KATRIEN STRUYVEN, MARLIES BAETEN, EVA KYNDT EN ELINE SIERENS
Groot worden DE ONTWIKKELING VAN BABY TOTÂ ADOLESCENT
3de druk, 1ste oplage, mei 2020 D/2020/45/322 – ISBN 978 94 014 7027 8 – NUR 773, 847 Vormgeving omslag: Keppie & Keppie Vormgeving binnenwerk: Crius © De auteurs & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2020. Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus Vaartkom 41 bus 01.02 Postbus 23202 3000 Leuven 1100 DS Amsterdam België Nederland www.lannoocampus.be www.lannoocampus.nl
Inhoud
Hoofdstuk 1 INLEIDING
13
1.1 1.2 1.3 1.4
De ontwikkeling van het kind: gewikt en gewogen 13 Wat is ontwikkeling? 16 Wat is psychologie? 17 Hoe ontstaat ontwikkeling? 18 1.4.1 De natuur (je aanleg, ‘Nature’) 19 1.4.2 Het milieu (je omgeving, ‘Nurture’) 19 1.4.3 Een derde ontwikkelingsfactor: de zelfbepaling? 20 1.4.4 De gulden middenweg? 20 1.5 Stromingen binnen de ontwikkelingspsychologie 22 1.5.1 Psychodynamisch perspectief 22 1.5.2 Behaviorisme 23 1.5.3 Cognitivisme 24 1.5.4 Evolutionair of ethologisch perspectief 25 1.5.5 Contextueel of ecologisch perspectief 25 1.5.6 Humanistisch perspectief 26 1.5.7 Eén visie of combinaties? 27 1.6 Hoe met ontwikkeling omgaan? 27 1.6.1 Werken in de Zone van Naaste Ontwikkeling 28 1.6.2 Welbevinden en betrokkenheid als richtsnoeren 30 1.6.3 Motivatie als motor voor leren en ontwikkeling 32 1.7 Het handboek in een notendop 35 1.7.1 De ontwikkelingsfasen 35 1.7.2 De ontwikkelingsdomeinen of -gebieden 35 1.7.3 Voor leerkrachten, opvoeders en verzorgers 37 Bronvermeldingen 38
Hoofdstuk 2 DE ONGEBOREN BABY, DE GEBOORTE EN DE PASGEBORENE 2.1 De ongeboren baby 2.1.1 De lichamelijke (en motorische) ontwikkeling 2.1.2 De psychische ontwikkeling 2.1.3 Zwanger met hindernissen
41 41 41 45 46
6
Groot worden
2.2 De geboorte 2.2.1 De bevalling 2.2.2 Een traumatische ervaring? 2.2.3 Soorten bevallingen 2.2.4 Op tijd, vroeggeboorte of overdragen zwangerschap 2.3 Na de geboorte: welkom kleine baby 2.3.1 Hoe maakt de baby het? 2.3.2 De eerste voeding 2.3.3 De slapende baby 2.3.4 Abnormaal? Nee, heel gewoon 2.3.5 Babyreflexen of babyreacties Bronvermeldingen
Hoofdstuk 3 DE BABY (0 TOT 1,5 JAAR)
53 53 54 55 57 58 58 60 61 61 63 66
69
3.1 De lichamelijke ontwikkeling 69 3.2 De motorische ontwikkeling 71 3.2.1 Het kijkstadium (0-3 maanden) 71 3.2.2 Het grijpstadium (3-6 maanden) 72 3.2.3 Het zitstadium (6-9 maanden) 72 3.2.4 Het kruipstadium (9-12 maanden) 72 3.2.5 Het loopstadium (12-15 maanden) 73 3.3 De tekenontwikkeling 73 3.4 De perceptuele ontwikkeling 75 3.4.1 Zien 75 3.4.2 Horen 77 3.4.3 Ruiken en proeven 79 3.4.4 Voelen 79 3.4.5 Stimulerende omgeving 80 3.5 De seksuele ontwikkeling 81 3.5.1 Wat is kinderseksualiteit? 82 3.5.2 De seksuele ontwikkeling volgens Freud 82 3.5.3 De seksuele ontwikkeling bij de baby 84 3.6 De sociaal-emotionele ontwikkeling 85 3.6.1 Hechting en gehechtheidsgedrag 87 3.6.2 Gehechtheidstheorie volgens Bowlby 89 3.6.3 Gehechtheidspatronen 90 3.6.4 Vreemden- of 8-maandenangst en separatieangst 93 3.6.5 Social referencing: kijken naar anderen 94 3.7 De cognitieve ontwikkeling 95 3.7.1 De cognitieve ontwikkeling volgens Piaget 95 3.7.2 De baby in het sensori-motorisch stadium 98
Inhoud 7
3.8 De taalontwikkeling 103 3.9 De spelontwikkeling 107 3.9.1 Wat is spelen en spelontwikkeling? 107 3.9.2 De spelontwikkeling bij de baby 108 3.10 De persoonlijkheidsontwikkeling 110 3.10.1 De persoonlijkheidsontwikkeling volgens Erikson 110 3.10.2 De persoonlijkheidsontwikkeling tijdens de babyfase 111 3.10.3 Genderverschillen? 112 Bronvermeldingen 113
Hoofdstuk 4 DE PEUTER (1,5 TOT 3 JAAR)
117
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
De lichamelijke ontwikkeling 117 De motorische ontwikkeling 119 De tekenontwikkeling 121 De perceptuele ontwikkeling van de peuter en de kleuter 121 De cognitieve ontwikkeling van de peuter en de kleuter 123 4.5.1 Verworven denkcapaciteiten 123 4.5.2 Preconceptueel denken 126 4.5.3 Denkfouten 127 4.5.4 Verwarring tussen fantasie en werkelijkheid 133 4.6 De taalontwikkeling 136 4.7 De sociaal-emotionele ontwikkeling 139 4.8 De seksuele ontwikkeling 143 4.9 De persoonlijkheidsontwikkeling 144 4.10 De morele ontwikkeling 146 4.10.1 De morele ontwikkeling bij de peuter 146 4.10.2 Straffen en belonen 147 4.11 De schoolse ontwikkeling 150 4.12 De spelontwikkeling 153 4.13 Indien de ontwikkeling ‘anders’ loopt … 155 4.13.1 Autisme 156 4.13.2 Eetstoornissen 158 Bronvermeldingen 159
Hoofdstuk 5 DE KLEUTER (3 TOT 6 JAAR) 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
163
De lichamelijke ontwikkeling 163 De motorische ontwikkeling 164 De tekenontwikkeling 165 De perceptuele ontwikkeling 168 De cognitieve ontwikkeling 168 De taalontwikkeling 170
8
Groot worden
5.7 De sociaal-emotionele ontwikkeling 173 5.8 De seksuele ontwikkeling 174 5.8.1 De fallische fase bij de kleuterjongen 175 5.8.2 De fallische fase bij het kleutermeisje 176 5.9 De persoonlijkheidsontwikkeling 177 5.10 De morele ontwikkeling 179 5.10.1 De morele ontwikkeling volgens Kohlberg 179 5.10.2 De morele ontwikkeling volgens Freud 182 5.10.3 De morele ontwikkeling bij de kleuter 182 5.11 De schoolse ontwikkeling 183 5.11.1 Spelenderwijs leren 183 5.11.2 Ervaringsgericht kleuteronderwijs 184 5.11.3 Zorgbreedte en zorgverbreding voor een brede basiszorg 187 5.12 De spelontwikkeling 188 5.12.1 Kenmerken van het spel bij de kleuter en het lagereschoolkind 188 5.12.2 De spelontwikkeling bij de kleuter 190 5.13 Indien de ontwikkeling ‘anders’ loopt … 193 5.13.1 Motorische stoornissen 193 5.13.2 Zindelijkheidsstoornissen 193 5.13.3 Stoornissen in de taalontwikkeling 194 5.13.4 Slaapstoornissen 196 5.13.5 Aangeboren en verworven beperkingen of handicap 196 Bronvermeldingen 199
Hoofdstuk 6 HET LAGERESCHOOLKIND (6 TOT 12 JAAR) 6.1 6.2 6.3 6.4
203
De lichamelijke ontwikkeling 203 De motorische ontwikkeling 204 De perceptuele ontwikkeling 206 De cognitieve ontwikkeling 208 6.4.1 Het lagereschoolkind in het concreet operationeel stadium 208 6.4.2 Het magische denken 211 6.4.3 Het geheugen 212 6.5 De taalontwikkeling 213 6.6 De sociaal-emotionele ontwikkeling 214 6.6.1 In een groep omgaan met leeftijdsgenootjes 214 6.6.2 Vriendschap 218 6.6.3 Pesten 219 6.7 De seksuele ontwikkeling 223 6.7.1 Kinderen van 6 tot 8 jaar 224 6.7.2 Kinderen van 8 tot 10 jaar 224 6.7.3 Kinderen van 10 tot 12 jaar 225
Inhoud 9
6.8 De persoonlijkheidsontwikkeling 226 6.9 De morele ontwikkeling 227 6.10 De schoolse ontwikkeling 229 6.10.1 Schoolrijpheid 229 6.10.2 Drie schoolse vaardigheden 231 6.11 De spelontwikkeling 238 6.12 De tekenontwikkeling 239 6.13 Indien de ontwikkeling ‘anders’ loopt … 241 6.13.1 Onveilige gehechtheid 241 242 6.13.2 Leerstoornissen 6.13.3 ADHD 246 Bronvermeldingen 252
Hoofdstuk 7 DE ADOLESCENT (12 TOT 18 JAAR)
257
7.1 De lichamelijke ontwikkeling 257 7.1.1 De seksuele rijpingsprocessen 258 7.1.2 Versnelling van de groei en verandering in proporties 259 7.1.3 Reacties op deze lichamelijke veranderingen 260 7.1.4 Het acceleratieverschijnsel 262 7.2 De motorische ontwikkeling 263 7.3 De perceptuele ontwikkeling 263 7.4 De cognitieve ontwikkeling 264 7.4.1 Het formeel operationeel stadium 264 7.4.2 Informatieverwerking bij adolescenten 267 7.4.3 Consequenties van het gevorderde denkniveau 268 7.5 De taalontwikkeling 268 7.6 De sociaal-emotionele ontwikkeling 269 7.6.1 Ouders en gezin 269 7.6.2 Conflicten 275 7.6.3 Stress 276 7.6.4 Leeftijdsgenoten 277 7.6.5 In grote groep, kliek of individuele vriendschap 279 7.7 De seksuele ontwikkeling 283 7.7.1 De genitale fase 284 7.7.2 Vorming van romantische relaties 285 7.7.3 Seksuele thema’s tijdens de adolescentie 286 7.8 De persoonlijkheidsontwikkeling 290 7.8.1 Egocentrisme 290 7.8.2 Conformisme 292 7.8.3 Identiteitsvinding en -ontplooiing 293
10
Groot worden
7.8.4 Identiteitsstatus 295 7.8.5 Zelfbeeld 298 7.9 De morele ontwikkeling 299 7.10 De schoolse ontwikkeling 300 7.10.1 Leerlingenbegeleiding 300 7.11 De spelontwikkeling 306 7.12 De tekenontwikkeling 306 7.13 Indien de ontwikkeling ‘anders’ loopt… 307 7.13.1 Externaliserende problemen 307 7.13.2 Internaliserende problemen 309 7.14 Groot zijn 312 Bronvermeldingen 313
Hoofdstuk 8 TOT SLOT Noot
317 318
REFERENTIES
321
INDEX
329
HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1.1 De ontwikkeling van het kind: gewikt en gewogen HOOFDSTUK 2 DE ONGEBOREN BABY, DE GEBOORTE EN DE PASGEBORENE
1.2 Wat is ontwikkeling? 1.3 Wat is psychologie? 1.4 Hoe ontstaat ontwikkeling?
HOOFDSTUK 3 DE BABY (0 TOT 1,5 JAAR)
1.5 Stromingen binnen de ontwikkelingspsychologie 1.6 Hoe met ontwikkeling omgaan?
HOOFDSTUK 4 DE PEUTER (1,5 TOT 3 JAAR)
HOOFDSTUK 5 DE KLEUTER (3 TOT 6 JAAR)
HOOFDSTUK 6 HET LAGERESCHOOLKIND (6 TOT 12 JAAR)
HOOFDSTUK 7 DE ADOLESCENT (12 TOT 18 JAAR)
HOOFDSTUK 8 TOT SLOT
1.7 Het handboek in een notendop
Hoofdstuk 1
INLEIDING
1.1 DE ONTWIKKELING VAN HET KIND: GEWIKT EN GEWOGEN Als leerkracht, ouder of opvoeder staat je omgang met kinderen centraal. De hele dag door communiceer je met hen: een gesprek, een knuffel, een spel, een knipoog, een les, een discussie, een zoen, een lesoverhoring, een handdruk, een lach. Tijdens deze interacties met je kinderen houd je (onbewust) rekening met de typische kenmerken van hun leeftijd.
Bijvoorbeeld: Een vertelboek kies je afhankelijk van de leeftijd en de interesses van jouw kinderen. Je kiest in een klas bijvoorbeeld voor werkvormen die je leerlingen reeds aankunnen en die hen uitdagen (bijvoorbeeld: Kunnen ze samenwerken in een groep? In welke hoeken spelen ze graag? Welk spelletje zullen we spelen?). Je praat (onbewust) met een jongere van 14 jaar op een andere manier dan met een kleuter van 4 jaar. Ook belonen of straffen pak je op een andere manier aan bij een kind in de basisschool dan bij iemand die volop in de puberteit zit.
14
Groot worden
Kortom, tijdens het (bege)leiden van kinderen speel je voortdurend in op hun karakteristieken; en hoewel ieder kind uniek en dus anders is, heeft elke leeftijdscategorie haar speciďŹ eke eigenschappen. Kinderen (en volwassenen) zetten op ongeveer dezelfde leeftijd dezelfde stappen in hun ontwikkeling.
Bijvoorbeeld: Peuters worden zindelijk als ze voldoende blaascontrole hebben ontwikkeld, meestal vanaf 2 jaar (en voor 5 jaar). Rond de leeftijd van 6 jaar zijn de meeste kinderen rijp om te leren lezen, rekenen en schrijven. Of tijdens het laatste jaar aan de basisschool (= zesde leerjaar/groep 8) merkte je waarschijnlijk de eerste lichamelijke tekenen van je puberteit.
Om als leerkracht, opvoeder of verzorger zo goed mogelijk in te spelen op en om te gaan met deze ontwikkelingen van je kinderen, staan we in dit handboek stil bij de karakteristieken van de verschillende ontwikkelingsfasen vanaf de conceptie tot en met de adolescentie. Op die manier kun je de kinderen waarmee je geconfronteerd wordt steeds situeren in de levensloop van de jonge mens. De betekenis van een levensloopperiode (bijvoorbeeld de peutertijd) kan namelijk maar ten volle tot haar recht komen wanneer je ze ingekaderd ziet in de gehele levenscyclus. Iedere fase bouwt voort op wat voorafging en legt de bouwstenen voor de volgende fase.1
Bijvoorbeeld: Vanaf ongeveer 1 jaar begint een kind betekenisvol te praten. Het kind gebruikt dan woorden om in gesprek te treden met volwassenen. Er gaat echter een fase van brabbelen aan vooraf. De baby spreekt dan in een min of meer onverstaanbare taal, maar probeert op die manier al te communiceren met zijn omgeving. Deze brabbeltaal legt de basis om geleidelijk aan met ĂŠchte (verstaanbare) woorden te praten. Zodra het kind de fase van betekenisvol taalgebruik heeft bereikt, gaat het steeds meer de taal van de volwassenen overnemen. Wanneer het kind dan in de basisschool (eerste leerjaar/groep 3) komt, leert het schrijven en lezen. Met andere woorden: het spreken met woorden bouwt verder voort op de brabbeltaal en legt de bouwstenen voor de fase van het leren lezen en schrijven.
Bovendien zul je tijdens het werken met kinderen herhaaldelijk ondervinden dat veel kinderen, zeker in overgangsfasen, nog kenmerken van voorgaande of al
INLEIDING 15
kenmerken van de volgende fase vertonen. Uiteraard is het van belang dat je ook met deze kinderen goed kunt omgaan. Vandaar is het belangrijk dat je, wanneer je met kinderen werkt, ook weet welke ontwikkelingsfasen deze kinderen reeds doorgegaan zijn én welke fasen er nog tot ontwikkeling moeten komen.
Bijvoorbeeld: Een kleuter van 5 jaar gaat niet altijd zelfstandig plassen op het kleine wc’tje of potje en heeft regelmatig ‘accidentjes’. Een lagereschoolkind in het eerste leerjaar (groep 3) kan nog niet écht samenspelen met de klasgenootjes en belandt ongewild in conflicten. Of een meisje in het vierde leerjaar (groep 6) dat de eerste keer menstrueert en haar eerste stappen in de adolescentieperiode eerder vroegtijdig zet.
Het belang van dit handboek ligt niet enkel in het feit dat je (hopelijk!) veel zult bijleren over de ontwikkeling van kinderen en hoe je daar op kunt inspelen en rekening mee kunt houden in de praktijk. Door inzicht te ontwikkelen in het ‘normale’ ontwikkelingsverloop van een kind, verwerf je tegelijkertijd de capaciteit om kinderen bij wie de normale ontwikkeling afwijkt, te identificeren. Als leerkracht, opvoeder of verzorger ben je in het leven van een kind een sleutelfiguur die dagelijks met hem of haar in contact komt. Je draagt (mede) de verantwoordelijkheid om de ontwikkeling van het kind te observeren (en te stimuleren). Problemen dien je dan ook tijdig te signaleren. Waar nodig, dient er professionele hulp gezocht te worden.
Bijvoorbeeld: Er kan een spraak- en taalprobleem zijn als een kind in vergelijking met leeftijdsgenoten nog niet, opvallend weinig of minder verstaanbaar spreekt.2 Ook een kind dat uitvalt op één leergebied, bijvoorbeeld rekenen, en zich slecht voelt tijdens deze lessen, heeft niet alleen een leerprobleem, maar kan mogelijk lijden aan een leerstoornis.
De waarde van dit handboek moet echter ook breder gezien worden. Deze inleiding in de ontwikkeling van het kind biedt je de mogelijkheid je eigen levensloop en die van anderen beter te begrijpen. De beschreven begrippen en de geschetste theorieën vanuit de ontwikkelingspsychologie verschaffen je meer inzicht in het ontwikkelingsverloop van elke mens. De pedagogiek leert ons met deze ontwikkelingen van de jonge mens om te gaan.
16
Groot worden
1.2 WAT IS ONTWIKKELING? Met ontwikkelen bedoelt de ontwikkelingspsychologie ‘het veranderen van een aanwezige structuur’ (d.i. een persoon in zijn geheel: lichaam én geest). De aanwezige structuur ontwikkelt, ontvouwt, ontplooit zich gedurende de hele levenscyclus; dus vanaf de conceptie tot aan de dood. Er treden gedragsveranderingen op van het begin tot het einde van het leven. Er kan hierbij zowel sprake zijn van het verwerven van nieuwe mogelijkheden als van het verliezen van een bepaalde functie of vaardigheid. Winst en verlies gaan dan ook hand in hand in de ontwikkeling.
Bijvoorbeeld: Rond de leeftijd van 1 jaar leert een baby zelfstandig lopen (lopen = gedragsverandering; er komt een nieuwe vaardigheid bij). Tijdens de basisschool leren kinderen lezen, rekenen en schrijven als voornaamste schoolse vaardigheden (lezen, rekenen schrijven = gedragsverandering, er komen nieuwe vaardigheden bij). Marijke kon als kind als de beste haar tenen naar haar mond brengen, als tiener ondervindt ze moeilijkheden deze vaardigheid te herhalen (verlies van lenigheid = gedragsverandering; verlies van een vaardigheid). Of met het ouder worden, wordt het voor opa steeds moeilijker om dingen te onthouden (dingen niet meer kunnen onthouden = gedragsverandering, verlies van een vaardigheid).
Ontwikkeling heeft het karakter van een levenslang proces; dat wil zeggen dat ‘ontwikkeling een verloop in de tijd kent dat een voortgang inhoudt’.3 Een verloop in de tijd wijst erop dat de veranderingen niet van vandaag op morgen gebeuren. Ontwikkeling is geen momentopname.4 Er is sprake van een geleidelijke verandering. Het begrip voortgang duidt op het feit dat ontwikkeling niet herhaalbaar is. De veranderingen die optreden in de mens, treden maar één keer op en blijven gedurende langere tijd aanwezig.5
Bijvoorbeeld: In de loop van zijn ontwikkeling leert de mens spreken (= verloop). Zodra hij6 kan spreken, blijft hij onder normale omstandigheden gedurende zijn hele leven over die mogelijkheid beschikken en herhaalt het proces van leren spreken zich op latere leeftijd niet (= voortgang). Een uitzondering hierop is bijvoorbeeld wanneer iemand
INLEIDING 17
een auto-ongeluk heeft gehad waardoor de hersenen dusdanig zijn beschadigd dat die persoon opnieuw moet leren spreken. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor het leren lopen, zwemmen, fietsen, schrijven, rekenen, studeren, enzovoort.
1.3 WAT IS PSYCHOLOGIE?7 Psychologie bestaat uit een samenvoeging van de Griekse woorden psychè, wat ziel betekent, en logos, wat gedachte, rede betekent. Het is de wetenschap die het innerlijke leven (kennen, denken, voelen en streven) en het gedrag van de mens bestudeert. Binnen de psychologie worden er verschillende onderverdelingen gemaakt, afhankelijk van het onderwerp van studie.
Bijvoorbeeld: Hoe mensen zich in groepen gedragen, is het studieobject van de sociale psychologie. Differentiële psychologie houdt zich bezig met verschillen tussen individuen betreffende persoonlijkheid. Stoornissen in het gedrag, denken en beleven van mensen zijn het onderzoeksobject van de klinische psychologie, de psychopathologie en de neuropsychologie. Het waarnemen, leren, denken, spreken, onthouden en vergeten behoort tot het domein van de cognitieve psychologie (of functieleer), de leerpsychologie en de neuropsychologie. Specifiek voor de taal is er de psycholinguïstiek. Daarnaast werken mensen ook met elkaar samen. Hoe zij dat doen en wat daaraan verbeterd kan worden is het object van de arbeids- en organisatiepsychologie. Onderdeel daarvan is de sportpsychologie. Verschillen in gedrag, denken en beleven tussen bevolkingsgroepen en tussen volkeren met verschillende culturen zijn het object van de cultuurpsychologie. Hier overlapt de psychologie sterk met de antropologie. Zo heeft de psychologie ook veel gemeen met de biologie, vooral op het punt van erfelijke aanleg van gedrag en gedragsstoornissen, die bestudeerd worden door de biologische psychologie.
18
Groot worden
Een specifiek onderdeel is de ontwikkelingspsychologie, dat in dit boek centraal staat. Deze bestudeert het gedrag, het denken en het beleven van mensen in de verschillende levensfasen, vanaf de geboorte (en zelfs prenataal (pre = voor, nataal = geboorte)) tot aan het einde van het leven. Het bestudeert de ‘ontwikkelingen’ die gebeuren in het leven van mensen.
1.4 HOE ONTSTAAT ONTWIKKELING? We weten nu wat ontwikkeling is en dat ontwikkeling centraal staat bij ontwikkelingspsychologie, maar hoe ontstaat ontwikkeling? Door welke factoren wordt de ontwikkeling van het kind bepaald? Met andere woorden: welke zijn de ontwikkelingsfactoren of de krachten die van invloed zijn op de ontwikkeling van een persoon? De volgende vraag staat hierbij centraal: ‘Wordt de mens datgene wat de omgeving (vooral de opvoeding) van hem maakt, of ontwikkelt hij zich, ongeacht het soort milieu waarin hij terechtkomt, tot datgene dat latent al vanaf het begin in hem aanwezig was?’8 Deze vraag refereert aan het bekende nature/nurture-debat. Is de ‘natuur’ en/ of de ‘omgeving’ bepalend voor de ontwikkeling van het kind? Voor leerkrachten, opvoeders en verzorgers is deze vraag uitermate belangrijk. Het gaat immers om de vraag of jij een invloed hebt op de ontwikkeling van je kind(eren). Of kortweg de vraag: ‘Heeft opvoeding zin?’
Bijvoorbeeld: Kan ik eigenlijk de ontwikkeling van een kind stimuleren of richting geven? Ben ik een belangrijke figuur in de ontwikkeling van mijn kinderen of hebben zij niemand nodig? Zullen de waarden en normen die ik probeer voor te leven, ooit een effect hebben bij hen? Wordt een kind niet wie het is én altijd is geweest?
Met andere woorden, is het voornamelijk de natuur (bijvoorbeeld je aanleg, je erfelijke materialen, je lichaam) die of het milieu (bijvoorbeeld de school, je leerkrachten, je ouders en familie, je vrienden, je jeugdleiders, je thuissituatie, je land (van herkomst)) dat de ontwikkeling van het kind beïnvloedt? Of zijn er nog andere factoren in het spel?
INLEIDING 19
1.4.1 De natuur (je aanleg, ‘Nature’) De natuur of (erfelijke) aanleg verwijst naar datgene waarmee het kind geboren wordt,9 die eigenschappen die je reeds bij je geboorte hebt meegekregen. Deze eigenschappen kunnen zowel manifest (direct observeerbaar) als latent (nog onzichtbaar) aanwezig zijn in de mens.
Bijvoorbeeld: je lichaamslengte, de kleur van je ogen, je huidskleur, je verstandelijke aanleg, je temperament, de mogelijkheid die elk kind in zich heeft om te leren spreken, je geslacht, bepaalde talenten die maken dat je een goede leerkracht, ouder of opvoeder zult worden.
De aanlegtheorie gaat ervan uit dat je ontwikkeling hoofdzakelijk wordt bepaald door je aanleg. Erfelijkheidsfactoren bepalen de ontwikkeling. Wat het kind meemaakt in zijn opvoeding, brengt hooguit enkele wijzigingen aan in datgene wat het kind aan mogelijkheden in zich heeft. Deze mogelijkheden zijn vanaf de geboorte bepaald10 én ontwikkelen zich dus biologisch, vrijwel autonoom, ongeacht milieu-invloeden en/of persoonlijke wil.11 Het milieu kan dus hooguit gunstige voorwaarden scheppen. Het bepaalt niet in welke richting de ontwikkeling concreet zal verlopen.12
1.4.2 Het milieu (je omgeving, ‘Nurture’) Met milieu wordt je omgeving bedoeld die invloed uitoefent op je ontwikkeling.
Bijvoorbeeld: je land, je dorp, ons klimaat, onze cultuur, je gezin, je familie, je vrienden, je leerkrachten, je jeugdleiders, je school, de ervaringen die je meemaakt. In een ander land, bij andere ouders, door andere ervaringen zou je ontwikkeling eveneens ‘anders’ lopen.
De milieutheorie gaat ervan uit dat de ontwikkeling van een persoon hoofdzakelijk bepaald wordt door zijn of haar omgeving. De mens wordt bijna volledig bepaald door het milieu waarin hij opgroeit en door zijn opvoeding. De omgeving heeft dus een actieve invloed op de ontwikkeling. Deze uiterlijke krachten sturen de mens in zijn ontwikkeling.13 Binnen deze theorie worden aan ‘opvoeding’ dan ook onbegrensde mogelijkheden toegekend.
20
Groot worden
1.4.3 Een derde ontwikkelingsfactor: de zelfbepaling? Er zijn altijd al aanhangers geweest van de aanlegtheorie en aanhangers van de milieutheorie. In beide (eenzijdige) theorieën heeft de persoon zelf geen inbreng.14 Tegenwoordig wordt in de ontwikkelingspsychologie en in de pedagogiek echter meer aandacht geschonken aan de zelfbepaling van de mens: de eigen vrije keuze. ‘Daarmee bedoelen we, dat de mens ook zelf omstandigheden kan scheppen. Hij kan zelf kiezen en hij kan verwerpen: hij kan “ja” zeggen en hij kan besluiten tot “nee”. Hij kiest zelf doelen in zijn leven, hij bepaalt zelf wat voor hem het leven zinvol maakt. Een mens leert op een gegeven ogenblik zijn eigen mogelijkheden kennen en maakt zelf uit wat hij met deze mogelijkheden gaat doen. Hij gaat “zijn eigen weg”.’15 De mens is dus meer dan een snijpunt van aanlegfactoren en milieufactoren: hij kan zelf (mede) richting geven aan de eigen ontwikkeling.16 De mens in ontwikkeling is dus geen willoze speelbal van zijn aanleg en/of van zijn omgeving. Hij kan zelf omstandigheden scheppen waarin hij zijn eigen doelen, keuzes en waarden probeert te verwezenlijken.17
1.4.4 De gulden middenweg? Op de vraag ‘Is het voornamelijk de natuur (je aanleg) die of het milieu (bijvoorbeeld: de school) dat de ontwikkeling van een mens beïnvloedt?’ moeten we een genuanceerd antwoord formuleren. 1. Naast de natuur en het milieu is de zelfbepaling ook een belangrijke ontwikkelingsfactor. 2. De drie factoren beïnvloeden elkaar. In deze samenwerking beïnvloeden natuur, milieu en zelfbepaling de ontwikkeling van het kind. Ontwikkeling dient dan ook bekeken te worden als een dynamisch spel tussen aanleg en milieu, waarbij de persoon-in-ontwikkeling een allesbehalve passieve rol speelt.18
Bijvoorbeeld: Victor is 6 jaar. Hij zit in het eerste leerjaar (groep 3). Hij heeft in zich heel wat cognitieve (= denk)mogelijkheden die van hem een sterke leerling kunnen maken (= natuur, aanleg). Victor leeft echter in een gezin waarin deze vaardigheden niet belangrijk geacht worden. Hij woont op een boerderij waar vooral ‘het kunnen werken met je handen’ belangrijk is. Van thuis uit wordt hij bijgevolg weinig
INLEIDING 21
gestimuleerd voor de schoolse vaardigheden (= milieu, omgeving). Zelf is Victor iemand die vlug opgeeft wanneer hij iets niet kan. Hij is vaak ‘liever lui dan moe’ en kiest er dan ook regelmatig voor om schoolse lessen en taken uit te stellen of niet te maken (= zelfbepaling). De resultaten op zijn taken en toetsen zijn navenant: Victor presteert eerder laag. Van een (potentiële) sterke leerling is dus geen sprake (meer).
3. Op bepaalde momenten in je ontwikkeling kan een bepaalde factor (aanleg, milieu of zelfbepaling) een doorslaggevende invloed hebben.19 We geven bij elke ontwikkelingsfactor een concreet voorbeeld.
Bijvoorbeeld Aanleg: Tijdens de eerste twee levensjaren worden de veranderingen in het motorische gedrag van de baby/peuter (bijvoorbeeld reflexen, leren kruipen of stappen) bijna uitsluitend bepaald door de ontwikkeling van het zenuwstelsel.20
Bijvoorbeeld Milieu: Bij echtscheiding van de ouders wordt het vanzelfsprekende gevoel van vader, moeder, broertjes en zusjes horen bij elkaar, aangetast. Het ‘thuis’, dat het kind vanaf de geboorte heeft gekend, verdwijnt en dat is een traumatische ervaring. Onderzoek wijst uit dat echtscheiding in het algemeen een negatieve invloed kan hebben op de kinderlijke ontwikkeling en op het persoonlijke welbevinden. Vaak is echtscheiding de eerste dominosteen van een hele reeks die omvalt: een kind moet voortaan (of afwisselend) met één ouder leven, moet misschien verhuizen, het gezin heeft minder geld, mist het contact met de familie, brengt weekends door in zijn of haar tweede kamertje, enzovoort. Al die veranderingen hebben mogelijk een invloed op de ontwikkeling van het kind.21
Bijvoorbeeld Zelfbepaling: Robbe (12 jaar) is een gemiddelde tot zwakkere leerling. Het Centrum voor LeerlingenBegeleiding (CLB) (Nederlandse Vereniging voor Leerlingenbegeleiding) en het leerkrachtenteam raden hem aan om naar een secundaire school (voortgezet onderwijs) te gaan waar hij kan kiezen voor een technische richting. Robbe wil echter graag
22
Groot worden
een meer theoretische richting volgen, hij wil tenslotte accountant worden. Hij belooft iedereen zich 100% voor zijn studie in te zetten. Enkele jaren later vinden we Robbe als een gematigde, maar succesvolle leerling terug in het vierde jaar Economie-Moderne talen. In dit voorbeeld speelt de zelfbepaling een doorslaggevende rol. Dankzij Robbes wil en doorzettingsvermogen volgt hij een theoretische, economische richting. Het omgekeerde gebeurde bij Hugo (12 jaar), die goede resultaten behaalde in het basisonderwijs, maar die zich in het secundair/voortgezet onderwijs niet wist te motiveren om te studeren voor theoretische – volgens hem ‘nutteloze’ – vakken. Hij wilde immers treinbestuurder worden. Een heroriëntering naar een technische beroepsvoorbereidende richting had een positieve invloed op Hugo’s motivatie en studieresultaten. Hugo studeerde af en is tot op heden een gedreven treinbestuurder.
1.5 STROMINGEN BINNEN DE ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE 22 Door de eeuwen heen werd de (ontwikkelings)psychologie gekenmerkt door verschillende theorieën of visies op de ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Een theorie is als het ware de ‘bril’ waarmee de psycholoog naar de werkelijkheid kijkt en deze begrijpt. Algemeen worden er zes stromingen (waarin gelijksoortige theorieën een dominante rol spelen) onderscheiden. De centrale ideeën worden hieronder bondig besproken. Afhankelijk van het perspectief of stroming wordt op een andere manier omgegaan met gedrag en ontwikkeling van personen en dus ook meer specifiek van kinderen; de visie heeft dus gevolgen voor de manier van opvoeden. Het is echter niet zo dat de ene theorie ‘beter’ is dan de andere. Meestal zijn verschillende perspectieven nodig om een volledig beeld te krijgen van de talloze manieren waarop mensen groeien en veranderen in de loop van het leven. Het voorbeeld van de adolescent met overgewicht wordt gebruikt om de verschillende visies te illustreren.
1.5.1 Psychodynamisch perspectief Het psychodynamisch perspectief stelt het onbewuste van personen centraal als drijfkracht van ontwikkeling. Het gedrag wordt beïnvloed door innerlijke krachten en onbewuste driften die uit onze kindertijd stammen en waarover we geen controle hebben. De belangrijkste aanhangers van deze visie zijn Sig-