L i o n e l D. A n n e m i e B u lt é
TERRORISTEN JAGER In het hart van de Speciale Eenheden
3
Opgedragen aan mijn gezin
– Lionel D.
De in dit boek aan bepaalde personen toegeschreven daden of handelingen miskennen op geen enkel ogenblik hun rechten van verdediging noch hun vermoeden van onschuld, waarbij het finaal aan de gerechtelijke autoriteiten zal zijn een oordeel te vellen.
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Coverontwerp: Studio Lannoo (Mieke Verloigne) Vormgeving: Studio Lannoo i.s.m. Keppie & Keppie Coverfoto’s: © Harry Stobald © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2021, Annemie Bulté en Lionel D. d/2021/45/288 – isbn 978 94 014 6987 6 – nur 320/688 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Inhoud
15 januari 2015
9
DEEL 1: De vroege jaren en zwaar banditisme De onoverwinnelijken
17
Een bange slang
26
De nacht in Perk
34
De zwarte salopette
45
De honderdkiloclub
61
Op het scherp van de snee
67
Stijve pakken, sponzen pyjama
80
Operatie Waterkraan
87
De kanarie in de koolmijn
98
DEEL 2: De terreurjaren De hinderlaag
113
Het gedreun van oorlogswapens
125
Een nieuwe vijand
133
De clan Afghanistan
140
De kerstman van de jihad
149
Zwarte vrijdag
158
#BrusselsLockdown 167 De uitputtingsslag
175
Radiostilte 189 De hel in de trappenhal
195
Gaten in het pantser
208
De ogen van Abdeslam
217
Terroristenkoorts 229
Inhoud
7
22 maart 2016
238
Nieuwe dreigingen
247
Een echte survivor
253
‘You'll never break my will’
259
‘Wanneer komt de oude papa terug?’
276
De laatste ronde
284
Nawoorden 295 Lijst van jihadisten
303
Verklarende woordenlijst
307
Dank 315
8 Terroristenjager
15 januari 2015
Bam! Bam! De ramen in de voorgevel springen aan stukken, met zo’n zware dreun dat mijn botten ervan daveren. Ik sta tussen de glasscherven en gooi een flitsgranaat door het raam, die als een verblindende lichtbol ontploft. Donkere rook vult de huiskamer. Ik kijk naar binnen en zie niemand meer. De plek waar de drie terreurverdachten een paar seconden geleden nog thee zaten te drinken, is leeg. Een ogenblik later klinkt een vuursalvo. Zwaar geschut van kalasjnikovs. Vonkende kogels ketsen af tegen de muur, ik voel opspringend steenslag onder mijn helm. In het donker zie ik een vuurmond opvlammen. De loop gaat wild op en neer in de handen van de schutter, die zich achter een hoek in het appartement verstopt. We knallen ogenblikkelijk terug, het gebulder overstemt elke gedachte. Ik trek me terug achter de muur en meld de situatie via de radio aan de commandopost in Brussel. ‘We liggen onder vuur.’ Het is donderdag 15 januari 2015, even na 17.00 uur. We staan met onze interventieploegen voor een rijhuis in de stationsbuurt van Verviers, waar drie mannen met plannen voor terroristische acties zich hebben verschanst. Het vuurgevecht zal tien minuten duren, en het mag een wonder heten dat niemand van ons gewond raakt. Bij de tegenstanders vallen twee doden: radicale moslims die streden voor de extremistische terreurbeweging is, en die op dit onderduikadres plannen smeedden om een aanslag te plegen in België. Het nieuws over de spectaculaire inval – een week nadat in Parijs twaalf doden zijn gevallen bij een terroristische aanslag op Charlie Hebdo – gaat ’s anderendaags de wereld rond. Toch zal ik pas later beseffen dat dit moment een kantelpunt was in de geschiedenis van de Speciale Eenheden van de federale politie in
15 januari 2015
9
België. Dat we ons leven in de eenheid voortaan zouden opdelen in de tijd voor Verviers, en de jaren erna. Op dat moment werkte ik al twaalf jaar voor de interventie-eenheid die bij het grote publiek nog altijd het best bekend is onder haar oude naam, de Groep Diane. De Romeinse godin van de jacht Diana is ook vandaag nog het symbool van de eenheid. Ik was lid van een selecte groep van minder dan vijftig eliteagenten. We lichtten zware gangsters van hun bed, overmeesterden gijzelnemers, deden boeven en bendeleiders een toontje lager zingen. We verijdelden overvallen en smoorden gevangenisopstanden in de kiem. De arrestaties die we deden, verliepen meestal zonder één schot te lossen. Als wij op het toneel verschenen, gingen de handen van de meest doortrapte schurken meteen omhoog. We waren zwaarbewapende vechtmachines, en we voelden ons onoverwinnelijk. Ik genoot van de actie en de kameraadschap in de roedel, waarin ieder lid zijn plaats had bevochten en verdiend. We waren geen vrienden, we waren broers. We botsten soms, vaak zelfs, maar we vertrouwden elkaar ons leven toe. We noemden onszelf ‘Irissen’, een naam die in de beginjaren als grap tussen de officieren was ontstaan. Op een middag in de mess zochten ze naar een woord voor de leden van de interventie-eenheid. ‘Noem ze naar mijn dochter Iris, dat is een mooie naam’, zei een van de officieren. En zo werden we Irissen. Alleen wie de strenge selectie en de loodzware opleiding doorstond, kon deel uitmaken van het broederschap. Verviers was voor de meesten onder ons de eerste keer dat ze zo zwaar onder vuur genomen werden en zelf de trekker moesten overhalen. Op die januaridag begon een oorlog tegen een vijand die niet onder de indruk was van onze flitsgranaten en onze machinegeweren. Het waren strijders met doodsverachting, die geen cent om hun eigen leven gaven, en zeker niet om dat van ons. Niemand vermoedde dat een nog veel grotere golf van geweld ons spoedig zou overspoelen.
10 Terroristenjager
Twee jaar lang zou de terreurdreiging in ons land het uiterste van onze eenheid eisen. We stonden dag en nacht paraat om uit te rukken, verrichtten tientallen arrestaties, drongen binnen op onderduikadressen waar is-vlaggen aan de muur hingen en waar achter elke deur een man met een kalasjnikov verstopt kon zitten. We vochten tegen terroristen, maar ook tegen slaaptekort en permanente stress. Twee keer moesten we toezien hoe onze nieuwe vijand een bloedbad aanrichtte, op 13 november 2015 in Parijs, een paar maanden later ook in Brussel. Het maakte onze jacht op terroristen nog verbetener. We opereerden in de schaduw, onherkenbaar onder onze bivakmutsen. Niemand van ons sprak ooit over de zware vuurgevechten die we leverden. Niemand van ons sprak over de ondraaglijke spanning in de uren voor we Salah Abdeslam pakten of over de inval op een schuilplaats van terroristen in Vorst, die bij veel collega’s diepe sporen naliet. We vertelden nooit over de parallelle wereld waarin we leefden, de aanhoudende dreiging die geruisloos onder ons vel kroop, en over wat dat deed met ons en onze families. Mijn kinderen zeggen op school dat ik sportmonitor ben. Mijn kapper denkt dat ik een kantoorjob heb bij de politie en me weleens aan een triatlon waag in mijn vrije tijd. Nooit spraken we over ons werk bij het sie, het Speciaal Interventie Eskadron, zoals we onze interventieeenheid blijven noemen – hoewel ze al talloze keren van naam is veranderd en nu officieel onder het Directorate of Special Units (dsu) valt. Nooit, tot nu. Hier en nu spreek ik. Voor het eerst. Waarom nu wel? Die beslissing is pas gegroeid nadat ik de eenheid al verlaten had in september 2017. Na de aanslagen in Brussel op 22 maart 2016 werden de hulpverleners in de nationale luchthaven van Zaventem en de Brusselse metro gehuldigd door het koningspaar. Koning Filip bracht een bezoek aan onze collega’s van de federale politie die de onderzoeken voerden naar terroristen. Ook de agenten van de lokale politie die de veiligheidszone rond het
15 januari 2015
11
getroffen metrostation hadden afgebakend, werden geëerd door officiële instanties. Ik gun het hen oprecht. Maar niemand kwam de mannen van onze interventie-eenheid feliciteren. De collega’s die bij elke terreurinval op de eerste rij stonden en de hitte van de kogels op hun gezicht hadden voelen schroeien. De onzichtbare helden waarvan niemand heeft gezien hoeveel offers ze hebben gebracht, en die daarvoor niet de erkenning kregen die ze verdienen. Geen lintje, niet eens een schouderklop. Geen: ‘Goed gedaan, mannen, zonder jullie was alles veel erger geweest.’ Jazeker, het was onze job. ‘Ze zijn er toch voor getraind, meneer?’ Maar eerlijk: voor bijna-doodervaringen kun je niet trainen. We deinzen er niet voor terug, maar ze blijven ongewoon. Daarom heb ik besloten dat de buitenwereld mag weten hoe mijn collega’s en ik die intense jaren in de elite-eenheid hebben beleefd. Hoe we allemaal tot het uiterste gingen, hoeveel moed en zelfopoffering eraan te pas kwam. Omdat mijn collega’s niet mogen spreken, wil ik hun stem zijn en het verhaal van dit gesloten wereldje vertellen. Een verhaal over de bikkelharde opleiding en de adrenaline die door je lijf giert tijdens wilde achtervolgingen. Over de onderlinge ruzies en de eeuwige competitie tussen alfamannen, maar ook de onvoorwaardelijke loyauteit aan de groep. De zenuwslopende jacht op terroristen en het alomtegenwoordige gevaar, dat onze levens dag in, dag uit onder hoogspanning zette en waar de buitenwereld geen idee van heeft. Ik denk dat niemand van ons ongehavend uit de terreurperiode is gekomen. We voelden ons onoverwinnelijk – maar we ontdekten dat we niet onkwetsbaar waren. Dat was lastig, in een eenheid waarin geen enkel teken van zwakte wordt geduld. De inval in Vorst maakte een bruusk einde aan de carrière van twee collega’s, die door onze oversten helemaal aan hun lot werden overgelaten. Geheime technieken van de Speciale Eenheden zul je in dit boek niet terugvinden. Ook zijn de meeste namen van betrokke-
12 Terroristenjager
nen veranderd, omdat anonimiteit van levensbelang is voor een Iris. Want onder die bivakmutsen zitten mensen met een gezin en kinderen, vreugdes en passies, zorgen en dilemma’s. Pas nu ik er al jaren weg ben, besef ik hoe de eenheid aan mijn ribben blijft kleven. Ik beweer niet dat ze perfect was, of dat er geen enkel smetje op het blazoen zat. Maar ze haalde het beste uit mezelf en kneedde me, vijftien jaar lang, tot wie ik vandaag ben. Ik wil met dit boek een eresaluut brengen aan alle collega’s die er met mij werkten, en aan de Irissen van vandaag en van morgen. Dit is ook hun verhaal.
Lionel D. maart 2021 lioneld_official
15 januari 2015
13
Deel 1
DE VROEGE JAREN ZWAAR BANDITISME nenveranderd,omdatanonimiteitvanlevensbelangisvooreeniriswant . onderdiebivakmutsenzittenmensenmeteengezinenkinderen,vreugdesenpassies,zorgenendilemma’s.
15
De onoverwinnelijken
De oproep kwam op een zondagavond. Het was oktober 2007. Lio zat met zijn tweejarige zoontje Mathieu voor de televisie en probeerde het kind rustig te krijgen. ‘Gevangenisopstand in Ittre. Dringend bijstand gevraagd.’ Lio keek naar Celine, die zuchtte. ‘Ga maar.’ Hij legde Mathieu in haar armen en wist dat haar nacht met de huilende peuter moeilijker zou worden dan de zijne. Twee minuten later stoof hij weg op zijn motor, naar de kazerne in Brussel. “Onderweg voelde ik een golf van opwinding. Ik was al vier jaar bij het sie*1 en had nog nooit een échte gevangenisopstand meegemaakt. We werden wel vaker opgeroepen bij oproer in de Belgische strafinstellingen, maar meestal liep dat af met een sisser. Zodra de gevangenen ons zagen verschijnen, met onze bivakmutsen en zwarte overalls, gaven ze zich over. Het is natuurlijk indrukwekkend, zo’n leger anonieme robocops. Maar nog voor we ‘boe!’ konden roepen, gingen de handjes al in de lucht. Spannend was anders. Ik was bij het elitekorps gegaan omdat ik actie wilde, geen operaties die als een soufflé in elkaar zakten voor ze goed begonnen waren.” Terwijl hij de binnenkoer van de kazerne opreed, zag Lio zijn collega’s naar blok H snellen. In de kleedkamer voelde hij de gretigheid ook bij hen. Ze hesen zich in hun gevechtspakken en plaagden elkaar als een stel jonge honden. ‘Buikje aan het kweken, Mike?’ – ‘Hola, nog altijd pissig omdat je vrijdag ons sprintje verloor, slome?’ Lio knoopte zijn boots stevig dicht en hoopte dat het in Ittre niet zo zou aflopen als een paar maanden geleden in de gevangenis van
1
Woorden met een sterretje worden uitgelegd in de verklarende woordenlijst achterin.
De onoverwinnelijken
17
Hoogstraten. Daar leek de revolutie uitgebroken. Gevangenen gooiden hun wc-potten leeg door de ramen en staken de matrassen in brand. Op de wandeling fikte een houten afdak. De hele vleugel daverde onder het gebonk en gestamp van de geagiteerde gevangenen. Maar zodra het sie arriveerde, ging de storm liggen. Balen! De briefing voor de interventie van deze avond in Ittre was alvast veelbelovend. Gewapende boeven hadden een helikopter gekaapt en waren op de binnenkoer van de gevangenis geland. ‘En drie keer raden? Ze komen voor Nordin Benallal’, zei de officier. Er klonk opgewonden gemompel bij de mannen. Ze kenden de Brusselse gangster al jaren. Benallal, alias ‘de paling’, stond bekend om zijn spectaculaire ontsnappingen. De Speciale Eenheden hadden hem al verschillende keren opgepakt, maar telkens ging hij weer lopen. Nordin Benallal, niet groter dan 1,65 meter, had nog voor zijn dertigste al 55 jaar gevangenisstraf verzameld wegens gewelddadige overvallen, gijzelingen en homejackings. Op dit moment zat de beruchte straatboef vast in Ittre, de best beveiligde gevangenis in België, met een zes meter hoge omwalling in beton en camerabewaking tot in de cellen. Ontsnappen was onmogelijk, werd beweerd. Maar Benallal wilde het blijkbaar toch eens proberen. “Ik haastte me naar de wagens, want ik was chauffeur die avond. Drie collega’s stapten in, de portieren klapten dicht. Op de passagiersstoel plofte Charly neer. ‘Tijd om erin te vliegen’, zei hij. Ik knikte en wist dat we dezelfde opwinding voelden. Charly en ik waren tegelijk bij het sie begonnen, en waren buddy’s van het eerste uur. De collega’s noemden ons spottend ‘de tweelingmeisjes’, hoewel hij blond was en bijna twee meter groot, en ik een donker type, kleiner en peziger. Ik startte de motor en voelde de adrenaline door mijn lijf gieren. Onderweg hoorden we op de radio dat de helikopter gecrasht was op de wandeling, waar de gevangenen net gelucht werden. ‘Er is brand uitgebroken. Eén gedetineerde is gewond.’ De radio braakte het ene bericht na het andere uit. ‘De gevangenen weige-
18 Terroristenjager
ren naar hun cellen terug te keren. Er wordt gevochten. Er zijn vuurwapens in omloop.’ Mijn blik op de weg werd scherper. Nog vijf kilometer, ik bleef op het derde rijvak: we moesten zo snel mogelijk in de gevangenis zijn. We namen net de afrit naar het centrum van Ittre toen de laatste update via de radio binnenliep. ‘Twee bewakers zijn gegijzeld.’ Ik voelde het bloed door mijn aderen rushen en gaf plankgas.” Aan de toegangspoort van de gevangenis volgt de ontgoocheling. Benallal is ontsnapt. Lio vloekt. ‘Putain, te laat!’ Op het binnenplein smeult de helikopter nog na. In de lange gangen hangt een nevel van rook en de geur van verbrande kerosine. Hier en daar zitten bloedvegen op de vloer – in de chaos hebben sommige gevangenen onderlinge rekeningen vereffend. In het bureau van de gevangenisdirecteur vergadert de crisiscel met de burgemeester, iemand heeft zelfs justitieminister Laurette Onkelinx gezien. De afgelopen uren heeft zich in de streng beveiligde strafinrichting een sensationele thriller afgespeeld. De kleine helikopter is rond halfzeven op de binnenkoer geland, tijdens de avondwandeling van de gedetineerden. De piloot is door een kompaan van Benallal gegijzeld en wordt onder schot gehouden. Het plan is om Benallal op de wandeling op te pikken, maar nauwelijks staat het toestel aan de grond, of het wordt van alle kanten bestormd. Gevangenen springen in de cockpit en worden er weer uitgejaagd. Benallal komt pas na veel duwen en trekken aan boord, het toestel probeert weer op te stijgen. Maar dan begint de helikopter gevaarlijk over te hellen: twee gevangenen hebben de landingsski’s vastgegrepen en bengelen aan de onderkant. De crash is onvermijdelijk. De piloot vliegt door de glazen koepel van de stuurhut heen en wordt meters ver gekatapulteerd. Hij is gewond en zal urenlang blijven liggen tussen opgehitste gevangenen. Het neergestorte toestel vliegt in brand.
De onoverwinnelijken
19
Woest springen Benallal en zijn kompaan uit het brandende wrak. Met hun vuurwapens gijzelen ze twee cipiers die zich op het binnenplein hebben gewaagd. Ze houden de gijzelaars onder schot en banen zich een weg door de berookte gevangenisgangen. Niemand van de bewakers durft hen tegen te houden. Wanneer ze door de grote gevangenispoort naar de vrijheid stappen, laten ze de gijzelaars los. Een vluchtwagen met een (gestolen) blauw zwaailicht op het dak wacht hen op. Ze stappen in, de wagen vertrekt met gierende banden. Wanneer het sie arriveert, is het al te laat om de achtervolging in te zetten. “De gevangenisdirecteur kwam zenuwachtig naar ons toe. ‘Er is een groep gevangenen die niet naar binnen wil en amok blijft maken’, zei hij. Nu we er toch waren, konden we ons evengoed nuttig maken. Maar zodra de gedetineerden ons in vol ornaat aan het raam zagen verschijnen, verstomde het geroep. Sommigen herkenden de bivakmutsen van het sie en schudden het hoofd. Gewillig lieten ze zich door de cipiers naar binnen leiden. Een kwartier later zat de laatste rebel weer in zijn cel. Daar stonden we dan, twintig kleerkasten bij elkaar. We waren niet eens op de wandeling geweest! In de gang zag ik de piloot van de helikopter zitten, met het hoofd tussen de knieën. ‘Het was net alsof ik in een actiefilm zat met Jean-Paul Belmondo’, prevelde hij, nog in shock. Gegijzeld door gangsters, bedreigd met een kalasjnikov*, neergestort in de gevangenis... ergens benijdde ik de man. Hij had meer actie gehad dan wij.” Zo begint de jacht op de voortvluchtige Benallal opnieuw. Het is al de vierde keer intussen, en bij elke ontsnapping groeit zijn legendarische status bij de Brusselse straatboefjes. ‘Een slangenmens’, noemen de flikken hem. Benallal, die als tiener jarenlang op de circusschool van Molenbeek zat, is lenig als een aap. Hij springt over muren en slingert aan dakgoten om uit de handen van de wetsdienaars te blijven. Smal als een pink, snel als de wind. In 2000 kan hij
20 Terroristenjager
uit het gerechtsgebouw gaan lopen door zijn smalle polsen uit de politiehandboeien te wringen. Een paar maanden later ontsnapt hij uit de gevangenis van Nijvel door tijdens het bezoekuur van kleren te wisselen met zijn vijftienjarige broertje. “Anciens vertelden verhalen over wilde achtervolgingen. Zo had Ken hem eens achternagezeten op een Brusselse bouwwerf. Zijn ploeg volgde Benallal al een uur, terwijl die met vrienden een tochtje maakte in een bmw cabriolet. Toen ze de jongelui klemreden aan het Zuidstation, wipte Benallal uit de auto en zette het op een lopen. Hij verdween tussen een stapel palletten en een graafmachine, de collega’s spurtten erachteraan. Het boefje was watervlug, maar Ken was een echte bijter en kon hem uiteindelijk in het nauw drijven in een doodlopende steeg. Benallal draaide zich om, buiten adem en met snot op zijn gezicht, en zei treiterig: ‘Et quoi maintenant?’ Hij gooide zijn jas weg, klaar om te vechten. Ken nam zijn arm in een judogreep en zat er binnen de seconde bovenop.” Op 8 augustus 2004 haalt de ontsnappingskoning zijn grootste stunt uit in de gevangenis van Nijvel. Hij laat zich met een touw over de buitenmuur heen trekken door een auto. ‘Als trapezeacrobaat wilde ik eens proberen of het lukte om tegen de muur op te klimmen’, vertelt hij daar later nonchalant over. Er volgt een klopjacht van acht dagen, die eindigt met een arrestatie in de Brusselse tunnels. Het is zondag 15 augustus 2004. Een mijlpaal in Lio’s carrière. “Ieder van ons herinnert zich zijn eerste trofee. De eerste grote crimineel die je samen met je collega’s pakt, en die maakt dat je écht tot de club behoort. Bij mij was dat Nordin Benallal. Apetrots was ik, al moet ik eerlijk bekennen dat ik er zelf niet veel voor had hoeven te doen. Ik was pas een jaar bij het sie, een groentje nog. Ik had nog niet genoeg ervaring om op de eerste rij te staan bij een arrestatie, maar ik was blij dat ik het kon meemaken. In 2003 was ik, na een loodzware opleiding van een jaar, toegelaten tot het eliteteam van de Belgische federale politie. Ik was 28.
De onoverwinnelijken
21
Had iemand me een paar jaar eerder gevraagd wat het sie precies deed, dan had ik hem het antwoord schuldig moeten blijven. Dat ik ooit een politie-uniform zou dragen, had sowieso niemand verwacht, ikzelf nog het minst van al. Ik studeerde criminologie aan de Vrije Universiteit Brussel en was het prototype van de feestende student. Ik dacht dat de wereld aan mijn voeten lag en was de nonchalance zelve. Ik was duidelijk niet voor de politie geboren.” Ze schelen niet meer dan vier jaar in leeftijd, maar wanneer Lio en Benallal elkaar kruisen in augustus 2004, kunnen hun jonge levens niet harder van elkaar verschillen. Nordin Benallal groeide op in Sint-Jans-Molenbeek, als zesde van negen kinderen in een gezin van hardwerkende ouders. Tot zijn zeventiende was hij een voorbeeldige zoon die een opleiding volgde tot bejaardenhelper. Zijn vrije uren bracht hij door in de circusschool, waar hij de show stal en prijzen won als trapezeacrobaat. Circusoptredens waar de hele familie naar kwam kijken, eindigden altijd met een daverend applaus voor Nordin, die prompt nog een paar extra salto’s maakte. Lio was enig kind en groeide op in de rand van Brussel. Toen hij elf was gingen zijn ouders uit elkaar. “Ik bleef eerst bij mijn moeder wonen. Omdat ze werkte was ik vaak alleen thuis en moest ik mijn eigen boontjes doppen. Op mijn twaalfde al werd ik ’s ochtends niet langer gewekt, zodat ik me vaak oversliep en ook geen denderende schoolresultaten behaalde. Na enkele jaren trok ik bij mijn vader in, naar wie ik erg opkeek. Hij was een nieuw leven begonnen met een nieuwe partner, die mijn stiefmoeder werd. Ik kreeg nog twee halfbroertjes, maar ook in dit nieuwe gezin viel ik een beetje tussen de plooien. Mijn grote houvast vond ik bij de scouts, waar al mijn tijd heen ging. Daar vond ik de structuur die ik thuis miste, en een hechte groep waar ik bij kon horen – iets wat ik later ook bij het sie zou terugvinden, en in mijn eigen gezin.
22 Terroristenjager
In die jaren scheelde het niet zoveel of ik was de verkeerde kant opgegaan. Ik trok op met oudere vrienden die allerlei stommiteiten uithaalden en die me aanporden om zelf ook eens een brommer of een auto te stelen. Dat het nooit zover is gekomen, is wellicht te danken aan mijn stiefmoeder, die mijn rebellie tijdig detecteerde en streng begon te controleren met wie ik omging. Op mijn zeventiende had ik er geen flauw benul van wat ik moest gaan studeren. Ik sportte wel graag, en samen met een vriend begon ik aan een opleiding sportregentaat aan de hogeschool. Om mijn studies te kunnen betalen, ging ik ’s ochtends werken als bakkershulp.” Zeventien was de leeftijd waarop Nordin Benallal aan de andere kant van de wet belandde. Op school werd hij omschreven als een hopeloos geval en als een bedreiging voor leerkrachten, en hij werd geschorst – ten onrechte, vond hijzelf. Dat was het moment waarop hij op straat begon rond te hangen en zijn eerste diefstallen pleegde. Hij schakelde snel over naar het grovere werk en op zijn 21ste had hij zijn eerste veroordeling al aan zijn been: vijf jaar effectief wegens diefstal met geweld. Toen hij uit de gevangenis kwam, kende Nordin Benallal alle zware jongens van Brussel. Op een paar jaar tijd pleegde hij meer dan vijftig gewelddadige carjackings, overvallen en homejackings. In de rechtbank omschreven zijn getraumatiseerde slachtoffers hun linkshandige kwelgeest als klein, maar bikkelhard. Een juwelier was bij een overval een oog kwijtgeraakt door een slag met een geweerkolf. De man schreeuwde het uit van de pijn, en kreeg nog meer klappen als antwoord: ‘Houd je mond of je andere oog gaat er ook aan.’ Op zijn twintigste had Lio zijn diploma van sportleraar op zak. Zijn zelfvertrouwen was gegroeid en hij besloot om criminologie te gaan studeren aan de universiteit – vooral om aan zijn vader te laten zien dat hij dat wel degelijk kon. Toen hij ondervond dat hij vlotjes door zijn studies heen fietste, gooide hij zich vol enthousiasme in het vrolijke, met alcohol overgoten studentenleven.
De onoverwinnelijken
23
Terwijl Benallal ’s nachts villa’s binnensloop en bewoners bedreigde en beroofde, stond de vub-student uit volle borst te zingen op cantussen. Terwijl de Brusselse crimineel uit de handen van de politie probeerde te blijven, had Lio vooral last van de katers die hij overhield aan de nachtelijke drinkgelagen. Benallal had zijn reputatie als eeuwige lastpost bij de politie al gevestigd toen Lio voor het eerst dacht aan een toekomst als flik. Toen hij in zijn laatste jaar criminologie stage moest lopen, koos hij de gemeentepolitie van Etterbeek als stageplaats. “Eigenlijk uit gemakzucht, omdat het politiekantoor vlak bij mijn kot lag. Maar al snel ontdekte ik dat het spannend werk was. Ik mocht ’s nachts mee op patrouille met de antiovervalbrigade, achter de boeven aan. Ik maakte achtervolgingen en arrestaties mee. Etterbeek, dat aan de betere kant van Brussel ligt, werd eind jaren negentig geteisterd door een golf van home- en carjackings. Bijna elk weekend was het prijs. Ik ging zo vaak ik kon mee op pad met een patrouille. De jacht, de adrenaline, de teamgeest onder collega’s: het gaf mij het gevoel dat ik leefde, tot in de toppen van mijn tenen. De korpschef vroeg of ik geen zin had om te blijven. ‘Zo’n enthousiaste tweetalige kerel kunnen we wel gebruiken.’ En dus trok ik van de universiteit naar de politieschool. In 2000 ging ik aan de slag bij de gemeentepolitie van Etterbeek.” Twee jaar later heeft de hervorming van de politiestructuur in België ongeveer zijn beslag gekregen. Na het nationale Dutroux-trauma was aan het eind van de jaren negentig beslist dat de rijkswacht, de gerechtelijke politie en de gemeentepolitie zouden worden samengevoegd tot een eengemaakt politiekorps. Dat is intussen gebeurd. Het is 2002 en het sie, de elite-eenheid van de vroegere rijkswacht, zoekt nieuwe rekruten. Voor het eerst kunnen ook kandidaten van buiten de gendarmerie aan de loodzware selectieproeven deelnemen. Iedereen die geslaagd is aan de
24 Terroristenjager
politieschool mag het proberen. Een collega haalt Lio over om zich in te schrijven. ‘Waarom ook niet?’ denkt die. “Ik wist totaal niet wat me te wachten stond. En dat was mijn grote geluk.”
De onoverwinnelijken
25