Skip to main content

9789401470452

Page 1

ALBAN VAN DER STRATEN PIRATEN VAN DE NOORDZEE Een verborgen geschiedenis van Brest tot Bergen


Voor Bert


Inhoud

Woord vooraf van prof. dr. Louis Sicking ........................ 7 Proloog: De sarcofagen van de kaapvaart ..................... 11 Inleiding: Op zoek naar Peter Pan .................................... 15 I. De heidense bakermat (ca. 41-1171) ............................. 53 Muiters en verraders ............................................................. 55 De Carausiaanse opstand ................................................... 62 Drie schepen, twee broers en een eiland ....................... 67 Doodsangst op de Keltische zeeĂŤn .................................. 73 De Friese Zee, een broeinest van louche praktijken... 82 De vloedgolf heidenen uit het noorden .......................... 87 II. De heerschappij van de aartspiraten

(ca. 1146-1511)................................................................. 111 De barbaren van de Oostzee ............................................. 112 Het Kanaal, een nieuwe grens ........................................... 122 Wedijver op de wijnroute .................................................... 135 De roofridders van de zee .................................................. 143 Van VictualiĂŤnbroeders tot Likedeelers ...................... 159 De laatste aartspiraten ...................................................... 169


III. In de schaduw van de grote wereldrijken

(ca. 1468-1814).......................................................... 185 Glokalisatie in de renaissance .......................................... 187 Hugenoten, watergeuzen en Sea Dogs ........................ 197 Parasieten van de grote vaart .........................................220 De bloeitijd van de armements mixtes ......................... 245 Jakobitische en georgiaanse Engelsen ........................ 267 Revolutionaire en imperiale kapers ...............................283

Conclusie: De schatkamer van de Broeders van de kust ................................................................................301 Epiloog: Ontsnappingen ........................................................311 Noten ...........................................................................................314 Bibliografie .................................................................................315 Beeldverantwoording ...........................................................321 Register ..................................................................................... 324


Woord vooraf Piraterij spreekt tot de verbeelding. Iedereen heeft er wel een voorstelling van, er boeken over gelezen of films over gezien, of zich ooit eens als piraat verkleed. In het internationale recht neemt piraterij een bijzondere plaats in. Piraterij is namelijk universeel gerechtelijk vervolgbaar. Dat betekent dat iedere staat een piratenschip op volle zee mag overmeesteren, de personen aan boord mag arresteren, de aanwezige goederen in beslag mag nemen en een rechtbank mag laten beslissen welke straffen de piraten zullen krijgen. Piraterij was de eerste – en eeuwenlang ook de enige – misdaad waarop universele rechtsmacht van toepassing was. Pas na de Tweede Wereldoorlog veranderde dat en kon universele rechtsmacht ook op andere misdrijven, zoals oorlogsmisdaden, toegepast worden. De gruwelijkheid van de misdrijven in kwestie fungeerde als gemeenschappelijke noemer. De idee van piraterij als gruwelijke misdaad sluit aan bij de visie van Cicero. Volgens deze Romeinse filosoof was een piraat geen vijand van de staat, maar een vijand van iedereen – wat later is uitgelegd als vijand van de hele mensheid. Piraten waren dus buiten de rechtsorde geplaatst. Ze waren rechteloos, juridisch onbeschermd, kortom: ‘outlaws’. Volgens Cicero is misdaad inherent aan piraterij en bestaat er een strikte scheiding tussen vreedzame handelaren en meedogenloze piraten. Die visie vind je ook terug in het VN-verdrag inzake het Recht van de Zee uit 1982, dat in 1994 in werking trad. Artikel 105 uit dat verdrag legt de universele of wereldwijde gerechtelijke vervolging vast. Dat het geen dode letter is gebleven, blijkt bijvoorbeeld uit de vervolging van Somaliërs vanwege piraterij door de Nederlandse justitie aan het begin van de 21ste eeuw. De hedendaagse wereld met het internationale statensysteem hanteert zo hetzelfde Cicero-paradigma als het Romeinse Rijk: de piraat is tot vijand van de gemeenschap verklaard. Toch was piraterij niet altijd alleen maar crimineel. In het middeleeuwse Europa kwam geweld op zee vaak voor en was piraterij de norm. Handel en geweld gingen hand in hand, lagen in elkaars verlengde. Het was niet per se negatief het predicaat ‘piraat’ te dragen of buit te behalen door te roven. In de middeleeuwen was het gebruik van geweld namelijk nog niet voorbehouden aan zoiets als het openbaar gezag. Edelen vochten om eer en gewin, te land of ter zee, dat was hun bestaansrecht. Anderen volgden hun voorbeeld onder

7


het motto ‘roven, dat en is geen schande, dat doen de besten van dem lande’ – een uitspraak die overigens uit de wereld van de Hanze stamt. Piraten boden hun expertise aan aan vorsten en stadstaten. Koningen en keizers huurden piraten in om hun vloten aan te voeren. Piraterij was alleen misdadig als de vijand ze bedreef. Die visie zien we vooral terug in periodes zonder duidelijke of onbetwiste macht, zoals in de Griekse oudheid, de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd, toen er nog niet zoiets bestond als een geweldsmonopolie van de staat. Alban van der Straten heeft het aangedurfd een boek te schrijven over piraten op de noordelijke zeeën. Hij beperkt zich niet tot de middeleeuwen of de vroegmoderne tijd, zoals historici meestal doen, maar kiest voor een langetermijnbenadering. Een van de grondleggers van dat longue durée-concept was de beroemde Franse historicus Fernand Braudel. Voor zijn magistrale historische studie La Méditerranée et le monde méditerranéen à l’époque de Philippe ii uit 1949 nam Braudel niet een land, maar een zee als uitgangspunt. Hij was de eerste die de Middellandse Zee als een economische eenheid bestudeerde, terwijl de omliggende regio’s politiek, religieus en cultureel verdeeld waren. Zijn vernieuwende benadering kende – dankzij de opkomst van global history – recent een herleving met verschillende studies die een zee als onderwerp hebben. Piraten van de Noordzee past in die ontwikkeling. Het mooie is dat je zo de nationale en algauw nationalistische invulling vermijdt van de geschiedenis die voor de periode vóór de 19de en 20ste eeuw niet relevant is, ja, zelfs anachronistisch aandoet. Zo blijken de piraten die in dit boek op sprekende wijze tot leven komen, vaak bijzonder veel met elkaar gemeen te hebben, of ze nu uit Scandinavië, de Lage Landen of van de Britse eilanden komen. Piraten van de Noordzee laat zien dat je de geschiedenis van piraterij tekortdoet wanneer je een directe lijn trekt van Cicero naar de universele gerechtelijke vervolgbaarheid van piraterij. Vele eeuwen daartussenin was piraterij een geaccepteerde, roemvolle activiteit, zolang ze maar geen schade berokkende aan de leden van de eigen gemeenschap. Dat handel en roof geen tegenstelling vormden, maar in elkaars verlengde lagen, zien we onder meer bij de Vikingen uit de 9de en 10de eeuw, en ook bij de Nederlanders uit de Gouden Eeuw. Wie moeite heeft met die zienswijze, moet in het genoemde motto ‘roven dat is geen schande, dat doen de beste van dem lande’ het werkwoord ‘roven’ eens vervangen door ‘graaien’. Zo ontstaat een perspectief dat de hedendaagse wereld plotsklaps meer doet lijken op de premoderne tijden dan je op het eerste gezicht zou vermoeden...

8


Nee, de geschiedenis herhaalt zich niet. Wel proberen geschiedschrijvers het verleden te begrijpen, uit te leggen en zo mogelijk te verklaren door soms aan te sluiten bij de actualiteit. De vloeibare geschiedenis van piraten op en rond de Noordzee leek misschien ongrijpbaar, maar Alban van der Straten heeft ze nu op erudiete wijze vastgelegd op papier. Louis Sicking — Aemilius Papinianus hoogleraar volkenrechtsgeschiedenis

Vrije Universiteit Amsterdam

9


1 De heidense bakermat (ca. 41-1171)


54


Muiters en verraders Galeien en kannibalen Schotland, zomer 83. De Romeinse generaal Agricola ontdekt een vijandig land, bevolkt met getatoeëerde stammen en wolken midges, piepkleine mugjes die aan één stuk door in de aanval zijn. Het moreel van zijn mannen heeft een dieptepunt bereikt, vooral onder de Germaanse hulptroepen. Dodelijk vermoeid en ten prooi aan onweerstaanbaar heimwee slaat een deel van hen aan het muiten. Nadat ze de centurio en zijn wachters om hals hebben gebracht, maken de Germanen zich meester van drie galeien en kiezen ze het ruime sop voor een ongekende roof- en terreurtocht. Ze ronden Cape Wrath en Easter Head, de noordelijkste punten van Groot-Brittannië, en trekken langs de oostkust naar het zuiden, waar ze de nederzettingen langs de kust plunderen om zich te bevoorraden. Veel van de Germaanse plunderaars sneuvelen onderweg, en al snel is de groep zo verzwakt dat de mannen niet meer aan eten kunnen komen en tot kannibalisme vervallen. Eerst verslinden ze de zwaksten, dan degenen die het lot aanwijst. Hoewel het plan is om via de Rijn terug naar huis te varen, stranden deze antieke vlotten van de Medusa op de Friese kust, waar ze door de lokale bevolking worden overmeesterd. Een deel van de opvarenden wordt gedood, een ander deel wacht het lot van de slavernij. Deze mannen worden als koopwaar verhandeld en zo keren ze uiteindelijk toch terug op Romeins grondgebied, waar hun avontuur voor veel ophef zorgt. Tacitus, die dit verhaal optekende, vond het een mirakel dat de muiters in staat waren geweest aan boord van de galeien te ontsnappen en verklaarde hun uiteindelijke mislukking uit hun barbaarse incompetentie. Dat vraagt om enige nuance. Hoewel het duidelijk geen mannen van de grote vaart waren, moeten deze leden van de Germaanse stam de Usipeti, die uit het Rijnland kwamen, wel ervaring met de riviervaart hebben gehad. Vermoedelijk zaten er goede roeiers en scheepstimmerlieden tussen. Hun tocht bewijst in elk geval dat ze konden varen, dat ze in staat waren hun achtervolgers van zich af te schudden en met complexe vaartuigen door berucht gevaarlijke wateren te navigeren. Bovendien deden ze dat onder extreem zware omstandigheden en was het, voor zover bekend, voor het eerst in de geschiedenis dat schepen de De Germanen bouwden imitaties van de machtige Romeinse zeegaleien en vooral van de ranke riviergaleien, waarmee ze de kusten van het Romeinse Rijk plunderden.

55


noordkust van Schotland rondden. Het is een spectaculair verhaal, maar de geschiedenis van de muiters van Agricola vormt niet het enige relaas van oorlogszuchtige Keltische en Germaanse activiteiten in de noordelijke zeeën. Tijdens zijn verovering van Gallië moest Caesar het opnemen tegen de machtige schepen van de Veneti uit Armorica (Bretagne) en hun bondgenoten, die afkomstig waren uit het hele kustgebied tussen de mondingen van de Loire en de Schelde.7 En in het jaar 12 versloeg Drusus, de adoptiefzoon van keizer Augustus, een vloot van de Bructeren in de monding van de Eems, tijdens zijn campagne die hem over zeeën en rivieren tot diep in Oost-Friesland zou voeren.8 Overigens was het deze overwinning van Drusus die tot de eerste golven plunderingen van Romeinse schepen zou leiden, uitgevoerd door het ongrijpbare volk dat in die verre mistige contreien woonde, de Chauken.

De expedities van de Chauken De Chauken woonden op terpen aan de moerassige kust tussen de estuaria van de Elbe en de Eems. De aangelegde heuvels zijn er tot op de dag van vandaag in het vlakke landschap terug te vinden. Varen was voor hen een eerste levensbehoefte, niet alleen om zich van terp naar terp te verplaatsen, maar ook om toegang te krijgen tot de rijkdommen van het Romeinse Rijk. Hun buren – Cananefaten, Bataven, Chamaven, Chatten en Cherusken – konden het Romeinse Rijk over land bereiken, maar het grondgebied van de Chauken lag veel noordelijker. Daardoor waren zij aangewezen op de routes over zee, die ze de ene keer voor vreedzame expedities gebruikten, de andere keer om op strooptocht te gaan. We weten weinig over hun sociale organisatie, maar uit archeologische vondsten in nederzettingen en graven kunnen we afleiden dat ze zich tijdens de eerste eeuwen van onze jaartelling van een weinig gelaagde, weinig gecentraliseerde naar een sterk gemilitariseerde samenleving hebben ontwikkeld, wat aansluit bij het feit dat dit de periode van hun grootste plundercampagnes was. Dat geeft voeding aan het idee dat de piraterij van doorslaggevende betekenis voor de ontwikkeling van dit volk is geweest en dat het niet om incidenten maar om structurele activiteiten ging. De eerste grote golf plundertochten van de Chauken overspoelde de regio in het midden van de eerste eeuw. In de jaren 41 en 47 belaagden ze met hun lichte vaartuigen het kustgebied van Gallia Belgica. Op hun tweede campagne werden ze geleid door Ganascus, een Cananefaat die in het Romeinse leger had gediend maar gedeserteerd was en ongetwijfeld over waardevolle infor-

56


matie beschikte als het ging om interessante doelwitten en keizerlijke verdedigingssystemen. Naar alle waarschijnlijkheid waren de Chauken verantwoordelijk voor de bewezen brandstichting in fort Valkenburg, aan de monding van de Oude Rijn, waar hulptroepen waren gelegerd. Overigens werden de rovers teruggedreven: de Romeinen stuurden hun Rijnvloot uit Keulen erop af en achtervolgden de plunderaars langs de Hollandse kust tot aan hun eigen territorium, waar de verrader Ganascus gevangen werd genomen en geÍxecuteerd. Hij was niet de enige verrader. In 69 leidde een andere deserteur uit het Romeinse leger, Civilis, een enorme opstand, waarbij de Bataven en hun bondgenoten een reeks vermetele campagnes tegen de Romeinen ondernamen, verschillende rivierforten verwoestten, een hele vloot overmeesterden en een rechtstreekse zeeslag leverden in de monding van de Rijn.9 Gegeven hun palmares en hun gespannen relatie met de Romeinen is het aannemelijk dat de Chauken daaraan deelnamen. In de annalen van de daaropvolgende honderd jaar komen we ze niet vaak tegen, maar in de tweede helft van de 2de eeuw hervatten ze hun strooptochten, die steeds gewelddadiger en grootschaliger werden. Op het toppunt, tussen 170 en 175, was Didius Julianus, de gouverneur van Gallia Belgica, zelfs genoodzaakt hulptroepen op te trommelen om hen terug te dringen. Toch hebben ze de kusten van het Kanaal en de Noordzee nog decennialang onveilig gemaakt. Dat valt tenminste uit archeologische vondsten af te leiden: twee kustvilla’s in Armorica zijn in brand gestoken en een derde stond in die periode een tijdlang leeg, terwijl in het hele schiereiland muntschatten zijn opgegraven, wat doet vermoeden dat die vanwege de dreiging uit zee onder de grond waren verstopt. Aan de overkant van het water, om precies te zijn in Essex, werd in diezelfde tijd een hele reeks nederzettingen door brand verwoest, een fenomeen dat de Antonine fires (Antoniaanse branden) wordt genoemd en veel overeenkomsten vertoont met de branden in Gallia Belgica. In beide gevallen is plundering en brandstichting door de Chauken de meest voor de hand liggende verklaring. Ook de bouw van nieuwe en de versterking van bestaande Romeinse forten aan beide zijden van het Kanaal en de Noordzee, in combinatie met voorzieningen die een systeem van patrouilles op zee veronderstellen, duiden erop dat het Romeinse Rijk zich probeerde te beveiligen tegen deze kustpiraterij. Er bestaat verschil van inzicht over het type schepen dat de Chauken en de andere zeevarende volkeren gebruikten, maar uit de opgeviste restanten van wrakken blijkt wel dat hun vaartuigen zich in de eerste twee eeuwen van onze jaartelling sterk hebben ontwikkeld. We zien technische innovaties die hen waarschijnlijk via de Rijn en de Noordzee hebben bereikt, zoals het gebruik

57


van zeilen en dollen (de houders waar de roeispanen in rusten). De bouwwijze van de romp werd ook complexer. De geografische demarcatielijn tussen de gangenbouw (op elkaar aansluitende planken, ‘Keltisch’) en de overnaadse bouw (elkaar overlappende planken, ‘Noords’) liep ter hoogte van de monding van de Rijn. Waarschijnlijk hadden de schepen van de Friezen en de Chauken een vorm die vooruitliep op de middeleeuwse koggen. Het is aannemelijk dat de Chauken vaartuigen en vaardigheden bezaten waarmee op de Noordzee terdege rekening werd gehouden. Ze hielden zich bezig met een soort oorlogvoering die veel gebruikelijker was dan grote zeeslagen, namelijk plundertochten in de kustgebieden, met het doel buit te maken en dieren te roven. En mensen – om ze als slaaf te gebruiken of te verkopen.

De toenemende druk van barbaren Een uitkijktoren aan het Nauw van Calais, een regenachtige nacht. Vermoeide wachters die schuilen voor een bui en niet zien dat op zee een groepje kleine galeien passeert, die het op de rijke villa’s in de kustvlakte hebben gemunt. Halverwege de 3de eeuw begonnen dit soort situaties vaker voor te komen. Dat had meerdere oorzaken. In de eerste plaats deserteerden er steeds meer huursoldaten uit de Romeinse legers langs de Rijn, die hun kompanen konden vertellen hoe ze de grenswachten van het imperium aan boord van Romeinse riviergaleien om de tuin konden leiden. Dat waren lichte, snelle scheepjes die door dertig roeiers en een klein latijnzeil werden voortbewogen. Een tweede oorzaak was de herschikking van de Germaanse sociale structuren, waarbij de ontelbare stammen zich aaneensloten tot twee grote coalities: de Franken (in de Lage Landen en het Rijndal) en de Saksen (aan de Duitse Noordzeekust), die de Romeinse verdedigingswerken steeds zwaarder onder druk zetten. Maar misschien wel de belangrijkste oorzaak was de zee zelf. Als gevolg van de ‘Duinkerke ii-transgressie’ (landinwaartse verschuiving van de kustlijn), die rond 230 begon, kwamen de gebieden langs de Noordzeekust, van Vlaanderen tot Denemarken, steeds verder onder water te staan. Het peil steeg 0,9 tot 2,4 meter in absolute cijfers en op sommige plaatsen tot wel 4,4 meter boven het huidige niveau. De impact op de kustgebieden was natuurlijk enorm: vruchtbare landbouwgronden veranderden in eindeloze zoutwatermoerassen waar de getijden vrij spel hadden. In het noorden vochten steeds meer Saksische stammen om steeds minder vaste grond, en veel mensen trokken weg. In het zuiden verlieten de Romeinen

58


eerst fort Valkenburg aan de monding van de Oude Rijn en daarna successievelijk alle garnizoenen, tot Nijmegen aan toe. De Franken zagen hun kans schoon en veroverden voor het eerst een doorgang naar de zee. Dit alles tezamen stortte het Romeinse Rijk in een neerwaartse spiraal, want om de toenemende druk van de barbaren het hoofd te bieden, moesten de Romeinen grootscheeps inzetten op de versterking van hun grenslegioenen, wat het evenwicht in de rest van het imperium grondig verstoorde. Keizers en generaals wantrouwden elkaar, machtsmisbruik en moord waren aan de orde van de dag, de burgeroorlog werd een chronische toestand. Het zou niet lang meer duren of het systeem van grootgrondbezit rond de villa’s begon scheuren te vertonen. De anarchie deed haar intrede. Benden bagaudae, bestaande uit opstandige boeren, gedeserteerde legionairs, gevluchte slaven en rovers van allerlei slag, begonnen het platteland van Gallia Belgica af te schuimen. Het was een ideale context om een stuk of dertig mannen te verzamelen en op een regenachtige nacht met een lichte galei het Nauw van Calais door te varen om het machtige imperium te gaan plunderen, die zuidelijke reus op lemen voeten – die niet bestand bleek tegen de noordelijke nattigheid…

Begraven schatten en afgebrande villa’s De eerste piratentochten waarvan we zeker weten dat ze op het conto van de Franken kunnen worden geschreven, zien we verrassend genoeg niet op de Noordzee maar op de Middellandse Zee. Rond 260 en 278 maakte dit volk twee indrukwekkende roofreizen over de Mare Nostrum. De eerste was het vervolg op een grote expeditie over land, die na een tocht door Gallië en de Pyreneeën uitliep op de plundering van de Spaanse havenstad Tarragona. Daar maakten de Franken zich meester van een vloot, waarmee ze naar de Afrikaanse kust voeren. Misschien plunderden ze Tétouan, in Marokko – dat in die tijd door brand werd verwoest – maar wat vaststaat is dat ze de regio jarenlang onveilig maakten, in het bijzonder Spanje, waar ze volgens diverse bronnen minstens twaalf jaar verbleven. Enkele jaren later werden door keizer Probus verslagen Franken naar de Pontus gestuurd, aan de Zwarte Zee, om de regio tegen de piraterij van de Goten en Herulen te beschermen. Maar in plaats van die opdracht uit te voeren, maakten ze zich meester van een Romeinse vloot en werden ze zelf piraat. Het was een inschattingsfout die Probus duur kwam te staan. De Franken slaagden erin door de Bosporus naar de Middellandse Zee te varen en de

59


kusten van Griekenland, Klein-Azië, Cyrenaica (Libië) en Sicilië te plunderen, zonder dat hun een strobreed in de weg werd gelegd. Daarna zetten ze koers naar Tunesië, waar ze werden overwonnen. Ondanks dat wisten ze te ontkomen en via de Straat van Gibraltar terug naar huis te varen. Al met al was het een rondreis die de Romeinse wereld op zijn grondvesten deed schudden. Deze twee grootscheepse campagnes illustreren de onmacht waarin de keizerlijke marine na Pompeius de Grote was vervallen. In het collectieve geheugen van de Franken zouden ze nog jaren voortleven, als waardige tegenhangers van de vermetele expedities van de Saksen en Vikingen. De tweede reis ligt waarschijnlijk ten grondslag aan een mythe uit de 7de eeuw, die verhaalt dat de Franken oorspronkelijk uit Troje komen. We kunnen hun huzarenstukjes niet afdoen als beginnersgeluk. Ze zijn het bewijs van zeemanschap en ervaring met piraterij die ze nergens anders hadden kunnen verwerven dan op de noordelijke zeeën. In het noorden zijn de bronnen, die voor die begintijd alleen van archeologische aard zijn, veel moeilijker te interpreteren. Vaststaat dat er een aanzienlijk aantal muntschatten is opgegraven, die vanaf het jaar 270 aan beide zijden van het Kanaal in de grond zijn verstopt, zoals vaker werd gedaan in onzekere tijden. De ontvolking van die gebieden vormt ook een aanwijzing, vooral het verdwijnen van 22 van de 38 vici (steden langs doorgaande routes) in de kuststreek van Gallia Belgica, omdat dat percentage veel hoger ligt dan in dezelfde periode in het binnenland het geval was. Verder zijn er veel sporen van grote branden gevonden, vooral in Sussex. Op basis van deze gegevens wordt aangenomen dat de Franken, die later machtige koninkrijken zouden stichten en een duizendjarig imperium, in die tijd in feite een agglomeraat van semi-nomadische stammen waren, met veel kennis en kunde op het gebied van de piraterij.

De Litus Saxonicum De archeologische vondsten die op gevaar uit zee wijzen, zijn over het algemeen bescheiden van omvang, maar dat geldt absoluut niet voor de belangrijkste vondst. Dat is de Litus Saxonicum, een reeks fortificaties langs de Romeinse kusten, waarvan de restanten nu nog aan weerszijden van het Kanaal te vinden zijn. De fortificaties in Armorica en aan de oostkust van Britannia stammen voor het merendeel uit de periode 250-280. In die tijd verrezen er bijvoorbeeld nieuwe forten binnen de muren van de oude Ro-

60


meinse bases Boulogne, Lympne, Dover en Richborough. Dat ze rond het Nauw van Calais werden gebouwd, was niet alleen omdat dat in het verlengde van de noordgrens van het Romeinse Rijk lag, die werd gevormd door de Rijn, en omdat daar het belangrijkste oversteekpunt tussen Gallië en Britannia lag. Wat ook sterk meespeelde: die zeestraat was een bottleneck en daarmee een strategisch punt om piraten te onderscheppen. Andere forten werden versterkt, zoals het prachtig bewaarde Portchester Castle op het Isle of Wight, het fort van Reculver, in Kent, en het castellum van Oudenburg in Vlaanderen. Verder moeten er forten langs de rivieroevers hebben gestaan, vooral om de mondingen van de Seine, de Theems, de Yare en de Humber te beschermen, maar de exacte locaties zijn niet altijd bekend. Op al die plaatsen bouwden de Romeinen massieve muren met halfronde torens en imposante poorten, die blijk geven van een sterk defensieve houding en angst voor de dreiging uit zee. De forten werden naar alle waarschijnlijkheid ondersteund door een eigen vlooteenheid en grondtroepen. Vreemd genoeg zijn er geen aanwijzingen dat er ook een fort aan de monding van de Schelde heeft gestaan, wat mogelijk verklaart waarom deze regio zo zwaar werd getroffen door plunderingen van Franken en Saksen. De naam Litus Saxonicum verscheen in werkelijkheid pas aan het eind van de 4de eeuw en de betekenis (Saksische Kust) was van meet af aan onderwerp van debat. De meeste geschiedkundigen meenden dat de benaming refereerde aan de dreiging van de Saksen. Zo schreef de Romein Eutropius dat de Saksen in de jaren 280 de wateren van Gallia Belgica en de kusten van Armorica en het Frankische Rijk teisterden. In een andere visie duidt de naam erop dat in de forten Saksische hulptroepen waren gelegerd, wat strookt met de Romeinse gewoonte om barbaren aan hun buitengrenzen te stationeren, maar tegengesproken wordt door het feit dat de vijanden die buiten de deur moesten worden gehouden nu juist de Saksen waren. En dan bestaat er nog een laatste hypothese, die tegelijkertijd de meest verwarrende is: het oorspronkelijke doel van de Litus Saxonicum was niet om de Kanaalkusten tegen de barbaren te beschermen, maar tegen… een Romeinse invasie. En dat brengt ons bij een heel specifieke episode in de geschiedenis van de piraterij op de noordelijke zeeën, de eerste en meteen al een van de opmerkelijkste: die van de Romeinse marinecommandant Carausius. Overigens had deze Carausius een partner in crime, de Frankische leider Gennobaudes. De mannen zijn als twee kanten van dezelfde medaille, een medaille uit barbaarse tijden, van een dubieuze legering en twijfelachtige makelij – maar die als geen ander tot de verbeelding spreekt.

61


De Carausiaanse opstand Partners in crime Marcus Aurelius Mausaeus Valerius Carausius. Carausius voor intimi. Achter die deftige vijfdubbele Latijnse naam ging een bastaard-Romein schuil, een rebelse generaal met barbaarse connecties, die zeven jaar lang een eigen imperium bínnen het imperium in stand wist te houden en de spil van de Frankische piratencrisis in het Kanaal vormde. Carausius was een Menapiër, afkomstig uit het gebied dat overeenkomt met het huidige Vlaanderen, en begon zijn carrière als loods. Hij nam dienst in het Romeinse leger, maakte carrière en onderscheidde zich tijdens de campagne van keizer Maximianus Herculius tegen de bagaudae, groepen opstandige boeren. Het is aannemelijk dat hij bij die operatie voor het eerst met de Frankische leider Gennobaudes werd geconfronteerd, die op de Romeinse bezittingen op de linkeroever van de Rijn loerde. In 285 werd Carausius, als dank voor bewezen diensten en vanwege zijn nautische ervaring, tot commandant van de Classis Britannica benoemd, de Romeinse vloot in het Kanaal. Hij werd gestationeerd in Gesoriacum (Boulogne) en kreeg de opdracht op zee hetzelfde te doen als waar hij aan de wal ook zo goed in was: regionale roversbenden oprollen. Helaas bleek zijn loyaliteit aan slijtage onderhevig. In plaats van dat hij de zeerovers bestreed, liet hij Gennobaudes en zijn Franken rustig de zeeën afschuimen, op voorwaarde dat hij een deel van de buit kreeg. Het bleek een goudmijn, en met die gemakkelijk verworven inkomsten kocht hij de trouw van zijn mannen. Maximianus ergerde zich aan het gedrag van zijn ondergeschikte en was bang dat hij met een potentiële usurpator van doen had. Daarom stuurde hij iemand om Carausius te vermoorden. Dergelijke angsten waren niet ongegrond: nauwelijks vijftien jaar eerder had het Rijk met de grootst mogelijke moeite de opstand van een andere usurpator kunnen onderdrukken: Postumus, de ‘Keizer van Gallië’. Misschien had Carausius lucht van het complot gekregen of misschien anticipeerde hij erop, maar vanaf dat moment kwam hij openlijk in opstand. Dankzij zijn machtige vloot, de onwankelbare steun van zijn mannen en zijn bondgenootschap met de Franken slaagde hij erin de Britse en Gallische legioenen achter zich te krijgen, en al snel riep hij zichzelf uit tot ‘Keizer van het Noorden’. Niet meer en niet minder.

62


Carausius, de commandant van de Romeinse vloot in het Kanaal, speelde onder één hoedje met Frankische zeerovers. Hier wordt zijn aandeel in de buit verscheept.

Omdat hij verknocht was aan de Romeinse beschaving, stelde hij alles in het werk om door zijn ‘medekeizers’ in Rome te worden erkend. Tevergeefs, want die wisten heel goed dat Carausius maar één echte ‘medekeizer’ had – en dat was Gennobaudes, de ‘koning der Franken aan de oevers van de oceaan’.

Brexit avant la lettre Daarop volgde een krachtmeting tussen Carausius en Maximianus, waarin de zee een hoofdrol speelde, want dat was Carausius’ domein. Bovendien kon hij zich in uiterste nood in Britannia verschansen. Als goed strateeg opende Carausius de vijandelijkheden door Gennobaudes en zijn Franken uit te nodigen het Insula Batavorum en het gebied rond de Schelde te bezetten – in elk geval verhinderde hij dat niet. Zo sloeg hij twee vliegen in één klap: hij zat Maximianus dwars en blokkeerde tegelijkertijd de monding van de Rijn, zodat de Romeinse vloot hem niet kon bereiken. Gennobaudes liet zich dat geen twee keer zeggen en verhuisde ijlings naar de linker-Rijnoever. Misschien zat Carausius zelfs achter de plundertocht van Saksen en Herulen, die de regio in 287 nog meer destabiliseerde. Maximianus, die geen vloot meer had en gedwarsboomd werd door barbaren, kon niet anders dan stapje voor stapje op zijn doel afgaan. Hij begon met

63


de Saksen terug te dringen. Vervolgens onderwierp hij de Franken, maar daarvoor betaalde hij de prijs van de status quo: ze mochten hun veroverde land behouden en werden foederati van de Romeinen. Die onderwerping was trouwens eerder theoretisch dan effectief, zoals uit het vervolg van dit verhaal zal blijken. Tot slot liet Maximianus een vloot bouwen en matrozen opleiden. In 289 voer hij triomfantelijk uit, met het idee de verrader eindelijk klein te krijgen. Maar, zo meldden Romeinse lofdichters, de expeditie mislukte helaas als gevolg van ‘slecht weer’. Aannemelijker is dat de galeien van Carausius de keizer en zijn scheepsjongens een verpletterende nederlaag hebben toegebracht. Meester van Britannia en de kust van Gallië, van het puntje van Bretagne tot de Zeeuwse eilanden, commandant van de Britse vloot en overwinnaar van Maximianus – Carausius was op het toppunt van zijn roem. En niet lang daarna zouden zijn Frankische trawanten opnieuw in het offensief gaan en hun pijlen op de kusten van Gallië en Spanje richten. De precieze vorm van hun bondgenootschap blijft duister, maar het is bekend dat Carausius grote Frankische en Saksische hulptroepen had. Hij opereerde overigens niet alleen op zee. Aan land beschikte hij over een Gallisch legioen en drie Britse legioenen. In het noorden heroverde hij alle gebieden die de Romeinen aan de Picten en Scoten waren kwijtgeraakt, en hij herstelde er de Muur van Antoninus, waar hij zeven nieuwe bolwerken aan toevoegde. In het zuiden zou hij de drijvende kracht achter de bouw van de fameuze Litus Saxonicum geweest kunnen zijn, die in dat geval dus niet bestemd was om het grondgebied te verdedigen tegen de Franken en Saksen maar wel tegen de Romeinen. Als bewijs van zijn brandende verlangen naar politieke erkenning, maar ook van zijn onmiskenbare charisma, liet Carausius in Londen, Rouen en Rochester een reeks munten slaan, die vaak aan de ene kant de afbeelding van een galei droegen, als symbool van zijn maritieme imperium, en aan de andere kant zijn eigen beeltenis. Soms was er ook een inscriptie, bijvoorbeeld Restitutor Britanniae (‘hij die Britannia herstelde’), Genius Britanniae (‘de ziel van Britannia’), Expectate Veni (‘op wie gewacht werd’, een referentie aan de Aeneis van Vergilius), of rnr inpcda, de afkorting van Redeunt Saturnia Regna, Iam Nova Progenies Caelo Demittitur Alto (‘een gouden eeuw is aangebroken nu een nieuwe generatie uit de hemel is neergedaald’, ook een citaat van Vergilius). Het zijn de enig bekende Romeinse munten met een literair citaat, maar verder zijn het voor de hedendaagse lezer vooral intrigerende inscripties, een mix van oer-Brits nationaal sentiment, bombastische nostalgie en misplaatst optimisme, die ons toch merkwaardig bekend in de oren klinkt. Alsof de Brexit niets nieuws onder de zon is.

64


De tegenaanval van het Romeinse Rijk Na deze zeven vette jaren voor Carausius en zijn Frankische makkers – en zeven magere voor de zwaar geteisterde kustgemeenschappen – herpakte het Romeinse Rijk zich en keerde het tij. In 293 heroverde Constantius i Chlorus, de nieuwe medekeizer, Gallia Belgica en trok daarna naar Gesoriacum, waar Carausius zich had verschanst. Hij trommelde de genie op en liet dwars door de haven een dam bouwen, om zo de stad van alle kanten te kunnen belegeren. Carausius verloor de moed en sloeg op de vlucht. Hij sloop onder dekking van de nacht door de vijandelijke linies, vond een schip en trok zich terug in Britannia. O ironie: de dag na zijn vlucht brak de dam. Het was echter te laat, Gesoriacum viel, Carausius verloor de stad, een belangrijk deel van zijn vloot en de controle over het Nauw van Calais. Constantius buitte de situatie uit door zijn vloot tegen de Franken in te zetten, die hij volledig in de pan hakte. Daarna richtte hij zijn blik op Britannia. Misschien had Carausius zich van zijn nederlaag kunnen herstellen en de strijd vanaf Britannia kunnen voortzetten, maar dat zullen we nooit weten, want hij werd vermoord – en wel door zijn eigen rentmeester Allectus, die waarschijnlijk een stroman van de Franken was. Allectus kreeg drie jaar respijt, de tijd die Constantius Chlorus nodig had om de Germanen voor de zoveelste keer uit het stroomgebied van de Rijn te verjagen en zijn invasie voor te bereiden. In 296 stak Constantius met twee vloten het Kanaal over. Zijn rechterhand Asclepiodotus versloeg Allectus, die in de strijd sneuvelde, terwijl Constantius regelrecht naar Londen optrok, waar hij de Frankische huurlingen verraste en in de straten liet afslachten. Waarschijnlijk hadden ze gedacht in de haven van de hoofdstad schepen te vinden waarmee ze terug naar huis konden. Maar ze waren niet snel genoeg, en het enige wat ze vonden was de dood. Om dit verhaal af te sluiten, staan we nog even stil bij de status van de twee belangrijkste spelers in de Carausiaanse opstand: Carausius zelf en Gennobaudes. Het is interessant hoe de bron die de meeste hierboven beschreven gebeurtenissen heeft overgeleverd, de Romeinse lofrede op Constantius Chlorus, Carausius expliciet als piraat beschrijft, terwijl zijn Frankische en Saksische bondgenoten als legitieme vijanden worden beschouwd. Dit onderscheid, dat vanuit de optiek van Rome absoluut steekhoudend is, zien we in de verdere geschiedschrijving niet terug. Daarin wordt Carausius afgeschilderd als een min of meer officiële

65


Waren Hengist en Horsa, de mythische stamvaders van de Angelsaksen, zeerovers?

66


troonpretendent en de maritieme expansie van de ‘barbaren’ als piraterij. Waaruit maar weer eens blijkt dat de benaming ‘piraat’ in hoge mate subjectief is. Overigens was het piratenleed van Britannia hiermee nog lang niet geleden. De Carausiaanse opstand was geen geïsoleerd incident maar de vroege voorbode van een tsunami die de Britse eilanden in de daaropvolgende eeuwen zou overspoelen.

Drie schepen, twee broers en een eiland Hengist en Horsa Twee mannen, besnorde mannen, stoere mannen. En ze kwamen van zee. Britse kinderen leren op school dat hoofdman Vortigern in het jaar 449 een heel slecht idee kreeg. Om zijn volk tegen de Picten in het noorden te beschermen, deed hij een beroep op Angelen, Saksen en Juten, Germaanse volkeren die aan de voet van het schiereiland Jutland leefden. Twee broers gaven aan zijn oproep gehoor en voeren met hun mannen aan boord van drie langschepen naar Essex. Ze heetten Hengist en Horsa. Aanvankelijk dienden ze Vortigern trouw, maar toen ze geconstateerd hadden dat ‘de grond van Britannia vruchtbaar en het volk laf’ was, ontstond al snel het plan om het land te veroveren. Ze stuurden mannen op pad om versterking te halen, hun krijgsmakkers staken in groten getale de zee over en samen liepen ze de Britten onder de voet. De Angelen veroverden het latere East Anglia, Mercia en Northumbria; de Saksen maakten zich meester van Essex, Sussex en Wessex; de Juten vestigden zich in Kent en Hampshire en op het Isle of Wight. Na enkele woelige eeuwen ging het land zichzelf Engeland noemen, het land van de Angelen. De ‘drie langschepen’ van Hengist en Horsa worden al genoemd in de eerste geschreven bronnen over deze periode: Historia ecclesiastica gentis Anglorum (Kerkelijke geschiedenis van het Engelse volk) van de Eerbiedwaardige Beda (7de-8ste eeuw) en de Angelsaksische kroniek (9de eeuw).

67


www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagontwerp: Studio Lannoo (Nele Reyniers) Vormgeving: Studio Lannoo i.s.m. Keppie & Keppie Vertaling: Henriëtte Gorthuis, Alexander van Kesteren en Nathalie Tabury voor Asterisk*, Amsterdam © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2020 en Alban van der Straten D/2020/45/555 – ISBN 978 94 014 7045 2 – NUR 680 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook