www.kritak.be Kritak maakt deel uit van Uitgeverij Lannoo nv Š Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, en Pol Hoste, 2020 Vormgeving: Tinxz (Filip Coopman) Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en /of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. d/2020/45/267 isbn 978 94 0146 847 3 nur 694
INHOUD
I. LE FOYER ............................................................. 11 II. GRAND VENEUR ................................................. 53 III. DE RADELOZE NIEUWKOMER .......................... 69 IV. ON SE DÉFENDRA .............................................. 107 V. EEN THEATER OM IN TE WONEN .................... 139 VI. LA VIE COMMENCE À MOLENBEEK ................ 163 VII. BIJ ONS ZOU HET GOED ZIJN ........................ 191
Voor Hicham, Jamal, Khalid, Mohamed, Moussa en Soufian
H
et lag aan mijn opvoeding dat ik geen moeite had om Marokkaanse jongens van Molenbeek te accepteren. Met godsdienst of moraal had het niets te maken. Alleen met wie ik was. Je kon op school zowel godsdienst als moraal volgen. Maar je moest wel kiezen. Ik koos moraal omdat ik dacht dat godsdienst immoreel was. Iets met oorlogen, brandstapels en vervolging. Al was moraal dat wellicht ook. In Rusland bijvoorbeeld of in Lokeren, in de villa waar ik opgroeide. In ieder geval vond ik mijzelf zo immoreel als mijn ouders, ook al was ik zo goed opgevoed als zij. Behalve dat ik met mijn mening te koop liep. De punten voor opvoeding die ik hierdoor verloor vielen slechts te recupereren door literaire teksten uit het hoofd te leren en ze te debiteren tijdens wedstrijden voordrachtkunst. Dus leerde ik een paar honderd gedichten van Vlaamse schrijvers uit het hoofd. Ze hadden tijdens de voorbije wereldoorlogen met het Duitse fascisme gecollaboreerd maar nu bezorgden ze me extra punten voor opvoeding. Dankzij hen kon ik weer een tijdje voor mijn mening uitkomen. ‘Stoort voortdurend de les’ werd dat genoemd. Dat was natuurlijk ook zo want ten eerste waren de opgaven wiskunde helemaal geen vraagstukken maar glasheldere voorstellingen van de werkelijkheid ook al hadden ze nergens mee te maken. Misschien waren ze lang geleden problemen geweest waar geleerden zich vragen over hadden gesteld. Waarom ik eeuwen later moest proberen om dezelfde oplossingen te vinden als die waar zij waren achter gekomen, begreep ik niet. Het was tijdrovend en ontmoedigend om zich te meten met begaafde wiskundigen uit de Europese geschiedenis. En - 5 -
verder kon geen van mijn berekeningen in aanmerking worden genomen als oplossing. Wat ik beleefd aanbood was onredelijk eenvoudig en verschilde ook nog compleet van wat tot dan toe bekend was. ‘Ze zijn foutief,’ zei men over mijn oplossingen. ‘Waarom kunnen foutieve oplossingen niet?’ vroeg ik. ‘Is het soms omdat ik daar goed in ben?’ Een mening die alweer negatieve punten voor gedrag opleverde. Juiste oplossingen waren niets anders dan juist gedrag. Ik probeerde daar later een verklaring voor te vinden, maar de geschiedenis is zo veelzijdig dat ze niet te overzien valt. Een en ander bracht mee dat ik onafscheidelijk verbonden raakte met de domste leerlingen. Een heerlijk gevoel: ik wist niets, zij ook niet. Het werd ‘een ongepaste houding’ genoemd. De vergelijking van wie ik wilde zijn met wie ik was, leverde een beeld op van wie ik niet was. Daaruit meende men te kunnen afleiden dat ik niet dom genoeg was om tot de domste leerlingen te behoren. Dat vonden de domste leerlingen ook. Solidariteit was hen onbekend. Het waren arbeiderskinderen. Er moet staan ‘het waren nochtans arbeiderskinderen’. Maar dat staat er niet. Het waren arbeiderskinderen die zich wilden uitgeven voor slimme leerlingen. Dat was het domste wat ze konden doen. Pure ellende. En wat mij betrof: het was niet weten wat. In mijn hoofd verscheen een stralende ochtend in de lente. Alle huizen bevlagd zonder aanwijsbare reden. Waarna je iemand ontmoet die je de zon uitlegt en het geel, het rood en het zwart van de Belgische driekleur. Sereniteit daalt neer over je geest en lichaam. Je stapt een groentewinkel binnen en je staat oog in oog met bosjes naakte peterselie. Op jonge leeftijd had ik de indruk dat mij werd opgedragen om alles in mezelf samen te brengen. - 6 -
‘Hij volgt de klassieke humaniora,’ zei mijn moeder. Nauwelijks verscheen er een vraagstuk in de klas, of iedereen zette zich aan het werk. ‘Doet alsof!’ schreef de leraar in mijn schrift. Van de rode inkt spatte een slecht gespeelde zelfzekerheid af. Zijn pose was een belediging voor de wereld. ‘Is het niet goed dat ik doe alsof?’ vroeg ik. Aan het onrechtvaardige strafwerk dat hierop volgde, ging de vernietigende blik vooraf van het meisje op de eerste bank. Ik herinner me dat ze ooit eens in snikken uitbarstte omdat ze een decimaalteken op de verkeerde plaats had geschreven. ‘Het is maar een komma,’ had Van den Brande haar toegefluisterd. Hij was een beetje van haar gaan houden, denk ik. Daarop kreeg hij haar rekenschrift tegen zijn hoofd. ‘Het is een decimaalteken!’ Vanaf dat moment noemden de domste leerlingen en ikzelf haar ‘decimaalteken’ hoewel ze Paulette heette. Als ik me niet vergis is ze uiteindelijk met Van den Brande getrouwd. Voor de staat. Op het einde van ieder jaar mocht ik over naar het volgende leerjaar. Veel veranderde het niet. De hoeken van een willekeurige driehoek bleven onveranderlijk in een bepaalde verhouding tot elkaar staan. Iets wat me zo logisch leek dat het nauwelijks kon begrepen worden. ‘Je moet het niet begrijpen maar bewijzen,’ werd er gezegd. Ik vroeg me af hoe iets kon worden bewezen wanneer het niet anders kon zijn dan zoals het was. ‘We gaan hem voor talen laten gaan,’ zei mijn moeder. Onder die omstandigheden was ik normaal een goed georganiseerde maar diepongelukkige misdadiger geworden. Ik bestond uitsluitend buiten mezelf. Dat was ook wat ik vreesde voor de Marokkaanse jongens van - 7 -
Molenbeek. Geen mens die naar hen omkeek. Ze stonden er alleen voor. Ze zouden het zelf moeten doen. Tenzij ze zich tot het moslimextremisme zouden bekeren. Of ze dat ooit overwogen, weet ik niet. Er werd met hen hoogstens over gesproken in een taal die haar betekenissen uitsluitend aan de verbeelding overliet. De wrok bezing me godin, van Peleus’ zoon Achilles ... Ik mocht dan wel iets hebben geleerd. Opvoeding, moraal, goniometrie. Net als zij had ik niets geleerd. Even weinig als het slimste meisje op de eerste bank. Net zo weinig als de domste leerlingen die niet wisten wat solidariteit was. Ik had mijn lot aan dat van hen verbonden omdat het alleen maar op die manier was dat ik zou overleven. Zo verbond ik zoveel later ook mijn lot aan die Marokkaanse jongens van Molenbeek. Wat er gebeurde nadat ik van bij hen was weggegaan was dat hun gedrag werd gecriminaliseerd. Men was niet in staat om hen op een andere manier te zien dan vanuit zijn eigen wereldbeschouwing. Eenvoudig gezegd: ze konden naar de kloten lopen. En ze liepen naar de kloten. Ik niet? Ik niet, ik was opgevoed geworden. Hoezo opgevoed? Op hun leeftijd had ik oevers van de Durme en de Moervaart verkend. Ik had door de bossen van Waasmunster gezworven, door de Daknamse meersen, door de velden van Sinaai. Ik had me gevoed met wat er aan eetbaars op akkers en in boomgaarden te vinden was en ik was ontkomen aan de hinderlagen van vijandige boeren die me nog geen rauw appeltje gunden. De Marokkaanse jongens hadden geleerd hoe ze in de winkelcentra van de hoofdstad ongezien aan voedingswaren konden komen, hoe ze zich heimelijk toegang konden verschaffen tot opslagruimten, hoe je illegaal - 8 -
in het bezit kwam van kleine hoeveelheden koopwaar die je verkocht moest zien te krijgen om wat geld over te houden waarmee je verder moest. Waardering kreeg je hoogstens in middens waar kleine criminaliteit aan de orde van de dag was. Verder moesten ze zien te ontkomen aan de wetten van het Belgische volk. Zoals het Belgische volk aan zijn eigen wetten ontkwam. Net als ik bestonden ze enkel buiten zichzelf. Net als ik hadden ze op jonge leeftijd geleerd hoe je omging met afwijzing, haat en verdriet. Net als zij had ik altijd mijn ellende verborgen gehouden. Zo kon ik voor mezelf zijn wie ik was en voor de buitenwereld een vrolijke jongen. Nooit dacht ik: zou het wel goed zijn dat het is zoals het is? Nooit dacht ik: zou alles niet beter anders zijn? Dat was hoogstens een overweging die je hoorde in het gezelschap van godsdienstige mensen die het hadden over het paradijs. Ik dacht: wellicht ben ik niet gelovig. Dan kan je maar beter de wereld aanvaarden en zowel de natuur als de beschaving ondergaan, sterven of in leven blijven. Het was ook wat ik bij die jongens terugvond: overleven in de omstandigheden die je worden gegeven, omgaan met de mogelijkheden waar je van verstoken blijft, gebruik maken van de kansen die je ziet: gebedsruimten, commerciële centra, een basketbalplein. Weten waar je staat. En voor alles: zelfbehoud. Nooit heb ik gedacht: is het wel goed dat die jongens zijn wie ze zijn? Veronderstel dat ze zouden studeren, dan lag het waarschijnlijk voor de hand dat ze later als sociologen of economisten zouden functioneren. Misschien is het niet denkbeeldig dat hun stem zou worden gehoord in vakbondsmiddens, in politieke partijen, op samenkomsten in gemeentehuizen. Op die manier zou hun eigenwaarde langzaam een waardevolle plaats verwerven in - 9 -
wat wij het bindweefsel van de samenleving noemen. Nu konden ze alleen maar bewijzen hoe slim ze wel waren wanneer ze erin slaagden om anderen te bedriegen. Pure ellende. Nu bleven ze buiten zichzelf en buiten de anderen staan terwijl men vond dat ze alles wat hen werd aangeboden afwezen, ongebruikt lieten en dat ze verloren gingen voor zichzelf omdat ze aan zelfoverschatting leden en alleen maar negatief konden denken over de wereld omdat ze de plaats die ze aan zichzelf toekenden nergens vonden.
- 10 -
I LE FOYER
O
p een dag kwam er in Molenbeek een schrijver aan die zei dat hij in opdracht van een theater op zoek was naar verhalen die op straat te vinden waren. Leefde hij in de renaissance? Hoopte hij hier terecht te komen in scènes uit historische films over de Europese middeleeuwen? Dan kon hij beter naar Hollywood. Hij werd naar de Foyer gebracht, vergezeld door enkele welzijnswerkers. Dat zijn mensen die denken dat wij ervan dromen om iemand anders te worden, terwijl wij dat voor onszelf wel zullen uitmaken. Wie zij hadden gewild dat de schrijver zou zijn, weet ik niet. Vier avonden werd hij ondervraagd want het leek hen zeer onwaarschijnlijk dat hij beantwoordde aan wie hij zelf was. De vierde avond heeft hij aan de bestuursleden van de Foyer in zijn wanhoop verteld dat hij eigenlijk niet bestond. Dat was nog een veel moeilijker idee dan wat men had vermoed. In ieder geval is de toon van het gesprek toen zodanig de hoogte ingegaan dat de schrijver zijn ondervragers ter plaatse een bloedafname heeft aangeboden. Vervolgens heeft hij de kvs gebeld, want zo heette dat theater, en heeft hij zijn opdrachtgevers laten weten dat er twee mogelijkheden overbleven: of hij gaf zijn opdracht terug, of hij zou de volgende avond worden voorgesteld aan wie met hem een toneelstuk wilde maken. - 11 -
De schrijver was een rare jongen. Je kon niet zien hoe oud hij was, of hij gelovig was, of hij getrouwd was, of hij rijk of arm was en nog zo’n paar dingen die wij meestal vlug door hebben. Hij ging op een stoel zitten en twee uur lang speelden we voor hem ons toneelstuk. De personages waren wijzelf. Het stuk moest alleen nog worden opgeschreven. Door een schrijver. Veel werk kon het niet zijn. Een week later kwam hij terug. Hij was stipt op tijd, begroette ons en ging opnieuw op een stoel zitten, waarna wij opnieuw het toneelstuk speelden. Hij zei dat hij iedere donderdagavond zou langskomen. Drie maand lang. ‘Daarna ga ik weg,’ zei hij. ‘Nooit kom ik nog terug. Ik wil daar heel duidelijk over zijn. Daarom zeg ik het u nu al zodat u me over drie maand niet zal vragen om te blijven, want natuurlijk zult u me dat vragen en natuurlijk zal ik heel erg willen blijven. Dat weet ik nu al. Het zal zeer moeilijk zijn, maar ik zal voor altijd weggaan.’ Het was duidelijk dat de zaken er minder eenduidig voorstonden dan dat zijn overeenkomst met de kvs liet uitschijnen. Maar we deden alsof we niets merkten. We zouden wel zien wat er gebeurde. ‘Schrijf jij maar alles op,’ zeiden we, ‘want schrijven ligt ons niet. We gaan niet aan een tafel zitten met een blad papier voor onze neus. Daar is in de wereld nog nooit iets van terechtgekomen dat zin heeft: verdragen, overeenkomsten, contracten, afspraken ... dingen die je niet moet opschrijven maar nakomen en uitvoeren. Dat is ook wat je met de wereld moet doen. Je moet de wereld niet opschrijven maar opbouwen. Dat is ook wat je met je leven doet: je schrijft het niet op, je probeert er alleen wat van terecht te brengen voor je doodgaat.’ Wat de schrijver deed was op een stoel zitten en zonder een woord te zeggen toekijken hoe wij over onszelf dachten. Volgens hem was het geen toneelstuk dat we - 12 -
speelden maar een gevecht waarin we uiting gaven aan onze woede, onze vriendschap, ons wederzijds vertrouwen en alle tegengestelde gevoelens die ons uit elkaar dreven en weer bijeenbrachten. Soms vochten we meer dan twee uur aan één stuk en leek de afloop bijzonder onzeker. Maar uiteindelijk eindigde de voorstelling altijd in een feest waarbij iedereen zong en danste. Is een toneelstuk iets anders? Onze vriendschap heeft oneindig veel kanten maar nooit houdt ze op. Wat er ook gebeurt, ze blijft fonkelen als een diamant. De schrijver zag dat anders. ‘Hou eens op met vechten,’ vroeg hij drie weken later. Het was duidelijk dat hij de bewegingen van onze lichamen niet kon lezen. Hij kon alleen boeken lezen. Natuurlijk waren wij in gevechten verwikkeld. Maar we waren er ook zeker van dat het tegelijk niet zo was. Ben je niet op elk ogenblik van je leven verwikkeld in iets dat nog het meest van al op een gevecht lijkt? Met de anderen, met jezelf, met de wereld? De schrijver deed niets anders dan op zijn stoel blijven zitten, al gebeurde het dat hij tegen zichzelf sprak. In het begin hadden we verwacht dat hij zou zeggen wat ons te doen stond. Is dat niet wat een regisseur moet doen? Zoiets als de directeur van een fabriek. Maar stilaan namen we vrede met zijn zwijgzaamheid. Misschien wist hij helemaal niet waar theater aan moest beantwoorden en kwam hij hier alleen wat geld rapen. Dat was zoals Kassem over hem dacht. Anderzijds had de kvs verschillende toneelauteurs naar Molenbeek gestuurd. Geen van allen had het langer dan een paar uur uitgehouden. Wellicht omdat ze maar al te goed wisten waar theater aan moest beantwoorden. Kassem vermoedde dat de schrijver alles achter onze rug had geregeld. Contracten en geld en zo. Dus zei hij op - 13 -
een keer: ‘Laten we goed afspreken. Met theater is er veel geld te verdienen. Kijk maar naar die theatergebouwen in Brussel. Mij maak je niks wijs.’ ‘Okay,’ zei Yassir. ‘Laten we dan met die schrijver gaan praten over waar het financieel op staat.’ Dus dat deden we. ‘Jij de helft, wij de helft,’ zei Kassem. ‘We zijn met zeven,’ zei de schrijver. ‘Dus voor ieder van ons een zevende.’ ‘Is dat meer of minder?’ vroeg Rahim. ‘Hou je kop,’ zei Kassem. Zelf had ik het gevoel dat geld iets was dat die schrijver niet echt interesseerde. Daar moet je wel heel rijk voor zijn, dacht ik. Maar als dat zo was, waarom was hij dan naar hier gekomen? Toch niet om al die tijd onze enige toeschouwer te zijn? Misschien probeerde hij er hier gewoon achter te komen wat theater is en hoe hij een stuk zou kunnen schrijven waar we heel rijk konden mee worden. Soms riep iemand: ‘Waarom doen we dat?’ Dan bestormden we een muur, duwden ons op vijf meter hoogte af en landden precies naast zijn stoel. Je kon hem nooit laten schrikken. Hij keek alleen even op. Soms zelfs niet eens. Uiteindelijk vonden we hem toch wel ‘cool’, denk ik. Nu zouden we zeggen ‘super’, al is dat niet hetzelfde. ‘Super’ betekent meer dan ‘cool’. Maar toen zeiden we ‘cool’. Nadat hij enige tijd bij ons had doorgebracht vroeg hij of we het goed vonden dat hij notities zou maken terwijl wij het toneelstuk speelden dat volgens hem geen toneelstuk was maar een reeks slecht nagebootste scènes uit Amerikaanse misdaadseries met in de hoofdrol eerlijke gangsters, maffe drugdealers en goed georganiseerde criminelen. Misschien was dat ook wel zo. Het leken ons de enigen die een vuist durfden te maken tegen een kapitalistische samenleving waarin jonge mensen zoals wij - 14 -
geen kans kregen om te zijn wie ze waren en bij te dragen aan het land waar ze woonden. België bedoel ik. In ieder geval wil je minstens toch dat gevoel kunnen hebben. Hoe moet je anders verder leven als je niet houdt van wie samen met jou op de wereld is en in het land woont waar jij ook woont? Met wie je is voorafgegaan, kan het niet. En met wie er nog niet is, kan het nog veel minder. ‘Godsdienst kan toch niet het enige zijn wat je overhoudt om nog in jezelf te geloven,’ zei de schrijver op een keer. We liepen samen in het donker langs het kanaal. Hij ging achteraf altijd nog wat schrijven in het café van het Lunatheater. ‘Voor de meesten onder ons is het wel zo,’ zei ik. ‘Niet dat ze van godsdienst iets begrijpen, maar van zichzelf begrijpen ze nog veel minder.’ Laat ik me misschien toch maar even voorstellen. Ik heet Ahmed. Bonjour, je m’appelle Ahmed. Om te beginnen zal ik iets over mezelf vertellen in dit boek. Ik ben de wereld. Mijn zus, mijn moeder en mijn vader zijn de wereld. Wat ik denk is de wereld en mijn vrienden zijn ook de wereld. Nu regent het, maar dat is iets anders. Zijn meisjes ook de wereld? Dat weet ik niet. Ook, denk ik. Maar de schrijver van dit boek? Dat denk ik niet. Hij is zoals de regen. Hij is er, maar zijn aanwezigheid is iets anders. Soms is hij in dit boek heel lang aan het woord over zichzelf, u zal dat wel zien. Dan wordt alles minder eenvoudig. Zelf zegt hij ‘minder eenduidig’. Je zou willen dat hij gewoon een rapport of een verslag had geschreven over drie maand Molenbeek. Of een roman die hij zo’n beetje gefantaseerd heeft, zoals ik dat zou doen als ik een schrijver was. Met weinig dure woorden. Maar romantisch en spannend. Iets over mannen, vrouwen, auto’s en achtervolgingen. Zoals op televisie. - 15 -
Ooit zag ik hem over een stapeltje aantekeningen gebogen zitten in het leegstaand magazijn op de eerste verdieping van de Foyer in Molenbeek waar we aan een toneelstuk werkten. Het heette La vie commence à Molenbeek. Het werd opgevoerd in De Bottelarij en verder in dit boek kunt u enkele teksten lezen die we hebben gespeeld. In het Frans, u zal dat wel zien. Iedereen was al naar huis toen hij nog altijd in de Foyer zat te schrijven, weggedoken in een lange zwarte mantel, met een rode sjaal om zijn nek en een witte muts op zijn kop want het was winter en koud. Je kon zien dat hij iemand was die alles nodeloos ingewikkeld maakte voor zichzelf. Maar soms was hij ook heel vrolijk. Dan dacht je een ogenblik helemaal anders over hem. Gisteren bleef Karima bij m’n tafeltje staan in de McDonalds waar ze opruimt en de vloer dweilt. ‘Moet je niet werken?’ vroeg ik. ‘Ik wil bij jou zijn,’ zei ze. Je maakt tegenwoordig wat mee. Ik was er ondersteboven van. Sorry, maar ik moet er echt vandoor. Ahmed heeft zich voorgesteld. Laat ik dat dan ook maar doen. Ik ben Pol Hoste. Bonjour, je m’appelle Paul. Ik was bestemd voor het theater. Niet voor de werkelijkheid. Toen ik de leeftijd van Ahmed had was ik een vrolijke jongen die net als hij nadacht over de wereld. Iedere dag was een theatervoorstelling. Het morgenrood schoof open en bracht de zon aan het licht. Omdat ik niet bestemd was voor de werkelijkheid lukte het me niet om tot de toneelwereld te gaan behoren. Het theater stond te dicht bij de realiteit en te ver af van de symbolische betekenissen die zich ontvouwen wanneer het doek opgaat en het zaallicht wordt gedoofd. Wat er - 16 -
werd vertoond, was vooral hoe belangrijk acteurs zichzelf vonden. Dat is heel moeilijk. In 1947 werd in Amerika het Living Theatre opgericht. Daar had ik een plaats kunnen vinden, was het niet dat ik pas in datzelfde jaar werd geboren. Men moet niet alles willen. Mijn lieve grootmoeder en ik aten zonder moeite een kilo kersen op, waarna ze me om nog een kilo kersen stuurde. Toen we ook die op hadden en ik haar voorstelde om nog een kilo te gaan kopen, zei ze: ‘Ge moet u eens content kunnen stellen.’ Ik mocht dan niet bestemd zijn voor de werkelijkheid of het leven, ik heb mij altijd content kunnen stellen. Omdat ik niet gewenst was, werd ik verzocht om naast mezelf te gaan staan. Op mijn plaats. En een lied te zingen. Dan zong ik. Het moet iets diep in mij geweest zijn. ‘Nog één,’ riep men. ‘Nog één.’ Niets kon mijn geluk overtreffen. Dat was ook wat mijn lieve grootmoeder vond wanneer ze me diepongelukkig zag. ‘Jij bent de gelukkigste jongen die er is.’ Toen ik acht jaar was kende ik twintig liederen uit het hoofd. Heel veel is dat niet. Zeker niet voor een zanger die in iedere café waar zijn grootouders hem op limonade trakteerden, door de aanwezigen werd verzocht om zijn repertoire ten gehore te brengen. Daartoe hees men hem op een bank met achter zich een spiegel zodat iedereen zijn blonde, meisjesachtige krullen kon bewonderen. Men verzocht om stilte en zijn stem nam moeiteloos in één beweging — met flikflak om de lengteas — elke hindernis. Men bedwong zijn tranen, klapte in de handen en viel elkaar in de armen. Nauwelijks voorstelbaar leek het dat zo’n zanger echt bestond. Ik bestond ook niet. Ik was alleen luchttrilling. ‘Het is een lot,’ zeiden de boeren voor wie ik Schubert - 17 -
zong. ‘Zoveel talent. Die jongen zal het nergens brengen.’ Niet dat ze het betreurden. Erger was het dat ik niet bij hen zou blijven, de oogst helpen binnenhalen, de moestuin wieden, kippen pluimen en alcohol stoken. Ik probeerde te begrijpen wat een lot betekende. ‘Het is lijden en verdriet,’ zeiden de boeren. ‘Het is het leven.’ Voor mij was er alleen vreugde. En in het vroege ochtendblauw, de nevel over de velden. Soms trad ik ook op in een toneelstuk. Molière, Shakespeare, Schiller. Om verschillende redenen is theater heel erg eenvoudig. Alles is er al. Je hoeft alleen maar te beginnen. In het Frans, het Engels of het Duits. Dat valt helemaal nergens mee te vergelijken. Vroeg of laat zou ik in het theater terechtkomen, daar twijfelde niemand aan. Maar of dat ook zou gebeuren, daar twijfelde iedereen aan. De toekomst zag er goed uit. Rooskleurig, zoals men zegt. Blauw voor een meisje, roze voor een jongen. Zoals ik niet bestond voor mijn ouders, zo bestonden mijn ouders niet voor mij. Niet dat ze me onbekend waren. Ik zag hoe ze iedere ochtend uit hun slaapkamer tevoorschijn kwamen, ontbeten en zich klaar maakten om aan hun dagtaak te beginnen. Wat het met hen te maken had, was me niet duidelijk. Ik vermoedde dat ze in de rol die ze speelden succesvol waren. Tijdens de dag waren ze afwezig. ’s Nachts ook. Ik ontmoette hen op samenkomsten van de Communistische Partij van België en op betogingen voor de Vrede in het gezelschap van mannen met spandoeken en dronken feestvierders. Dan kon ik zien hoe ze hun rol acteerden. Ik behoorde tot hun publiek. Aan hoogoplopende ruzies ontbrak het thuis niet. Ze werden scènes genoemd. Dan verborg mijn moeder me onder haar rok opdat ik niet zou zien hoe mijn vader haar - 18 -
sloeg. In het halfduister zag ik alleen haar jarretels en haar glinsterende broekje. Het theater was al heel vroeg in mijn leven aanwezig. Familiedrama’s legden een zekere orde aan in de onderlinge relaties tussen de personages. Omdat ik vooral omging met planten en dieren die op het platteland waar we woonden in de meest uiteenlopende variëteiten voorkwamen, zag ik de overgang van natuur naar beschaving als een evolutie die alleen had kunnen gebeuren door afstand te nemen van het leven. Daarbij had het theater de rol van het leven overgenomen en konden liefde, hartstocht en passie alleen maar uitlopen op slaande ruzies, gevechten, overwinningen en nederlagen. Zoveel jaar later bracht de winter een hyacint op een glas water. Verborgen achter een lederen fauteuil, ontluikend onder Le drapeau rouge die tot een punthoed was gevouwen, toonde de bloembol wat het leven vermag: inductief empirisch onderzoek. Het werkschrift vermeldde: ‘Op een donkere plaats in de huiskamer.’ Iets met overdreven woekerende cactussen op de vensterbank en een tropische rubberplant onder het doffe schijnsel van een schemerlamp. Het waren de eerste tekenen van welstand bij een naoorlogse middenklasse van bedienden en corrupte lagere ambtenaren. De Tweede Wereldoorlog was voorbij. Na generaal Pétain was generaal De Gaulle gekomen. De Philips radio bleef onveranderlijk op Rijsel afgestemd en er was Dostojewski en wit brood. ‘Hij eet niet,’ zei mijn moeder. Ik at peren, appels, wortels, noten, rapen. Aarde ook, zand en kalksteen. Maar wit brood? Het zullen wel mensen zijn geweest bij wie ik woonde. Tenminste, zo denk ik er nu over. Er is - 19 -
goedheid voor nodig om er zo over te denken. Maar ze gaven me honing voor mijn longen. De hyacint moest in kolommen worden geschreven. Om hem te beschermen bracht ik de meetresultaten onder in mezelf. Daar konden ze worden bewaard tot ik samen met de loofwouden en het werkschrift steenkool zou zijn geworden en kon worden opgedolven en verbrand omwille van mijn weldadige warmte. ‘Hoe gaat het op school?’ vroeg de alcoholische meubelmaker die bij enkele loszittende plinten was geroepen en in de woonkamer rondkroop als een drachtige teef. ‘Ze laten me opzoeken wat ik al weet,’ zei ik. ‘Bijvoorbeeld dat hyacinten bloeien. Alsof je alles pas begrijpt wanneer ze je het hebben geleerd. Hebt u moeten leren dat u geen meubels kunt vervaardigen uit bloembollen voor u dat begreep?’ ‘Waar zijn je ouders?’ ‘Ze vragen zich alles af,’ zei ik. ‘Alleen vragen ze zich niet af waar ze zijn. Maar dat doet u blijkbaar wel. Is dat omdat u een timmerman bent? Zoals Jozef van Christus en Geppetto van Pinokkio?’ ‘Ik ben meubelmaker, geen timmerman.’ ‘Mijn ouders zijn doodongelukkige kantoorbedienden,’ zei ik. ‘Ze houden alles bij, maar waar ze zijn, weten ze niet. Ik ook niet.’ ‘Duurt je antwoord altijd zo lang?’ vroeg hij. ‘Ja’ zei ik. ‘Omdat het steeds betrekking heeft op het onderwerp waar de vraag over gaat. Maar dat interesseert u natuurlijk niet. U bent alleen op zoek naar de weinige antwoorden die in uw hoofd aanwezig zijn en die u ook nog door mij uitgesproken wil horen. Hebt u zich al eens afgevraagd hoe het komt dat de wereld eruitziet zoals hij eruitziet?’ ‘Gelukkig begrijp jij dat,’ zei de meubelmaker. - 20 -