Skip to main content

9789401470599

Page 1

Zelfsturing

in het basisonderwijs met 6- tot 12-jarigen

ego praktijkboek

Nele van Oosten


D/2021/45/466 – ISBN 978 94 014 7059 9 – NUR 840, 847 Vormgeving omslag: Gert Degrande | De Witlofcompagnie Vormgeving binnenwerk: Crius © Nele Van Oosten, CEGO & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2021. Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus Vaartkom 41 bus 01.02 Postbus 23202 CEGO 3000 Leuven 1100 DS Amsterdam Schapenstraat 34 bus 3776 België Nederland 3000 Leuven www.lannoocampus.be www.lannoocampus.nl www.cego.be


INHOUD INLEIDENDE GEDACHTE

9

1. WAAROM INZETTEN OP ZELFSTURING?

13

1.1. 1.2.

Waartoe dient onderwijs? Waarom zou je inzetten op zelfsturing?

13 15

2.

WAT IS ZELFSTURING?

19

2.1. 2.2. 2.3.

Een definitie De componenten van zelfsturing Zelfsturing in kaart brengen

19 23 51

3. HOE ZET JE IN OP ZELFSTURING? 3.1. Sfeer: foutvriendelijk positief klasklimaat 3.2. Omgeving: een krachtige, rijke leeromgeving die goesting geeft 3.3. Organisatie: een uitgekiende klasorganisatie die initiatief ondersteunt 3.4. Begeleiding: anders vasthouden 3.5. Reflectie: reflecteren over zelfsturingsvaardigheden en evalueren

55 55 66 73 84 96

4. AAN DE SLAG MET ZELFSTURING?

103

4.1. 4.2. 4.3.

103 103 105

Erken het belang! Breng je/jullie sterktes en groeikansen in kaart Wees mild


6

ZELFSTURING IN HET BASISONDERWIJS MET 6- TOT 12-JARIGEN

EEN LAATSTE MIJMERING

109

DANK JE WEL

111

EINDNOTEN 113


INLEIDENDE GEDACHTE

1. WAAROM INZETTEN OP ZELFSTURING?

2. WAT IS ZELFSTURING?

3. HOE ZET JE IN OP ZELFSTURING?

4. AAN DE SLAG MET ZELFSTURING?

EEN LAATSTE MIJMERING


INLEIDENDE GEDACHTE Naar ontwikkeling en leren heb ik altijd met veel verwondering gekeken. Niet verwonderlijk dat psychologie en pedagogiek na een kleine omzwerving op mijn pad kwamen. Met bewondering las ik de grote voorbeelden en de geschiedenis van de pedagogiek: Montessori, Malaguzzi, Korczak, Vygotsky, Stevens en Laevers… Maar de meeste verwondering zit toch in die kinderen. In hun sprankelende ogen. In de zoektocht wanneer die ogen dan wel blinken. De eerste keer alleen fietsen omdat ik als ouder nét op tijd losliet, voor de eerste keer alleen boven geraken op het speeltuig, een moeilijk level uitspelen, het eerste woord lezen, onderweg in de auto, het muziekstuk voor klein publiek ook juist spelen, de gelukte zelfgemaakte cake, een cadeautje overhandigen, een koprol op de trampoline, in galop met het paard. Die fonkelmomenten doen wat met kinderen. Het zijn bouwstenen voor zelfvertrouwen en energieleveranciers voor nieuwe uitdagingen of leerprocessen. Het deed me op zoek gaan naar mijn eigen fonkelmomenten als kind maar ook als volwassene, een mooie oefening voor jezelf, trouwens. Ook op mijn lijstje stonden niet veel schoolse momenten. De schoolse randactiviteiten stonden er wél op: als voorzitter van de leerlingenraad een ballonnenactie op poten zetten tijdens de Dutroux-periode, het tv-interview naar aanleiding van Schoolrock… Het deed me uitzoeken hoe dat fonkelen nu juist in elkaar zit, hoe we méér fonkeling kunnen zien in onderwijs en wat de voorwaarden daartoe zijn. Ik begeleidde een opstartende secundaire school waarin leerlingen veel initiatiefruimte genieten. De officiële opening van de school, de rondleiding voor geïnteresseerden: de leerlingen organiseerden het helemaal zelf. Op de bewuste openingsavond kon je de sprankelende ogen niet bijhouden, ze waren zó trots op hun school, op hun avond.


10

ZELFSTURING IN HET BASISONDERWIJS MET 6- TOT 12-JARIGEN

Een van de kleuters die speelde in de vernieuwde bouwhoek, komt aan mijn mouw trekken en vraagt met twinkelende ogen of ik al ooit zo’n kasteel heb gezien en of ik er een foto van wil maken. De ogen fonkelen als: • de uitdaging groot genoeg is, • het moeite heeft gekost, het niet vanzelf ging, • je het zélf hebt voor elkaar gekregen, • je er zelf voor kon kiezen. Dat hebben al de grote en kleine fonkelmomenten gemeen met elkaar. Het zijn momenten waarop je floreert. De zoektocht hoe we dat in onderwijs meer kunnen binnenbrengen, blijft me integreren. De puzzelstukjes vielen in elkaar toen ik startte bij CEGO, hét centrum voor welbevinden en betrokkenheid. Rondom motivatie en wilsfactor hadden ze een heel mooi concept ‘zelfsturing en ondernemingszin’ uitgewerkt, praktijkgericht en tegelijk theoretisch onderbouwd. Voor de wetenschapper, maar vooral voor de pedagoog in mij een echte aha-erlebenis. Het heeft kleur gegeven aan mijn zoektocht. Begint alles wat wij aan ondersteuning bieden niet met een goede zelfsturing? Is wat we nastreven niet telkens het verhogen van die zelfsturing? Het werd de rode draad in mijn begeleidingswerk op scholen en op alle niveaus: de zelfsturing van de leerling, de zelfsturing van de leerkracht en de zelfsturing van de school. En dan ben ik op verder onderzoek gegaan: wat betekent vasthouden en loslaten in onderwijs dan? Wat is de veranderende rol van de leerkracht? Hoe ziet het curriculum er dan uit? Wie stuurt wanneer? Heeft dat ook gevolgen voor onze schoolgebouwen? Ik verkende zo als vanzelf ook nieuwe innovatieve schoolconcepten. Plaatsen waar ze out of the box, weg van structuren, terugplooien op de bedoeling van onderwijs. Plaatsen waar zelfsturing en eigenaarschap een zeer uitdrukkelijke plaats krijgen. Was ik daar tien jaar geleden nog verwonderd over, weet ik nu waarom. Onderwijsinnovatie is ondertussen voor de volle 100 procent mijn werkterrein en zelfsturing is voor mij het grondbeginsel voor elk goed leerproces, voor groei. Dit boek is de vertaalslag van deze rode draad. Het wil ‘goesting’ geven en tegelijk kapstokken bieden. Het heeft niet de intentie een innovatief boek te zijn met allerlei nieuwe recepten. Veel kapstokken zullen bekend in de oren klinken. Het is de visie, de bedoeling erachter en de manier waarop we de recepten inzetten. Niet naar leren 2.0 maar naar leren 0.0, terug naar de kern van leren, zoals Sjef Drummen het verwoordt in zijn boek Cataharsia1. Terug naar de kern betekent voor hem terug naar het


Inleidende gedachte

11

neurologische concept van leren, naar hoe kennisopbouw in de hersenen gebeurt, en dat we daarbij de wetenschappelijke inzichten gebruiken en de ideale voorwaarden ontwikkelen in een recept per leerling. Daartoe zullen we ons volgens Drummen moeten ontdoen van een aantal aannames en systemen die nu in de weg staan van de ontwikkeling van kinderen. We vertrekken in dit boek bij de bedoeling (WHY?). Waarom zouden we inzetten op zelfsturing, welke effecten brengt het teweeg en wat zegt onderzoek? In deel 2 duiken we in het concept zelfsturing (WHAT?). De verschillende componenten – wilskracht, keuzes maken, scenario, afstand nemen – worden beschreven. We zoeken telkens de ruimte en oefenkansen op binnen onderwijs. Ook de concepten ondernemingszin en creativiteit, vaak in één adem genoemd met zelfsturing, passeren de revue. Als laatste nemen we de executieve functies, een hot item in hedendaags onderwijs, mee in het verhaal van zelfsturing. Deel 3 duikt de praktijk in (HOW?). Hoe geven we onderwijs vorm, welke voorwaarden stellen zich om zelfsturing alle kansen te bieden? Wat vraagt dat aan leeromgeving, aan begeleidingsstijl, aan organisatie en aan leerklimaat? Collega Ellen Emonds neemt het stuk rond vertrouwen voor haar rekening. Het vierde en laatste deel wil je wegwijs maken als je als leerkracht of als team aan de slag wilt gaan. Starten kan door in kaart te brengen welke krachten en welke groeikansen er zijn. Met het door CEGO ontwikkelde screeninginstrument kun je als lezer zowel je leerlingen als de leeromgeving en leerkrachtenstijl onder de loep nemen. Tegelijk wil het instrument prikkelen en inspirerend werken aan de hand van portretten en praktische handvatten. Om het geheel leesbaar te houden, hanteren we in dit boek altijd de begrippen leerkracht en leerling, waarmee we de vrouwelijke en mannelijke collega’s en leerlingen bedoelen. Bewust gebruiken we ook het woord leeractiviteiten in plaats van lessen.


INLEIDENDE GEDACHTE

1. WAAROM INZETTEN OP ZELFSTURING?

2. WAT IS ZELFSTURING?

3. HOE ZET JE IN OP ZELFSTURING?

4. AAN DE SLAG MET ZELFSTURING?

EEN LAATSTE MIJMERING

Waartoe dient onderwijs? 13 Waarom zou je inzetten op zelfsturing? 15


1. WAAROM INZETTEN OP ZELFSTURING? 1.1. Waartoe dient onderwijs? Het belang van zelfsturing in onderwijs schuilt in de vraag waartoe onderwijs moet leiden. Welke kennis, vaardigheden en competenties moeten er in de rugzak van onze leerlingen terechtkomen? Sterker nog, welke jongeren willen we afgeven aan de ­arbeidsmarkt? Op de vraag waartoe onderwijs dient, krijg je vanuit een ervarings­ gerichte of procesgerichte (CEGO) visie op onderwijs het volgende vierluik als antwoord. We willen inzetten op de ontwikkeling van:2 • Een gezonde emotionele basis: goed in je vel zitten. De leerlingen ontwikkelen een gezonde dosis zelfvertrouwen, voelen zich aanvaard in de groep, tonen zich weerbaar en veerkrachtig. • Een sterke exploratiedrang: groeigerichte houding. Een stevige dosis nieuwsgierigheid behouden om levenslang te leren. • Basiscompetenties: een sterk competentiegevoel. Ze leren kennis gericht te gebruiken en leren hoe ze problemen kunnen aanpakken. Ze weten wat ze kennen en kunnen en ook wat moeilijk is. De leerlingen hebben zicht op hun talentenkiemen. • Basishouding: verbondenheid. Verbondenheid met zichzelf, anderen en de wereld om zich heen. Kris Van den Branden onderzoekt in zijn boek Duurzaam onderwijs voor de 21ste eeuw welke rol onderwijs kan spelen en welke sleutelcompetenties nodig én duurzaam zijn in de nabije toekomst.3 Omdat de wereld zulke ingrijpende sociale, ecologische, economische en politieke veranderingen heeft ondergaan en met zulke grote bedreigingen wordt geconfronteerd, moet het curriculum van de 21ste eeuw er anders uitzien dan dat van de vorige. Elk tijdperk heeft zijn eigen onderwijs nodig. Om hun huidige en toekomstige leven volwaardig te kunnen uitbouwen en om de toekomst van de planeet te verzekeren, moeten leerlingen van de 21ste eeuw leren om: • kennis toe te passen en voor hen te doen werken, • hun verbeelding te doen werken, • sociale relaties te doen werken,


14

• • • •

ZELFSTURING IN HET BASISONDERWIJS MET 6- TOT 12-JARIGEN

technologie voor hen te doen werken, verandering te doen werken, hun ‘leer-kracht’ te doen werken, hun leven te doen werken.

Opvallend in deze competenties is de actieve factor: kennis doen werken, technologie, verbeelding… doen werken. Niet zozeer de competentie op zichzelf maar de interactieve factor is van belang. Dat leerlingen hun talenten en kennis in een sociale context op de juiste manier en tijdstippen weten in te zetten. Deze ontwikkelingen eindigen niet op de schoolbanken, het zijn levenslange processen. Maar laat net de schoolcontext de geschikte oefenplaats zijn om deze competenties te laten rijpen. Wat betekent het als je als onderwijs procesgericht focust op deze bedoeling? Hoe zorg je er als school en als leerkracht met andere woorden voor dat deze domeinen inderdaad in ontwikkeling zijn bij leerlingen? Hoe creëer je een oefenklimaat met een goede balans in kennisontwikkeling en kennisgebruik? De randvoorwaarden daartoe zijn te vinden in de psychologische basisbehoeften zoals ze werden omschreven door Deci en Ryan.4 Deze behoeftes zijn universeel en gelden dus in meer of mindere mate voor iedere persoon, dus ook voor onze leerlingen én leerkrachten. Dat aan deze behoeften voldaan wordt, is belangrijk voor het welbevinden en goed functioneren van een leerling. De psychologische basisbehoeften vragen met andere woorden een pedagogisch antwoord. Deze vitamines voor groei vormen samen het abc van motivatie. A staat voor autonomie, b voor verbondenheid (bounding) en c voor competentiegevoel.5 Behoefte aan autonomie: ik kan maar nieuwsgierig ingesteld en gemotiveerd blijven om te leren als ik ook de nodige ruimte krijg om te ontdekken waarnaar ik nieuwsgierig ben. Behoefte aan verbinding: ik kan maar mijn eigen talenten leren kennen als anderen me wijzen op mijn talenten. Ik kan maar groeigerichtheid ontwikkelen als ik in een veilig en positief leerklimaat vertoef. En uiteraard kan ik maar een diepgewortelde verbondenheid ontwikkelen als ik ‘in verbinding staan’ kan oefenen. Behoefte aan competentiegevoel: ik kan maar een uitgebalanceerd competentiegevoel ontwikkelen als ik een breed gamma voorgeschoteld krijg waarin ik uitgedaagd word. Als er ruimte wordt gemaakt zodat ik in mijn zone van de naaste ontwikkeling kan duiken. Dit in een veilig en vooral duidelijk kader, zodat ik niet verloren loop. Met de


WAAROM inzetten op zelfsturing?

15

nodige ondersteuning en een vangnet als het eens een keertje misloopt. Ik ontdek pas mijn talentenkiemen als iemand me een spiegel voorhoudt en erover in dialoog gaat met mij. Mijn competentiegevoel wordt versterkt als ik die talenten ook effectief kan inzetten. Als je jonge mensen wilt opleiden tot zelfzekere jongeren die de onzekere toekomst durven te omarmen, moeten ze het stuur in eigen handen kunnen nemen. Ze hebben een portie lef en creativiteit nodig om in verbondenheid met anderen die toekomst tegemoet te gaan. Inherent aan deze bedoeling van onderwijs is dan ook het belang van zelfsturing. Met de nodige krijtlijnen, in een veilige oefenomgeving je eigen leren en leven in handen kunnen nemen.

1.2. Waarom zou je inzetten op zelfsturing? Levenslang leren In onze snel veranderende maatschappij en met de uitdagingen die op ons en onze leerlingen afkomen, weten we dat aanpassen en levenslang leren cruciaal zal zijn. Zelfsturend leren wordt door veel onderzoekers beschreven als een belangrijke voorwaarde voor leerlingen om te komen tot een leven lang leren.6 Mark Mieras verwoordt het als volgt:

Leren gaat veel beter en levert veel bruikbaardere en duurzamere resultaten als men zelf kiest wat en hoe men leert. De ervaring leert, dat als men in een auto gereden wordt als passagier, of als men zich laat leiden door een navigatiesysteem, men grote moeite heeft om naderhand de weg terug te vinden. Als men zelf gestuurd heeft, is dat veel gemakkelijker. Keuzemomenten leggen in het brein herkenningspunten vast.7 Effecten van zelfsturing De mate van zelfsturing voorspelt op korte zowel als op lange termijn ‘successen’ op ­allerlei domeinen. Het zelfsturend vermogen van kinderen heeft een betere voorspellende waarde voor schoolsucces dan het IQ: ze leren sneller en effectiever lezen, schrijven en rekenen.8


16

ZELFSTURING IN HET BASISONDERWIJS MET 6- TOT 12-JARIGEN

Maar ook op latere leeftijd, op lange termijn, zien we effecten. Ratering en Hafkamp keken naar de opbrengsten in de beroepspraktijk.9 Mensen met meer zelfsturing tonen: • hogere betrokkenheid, • hogere efficiëntie en kwaliteit van werk, omdat ze proactief hun werk willen verbeteren, • grotere jobsatisfactie of tevredenheid, • hogere flexibiliteit doordat medewerkers zich breder willen ontwikkelen, • een betere moraal en minder ziekteverzuim.

Gelijke kansen Het werk van Lea Pulkkinen verdient in deze context extra aandacht.10 Ze heeft een longitudinale studie gerealiseerd die startte bij kinderen op achtjarige leeftijd en nadien hun ontwikkeling opvolgde gedurende 42 jaar. De focus lag op welbevinden, persoonlijkheid, identiteit, antisociaal gedrag en gezondheid. Deze studie toont aan dat zelfsturing van kinderen, inclusief sociale vaardigheden en de verwerking van emoties, de toekomstige ontwikkeling in een fundamentele richting stuurt. Sterke zelfsturing bevordert het succes in onderwijs en werk, de kwaliteit van relaties, het gezondheidsgedrag, de integratie in de samenleving en de ontwikkeling van een flexibele persoonlijkheid. Een andere belangrijke pionier in de zoektocht naar de relatie tussen zelfsturing, cognitie en socio-emotioneel functioneren is de Canadese hersenwetenschapper ­Adèle ­Diamond.11 Ze vond een samenhang tussen sociaal-economische status (SES) en de ontwikkeling van zelfsturing. Kinderen in achterstandsgezinnen worden door hun ouders over het algemeen minder goed ondersteund bij de ontwikkeling van zelfsturing. Maar het goede nieuws is dat daar iets aan te doen is. Volgens Diamond kunnen activiteiten die gericht zijn op het ontwikkelen van zelfsturing in de voor- en vroegschoolse periode ertoe leiden dat het aantal kinderen met slecht ontwikkelde zelfsturing daalt, dat het aantal kinderen in het buitengewoon of speciaal onderwijs afneemt en dat hun kansen op schoolsucces toenemen. Diamond laat zien dat leerachterstanden kunnen worden vermeden door met jonge kinderen te werken aan zelfsturing. Er zijn wel enkele noodzakelijke voorwaarden, voor we allerlei programma’s op kinderen loslaten: • spel als basis, uitgangspunt, • brede ontwikkeling als uitgangspunt, geen ‘vak’ zelfsturing, • stapsgewijs vergroten van de vaardigheden, toewerken naar de internalisering van die vaardigheden, in hun zone van de naaste ontwikkeling (Vygotsky).


WAAROM inzetten op zelfsturing?

17

Zelfsturend leren kan niet zelfsturend geleerd worden. Dat betekent dat in de schoolcontext tijd en ruimte gecreëerd moet worden om hierop in te zetten. Leerkrachten erkennen immers het belang van zelfsturing, maar voelen zich onzeker in hoe ze die vaardigheden bij leerlingen kunnen bevorderen.12 Vaak geven leerkrachten aan dat hun leerlingen er nog niet aan toe zijn. Dat zelfsturing iets zou zijn voor de derde graad. Datzelfde horen we opnieuw in het secundair onderwijs, waar leerkrachten verwijzen naar hogere jaren of naar vervolgonderwijs. Zelfsturing is evenwel een cruciale vaardigheid die geen leeftijd kent. Uiteraard zijn er wel verschillen in de mate van verantwoordelijkheid en het handelingsrepertoire dat we van de kinderen op verschillende leeftijden verwachten. Elke investering in zelfsturingsvaardigheden betaalt zich op termijn dus dubbel en dik terug: op academisch niveau en in het gevoel van welbevinden en sociale competentie.

Waarom zouden we inzetten op zelfsturing in onderwijs? •

Positief effect op cognitief functioneren

•

Positief effect op socio-emotioneel functioneren, welbevinden

•

Voorspelt jobtevredenheid

•

Inzetten op zelfsturing biedt kans om aan gelijke onderwijskansen te werken en leer­ achter­standen te voorkomen


INLEIDENDE GEDACHTE

1. WAAROM INZETTEN OP ZELFSTURING? Een definitie 19

2. WAT IS ZELFSTURING?

De componenten van zelfsturing 23 Zelfsturing in kaart brengen 51

3. HOE ZET JE IN OP ZELFSTURING?

4. AAN DE SLAG MET ZELFSTURING?

EEN LAATSTE MIJMERING


2. WAT IS ZELFSTURING? 2.1. Een definitie We kennen allemaal wel een sterk verhaal van mensen die iets ergs hebben meegemaakt of opgroeiden in een kansarm milieu, maar overeind zijn gekrabbeld, of die het ‘gemaakt’ hebben op een bijzondere manier. Dat zijn de overduidelijke voorbeelden van zelfsturende personen: met een ijzersterke wil raken waar ze willen raken. Behalve in deze sterke verhalen zit zelfsturing vooral in de dagdagelijkse kleine handelingen van iedereen. Je stuurt jezelf heel de dag door, neemt kleine of grote beslissingen die je gedrag sturen. Je laat je leiden door je waarden en normen, door doelen omgezet in voornemens.

Zelfsturing is een combinatie van competentie en ingesteldheid om de mogelijkheden in zichzelf en de omgeving optimaal te benutten met het oog op levenskwaliteit.  (Laevers)13

In de beschrijvingen of definities van zelfsturing in de literatuur keren de volgende elementen altijd terug. Het zijn dan ook de basiselementen van het concept zelfsturing.

Regie in handen nemen Regie is het meest cruciale element waardoor het begrip zelfsturing zich onderscheidt van zelfstandigheid of zelfregulatie. De kern van zelfsturing is de regie in handen nemen van je leer- en leefproces. Eigen doelen kunnen bepalen, is een wezenlijk onderdeel. Zelf richting kunnen geven aan je leven, waardoor je in staat bent situaties te beïnvloeden om doelen te bereiken.14 Het proces van zelfregulatie kent gelijkaardige elementen, alleen staan de doelen al vast. Bij zelfstandigheid kan ook de strategie reeds door anderen bepaald zijn. Je voert zelfstandig uit wat anderen als opdracht of taak bedacht hebben.

Stuurcabine Zelfsturing is een competentie die boven alle andere competenties staat. Het concept zelfsturing heeft betrekking op cognitie, emotie, motivatie en communicatie, en staat voor het vermogen betekenis en richting te geven aan eigen voelen, denken en hande-


20

ZELFSTURING IN HET BASISONDERWIJS MET 6- TOT 12-JARIGEN

len.15 Zelfsturing is het vermogen om effectief je gedrag te sturen, zodat je het beste uit jezelf en je interactie met anderen kunt halen. Als je in staat bent om je gedrag in goede banen te leiden, draagt dat bij aan een gevoel van grip op je leven.16

Dynamisch proces Zelfsturing is een dynamisch proces dat geregeld wordt door je opvattingen, attitudes, intenties en gedrag. Zelfsturing staat daarmee aan het begin van alle leren en ontwikkelen.17 Zelfsturing is met andere woorden méér dan discipline, het is veeleer levenskunst. Het is een doorlopend proces waarin je handelingen richt op het bereiken van doelen die je zelf, op basis van een eigen visie, kiest en herziet.18 De mate van zelfsturing staat niet vast. Met de nodige aandacht en training kunnen de zelfsturingsvaardigheden vergroot worden, wat bijzonder belangrijk is gezien de effecten op leren en leven.

Zelfsturend leren Een aantal onderzoekers of auteurs focussen zich op het leerproces van leerlingen. ­Pintrich omschrijft zelfgestuurd leren als een actief en constructivistisch proces, waarbij leerlingen voor zichzelf leerdoelen stellen en aan de hand daarvan hun cognitie, motivatie en gedrag monitoren, reguleren en controleren19. Leren gebeurt door actief sturing te geven aan het eigen leerproces. Leren gebeurt door ervaringen, reflecties en kennis betekenisvol en verantwoord te verbinden in samenhang met de omgeving.20 Hoe herken je een persoon die zelfsturend leert?21 • Hij kent zijn sterktes en groeikansen. • Hij laat zich leiden door persoonlijke doelen. • Hij ontwikkelt eigen gekozen strategieën. • Hij monitort zijn gedrag. • Hij reflecteert om effectiever te kunnen worden. • Hij motiveert zichzelf om te blijven groeien en ontwikkelen.


WAT is zelfsturing?

21

Weg van aangeleerde hulpeloosheid Enkele voorbeelden van hulpeloosheid in de alledaagse (klas)praktijk: • De leerkracht haalt de boekbesprekingen op in de klas, waarop een van de twaalfjarigen aangeeft dat zijn mama het heeft nagelezen maar niet in zijn boekentas heeft gestopt. • Op het feestje voor hun achtste verjaardag waren er achttien kinderen in huis. Met een doorschuifsysteem organiseerden we verschillende spelletjes en opdrachten. Ik vroeg de kinderen om een ronde te maken zodat we een soort muziekpak door konden geven. In de twee groepen gebeurde, voor mij nogal onverwacht, ongeveer hetzelfde, namelijk bitter weinig. Ze bleven gewoon een beetje naar mij kijken. Ik voelde een heel sterk appel naar mij toe. Ze wachtten allemaal netjes af tot ik heel duidelijke instructies gaf of hen als het ware oppakte en zélf goed ging zetten. Als ik het voorbeeld in vormingen gebruik, begint er altijd wel iemand te gniffelen. ‘Zo herkenbaar!’ halen ze dan aan. Heel wat leerkrachten geven met schaamrood op de wangen toe dat ze zelfs het liefst van al een kruisje op de grond zouden zetten… • ‘Juf/Meester, ik heb geen balpen!’ • ‘Ik snap het niet’ en ‘Ik weet het niet.’ • ‘Juf, wil jij mijn veters knopen?’ Ik heb tijd en bedenk dat ik de zesjarige ook kan leren om haar veters te strikken. Waarop ze antwoordt: ‘Oh, maar ik kan het wel, hoor, dit is lekker makkelijk en dan kan ik sneller gaan spelen!’ Waarom wachten deze mondige en verder actieve kinderen af? Waarom gaan ze niet zelf aan de slag? Allemaal voorbeelden waar de aangeleerde hulpeloosheid het haalt van zelfsturing. De aangeleerde hulpeloosheid schuilt in het niet voelen van controle over de situatie, waardoor iemand de oorzaken of oplossingen buiten zichzelf gaat zoeken. Dat vertaalt zich in afhankelijk en passief gedrag. Begrijpelijk, het gaat in klasmanagement sneller als je een balpen geeft en de oefening even snel (opnieuw) uitlegt of voordoet. Alleen… zo zet je de leerling dus achteruit, verkrijgt hij zelf een snelle oplossing waarvoor hij geen inspanning heeft moeten leveren. Wat doet die leerling dus de volgende keer? Uiteraard kiest hij opnieuw voor de snelste, minst actieve manier. We nemen immers allemaal het olifantenpaadje…


22

ZELFSTURING IN HET BASISONDERWIJS MET 6- TOT 12-JARIGEN

Bij het begeleiden van het muzische proces na een doorlichting komt een nascholer een muzische activiteit met kleuters begeleiden. De leerkrachten krijgen een observatietaak. De nascholer gaat enthousiast met de 25 drie- tot vierjarigen aan de slag. Ze vraagt na een korte intro om te gaan zitten voor het scherm. Vooraleer ze zelf een ‘installatie’ gaan maken, bekijken ze eerst wat inspiratiefilmpjes. Ze geeft een kordate duidelijke instructie: ‘Ga op de grond zitten en kijk naar het kindje aan elke kant, aan elk handje (links en rechts is namelijk nog niet aanwezig op die leeftijd). Pas als iedereen de tv kan zien, zet ik het filmpje op.’ Ik zag de leerkrachten met lichte verbijstering kijken. Maar de kleuters kregen het na een dikke vijf minuten voor elkaar. Ze wezen elkaar terecht en verplaatsten zichzelf. Bij de reflectie achteraf gaf de leerkracht aan dat zij haar kleuters zélf geplaatst zou hebben, maar nu zag ze dat ze haar kleuters daarmee kansen uit handen nam en hulpeloos houdt.

Inzetten op zelfsturing betekent reflecteren op het eigen leerkrachtgedrag maar ook op het oudergedrag. Wat zetten we klaar voor de start van de (leer)activiteit? Wat doe ik allemaal dat evengoed door de leerling zelf had kunnen gebeuren? Sta ik in mijn klasmanagement misschien zelf in de weg van meer zelfsturingskansen? Neem ik niet te veel uit handen? Ben ik diegene die ‘controleert’ of mijn kind zijn huiswerk wel goed maakt of ervoor zorgt dat de boekentas klaar is en de toets geleerd? Ook ouders nemen we mee in het zelfsturingsverhaal. Ook thuis gaat het sneller om jasjes toe te ritsen en zelf steeds de spelaanbieder te zijn en de kinderen te entertainen.

What’s in a name? Zelfsturing en zelfregulatie Heel vaak worden de begrippen zelfsturing en zelfregulatie door elkaar gebruikt. Zelfsturing is het doorlopende proces gericht op het bereiken van eigen gekozen doelen. Zelfregulatie wordt als hetzelfde opgevat, behalve dat de doelen al vaststaan. Zelfsturing impliceert meer autonomie dan zelfregulatie. Binnen de 21ste-eeuwse vaardigheden krijgt zelfregulatie een uitdrukkelijke plaats. 21ste-eeuwse vaardigheden zijn een verzamelnaam voor competenties die belangrijk zijn in onze huidige kennis- en netwerksamenleving.22 Een competentie wordt beschreven als ‘het vermogen om een taak of proces doelgericht te kunnen voltooien en verantwoordelijkheid te nemen voor het eigen handelen’. In de toelichting bij de definitie staat het formuleren van doelen vermeld.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401470599 by Uitgeverij Lannoo - Issuu