Piep gaat op bezoek bij oma Paula. Oma Paula voelt zich niet lekker. Piep wil haar beter maken. Hij heeft een bomvolle bolderkar mee: daar zit een fruitschaal in met appels, druiven, mandarijnen, blauwe besjes en twee kiwi’s, thee met honing in een thermosfles, zelfgebakken brownies, een zelfgehaakt dekentje Ên een zelfgeschreven gedicht. Piep heeft er de hele nacht aan gewerkt.
Oma Paula ligt niet in bed. Ze zit treurig op de sofa. Haar schitterende pluimstaart hangt erbij als een bos verwelkte bloemen. ‘Oma toch!’ tjilpt Piep bezorgd. ‘Heb je koorts? Ben je verkouden? Heb je griep?’ Oma Paula zegt niets. ‘Kom, ik schud je kussens op en wikkel je in een dekentje! Wil je hete thee met honing en wat lekkers? Is de dokter al geweest? Waar heb je pijn?’
Oma Paula haalt haar schouders op.
‘Ik vrolijk je op met een mop! Wat zegt een kip die tegen een muur vliegt?’
‘Tok.’ ‘Wat zegt een eend die tegen een muur vliegt?’
‘Kwak.’ ‘Wat zegt een kikker die tegen een muur springt?’
‘Ook kwak.’ ‘Ook kwak! Ja! Haha! Oma Paula, kende je de mopjes al? Wat ben je goed!’ Oma Paula glimlacht een heel klein glimlachje.