkt rechts van haar, naar de ramen van het gebouw, maar ziet niets. Geen wit gezicht achter een van de vensters, geen sluiks bewegende gestalte, niet iemand die haar in de gaten houdt. Maar alléén is ze alleszins niet. Sinds ze in die zaal ontwaakte, heeft ze het gevoel gezelschap te hebben. Iets wat zich net buiten haar gezichtsveld bevindt. Iets wat haar de hele tijd observeert. Observeert. Dat is wat ze voelt. Alsof ze geobserveerd wordt. Door iemand die niet dichterbij komt. Ze haast zich de binnentuin uit, de straat op. Ze negeert de passanten die haar negeren. Zelfs onder andere omstandigheden zou ze aan hen geen aandacht besteden: in de stad is het nu eenmaal een gaan en komen van studenten en reguliere bewoners, van mensen die er werken of winkelen. Je moet al heel gekke dingen doen wil je hier opvallen. En gekke dingen doet ze niet. Integendeel: ze probeert te kalmeren. Want zo dadelijk moet ze een geloofwaardig verhaal hebben voor de politie. Het licht in de straten is vaal en vochtig, net of er mist hangt. Dat zou kunnen; het is per slot van rekening herfst. Maar dat licht doet vreemde dingen met de omgeving. Ze passeert huizen die

11


niet helemaal rechtop lijken te staan. Ze passeert winkels die ze niet herkent en nooit eerder opmerkte. Eén gevel draagt nog steeds kogelgaten, van de oorlog, een detail dat ze niet eerder opmerkte. Een ander gebouw is net weer uit de steigers, of misschien niet, het is niet duidelijk, maar het lijkt hopeloos verwaarloosd. De trottoirs zijn oneffen, hier en daar ontbreken tegels, zijn er plassen. Wat is er toch aan de hand met deze stad? Wat is er aan de hand met haar? Aan de balie van het kantoor naast het stadhuis zit een politievrouw in uniform. Ze leest iets op het scherm en kijkt niet op wanneer Elise binnenkomt. ‘Mevrouw’, zegt Elise, en ze wil haar verhaal beginnen, maar de vrouw reageert ook dan niet. Elise leunt over de balie. ‘Excuseer, maar ik wil een moord melden’, zegt ze. Ze veronderstelt dat deze boodschap – ook al weet ze niet zeker of het om een moord gaat – meteen de volle aandacht van de vrouw krijgt, om niet te spreken van de rest van het corps. Maar de vrouw heeft nog steeds alleen maar aandacht voor haar scherm. Elise is niet geneigd om kabaal te scheppen. Daarvoor is ze te netjes opgevoed. Maar dit gaat toch te ver! Wat is hier aan de hand? Ze steekt haar hand uit naar de vrouw, die echter net buiten haar bereik zit. Dan plots komt de vrouw overeind, en zonder een blik op Elise te werpen stapt ze achter de balie vandaan en spreekt iemand aan achter in de ruimte, buiten het gezichtsveld van Elise. ‘Fred,’ zegt ze, ‘patrouille dertien wil assistentie. Aan ’t station. D’r is weer miserie.’ ‘Vraag het aan acht, die zijn in de buurt.’ ‘Oké’, zegt de vrouw, ze gaat weer zitten, nog steeds zonder enige aandacht voor Elise, grijpt een radio. ‘Patrouille acht? Graag naar het station ter ondersteuning van dertien.’ Elise heeft er genoeg van en krijst. Letterlijk. Ze mept met haar handen op de balie. Het is iets wat ze anders nooit zou doen, maar nu slaan zo’n beetje de stoppen door.

12


De vrouw reageert echter helemaal niet. Ze is dus wel degelijk onzichtbaar. Niemand ziet haar. Niemand hoort haar. Er is iets zo fundamenteel verkeerd, dat ze helemaal niet weet wat daarover te denken. Gefrustreerd trapt ze tegen een folderrekje dat naast de deur staat. Het rekje klettert tegen de vloer, folders wapperen alle richtingen uit. Net iets te veel, denkt Elise, maar ook nu gebaart de vrouw alsof er niets aan de hand is. Elise rukt de deur open en blijft dan staan. Het rekje dat ze zonet omtrapte, staat weer helemaal netjes naast de deur, alsof er niets gebeurde. Ze stapt naar buiten en haalt diep adem. Ze voelt zich zwakjes. De frisse lucht zal haar goed doen. Maar de lucht die ze inademt, is niet fris. Ze lijkt uit een diepe kelder te komen. Uit een diepe en oude kelder, waar in een eeuwigheid geen mens opruimde. Een vochtige, kille kelder. Ze sluit haar mond en zit neer op de trap van het gebouw. Daar blijft ze enkele momenten zitten, tot ze wat gekalmeerd is. Er is iets grondig mis met haar. Misschien ligt ze gewoon ergens in een ziekenhuis, zwaar onder de medicijnen, en is haar verbeelding met haar aan de haal. Want niets van wat ze nu beleeft, is mogelijk. Mensen worden niet zomaar onzichtbaar. Oké, denkt ze, ik speel het spel mee. Omdat het niet anders kan. Ze gaat naar haar kot en ze gaat slapen – of ze gaat het althans proberen – en wanneer ze weer ontwaakt, ziet ze wel wat er aan de hand is. Misschien wordt ze wakker in een ziekenhuis, hebben specialisten haar dan onderzocht, hebben ze haar medicijnen wat aangepast en haar hallucinaties onder controle gekregen. Ze wandelt opnieuw de vreemde, bijna onwerkelijke stad door. Als dit mist is, dan is het wel zeer ongewone mist, die zich uitrekt tot lange slierten. Hier en daar kleurt de mist vreemd groen. Even komt ze in de verleiding om uit te zoeken hoe onzichtbaar ze is.

13


Stel dat ze haar kleren uittrekt. Of dat ze een café binnenstapt, een fles vanachter de bar pikt, en dan wacht tot er wat gebeurt. Stel dat ze probeert een meisje te kussen. Of wat dan ook. Wat gebeurt er dan? Maar ze is moe. Haar hoofd voelt aan alsof het als boksbal diende. Ze haast zich naar haar kot. Ze neemt daar zelfs de moeite niet om haar kleren uit te trekken maar valt meteen in slaap op haar onopgemaakte bed.

14


Hoofdstuk 2 Nog half in slaap reikt commissaris Van Rompaey naar zijn irritant zeurende gsm. Hij heeft tegen beter weten in dat toestel op het nachtkastje aan zijn kant van het bed liggen. Dat doet hij al jaren, sinds hij het team van de Leuvense lokale gerechtelijke politie leidt. Zijn vrouw, Gina, heeft niet vaak te klagen gehad: de stad wordt zelden opgeschrikt door het soort misdaden waarvoor de commissaris dringend uit zijn bed wordt gebeld. Gemiddeld twee moorden per jaar, en voor een agglomeratie van deze omvang is dat behoorlijk weinig, zeker in vergelijking met Antwerpen of Brussel. Dit jaar is anders. Dit is een slecht jaar. Dit is het jaar van de alarmerende beltonen, van de nachtelijke oproepen, van zijn geregelde nachtmerries. Om eenentwintig minuten na zes zoemt dus de gsm, terwijl Van Rompaey zich had voorgenomen niet voor zeven uur op te staan. Dan is er nog genoeg tijd om Todd en Sylvie uit bed te krijgen en hen, gewassen en gekleed, het ontbijt achter de kiezen, naar school te sturen, terwijl Gina zich klaarmaakt voor haar job bij het stadsbestuur. Ze werken allebei in Leuven, dat valt dus mee. Geen van beiden moeten ze ver pendelen. ‘Een nieuwe moord’, zegt de stem aan de andere kant van de lijn. De stem is afkomstig van Henry Nerval, hoofdinspecteur, en

15


tweede in bevel van het team. Nerval weet dat hij zijn chef om het even wanneer mag bellen, als de zaak maar ernstig genoeg is. ‘Shit’, zegt Van Rompaey. Naast hem kreunt zijn vrouw en ze richt zich op. Ze kijkt op haar eigen gsm om te zien hoe laat het is en zucht. Hoe ze haar kapsel zelfs na een nacht nog zo keurig houdt, begrijpt Van Rompaey niet. ‘Hoger Instituut voor Wijsbegeerte in de Tiensestraat. Deze morgen ontdekt door de kuisploeg.’ Nerval – Rik voor de collega’s – is niet bepaald een man van veel woorden. Hij is afkomstig uit de Kempen, woont al jaren in het Leuvense, maar heeft zijn ietwat koppige aard niet van zich afgeschud. ‘Wie is daar?’ ‘Interventieploeg, en twee patrouilles om de boel af te schermen. Ik ben onderweg op verzoek van de magistraat, en die heeft de mensen van het labo al gebeld’, waarmee Nerval het LTWP – het Laboratorium voor Technische en Wetenschappelijke Politie – bedoelt. ‘Ik kom meteen’, zegt Van Rompaey. Hij voorziet dat de parketmagistraat een onderzoeksrechter zal aanstellen. Vannacht was hijzelf niet van wacht, dus belde niemand hem meteen. Het is in zo’n geval de officier van wacht die gebeld wordt door de patrouille die als eerste arriveert. ‘Wat?’ vraagt Gina. Ze draait haar beide benen uit bed. ‘Moord’, zegt hij, eveneens uit het bed stappend. Hij zoekt en vindt zijn bril. ‘Weer?’ Dit is de vijfde moord in Leuven dit jaar. Slechts één ervan was niet gerelateerd aan de andere drie, en werd ook meteen opgelost. ‘Ja. En het zal weer diezelfde moordenaar zijn, denk ik. Het is in een gebouw van de universiteit deze keer.’ ‘Ik maak de kinderen wel klaar voor school.’ Twintig minuten later, maar nog zonder ontbijt, rijdt Van ­Rompaey naar de Tiensestraat. Twee combi’s staan naast de ingang van het

16


HIW, evenals een neutrale bestelwagen en een anonieme auto van de politie, die van Nerval. Van Rompaey parkeert daarachter. Hij sluit zijn auto af, negeert de nieuwsgierige blikken van de mensen achter het lint aan beide zijden van de straat, en stapt de binnenplaats van het Instituut op. Verderop staan al enkele fotografen en persmensen te reikhalzen. Het verbaast Van Rompaey niet meer dat die zo snel ter plekke zijn. Zouden die mensen nooit slapen? Liggen die wakker, bij hun telefoon, helemaal aangekleed, wachtend op een volgende moord? Hij is in dit gebouw al wel vaker geweest, als hij wat tijd kon vrijmaken om een lezing georganiseerd door het Wijsgerig Genootschap bij te wonen, maar dat is alweer enige maanden geleden. De tuin biedt toegang tot de gebouwen erachter en ernaast, die allemaal deel uitmaken van deze eminente en in het buitenland beroemde instelling. Dat het Instituut beroemd is, heeft alles te maken met het feit dat het archief van de filosoof Husserl hier bewaard wordt. Nerval wacht hem op. Vier politiemensen in uniform staan over de tuin verspreid, om eventuele passanten weg te houden van de ene deur achterin, die openstaat en waarnaar Nerval gebaart. ‘Daarbinnen, eerste verdieping’, zegt hij. ‘Profiel van het slachtoffer? Heeft de labcoördinator al haar handtas bekeken?’ ‘Elise Deprez, drieëntwintig. Afkomstig uit Gent. Studeert hier, nemen we aan. Dat moeten we nog uitzoeken.’ ‘Tot hoe laat is dit gebouw open voor de studenten en de medewerkers?’ ‘Tien uur. Dan komt een conciërge langs die beneden de deuren afsluit. Wie daarna nog in het gebouw is, kan nog wel naar buiten, maar ze kunnen er niet meer terug in, tenzij ze zelf een sleutel hebben. Maar zo vroeg in het academiejaar is hier op dit uur nog niet veel volk.’ ‘Hebben we die conciërge al gevonden?’ ‘Komt direct naar hier. Ik laat Sandy hem ondervragen.’

17


‘Oké. Kuisploeg?’ Van Rompaey weet dat hij een ondervraging aan de kundige inspecteur Sandy Peeters kan overlaten. Ze was de eerste van het team bij lijk nummer drie en had alles professioneel afgehandeld. Ze is ook de jongste rechercheur van zijn team. ‘Begint hier om halfzes. Heeft eigen sleutels.’ ‘Zo vroeg?’ ‘Moeten het hele ding kuisen, en ze zijn maar met vier. Ze begonnen in dit deel van het gebouw, zoals altijd, en vonden het lichaam in de zaal hierboven. Ik heb hen apart gezet en van koffie voorzien.’ ‘Het labo en de dokter zijn er al?’ Nerval knikt. ‘Net toegekomen. Ik heb ook de hulplijn van de universiteit gebeld.’ Van Rompaey zucht. ‘Laat die mensen van de unief voorlopig maar waar ze zijn. Die kunnen hier weinig komen doen, behalve in de weg lopen. Maar we moeten onze public relations verzorgen, zeker? Verder weten we nog niks over het slachtoffer? En hoe ze om het leven kwam?’ ‘Nee. Geen bloed, waarschijnlijk gewurgd. Net als de anderen.’ ‘Het is dus nummer vier, mogen we aannemen’, zegt Van ­Rompaey. ‘Ja,’ zegt Nerval op een zo neutraal mogelijke toon, ‘dat mogen we aannemen. En ondertussen kreeg ik al een telefoontje van Miss Piggy.’ ‘Godverdomme!’ zegt Van Rompaey. ‘Hoe weet die toch altijd direct dat er iets aan de hand is? Hoe werkt dat? Heeft ze een zesde zintuig, of een informant?’ Miss Piggy is de naam die ze onder elkaar gebruiken voor Yvette Storms, lokaal verslaggeefster voor een landelijke krant die zich al te graag specialiseert in moord, doodslag en alles wat op roddel en spektakel beluste lezers aantrekt. Ze lijkt helemaal niet op Miss Piggy, wel integendeel, maar ze kan even vasthoudend zijn als dat personage uit de Muppet Show. ‘We zullen maar eens gaan kijken’, stelt Nerval voor.

18


Van Rompaey houdt er niet van een bunny suit en mondmasker te dragen, maar het kan niet anders. Onder toezicht van een hulpvaardige medewerker van het LTWP trekken hij en Nerval in de hal beneden die spullen aan. Dan bestijgen ze de trap. Ze arriveren in de gang, waar een dubbele deur toegang biedt tot de collegezaal. Daar zijn vier mannen en vrouwen aan het werk, ook allemaal in dezelfde witte pakken. Slechts een van hen onderbreekt zijn activiteiten net lang genoeg om hen toe te knikken. Het centrum van hun aandacht is een stille gestalte die op de rug in het midden van de vloer ligt, onder aan de zitplaatsen. Het meisje lijkt te slapen. Niets wijst erop dat ze het slachtoffer is van geweld. Niets wijst erop dat ze dood is. Van Rompaey bekijkt de zaal, en in het bijzonder de decoratie aan de ene muur, die op een bizarre manier dreigend lijkt. Alsof de schilder er genoegen in schepte om zijn publiek te waarschuwen voor het komende einde der tijden, waarbij iedereen op een gepaste, Bijbelse manier zou beoordeeld worden. Hij vraagt zich af of dat overeenstemt met het neothomisme dat hier indertijd gedoceerd werd, bij de stichting van dit Instituut. Nerval volgt zijn blik. ‘Niet iets wat ik in m’n living zou willen’, zegt hij. ‘Ik vraag me zelfs af wat dat hier doet’, zegt Van Rompaey. ‘Het past hier niet.’ ‘Het Laatste Oordeel?’ ‘Ja. Maar de stijl…’ ‘Ik weet niks van kunst, chef. Maar ’t is niet mijn ding.’ Een van de mannen in een wit pak stapt afgemeten tot bij de politiemensen, die buiten de directe perimeter rond het lichaam wachten. Alsof, denkt Van Rompaey, hij op eieren loopt. ‘Dokter Briers’, zegt de commissaris. ‘Is dit het vierde slachtoffer van dezelfde moordenaar?’ Want dat is de vraag die op ieders lippen zal branden, en die de commissaris zal moeten beantwoorden ten overstaan van de onderzoeksrechter. Die zal dan de vragen beantwoorden van de journalisten. Liever de onderzoeksrechter

19


dan hij, denkt Van Rompaey. Iedereen draagt zijn gewicht met zich mee. ‘Dat ziet er zo naar uit, commissaris’, zegt Briers, die het masker voor zijn mond weghaalt. ‘Zelfde leeftijdsgroep als de vorige drie, en gewurgd. Alleen de plaats is een beetje…’ Briers schudt het hoofd. ‘De vorigen vonden we ergens op straat. Daarom verbaast deze omgeving mij. U zult het onderzoek wel weer doen, neem ik aan?’ ‘Zal ervan afhangen wie onderzoeksrechter wordt.’ ‘Het parket wil continuïteit’, oppert Briers. ‘Ze pakken Merel Ghans wel weer.’ Ghans is een van de jongere rechters, meer geliefd bij het parket dan bij de politie, al zorgt haar naam op beide plekken voor de nodige hilariteit. ‘De slachtoffers waren wel allemaal studentes, op die ene na dan. De derde.’ ‘Ja, maar ook die kon voor een studente doorgaan’, zegt Briers. De theorie, tot nog toe, veronderstelt een man die een probleem heeft met jonge, vrouwelijke studenten. Dat profiel biedt echter geen houvast. Het is veel te algemeen. Er zijn overigens geen verdachten. Telkens bekeken de speurders de onmiddellijke omgeving van de slachtoffers, en vervolgens een uitgebreidere groep mogelijke verdachten, maar niemand kwam in aanmerking. Al die mensen hadden een duidelijk alibi, of geen motief, wat dan ook. ‘Behalve dat ze gewurgd werd, hebt u nog niets bijzonder gemerkt?’ Van Rompaey weet dat hij pas na de autopsie dichter bij het lichaam mag komen. ‘Nee, niets’, zegt Briers. ‘Ze heeft haar kleren nog aan, er zijn geen sporen van seksuele handelingen, er is zo te zien ook geen sperma aanwezig. Maar zekerheid volgt pas later, dat weet u. En haar handtas ligt daar nog steeds, met haar spullen. Hij verraste haar hier, wurgde haar, en verdween dan. En dus zal iedereen aan mij vragen of er nog aanwijzingen zijn, en ik moet antwoorden, nee, er is niets.’

20


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook