MIDDENVELD TUSSEN AANVAL EN VERDEDIGING
D/2020/45/294 – ISBN 978 94 014 6986 9 – NUR 740
Vormgeving omslag: Peer de Maeyer Vormgeving binnenwerk: Crius Group
© De auteurs & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2020.
Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv.
Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Uitgeverij LannooCampus Vaartkom 41 bus 01.02
Postbus 23202
3000 Leuven
1100 DS Amsterdam
België Nederland www.lannoocampus.be www.lannoocampus.nl
INHOUD
Hoofdstuk 1. Spannende tijden voor het middenveld 9 Middenveld? 11 Wat heet middenveldinnovatie? 13 In kaart brengen, objectiveren en documenteren 14 Op welke manier pogen we lessen te trekken uit onderzoek? 16 Focus 1. Hoe het maatschappelijk middenveld bestuderen?
17
Hoofdstuk 2. Neemt het middenveld nog een politieke rol op? 25 De politieke rol herbekeken 25 Neemt het Vlaamse middenveld nog een politieke rol op? 29 Femma: politieke vernieuwing in het Vlaamse middenveld 33 Besluit 35 Focus 2. Innovatiematrix
37
Hoofdstuk 3. Iedereen ondernemer? Middenveldorganisaties en vermarkting 39 Inleiding 39 Hybridisering richting de markt. Wat is het (niet)? 40 Alomtegenwoordig in Vlaanderen? 41 Commerciële inkomsten, een laatste redmiddel? 42 Middenveld onder druk? 44 Zijn hybride middenveldorganisaties (nog) legitiem? 45 Besluit 46 Hoofdstuk 4. ‘Ze komen niet.’ Het middenveld in Vlaanderen en nieuwe Vlamingen 47 Inleiding: etnisch-culturele diversiteit en het Vlaamse middenveld 47 Weerspiegelen middenveldorganisaties de etnisch-culturele diversiteit in de samenleving? 48
6
middenveld
Diversiteit staat op de radar, maar is geen prioriteit 49 Het ligt aan … niets of niemand in het bijzonder? 51 Vernieuwende initiatieven 55 Besluit 60 Focus 3. Diversiteitsmatrix
61
Hoofdstuk 5. Tussen bureaucratie en partnerschap . De relatie tussen de Vlaamse overheid en het Vlaamse middenveld 67 Middenveld en overheid: de kern van een liberale democratie 68 Drie modellen 69 De geschiedenis werkt door 70 Wat leren we uit de survey en de focusgroepen? 72 De case van de sociale economie: governance in de praktijk 74 Besluit 76 Hoofdstuk 6. Lokale overheid en lokaal middenveld: een latrelatie 77 Living apart together 77 Innovatieve cases: grenswerk in lokale netwerken 82 Besluit 85 Focus 4 Een instrument voor zelfevaluatie. Grenswerkers in lokale besturen
87
Hoofdstuk 7. Beroepskrachten in het middenveld: onvermoeibare idealisten of de burn-out nabij? 89 Staat de beroepskracht onder druk? 89 Het middenveld op zoek naar een gepast personeelsbeleid 94 Besluit 98 Hoofdstuk 8. Vrijwilligers: terug van nooit weggeweest 99 Inleiding: lang leve de nieuwe vrijwilliger? 99 Typering van het vrijwilligerswerk vandaag 99 Het managen van vrijwilligers: flexibel zoeken naar de beste aanpak 104 De vrijwilliger weet wat hij of zij wil, maar weet ook de organisatie dat? 105 Besluit 109 Focus 5. Stijlen van vrijwilligersmanagement Hoofdstuk 9. Een agenda voor de toekomst Stelling 1. Schrijf het middenveld niet af
111 115 116
Inhoud 7
Stelling 2. Middenveld en overheid kunnen leren van elkaar Stelling 3. Een pleidooi voor actieve subsidiariteit Stelling 4. Een combinatie van rollen is een krachtige weg naar vernieuwing Stelling 5. Koepels organiseren als netwerken Stelling 6. Het lokale middenveld heeft een systeemspeler nodig Stelling 7. Lokale afdelingen activeren, ook voor maatschappelijke verandering
117 118 120 121 122 123
Focus 6. Het maatschappelijk middenveld: basisvaststellingen op een rijtje
125
Dankwoord 129 Wat is er allemaal op de website te vinden?
131
Eindnoten 133
HOOFDSTUK 1
SPANNENDE TIJDEN VOOR HET MIDDENVELD Stijn Oosterlynck, Filip De Rynck, Lode Vermeersch, Miet Lamberts, Bram Verschuere, Ben Suykens en Bart Verhaeghe
Het zijn spannende tijden voor middenveldorganisaties in Vlaanderen en Brussel. Het lijkt alsof ze voortdurend in de ‘verdediging’ zitten, om het met voetbaltermen te zeggen. Hun legitimiteit wordt van verschillende kanten in vraag gesteld, en dan vooral door de opeenvolgende Vlaamse regeringen en sommige lokale bestuurders. Middenveldorganisaties zien zich bovendien geconfronteerd met een samenleving die steeds meer divers, gefragmenteerd en (schijnbaar) individualistisch wordt. Hoe breng je in zo’n context mensen samen? Hoe organiseer je maatschappelijke dienstverlening, zoals vrijetijdsactiviteiten voor bejaarden of voedselbedelingen voor mensen in armoede? Hoe streef je maatschappelijke en politieke verandering na, door bijvoorbeeld als organisatie vegetarisme te promoten of door meer in te zetten op preventieve gezondheidszorg? Anderzijds vernieuwt het middenveld volop en lijkt het evenzeer in de ‘aanval’ te gaan. Vooral in de grote steden wemelt het van nieuwe burgerinitiatieven, rond de luchtkwaliteit aan de schoolpoorten, rond verkeersveiligheid en noem maar op. Het coöperatieve gedachtegoed steekt opnieuw de kop op, onder andere in energieproductie en huisvesting. Maatschappelijke crisismomenten, zoals de instroom van vluchtelingen of de coronalockdown, en jaarlijks terugkerende campagnes zoals De Warmste Week, lokken tot in de kleinste dorpen solidariteitsacties uit. Welzijnsorganisaties zoals het Centrum Algemeen Welzijnswerk (CAW) en de diensten maatschappelijk werk van de ziekenfondsen experimenteren samen met overheden om een ‘geïntegreerd breed onthaal’ uit te bouwen en op die manier onderbescherming tegen te gaan. Het middenveld in Vlaanderen en Brussel laveert dus tussen verdediging en aanval. Er zijn zowel uitdagingen als vernieuwingen. En daar gaat dit boek over. Het brengt verslag uit over een sociaalwetenschappelijk onderzoeksproject dat vier jaar duurde, van 2016 tot december 2019, en de naam Civil Society Innovation Flanders (CSI Flanders) droeg.
10 middenveld
Dit onderzoek gebeurde in nauw overleg met middenveldorganisaties en beleidsmakers. Het idee ontstond in 2013 tijdens een Werktank Middenveld, een seminarie met vertegenwoordigers van het middenveld en onderzoekers. Deze Werktank werd georganiseerd door de Verenigde Verenigingen, een netwerk van Vlaamse middenveld organisaties. Ze startte vanuit de vaststelling dat de maatschappelijke relevantie van organisaties in het middenveld veel meer dan vroeger fundamenteel in vraag wordt gesteld. Iedereen, ook in de partijpolitieke wereld, is het eens over het belang van het middenveld in het vormen van gemeenschap tussen burgers, om zo bij te dragen tot onderling vertrouwen en vertrouwen in de samenleving. Maar haar dienstverlenende rol en politieke rol liggen volop onder vuur. De maatschappelijke dienstverlening van het middenveld wordt op verschillende manieren onder druk gezet. Er komen alternatieve aanbieders, vaak uit de bedrijfswereld, op de proppen. Overheden en andere belanghebbenden dringen aan op een grotere financiële zelfredzaamheid bij de organisaties of hanteren marktgerichte methoden, zoals het toewijzen van opdrachten via aanbestedingen waarop diverse organisaties kunnen intekenen. Of de overheden nemen zelf het heft in handen. Zoals in de integratiesector: die ontstond vanuit het initiatief van burgers, maar de Vlaamse overheid heeft dat tijdens het voorbije decennium overgenomen en in een overheidsdienst geïntegreerd. Tussen haakjes: dergelijke ‘overnames’ door de overheid kwamen vroeger ook al voor. Denk bijvoorbeeld aan het alfabetiseringswerk dat ontstond in de jaren zeventig in de schoot van vormingsverenigingen en sociaal-culturele vormingsinstellingen, en dat later door de overheid steeds meer werd gestructureerd en geïnstitutionaliseerd in een onderwijssector die we vandaag kennen als basiseducatie. Ook de politieke rol van het middenveld is een complex gegeven. Klopt de vaak gehoorde bewering dat steeds meer middenveldorganisaties ‘gedepolitiseerd’ zijn en geen standpunten meer durven in te nemen die ingaan tegen overheden, bedrijven of andere machtige spelers? Krimpt de kritische ruimte voor het middenveld om ‘aan politiek te doen’? Of hebben middenveldorganisaties steeds minder zin om zich met politiek te bemoeien? Je bijt tenslotte niet in de hand die je voedt. Wordt de rol van organisaties steeds meer beperkt tot het uitvoeren van overheidsbeleid? Middenveldorganisaties ervaren ook uitdagingen in hun verhouding tot de burgers zelf. Nochtans is het ook hun rol om burgers te verenigen rond hun missie. De vaak gehoorde analyse van organisaties is dat burgers zich minder voor de lange termijn engageren en dat ze zich meer als consument opstellen, eerder dan als loyale achterban. Grote, gevestigde spelers in het middenveld worstelen dan weer met de vraag hoe ze vanuit hun missie maatschappelijke en politieke standpunten kunnen innemen en daarbij tegelijkertijd een vaak heel diverse achterban kunnen meenemen.
Spannende tijden voor het middenveld 11
MIDDENVELD? Uiteraard is het belangrijk om eerst te definiëren wat we precies onder ‘middenveld’ begrijpen. Het gaat over burgers die zich organiseren rond een gedeelde maatschappelijke missie en die van daaruit dienstverlening opzetten, maatschappelijke of politieke verandering nastreven en/of gemeenschapsvormend werken. Bijvoorbeeld: milieuverenigingen die aan natuurbeheer doen (dienstverlening), vakbonden die pleiten voor betere arbeidsvoorwaarden (politieke verandering) of sociaal-culturele verenigingen die uitstapjes en andere vrijetijdsactiviteiten organiseren voor ouderen (gemeenschapsvorming). Middenveldorganisaties worden niet opgericht door overheden en bedrijven, en ze beschouwen inkomsten niet als een doel (zoals bij bedrijven wel het geval is), maar als een middel om maatschappelijke doelstellingen te verwezenlijken. Het Vlaamse middenveld bestaat voor ons uit drie grote sectoren: welzijn, sociale economie en de sociaal-culturele sector. In de welzijnssector heb je dan welzijnsinstellingen en -verenigingen. En het sociaal-culturele verenigingsleven kan verder onderverdeeld worden in acht segmenten (zie focus 1, p. 17). De verschillen tussen en ook binnen de sectoren zijn groot, maar toch valt er veel te leren door ze samen te analyseren. Aangezien dit boek (deels) handelt over vernieuwing in het middenveld, willen we dat middenveld niet al te rigide afbakenen. Vernieuwing speelt zich immers vaak af aan de rafelranden. Daarom beschouwen wij het middenveld als een ruim en voortdurend bewegend veld tussen overheid, markt en gemeenschap. Organisaties herzien, al dan niet onder druk van de maatschappelijke en politieke omstandigheden, hun verhouding tot de overheid, de markt en de burger. We gaan daarbij niet op zoek naar de zuiverste vorm van burgerinitiatief of -organisatie. We willen vooral begrijpen hoe burgers zich organiseren tussen gemeenschap, markt en overheid en hoe ze vormgeven aan een veld met eigen spelregels (zie figuur 1.1). Het middenveld bevindt zich tussen de informele organisatievorm van gemeenschappen (inclusief families) en de sterk geformaliseerde organisatievorm van de overheid; tussen het publieke karakter van de overheid en het private karakter van gemeenschappen en bedrijven; en tussen het niet winstgericht zijn van overheden en het ondubbelzinnig op winst gerichte karakter van bedrijven.
12 middenveld
Figuur 1.1 De driehoek ‘staat – gemeenschap – markt’. PUBLIEK
FORMEEL
STAAT
MIDDENVELD INFORMEEL
GEMEENSCHAPPEN
NON-PROFIT
MARKT
PRIVAAT
PROFIT
Vernieuwing in het middenveld resulteert in bewegingen (op de grenzen) tussen deze drie polen. Denk bijvoorbeeld aan de organisatie Vluchtelingenwerk die haar gesubsidieerde dienstverlenende activiteiten in vluchtelingenopvang afbouwt en met campagnes als ‘Gastvrije Straat’ meer aansluiting bij de gemeenschap zoekt. Of een sociale organisatie die een kringloopwinkel opzet om zo met een combinatie van subsidies en commerciële inkomsten jobs voor mensen met een nood aan arbeidszorg te kunnen creëren. Elke beweging is een poging om in te spelen op maatschappelijke of interne uitdagingen, zoals het zoeken naar meer autonomie of het aanspreken van nieuwe doelgroepen. Maar het kan ook nieuwe spanningen meebrengen. Ook op dit vlak zien we een middenveld tussen aanval en verdediging. Wij verwijzen naar hoe burgerorganisaties op het ene terrein de vlucht vooruit nemen en hun visie en aanpak ontplooien op terreinen waar ze voorheen niet actief waren, maar op andere terreinen geconfronteerd worden met de vlucht vooruit van overheden, marktactoren en burgers die zich in nieuwsoortige verbanden organiseren. Over dat middenveld in beweging tussen staat, markt en gemeenschap in reactie op maatschappelijke en interne uitdagingen gaat dit boek dus. Vooraleer we dieper ingaan op middenveldinnovatie, willen we hier kort stilstaan bij de burgerinitiatieven, die vaak als innovatievormen van middenveld worden voorgesteld. Ze zijn (of lijken) de nieuwe loot aan de stam van het middenveld en krijgen veel aandacht en krediet voor de manier waarop ze kwesties zoals luchtkwaliteit,
Spannende tijden voor het middenveld 13
verkeersveiligheid en de opvang van vluchtelingen op de agenda zetten en ook in oplossingen voorzien. Maar wij vinden de term ‘burgerinitiatief’ niet goed bruikbaar voor onderzoek en debat. In onze bevraging van het lokale middenveld (zie verder) meende 43 % van de organisaties een burgerinitiatief te zijn, veel meer en vaak heel andere organisaties dan diegene die in het huidige debat zo genoemd worden. Ook een lokale afdeling van de gevestigde organisatie Samana, het vroegere Ziekenzorg, rekende zichzelf bijvoorbeeld bij de categorie van burgerinitiatieven. Dat veel organisaties zich in deze term herkennen, is op zich terecht, want het initiatief kwam bij hen inderdaad ook van burgers. Maar na verloop van tijd groeiden veel van die initiatieven uit tot geïnstitutionaliseerde organisaties waarbij ook overheid en markt een impact hebben, en dus niet uitsluitend burgers. Het begrip ‘burgerinitiatief’ is volgens ons dus te moeilijk af te bakenen. En er zijn nog andere bezwaren. De term doet onrecht aan de vele, vaak oudere organisaties die niet dezelfde brede positieve belangstelling als de burgerinitiatieven krijgen, maar waar burgers evengoed mee sturen en in belangrijke mate mee de organisatie dragen (bv. via hun aanwezigheid in de raad van bestuur, via fondsenwerving en door vrijwilligerswerk). Ook lijkt de term soms strategisch gebruikt te worden om zich te onderscheiden van ouder, meer gevestigd middenveld en de pijnpunten die er al dan niet terecht aan toegeschreven worden. In numerieke termen vormen burgerinitiatieven (eng gedefinieerd dan) bovendien maar een erg klein deel van het middenveld. En: ze zijn bijna enkel in grootsteden terug te vinden. Om deze redenen gebruiken we in dit boek de term ‘burgerinitiatief’ niet, en beschouwen we de burgerinitiatieven gewoon als onderdeel van het bredere middenveld en de vernieuwingen in dat middenveld.
WAT HEET MIDDENVELDINNOVATIE? Wat bedoelen we nu juist met middenveldinnovatie (of vernieuwing in het middenveld)? Vernieuwing en innovatie zijn glibberige termen (zie focus 2, p. 37 voor een instrument om binnen de eigen organisatie, sector of wijk te reflecteren over een vernieuwingstraject). Wat vernieuwend is, hangt sterk af van de context. Vanuit ons perspectief gaat middenveldinnovatie altijd om sociale innovatie, meer specifiek de transformatie van sociale relaties. Het kan over vier soorten relaties gaan. – Ten eerste kan innovatie gericht zijn op de transformatie van maatschappelijke verhoudingen. Neem bijvoorbeeld de vrouwenbeweging Femma die zich inzet voor meer gendergelijkheid. Ze pleiten voor een dertigurenweek, wat moet leiden tot een betere balans tussen werk en gezinsleven.
14 middenveld
– Ten tweede kan innovatie ook slaan op de transformatie van relaties tussen organisaties. Bijvoorbeeld: de sector van het jeugdwerk streeft naar meer diversiteit door ervoor te zorgen dat er voor iedere groep in de samenleving een aanbod is in de sector – en dus niet zozeer door elke organisatie intern divers te maken. – Ten derde is er de transformatie van relaties binnen de organisatie. Rikolto (vroeger Vredeseilanden) bijvoorbeeld, heeft haar interne organisatiestructuur vernieuwd. Het is niet langer een Vlaamse organisatie met een netwerk in het buitenland (in de vorm van regiokantoren), maar een internationaal netwerk van autonome afdelingen, met een globale raad van bestuur en gedeelde beslissingsbevoegdheid. Met die structuur beogen ze een transformatie van de maatschappelijke verhoudingen in het wereldwijde systeem van voedselproductie en -consumptie. – Tot slot kan innovatie betrekking hebben op de transformatie van de interne menselijke verhoudingen en interacties. We geven opnieuw een voorbeeld. Een welzijnsorganisatie wil haar commerciële inkomsten verhogen om zo een uitgebreidere en meer kwaliteitsvolle ondersteuning te kunnen uitbouwen voor haar doelgroep; ze willen bijvoorbeeld een sport- en cultuuraanbod op maat van de individuele cliënten. Deze innovatie kan echter tot meer werkdruk leiden voor het personeel en zo de intermenselijke verhoudingen in de organisatie onder druk zetten.
IN KAART BRENGEN, OBJECTIVEREN EN DOCUMENTEREN Het CSI-onderzoek verliep in verschillende fasen (zie focus 1, p. 17 voor een toelichting van de gebruikte onderzoeksmethodologie). Eerst brachten we het lokale en het Vlaamse middenveld in kaart. Bij het lokale middenveld gaat het om organisaties die een louter lokale focus hebben. Het Vlaamse middenveld zijn organisaties waarvan de focus en de activiteiten veeleer op een regionaal of Vlaams niveau te situeren zijn. De welzijnssector en de organisaties uit de sociale economie zijn – onder meer wegens hun officiële doelstellingen – op bovenlokaal niveau actief en werden dus integraal tot het Vlaamse middenveld gerekend. Sociaal-culturele verenigingen kunnen zowel op Vlaams als op lokaal niveau actief zijn. Het lokale middenveld in Vlaanderen bestaat voor ons uitsluitend uit sociaal-culturele verenigingen, al dan niet lokale afdelingen van Vlaamse organisaties. Dat lokale middenveld brachten we gedetailleerd in kaart voor vijftien gemeenten: van centrumsteden zoals Antwerpen en Gent, over semistedelijke gemeenten zoals Bornem en Diest, tot landelijke gemeenten als Gooik. Op Vlaams niveau probeerden we een zo volledig mogelijke inventaris samen te stellen. Het gaf ons een goed overzicht over het middenveld. Daarna documenteerden we via grootschalige enquêtes de uitdagingen in het lokale en het Vlaamse middenveld: de omgang van middenveldorganisaties met de groeiende
Spannende tijden voor het middenveld 15
etnisch-culturele diversiteit in de samenleving, het opnemen van de politieke rol, hybridisering richting de markt (of vermarkting), het managen van vrijwilligers en personeel van de organisaties, en de relaties tussen middenveldorganisaties en overheden. Voor elk van die kwesties peilden we naar de evoluties en poogden we uitdagingen te objectiveren. Soms bevestigden onze data wat we al vermoedden, vaak brachten ze nuance en verdieping, af en toe gingen ze in tegen het algemeen gangbare beeld. Via groepsinterviews met vertegenwoordigers van het beleid en de middenveldorganisaties werden de bevindingen uitgediept en geïnterpreteerd. Tot slot gingen we in de diepte kijken naar cases van middenveldinnovatie voor elk van de onderzoekslijnen. We richtten onze blik op organisaties, sectoren en territoria. Omdat innovatieonderzoek vaak de neiging heeft om grootsteden en nieuwe organisaties op te zoeken, deden we ook een reeks groepsinterviews met middenvelders (uit overwegend gevestigde organisaties) en beleidsmakers in kleinere gemeenten. Het legde een grote kloof bloot tussen centrumsteden en kleinere gemeenten wat middenvelddynamiek betreft. Ondanks de grootschaligheid van dit onderzoek bleef er uiteraard nog heel wat buiten beeld. Bij het in kaart brengen en breed bevragen via surveys hielden we geen rekening met organisaties die louter gericht zijn op gemeenschapsvorming, omdat die rol minder gecontesteerd wordt en in het onderzoek naar sociaal kapitaal al veel bestudeerd is. Zo lieten we onder meer sportverenigingen, musea en erfgoedorganisaties, en gezelschappen voor amateur- en podiumkunsten uit het onderzoek (tenzij ze zeer expliciet ook een politieke of dienstverlenende rol opnemen). Ook discussies over de uitbesteding van taken aan ziekenfondsen of vakbonden, en over de rol van deze organisaties in het medebeheer van de staat, werden niet opgenomen. Het medebeheer van de sociale partners in de sociale zekerheid, en ruimer in het sociaaleconomische beleid, is goed voor meer dan een derde van het bbp; dat is meer dan 70 miljard euro op jaarbasis. Dit thema vergt een apart onderzoek. De focus van ons onderzoek lag op organisaties en hoe ze hun verhoudingen met overheden, marktactoren en burgers vormgeven, minder op individuele burgers en hun engagement in middenveldorganisaties. We brengen daarom ook geen analyse van de grote sociologische ontwikkelingen die een impact hebben op hoe middenveldorganisaties uitdagingen ervaren en ermee omgaan. We denken dan bijvoorbeeld aan fenomenen als verstedelijking en veranderende demografische patronen in landelijke gebieden. De vergrijzing en het wegtrekken van voorzieningen in landelijke gebieden zijn wellicht nauw verweven met de vitaliteit (of het gebrek daaraan) van het middenveld op die plaatsen. Maar dat valt dus buiten het bestek van dit boek.
16 middenveld
OP WELKE MANIER POGEN WE LESSEN TE TREKKEN UIT ONDERZOEK? Hoe besluiten te trekken uit de berg kwantitatieve en kwalitatieve data die we de voorbije jaren verzamelden? Verwacht van ons geen kant-en-klare oplossingen. Daarvoor is het middenveld intern te divers en zijn de uitdagingen te gevarieerd. Wat werkt voor de ene organisatie, sector of gemeente, doet dat zelden op exact dezelfde manier voor een andere organisatie, sector of gemeente. We kunnen wel hulpmiddelen en inspiratie bieden. Ten eerste schetsen we een andere, scherpere kijk op de uitdagingen waarmee het middenveld en het beleid rond het middenveld geconfronteerd worden. We verduidelijken de relatie tussen ‘de’ overheid en ‘het’ middenveld, ontrafelen en verbreden concepten als ‘politisering’, verfijnen en nuanceren begrippen zoals ‘vermarkting’, gieten de verschillende discussies rond etnisch-culturele diversiteit in enkele modellen, staan stil bij verschuivingen in het personeelsbeleid en geven aan welke vormen vrijwilligersmanagement kan aannemen nu er sprake is van ‘nieuwe vrijwilligers’. Die andere kijk of formulering kan als basis en inspiratie dienen voor een andere aanpak. We analyseren niet enkel de uitdagingen en problemen, maar documenteren – ten tweede – ook hoe middenveldorganisaties en het beleid hierop reageren en vernieuwing nastreven. Dat deden we met kwalitatieve casestudies, die vernieuwingsprocessen in al hun wispelturigheid en complexiteit blootleggen. Door per case nauwgezet te tonen hoe middenveldinnovatie plaatsvond, willen we middenvelders en beleidsmakers inspireren. Niet om zomaar te copy-pasten, maar om reflectiever naar de eigen organisatie te kijken, onvermoed potentieel te laten zien, te durven vernieuwen en te leren van de fouten die anderen maakten. Dit boek is geen wetenschappelijk eindrapport, maar een relatief kort, hanteerbaar en leesbaar verslag daarvan dat inzicht en inspiratie wil bieden. We behandelen vooral de grote lijnen van het gevoerde onderzoek, raken veel thema’s aan en illustreren met voorbeelden. Wie meer informatie wenst en bepaalde thema’s wil uitdiepen, kan terecht op onze site: www.middenveldinnovatie.be.
FOCUS 1
HOE HET MAATSCHAPPELIJK MIDDENVELD BESTUDEREN? WAT BEGRIJPEN WE IN DIT BOEK ONDER MIDDENVELDORGANISATIES? Middenveldorganisaties zijn organisaties die … – … een maatschappelijk doel nastreven door (1) het samenbrengen van mensen (zgn. gemeenschapsvorming), (2) het opnemen van een politieke rol, (3) het verlenen van publieke diensten. Wij focussen in dit boek op organisaties die een politieke of dienstverlenende rol (of beide) opnemen. · Middenveldorganisaties nemen een politieke rol op door te streven naar of pleiten voor maatschappelijke of politieke verandering. · Middenveldorganisaties verlenen ook vaak diensten, van kinderopvang tot consultancy. Ze doen dat soms samen met de overheid, soms los ervan. Typisch is dat niet individuele koopkracht maar wel sociale behoefte (bv. nood aan zorg, opvang, ondersteuning) de basis vormt voor deze dienstverlening. Louter gemeenschapsvormende initiatieven, zoals sportverenigingen of hobbyclubs, laten we buiten beschouwing. – … ontstaan zijn vanuit de samenleving. Een middenveldorganisatie is opgericht door burgers, en dus niet door de overheid of door een bedrijf. – … verschillende vormen kunnen aannemen: vzw’s, feitelijke verenigingen, coöperaties … Op basis van deze kenmerken onderscheiden we in het Vlaamse middenveld drie sectoren en elf segmenten.
18 middenveld
Tabel 1 Drie sectoren en elf segmenten. Sector
Segmenten
Omschrijving
Voorbeelden
Welzijns instellingen
Instellingen (geen verenigingen) die actief zijn in de gehandicaptenzorg, jeugdhulp en bredere welzijnsthema’s
Centra Algemeen Welzijnswerk, Tele-Onthaal, Samenlevingsopbouw
Welzijn Welzijns verenigingen Sociale economie
Verenigingen (geen instellingen) die werken rond armoede, sociale inclusie en bredere welzijnsthema’s
Verenigingen waar armen het woord nemen, Sociale Kruideniers
Sociale economie
Maatwerkbedrijven
Kringwinkels, sociale werkplaatsen, beschutte werkplaatsen
Werk, beroep, economie
Vakbonden, beroeps- en werkgeversverenigingen en serviceclubs
Confederatie Bouw, Vlaamse Auteursvereniging, Algemene Centrale der Openbare Diensten (ACOD)
Gezondheid, ziekte en handicap
Patiëntenverenigingen, verenigingen actief rond bredere gezondheidsthema’s
Christelijke Mutualiteit, Sensoa, Holebifoon, Centrum ter Preventie van Zelfdoding, Similes
Nieuwe sociale bewegingen
Bewegingen die werken rond actuele maatschappelijke thema’s zoals milieu, mobiliteit, vrede, NoordZuid, vluchtelingen …
Fairtrade Belgium, Oxfam-Solidariteit, Bond Beter Leefmilieu, Fietsersbond
Politieke organisaties
Bewegingen die politieke actie voeren en politieke positie innemen
Liga voor de Mensenrechten, Vlaamse Volksbeweging, Beweging. net
Volwassenenwerk
Sociaal-culturele organisaties voor volwassenen die zich richten op specifieke groepen of rond specifieke thema’s werken
Seniorenorganisaties, vrouwenverenigingen, holebiverenigingen, culturele fondsen, amateurkunstenfederaties, vormingsinstellingen, Vormingplus-centra
Jeugdwerk
Sociaal-culturele organisaties die groepsgericht werken voor/door kinderen en jongeren (van 3 tot 30 jaar)
Jeugdbewegingen, koepel van jeugdhuizen, particuliere speelpleinwerkingen
Etnisch-culturele federaties
Verenigingen met en voor bepaalde groepen van etnisch-culturele minderheden
Federatie van Mondiale Democratische Organisaties (FMDO), Federatie Wereldvrouwen
Religieuze organisaties
Organisaties die actief zijn rond religie, zingeving en levensbeschouwing
Kerknet, Boeddhistische Unie van België, Federatie Vrijzinnige Centra
Sociaal cultureel
Hoe het maatschappelijk middenveld bestuderen? 19
HOE EEN DYNAMISCH VELD IN KAART BRENGEN? Wie in Vlaanderen onderzoek doet over het maatschappelijk middenveld botst al gauw op twee moeilijkheden. – Ten eerste omvat het middenveld veel verschillende types van organisaties (zie hiervoor). – Ten tweede is het – ook daarom – zo dat er geen overzicht bestaat van alle organisaties in het middenveld. Als gevolg van de dynamiek van het middenveld zou een dergelijk overzicht ook voortdurend geactualiseerd moeten worden. Deze twee factoren bemoeilijken de studie van het middenveld. In het CSI-onderzoek hebben we daarom eerst omschreven hoe wij het middenveld definiëren (zie bovenstaande tabel 1). Vervolgens hebben we zo veel mogelijk organisaties in kaart gebracht die aan deze omschrijving voldoen. Omdat het onbegonnen werk was om alle middenveldorganisaties in elke Vlaamse en Brusselse gemeente te inventariseren, hanteerden we een tweeledige aanpak. Om het lokale middenveld, dat wil zeggen de middenveldorganisaties met een lokale werking, in kaart te brengen, selecteerden we veertien gemeenten. We deden dat op basis van de Belfius-indeling, die gemeenten onderverdeelt in vier types: (1) centrum- en regionale steden, (2) semistedelijke gemeenten, (3) woongemeenten, (4) landelijke gemeenten (cf. tabel 1). De veertien geselecteerde gemeenten zijn niet volledig representatief voor alle driehonderd gemeenten in Vlaanderen, maar door de getrapte selectie op basis van schaalgrootte vormen ze toch een mooie staalkaart van de Vlaamse regio. In totaal werden in de veertien gemeenten 1757 lokale middenveldorganisaties getraceerd. Tabel 2 De veertien onderzochte gemeenten. Type gemeente
Gemeenten die werden onderzocht in de lokale mapping
Centrum- en regionale steden
Gent1 / Hasselt / Kortrijk / Antwerpen2
Semistedelijke gemeenten
Bornem / Diest / Diksmuide / Haaltert / Heusden-Zolder
Woongemeenten
Nevele / Schilde / Zemst
Landelijke gemeenten
Gooik / Ingelmunster
Naast deze veertien gemeenten werd ook de gemeente Sint-Jans-Molenbeek in de diepte bestudeerd in een van de casestudies. Dat is dus een totaal van vijftien geanalyseerde gemeenten.
20 middenveld
We maakten ook een inventaris van de middenveldorganisaties met een werking over heel Vlaanderen. Het gaat om organisaties die (1) hun dienstverlening openstellen voor alle inwoners van Vlaanderen, (2) proberen te wegen op het Vlaamse publieke debat, en/of (3) een koepelorganisatie zijn die verschillende middenveldorganisaties verenigt. Voor dit ‘Vlaamse niveau’ trachtten we zo volledig mogelijk te zijn. We stelden onze inventaris op aan de hand van bestaande databanken3 en met behulp van de gegevens van koepelorganisaties. We focusten op de welzijnssector, de sector sociale economie en de sociaal-culturele sector. Het is daarbij belangrijk om aan te geven dat we enkel de welzijnsorganisaties die actief zijn rond personen met een handicap en rond personen in armoede en jeugdzorg, opnamen in onze mapping. In totaal verzamelden we de gegevens van bijna 2500 ‘Vlaamse’ organisaties. Tabel 3 De geïnventariseerde ‘Vlaamse’ middenveldorganisaties.
Sector
Aantal geïnventariseerde middenveldorganisaties met een Vlaamse werking
Welzijn
603
Sociale economie
159
Sociaal-cultureel
1713
Totaal
2475
Deze twee inventarissen vormden de basis voor ons kwantitatief onderzoekswerk.
ONDERZOEKSAANPAK Kwantitatief onderzoek Tijdens het CSI-onderzoek werden verschillende enquêtes gehouden. De cijfers in dit boek zijn – tenzij anders vermeld – gebaseerd op drie bevragingen, een bij lokale middenveldorganisaties en twee bij Vlaamse organisaties. De surveys vonden plaats tussen begin 2017 en midden 2018, en werden telkens afgenomen bij de leidinggevende(n) van de organisatie, omdat die het beste zicht heeft op de werking van de organisatie.
Hoe het maatschappelijk middenveld bestuderen? 21
Survey 1. Lokale middenveldorganisaties Deze bevraging ging over vier thema’s: de relatie met de lokale overheid, de plaats en de rol van de vrijwilligers, de omgang met etnisch-culturele diversiteit, en het opnemen van een politieke rol. In totaal vulde ongeveer een kwart van de gecontacteerde lokale middenveldorganisaties de enquête in. De responsgraad in elk van de veertien gemeenten afzonderlijk lag boven de 20 %. Tabel 4 Responsgraad survey 1. Middenveldorganisaties met een lokale werking
Aantal gecontacteerde middenveldorganisaties
Feitelijke respons
Organisatiebevraging
1660
413 (24,9 %)
Survey 2.1. Vlaamse middenveldorganisaties (deel 1) De Vlaamse middenveldorganisaties werden in twee fases bevraagd. In de eerste fase werd de vragenlijst face-to-face afgenomen door opgeleide interviewers. De vragen handelden over het opnemen van maatschappelijke rollen, de relatie met de overheid (bv. samenwerking, controle, interactie) en de markt (bv. opzet verdienactiviteiten), en de houding ten opzichte van diversiteit.
Survey 2.2. Vlaamse middenveldorganisaties (deel 2) De Vlaamse middenveldorganisaties die de eerste vragenlijst invulden, kregen de vraag om vervolgens, op een later tijdstip, een tweede vragenlijst te beantwoorden. Ze kregen de keuze om die schriftelijk, online of opnieuw via een face-to-facegesprek in te vullen. De topics waren deze keer: het bestuur, de financiën en het interne vrijwilligers- en personeelsbeleid.
22 middenveld
Tabel 5 Responsgraad survey 2. Middenveldorganisaties met een werking over heel Vlaanderen
Aantal gecontacteerde middenveldorganisaties
Vragenlijst 1
747
496 (66 %)
496
403 (57 % t.o.v. eerste steekproef)
Vragenlijst 2
Feitelijke respons
Er was een respectievelijke respons van 66 % en 57 %. De respons voor elk van de elf middenveldsegmenten lag boven de 44 %. Dat is zeker voldoende om betrouwbare uitspraken te kunnen doen over het gehele Vlaamse middenveld.
Kwalitatief onderzoek Na de surveys, die een algemeen overzicht boden, verdiepten we het onderzoek aan de hand van kwalitatieve onderzoeksmethodes. Zo brachten we focusgroepen bijeen en voerden we casestudies uit. De steekproeven voor het kwalitatief onderzoek gebeurden soms op basis van de surveyresultaten, zoals bij de cases beschreven in het hoofdstuk over hybridisering (zie p. 39). Soms gingen we net dieper in op fenomenen en organisaties die minder sterk uit de verf kwamen in de surveys. Dat was bijvoorbeeld het geval voor de cases over de relatie tussen overheid en middenveld (zie hoofdstuk 6) en de cases over personeelsbeleid (zie hoofdstuk 7).
Casestudies: overzicht Hierna geven we een overzicht van alle casestudies binnen het CSI Flanders-onderzoek. In elke casestudie worden op organisatieniveau, sectorniveau of territoriaal niveau specifieke elementen van middenveldinnovatie onderzocht. Nagenoeg alle casestudies zullen verder in dit boek aan bod komen. Wie echter graag meer over de cases wil lezen, kan surfen naar www.middenveldinnovatie.be/publicaties. Daar kun je alle afzonderlijke rapporten van de casestudies downloaden. Bij elk rapport vind je ook een beknopte samenvatting.