Skip to main content

9789401468480

Page 1

Rosine De Dijn Overleven na de Holocaust


www.kritak.be Kritak maakt deel uit van Uitgeverij Lannoo nv Š Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, en Rosine De Dijn, 2020 Vormgeving: Tinxz (Filip Coopman) Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en /of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. d/2020/45/385 isbn 978 94 0146 848 0 nur 695


Hoe het ‘Jeruzalem aan de Schelde’ herleefde en het Grand Hôtel in Knokke het eerste naoorlogse vakantieoord werd


INHOUD

De protagonisten.......................................................................6 Proloog: waarom?.................................................................... 11

1/ Een zwijgende verbittering...................................................... 17 2/ De blinde vlek ......................................................................... 25 3/ ‘Knokke, Motke, plotke …’– een thuis­haven voor de Joden..... 31 4 / Principiis obsta … van in den beginne waakzaam blijven ...... 39 5/ De droom van Louis Van Bunnen...........................................49 6/ De Groote Oorlog en een overmoedig interbellum................. 59 7/ Het einde van de idylle............................................................ 65 8/ Familieverhalen en zeepbellen................................................ 71 9/ Alles is ontwricht.................................................................... 75 10/ De lange weg van ‘Monsieur Motke’....................................... 81 11/ In Borgerhout: van kwaad naar erger...................................... 87 12/ Vogelvrij.................................................................................. 95 13/ De laatste getuigen................................................................ 103 14 / De ‘boulanger d’Anvers’ op geheime missie.......................... 107 15/ De loterij................................................................................ 113 16/ De unieke pijn van het overleven........................................... 123 17/ Overlevingsschaamte..............................................................131 18/ Neen, men heeft ons niets verteld. Niets............................... 137 19/ 1945 – Het uur nul...................................................................151 20/ Zij hadden elkaar veertien jaar niet meer gezien................... 157 21/ Een ‘pension de famille’ en emotioneel anker....................... 163 22/ Arthur Langerman, een laat gevonden neef.......................... 181 23/ Waarom worden de Joden zo gehaat?.................................... 191 24 / Grafstenen, overal................................................................. 201 Dankwoord............................................................................ 217 Literatuurverwijzing.............................................................. 221


Overleven na de HOLOCAUST

DE PROTAGONISTEN Monsieur Motke: De Tsjechoslovaakse bakker Mordechai (Motke) Weinberger emigreerde in 1931 vanuit Strajnany in Hongarije naar België en ging als jonge man in Antwerpen eerst als bakkersgast aan het werk. Na de inval van de Duitse troepen in 1940 in het neutrale België engageerde Motke Weinberger zich in het verzet. Hij werd het brein van een roekeloze maar geniale hulporganisatie. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij in 1952 directeur van het Grand Hôtel in Knokke. Het hotel werd een ontmoetingsplaats voor de overlevenden van de Holocaust. De meesten onder hen hadden bijna hun hele familie in de kampen in Oost-Europa verloren. Thea Taube Motke-Weinberger, geb. Langerman: Zij emigreerde samen met haar familie in 1926 vanuit Duisburg (Duitsland) naar België. Ook zij engageerde zich in het verzet en werd onder de schuilnaam Marie-Louise Laroche de partner van Motke Weinberger. Na de Tweede Wereldoorlog zwaaide de geduldige Madame Motke in de keuken van het Grand Hôtel in Knokke de scepter. Ze was er het rustgevende middelpunt. Haar jongere zus Mathilde die in Palestina overleefde, had ze veertien jaar niet meer gezien. De rest van de familie was vermoord.

- 6 -


De protagonisten

Arthur Langerman: De kleine Arthur, negentien maanden oud, werd na het ophalen van zijn ouders door de Gestapo naar de Pouponnière Castro, een Joods weeshuis in Brussel, gebracht. Hij overleefde. Om de trauma’s uit zijn kinderjaren te helpen verwerken stortte hij zich in het verzamelen van antisemitische haatpropaganda – een diepzwarte bezigheid. Onder de naam Arthur-Langerman-Archiv für die Erforschung des visuellen Antisemitismus (ALAVA) zal de collectie onderdak vinden in de Kaiserin-Augusta-Allee in Berlijn-Moabit. Rosa, Céline, Eva en Alice Schönberg: Monsieur Motke, le boulanger d’Anvers, hielp Rosa Schönberg en haar drie dochtertjes in 1944 over de Zwitserse grens. Een gevaarlijk avontuur. Zij overleefden. Louis Van Bunnen: Louis was de legendarische medestichter van de badstad Knokke. Zijn eerste Grand Hôtel de Knocke aan de Place Publique, vandaag omgedoopt tot Van Bunnenplein, stond symbool voor de verdere luxueuze ontwikkeling van de badplaats. Zelfs koning Leopold II bracht in 1891 samen met zijn entourage een nachtje door in het Grand Hôtel.

- 7 -


‘Afgelopen zondag, op het Passa Porta Festival in Brussel, heb ik mijn grootvader als voorbeeld aangehaald. Een lezer vroeg mij, wat kunnen we doen tegen haatzaaiers? Tegen angst? En ik zei: betere verhalen vertellen. Zolang er geen betere verhalen zijn, zal die angst en haat blijven. Daar geloof ik absoluut in.’ WIL, Jeroen Olyslaegers – De Bezige Bij

‘Twee kinderen, twee broers hebben mij op een toon die geen tegenspraak duldt, in het gezicht geslingerd: “Waarom komt u ons veertig jaar later nog uw verhaal vertellen, na Vietnam, na de kampen van Stalin, na Korea, na dat alles  … waarom?” En ik moet zeggen dat ik met de mond vol tanden stond, sprakeloos, teruggeworpen in mijn verschansing, in mijn staat van overlevende tot elke prijs.’ Le devoir de mémoire, Primo Levi

- 9 -


PROLOOG: WAAROM? ‘Vijfenzestig jaar is een lange tijd om zich te herinneren. Soms vraag ik mij af of wat ik mij herinner wel waar is. Of is het gewoon een fragment uit een van de vele nachtmerries? Ik hield jarenlang alles van mij af en weigerde erover te praten. Maar mijn twee dochters, allebei psychologen, drongen erop aan om mijn verhaal te vertellen, al was het maar om de aap van mijn rug af te schudden. Het was niet makkelijk, en soms vraag ik mij zelfs af wat het ergste is: de aap of de herinneringen? Veel gebeurde op een leeftijd waarop je erg beïnvloedbaar bent. Vandaar dat het zo lang geduurd heeft. Ik heb er uiteindelijk zes jaar over gedaan. Ik kreeg te maken met hevige vermoeidheid en posttraumatische stress. Sorry, maar intussen bent u zowat mijn biechtvader geworden.’

Deze mail ontving ik op 7 november 2007 van Jacques Padawer, PhD, emeritus aan het Albert Einstein College of Medicine, Bronx, New York. Wij waren toen al maanden met elkaar aan het corresponderen. De Joodse professor of Anatomy werd geboren in België en groeide er ook op. Hij was de protagonist van mijn boek Het schip van de laatste kans en had voor mijn opzoekingswerk – eerst vrij aarzelend – zijn dagboeken ter beschikking gesteld. Als wetenschapper stond hij vrij kritisch tegenover zijn emotionele relatie met het verleden - 11 -


Overleven na de HOLOCAUST

en hij maakte ook voor zichzelf bewust het verschil tussen objectieve kennis en een genuanceerde herinnering – dat was zijn vaste overtuiging. Zijn bekentenis per mail ligt nu al meer dan twaalf jaar op mijn schrijftafel, samen met zijn verhalen uit de eerste hand. Zijn vertrouwen in mij ontroerde me sterk. Zijn persoonlijke notities waren bovendien een geschenk van onschatbare waarde. De laatste ooggetuigen zijn aan het verdwijnen en veel herinneringen zijn vervaagd, overwoekerd. Zijn zorgvuldig opgetekende maar vertrouwelijke herinneringen zetten mij ook aan het denken. Reflecteert een weergave van de traumatiserende belevenissen die een mens naar de rand van de innerlijke afgrond gebracht hebben, door een afstandelijke ‘kroniekschrijver’ wel de draagwijdte van deze waanzin? En al die schokkende, ontroerende, onbegrijpelijke en eindeloze verhalen, moeten wij ze nog altijd blijven vertellen? Kúnnen wij ze nog vertellen? Het beeld versmalt. Jonge mensen voor wie de oorlog voltooid verleden tijd is kunnen de achtergrond nog maar moeilijk plaatsen en vinden dat je nu eindelijk het blad moet omdraaien. Alle herinneringen liggen echt heel ver weg in de geschiedenis. Maar Herman Van Goethem, rector van de Universiteit Antwerpen, luidt de alarmklok: ‘Wanneer het narratief van de Tweede Wereldoorlog sterk verzwakt is, dan komen in de destabilisering van vandaag ook oude historische waarden bloot te liggen. De bonte massa kiest weer voor een populistische politicus die dubbelzinnig genoeg is om ook nog andere groepen aan te spreken, zoals jongeren, ultranationalisten of ook gewoonweg racisten.’ En verder: ‘De politieke pyromanen van de jaren dertig zijn dus terug van weggeweest.’ Een desastreuze balans … En hij heeft gelijk. De geschiedenis van de jaren dertig laat duidelijk zien hoe uitsluiting kan beginnen. Aanvankelijk vrij onschuldig. Dan stap voor stap - 12 -


Proloog: waarom?

met al dan niet opruiend taalgebruik, ophitsing met woorden. Ten slotte met een geborneerd nationalisme. De ‘vreemden’ zijn dan ongewenst. Ze storen. Eigen Volk Eerst! Dat herhaalt zich ook nu weer. Vluchtelingen en migranten worden gestigmatiseerd. Turken, Marokkanen en Afrikanen worden uitgesloten, vooroordelen gekoesterd. ‘Net zoals het in de loop van de eeuwen opgebouwde arsenaal van anti-Joodse stereotypen: de christusmoordenaar, de rijke jood, de materialistische jood, hebzuchtig, onbescheiden en opdringerig, de sluwe handelaar, de vreemdeling, de lafaard en verrader’, aldus Van Goethem. Tot onze ontzetting moeten wij vaststellen dat Auschwitz en de massamoorden op de Joden allesbehalve het einde betekend hebben van de legenden die er over hen in omloop waren – en nog altijd zijn. De eeuwenoude vooroordelen zijn niet versleten. Onbevangenheid en tolerantie zijn weer ver te zoeken. De Joden in Antwerpen zijn er intussen stoïcijns aan gewend geraakt bliksemafleider te spelen voor de algemene ontstemming over de regeringspolitiek in Israël. Net zoals overal in Europa vinden er in Antwerpen geregeld betogingen pro Palestina plaats en de leuzen anti Israël zijn salonfähig geworden. In het Jeruzalem aan de Schelde snellen orthodoxe Joden ons op weg naar het werk of naar de synagoge voorbij. De Antwerpse Joden zijn zichtbaar en zodoende ook kwetsbaar. Terroristische aanslagen, een algemeen wantrouwen en de aanwezigheid van bewapende politiepatrouilles in de Joodse wijk en nabij Joodse scholen en synagogen behoren tot het leven van alledag. Op de vraag of het gevoel van onveiligheid voor haar weer een deel is van het doordeweekse Joodse leven, antwoordde Frederika Amalia Finkenstein, de jonge Franse schrijfster van de roman Survivre: ‘Wat wij nu beleven is een andere vorm van - 13 -


Overleven na de HOLOCAUST

oorlog, een perverse vorm. Het is een oorlog die zijn naam niet noemt, die geen contouren heeft, maar die ons steeds en overal plots kan overvallen. Dat maakt mij waanzinnig.’ En verder: ‘Die permanente paranoia, de diffuse angst in de metro, in het treinstation, in het grootwarenhuis, in feite overal waar er veel mensen samenkomen. Niet vrede maar geweld is vandaag de norm.’ Toen ik het korte maar persoonlijke essay Le Grand Hôtel Motke van de Duits-Joodse Dalia Wissgott-Moneta in handen kreeg, was ik onmiddellijk gefascineerd. Het verhaal over het naoorlogse hotel in Knokke riep gemengde gevoelens bij me op. Ik herinnerde me op slag hoe ik samen met mijn moeder voorbij dat legendarische hotel wandelde, in de bocht van de dijk aan het Van Bunnenplein. En ik dacht meteen ook terug aan de dames met op de gebruinde huid van hun onderarm een tatoeage: een nummer, het Auschwitznummer. En aan het zwijgen daarover. Mijn kinderjaren versmolten in mijn hoofd tot een caleidoscoop van beelden en emoties. Ik wilde meer weten over de achtergrond en de geschiedenis van dit Grand Hôtel. Over het verhaal van het overleven. Hoe doe je dat, overleven? Na al die verschrikkingen? En zo begaf ik mij in de voetsporen van Monsieur Motke, Mordechai alias Martin Weinberger, de directeur van het Grand Hôtel. Ik verdiepte me in zijn achtergrond en in die van zijn hotelgasten, de overlevenden van de Holocaust. Ik voerde gesprekken met ooggetuigen, vooral in Antwerpen, de weinigen die nog overblijven. Ik was te gast bij de Joodse protagonisten van deze historie: de tweede en derde generatie, die voor mij de deur van gastvrijheid en loyaliteit wijd openzetten. Ik verdiepte mij in het verhaal van Knokke zelf en van het voor- en naoorlogse Borgerhout, waar de meeste Joden thuis waren. Ik leerde veel bij over het verhaal van de - 14 -


Proloog: waarom?

Vlaamse generatie die te lang gevangen bleef in de zeepbel van de gekleurde familieverhalen en de legendes van de gelijkgezinden. Ook de betrokkenheid en het zwijgen van dit Vlaamse milieu wilde ik niet onbesproken laten. In de reconstructie van het verhaal volgde ik de waarschuwing van Simon Gronowski, advocaat en activist. Als jongen van elf sprong hij van Transport XX, dat vanuit Mechelen op weg was naar Auschwitz. Zo heeft hij de Holocaust overleefd. Zijn moeder zette hem op de treeplank en liet hem op het goede moment los. Zelf waagde ze de sprong niet. ‘De wreedheid van gisteren moet bekend zijn om de democratie van vandaag te verdedigen. Democratie is een gevecht van elke dag. Vergeten is gevaarlijk voor de mensheid, want zoals Winston Churchill zei: “Een natie die haar verleden vergeet, is gedoemd tot het te herhalen.”’ Rosine De Dijn, winter 2019-2020

- 15 -


1/

EEN ZWIJGENDE VERBITTERING

In werkelijkheid ken ik de oorlog enkel uit het zwijgen van mijn voorouders. Want men zweeg hardnekkig over datgene waarover men niet kon spreken. Wij groeiden op met hun taboes. Een leven lang bleef de oorlog een blinde vlek die door ons, de kinderen, niet ingevuld maar wel gerespecteerd werd. Jürgen Nielsen-Sikora, Duits historicus in Die Zeit

M

ijn ouders hebben nooit gesproken over de laatste dagen van augustus en de eerste dagen van september 1944. Nooit. Ook niet over de reden waarom ons huis in Baasrode, een klein dorp aan de Schelde, met een swastika, een hakenkruis, werd beklad. En ook niet waarom mijn vader op 5 september 1944 om vijf uur ’s middags opgepakt en samen met de burgemeester en een schepen van het kleine Oost-Vlaamse dorp naar de kazerne van Dendermonde gebracht werd. Hier werden vermeende of echte collaborateurs in de paardenstallen van het sombere gebouw gedumpt. Het vochtige stro stonk naar de dampende uitwerpselen van de onrustige beesten. Zeventig mensen wachtten hier - 17 -


Overleven na de HOLOCAUST

samengeperst hun lot af. Uitgeleverd aan de vuiligheid, de willekeur en de slagen van de bewakers. Ook de zeventienjarige dochter van een vriend van mijn vader was opgepakt. Samen met enkele andere vrouwen moest zij naakt voor de spottende bewakers onder de douche. Het verhaal van deze vernedering gaf zij haar leven lang niet prijs. Haar vriend had tijdens de oorlog het zwarte uniform van de vijand gedragen en in de hoogmis op zondag het gelovige volk in de kleine dorpskerk geprovoceerd. ‘Dat was natuurlijk ook niet juist’, zou ze later aarzelend toegeven. Op 28 oktober 1944 werd mijn vader naar het interneringskamp van Lokeren gebracht. Barak nummer 7. Vanaf die dag was niets meer hetzelfde. Mijn vader hield van het bescheiden dorpje Baasrode aan de veel bezongen Scheldeoever. Gewapend met schildersezel en penseel dwaalde hij urenlang door de beemden en langs de drassige oevers van de rivier en maakte melancholische schilderijen van het humeurige rivierlandschap. Clair-obscur. Een oase van rust. Nu een gestoorde idylle. Na de oorlog hadden mijn broer en ik het raden naar de reden van die zwijgende verbittering, die vanaf toen thuis altijd voelbaar bleef. Alleen mijn spaarzame moeder, een pragmatische vrouw, vertelde een keer, quasi terloops, over haar belevenissen van destijds, toen ze er in september 1944 alleen voor kwam te staan en haar geliefde dorp moest verlaten. Mijn broer en ik waren al bij familie ondergebracht. Ze had alles netjes gewassen en ingepakt. Het huis was leeg, de gordijnen waren van de ramen gehaald en de dozen met huisraad stonden opgestapeld klaar voor de verhuiswagen. Met het overschot aan eieren had ze op de valreep nog koekjes gebakken. Niets mocht verloren gaan. Maar op de avond voor het vertrek zag ze in de vallende schemering plots sigaretten oplichten tussen - 18 -


Een zwijgende verbittering

de rododendrons in de voortuin. In paniek vluchtte ze over de omheining naar de tuin van de buren. Nog geen tel later was het huis van de kelder tot de zolder verlicht. Bekende en onbekende dorpsgenoten, klaplopers en meelopers, opportunisten en wraaknemers plunderden naar hartenlust alle have en goed. Ook de versgebakken koekjes moesten eraan geloven. ‘Die moeite had ik mij kunnen besparen’, zei ze laconiek. Toen we later, veel later, op weg naar mijn grootouders door het dorp reden, somde mijn moeder de namen op van wie in die bewuste nacht welk meubelstuk naar buiten gesleept had. Ze kende naam en toenaam van iedereen. Als de dag van gisteren. De overval van het gepeupel stond in haar ziel gebrand. Op 6 december 1944 mocht vader op voorspraak weer naar huis. Nauwelijks zes weken na zijn internering. Over de hemeltergende hygiënische omstandigheden en de noden en de vernederingen in het kamp van Lokeren heb ik pas recentelijk in onderzoek en publicaties gelezen. In 2011, na maandenlange pogingen en onder strenge voorwaarden, kon ik eindelijk het dossier van mijn vader inkijken. De procureur-generaal, die verantwoordelijk was voor de toestemming, wilde ‘geenszins bijdragen tot het verstoren van de openbare orde door het toegankelijk maken van archieven waarvan, gelet op hun bijzondere kiesheid, een perfide gebruik verholen passies zou kunnen doen oplaaien’. Vandaar dat ik in eerste instantie geen toegang had gekregen tot het dossier. Pas na serieuze aanbevelingsbrieven en de schriftelijke toestemming van mijn broer mocht ik in het heilige der heiligen van het imposante Brusselse justitiepaleis een blik werpen op de oorlogsgeheimen van mijn vader. In een muffe kamer van het sombere gebouw lag voor mij op een naakte tafel, zorgvuldig door een ambtenaar klaargelegd, een bundel vergeelde documenten. Getuigenissen, brieven van - 19 -


Overleven na de HOLOCAUST

advocaten en pv’s. Om kopieën te maken had ik een bijzondere vergunning nodig. Ik opende een verleden dat nooit was uitgesproken. Het dunne kaftje over het proces had niet veel om het lijf. Clemens Charles De Dijn, geboren op 14 juli 1913 werd ervan verdacht in het pretentieloze dorpje Baasrode tussen 10 mei 1940 en 29 januari 1943 ‘met kwaad opzet de politiek van de vijand gediend te hebben’. Tussen januari 1943 en september 1944 zou hij naar aanleiding van de terugkeer van een Vlaamse oostfronter een redevoering gehouden en samen met de andere gasten op het feest de Vlaamse strijdkreet ‘Houzee’ geroepen hebben. Ook de aanwezigheid op een bijeenkomst voor Vlaamse oostfronters en deelname aan ‘provocerende vergaderingen’ werden hem ten laste gelegd. Hij had gesympathiseerd met de bezetter. Zo stond het in zijn gerechtelijk dossier. Toneelspelen was zijn enige misdaad, vertelden mijn ouders. Zijn passie voor theater, decors ontwerpen en regisseren werden hem noodlottig. Zei mijn vader. In 1929 stond hij als zestienjarige al op de planken van het Collège de la Sainte Vierge à Termonde, het Heilige Maagdcollege van Dendermonde. Ik vond de vergeelde aankondigingen van de feestelijke plechtigheden in zijn school tussen zijn nalatenschap in een lade en tussen een stapel documenten met beduimelde programmaboekjes van verschillende theateropvoeringen in de Scheldestreek. In 1941 speelde hij voor Winterhulp de hoofdrol in het volksstuk Het deftige dorp, in 1942 Mister Schulze in Blijspel op de golven en in 1943 leidde hij een theatertoernooi. Het was oorlog. Ja. Onderaan in de programmaboekjes van de toneelvoorstellingen stond hier en daar in kleine letters gedrukt: ‘Op deze culturele avonden worden natuurlijk ook Duitsers uitgenodigd. Hen zal een ereplaats ter beschikking gesteld worden.’ Op voorspraak van een vriend van mijn grootvader, een lid - 20 -


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook