Skip to main content

9789401468060

Page 1

Je mag mij altijd bellen


Voor Karel


KARIN KUIPER

Je mag mij altijd bellen

1001 dagen van

rouw


INHOUD Het begin | Verpletterd 1 juli 2005 | Afscheid

9 11

THE ROLLING STONES | Paint it black

13

Je mag mij altijd bellen 15 Wie mij wil helpen 19 Hysterie 21 MEATLOAF | If this is the last kiss

23

Slapen 25 Geld 27 De zesde dag 29 Eén week 31 Sterke vrouw 33 Jarig 35 Hoe gaat het? 37 Vakantie 41 Dood 43 Kleine dingen 47 Verjaardagen 51 Zitten 53 Internet 55 Weduwe 57 Weekeinde 59 Opvoeden 61


Onbereikbaar 63 Nieuw leven 65 Als je weduwe bent… 67 Gebroken-hartaanval 69 Eeuwig dankbaar 71 Voorgoed voltooid verleden tijd 73 TED KOEHLER | HAROLD ARLEN | Stormy Weather

75

Liefdesverdriet 77 Daar gaan we weer… 79 Posttraumatische stress 83 Plan 85 Rouwkleding 87 Autorijden 89 Tevreden 91 Schoonfamilie 93 Hardlopen 95 Papa, waar ben je? 97 Tussen krater en top 99 Zen 101 Logeren 103 O BROTHER WHERE ART THOU? | Down in the river to pray

105

Geloof 107 Huidhonger 109


Garage 111 Oud en alleen 113 Geesten 115 Therapie 119 Vaderdag 121 Een man 123 Pizza, patat en pannenkoeken 125 Kaartlezen 129 OTIS REDDING | I've been loving you too long

131

Schoenen 133 Rouwen 135 Hartenklop 137 PAUL SIMON | Further to fly

139

Warme armen 141 OCD 143 Vrolijkeweduwelunch 145 Ratten 147 Agaat en Tom 151 Ziek 153 Dat ben ik 155 BOY GEORGE | The crying game

157

Depressief 159 Schuldgevoel 161 Wat je niet moet zeggen 163


Het absolute nulpunt 165 Alcohol 167 Zonder jou 169 Vriend 171 Tot gauw! 173 Kanjers 175 Nieuwe vrienden, oude vrienden 177 Stress 179 Weduwebiecht 181 THE BEATLES | Here comes the sun

185

Bonusvader 187 Oma en opa 189 Duizend dagen 191 Tips voor de omgeving 193 Tips voor verweduwden 197 Mijn favoriete websites, groepen en online pagina’s 200 Mijn favoriete boeken voor kinderen 202 Mijn favoriete boeken voor volwassenen 204 Dankwoord 206


HET BEGIN | VERPLETTERD

Soms gebeuren er dingen in een mensenleven die zo ingrijpend zijn dat je het gevoel hebt dat je erdoor wordt verpletterd. Zoiets is mij de afgelopen weken overkomen. Het begon op een stralend zonnige zaterdagmiddag, op een besneeuwde heuvel even buiten Ann Arbor, Michigan. Ik was aan het sleetjerijden met Bobbie en Noa. Ik had de meisjes naar boven getrokken, was op de slee gaan zitten, had Bobbie op de ene knie genomen, Noa op de andere, had mijn handen in de sneeuw geplant en de slee in beweging gebracht. We hobbelden, suisden, joelden de heuvel af. Beneden aan de heuvel was er iets in mijn lichaam veranderd, was er iets voorgoed in mijn leven veranderd – al wist ik dat toen natuurlijk nog niet. Het eerste wat ik merkte was dat mijn linkerbeen het niet meer deed. Het volgende dat mijn hart op hol sloeg. Ik vroeg de meisjes om van mijn schoot af te gaan. Ik zwaaide naar Karin boven aan de heuvel. Kom! Kom! Ik weet nog dat Karin bij me kwam, dat ze de kinderen meenam naar de auto, en dat mijn been het nog steeds niet deed en dat mijn hart tekeerging, zo verschrikkelijk tekeerging! Toen Karin weer mijn kant op kwam, lag ik voorover in de sneeuw. Het was weliswaar een zonnige dag, maar ook tien graden onder nul. Op dat moment wist Karin dat er iets helemaal mis was – op dat moment wist ik zelf helemaal niets meer. Toen ik een uur later langzaam bij mijn positieven kwam, lag ik op een brancard in de ER van het Saint Joseph Mercy Hospital. De kinderen speelden op de vloer onder de hartmonitor en het infuus. Er verscheen een arts aan mijn bed.

| 9


‘Sir,’ zei de arts, ‘we hebben een scan gemaakt van uw hoofd, sir. En op die scan zien we een verdichting in uw hersenen, sir, een verdichting die wijst op een hersentumor, sir.’ Dat herinner ik me nog goed, dat hij elke keer ‘sir’ zei. En dat hij me heel indringend aankeek, alsof hij zich ervan wilde vergewissen dat tot me doordrong wat hij zei. En dat was natuurlijk ook zo. Vier weken zijn er sindsdien verstreken. Het lijken vier jaren en tegelijkertijd vier dagen. Ik ben verder onderzocht. Er is een diagnose gesteld. Ik ben naar Nederland teruggekeerd. Ben opnieuw in het ziekenhuis beland. En nogmaals. Over twee weken word ik voor het eerst bestraald. Ik ben een kankerpatiënt. Ik heb een tumor in mijn hoofd. Als ik het niet regelmatig tegen mezelf zeg, geloof ik het niet.

—  Karel Glastra van Loon in Ongeneeslijk optimistisch

10 |


1 JULI 2005 | AFSCHEID

En plotseling was de tijd voor het afscheid aangebroken. Tussen onze kennismaking met Karels ziekte en het einde ervan, op 1 juli 2005, lag bijna anderhalf jaar. Zeventien maanden, een paar weken en een paar dagen en uren. Duidelijke tijdseenheden die keurig in agenda’s passen. Maar wat wetenschappers al lang weten, hebben wij in die periode ervaren: tijd valt niet te meten in eenheden van minuten en uren, dagen en maanden, jaren en mensenlevens. Ik beleefde de langste avond van mijn leven en de kortste. (…) De laatste weken waren niet de makkelijkste. Karel trok zijn eigen plan en koos een ongebruikelijke weg. Euthanasie mag dan omstreden zijn, maar ‘terminale sedatie’ – met bijvoorbeeld morfine en valium de patiënt laten ‘inslapen’ – is meer norm dan keus. En Karels keuze om daar niet aan mee te doen moesten we goed verdedigen. Bij dat natuurlijke einde hoorde natuurlijk ook pijn en lijden. Sommigen vinden dat onverdraaglijk om te aanschouwen en er aan mee te doen – zij zien het ‘nut’ van lijden niet en lijden er zelf onder. Karels ‘lijden’, zijn bewuste en dagenlange gang naar het einde, zag hij zelf niet als nutteloos. Leven is zijn, en lijden hoort daarbij. Zoals de gang door het geboortekanaal vermoedelijk niet pijnloos is, zo is ook de gang door het stervenskanaal niet pijnloos. Maar beide zijn even zinvol en geven een prachtig resultaat. Het werd

| 11


heel duidelijk waarom sterven soms wordt vergeleken met opnieuw geboren worden. (…) Onze relatie duurde op de kop af dertien en een half jaar. Maar onze liefde duurt eindeloos. In Antwerpen begon het tijdens een redactieweekend van Nieuwe Revu, en daar schreef ik op een servetje ‘Jij bent mijn betere ik’. Ik wist zelf niet precies wat ik bedoelde en waar het vandaan kwam. Maar de tijd heeft mijn gelijk bewezen. Samen maakten we elkaar compleet. In de afgelopen anderhalf jaar raakten we meer met elkaar verbonden dan ooit tevoren. We zijn verstrengeld. En het bleek dat een goede relatie een prijs heeft: niet alleen Karel had een tumor, ook ik had een tumor – in zíjn hoofd. Met hem verlies ik de helft van mijzelf. Maar in onze kinderen kreeg ik drie keer vijftig procent Karel. Gevieren gaan wij het redden.

— uit Ongeneeslijk Optimistisch

12 |


THE ROLLING STONES | PAINT IT BLACK

Ik hield altijd al van de muziek van The Rolling Stones, en Karel ook. Het was niet de nieuwste bevlieging op muzikaal gebied, de Stones hoorden er gewoon bij, als een soort standaard in de lp- en cd-collectie. Een van mijn dierbaarste bezittingen is een cassettetape waarop ik gezinsgeluiden opnam. Bobbie en Noa met hun kleine meisjesstemmen, ikzelf een onzinnig liedje zingend, en Karel die heen en weer loopt en ondertussen uit volle borst Angie van de Stones zingt. Zo was hij, op gewone doordeweekse dagen in ons gezin. Een man die ontspannen liep te zingen terwijl hij even snel een boterham smeerde voor hij weer aan het werk ging. Angie en Karel horen voor mij voor altijd bij elkaar. Zoals ikzelf en Paint it black sinds Karels dood voor altijd bij elkaar horen. Want wat Mick daar zingt, is voor mij een absolute weergave van mijn werkelijkheid. Dat het werd geschreven en gezongen ver voordat ik weduwe werd, doet daar niets aan af. Paint it black is de kortste beschrijving van rouw die ik ken. Ik zou bijna zeggen, dat daarmee alles is gezegd… I see a red door and I want it painted black no colours anymore, I want them to turn black I see the girls walk by dressed in their summer clothes I have to turn my head until my darkness goes I see a line of cars and they’re all painted black with flowers and my love, both never to come back (…)

| 13


JE MAG MIJ ALTIJD BELLEN

Wij weduwen en weduwnaars zijn een lastig volkje, ik kan niet anders zeggen. Maar ja, we zijn er wel – tegen wil en dank. Wij begrijpen natuurlijk ook wel dat onze ervaringen voor velen niet na te voelen zijn, en wij merken zelf ook dat we nogal ‘veranderen’ na de dood van onze geliefde, maar die veranderingen zijn nauwelijks tegen te houden. Want wat je ook doet, je kunt je niet echt voorbereiden op je nieuwe leven, en het is onvoorstelbaar wat de dood van een partner met een mens kan doen. Nooit, in mijn ergste dagmerries niet, had ik kunnen bedenken dat het weduweschap zó afschuwelijk zou zijn. Stiekem had ik altijd de gedachte dat ik – zoals bij een verbroken relatie – na een paar maanden alweer voorwaarts zou gaan. Ik maakte, een beetje gegeneerd omdat hij immers nog niet dood was, plannen om de praktische problemen na zijn overlijden op te lossen. Oppas, werk, testament, studies en kinderverdriet, daar dacht ik over na. Ik hield me bezig met zijn afscheid, wat hij nodig had om ons te kunnen achterlaten. Maar hoe het met mijn eigen gevoel gesteld was en zou zijn, wat mij te wachten stond, daar hield ik me nog niet mee bezig. Tijd genoeg om dat te ondervinden als hij dood was, redeneerde ik. Dus had ik geen idee dat het verlies als zoutzuur zou doorvreten, dat de pijn elke dag intenser zou worden, dat de wanhoop ongekend was, en dat de weg naar voren in eerste instantie naar achteren voerde. | 15


Maar toen ik het eenmaal wist, moest ook iedereen het weten. Want de eenzaamheid van het gevoel dat je de enige bent die dit doormaakt, is onverdraaglijk. En nu ik weet hoe gruwelijk de dood ingrijpt, kan ik het opeens niet meer verdragen als een gescheiden man of vrouw zegt dat ze weleens denken dat ‘X beter dood had kunnen zijn’, omdat ze dan ook al dat ‘gedoe’ niet zouden hebben. Gék word ik ervan als mensen niet begrijpen dat het ook nogal ‘gedoe’ is als de vader van je kinderen dood is, dat het een ‘gedoe’ is om weer op poten te komen als de liefde niet dood is maar je geliefde wel… En zo ben ik dus een lastig mens geworden, net zoals veel andere verweduwden. Want hoewel we in het begin alleen nog maar ‘grote emoties’ voelen en ‘onbelangrijke’ dingen er aan de ene kant nauwelijks meer toe doen, kunnen we ons aan de andere kant buitengewoon ergeren aan onschuldige, goedbedoelde opmerkingen en adviezen van onze medemens. Er zijn een heleboel lege opmerkingen waarmee wij moeiteloos op de kast te krijgen zijn. X zou het zo gewild hebben, bijvoorbeeld. Of Ik zou willen dat ik wat voor je kon doen. En ook Als ik wat voor je doen kan, moet je het zeggen. Want we weten immers niet wat X gewild zou hebben, tenzij hij of zij het duidelijk gezegd heeft. En als je iets wilt doen, dan kan dat… Hoe gaat het met je? en Ik wil je zo graag helpen, maar je moet het zelf doen, staan ook ergens boven in de top tien van ergernissen. Het mag dan zo zijn dat je het zelf moet doen, maar zonder hulp redt niemand het, en wijs ons er alsjeblieft niet op dat we er alleen voor staan. 16 |


Maar de absolute topper op de ergernislijst lijkt lokaal en internationaal Je mag me altijd bellen te zijn. Want dat zinnetje, hoe goedbedoeld en welgemeend ook, laat ons met lege handen achter. Als je om drie uur ’s nachts met dikke ogen van het huilen slapeloos en eenzaam in je veel te grote tweepersoonsbed ligt, ga je niet je beste vriendin wakker bellen – dat doe je alleen als er iemand doodgaat. Omdat je vrienden moeten slapen, en de volgende dag ook weer moeten werken, of voor hun kinderen zorgen en boodschappen doen… Maar ook om elf uur ’s ochtends en drie uur ’s middags schroom je – want je vriendin zit op haar werk, en je moeder lijdt te veel onder je verdriet en je beste vriend heeft net zijn zorgdag en loopt met een peuter en een kleuter te zeulen terwijl hij de hoorn tussen schouder en kaak probeert te klemmen. En dan om zeven uur ’s avonds, als je eindelijk voldoende moed hebt verzameld, hoor je de man van je vriendin ongeduldig op de achtergrond vragen wie ze aan de lijn heeft en of ze zo nog even komt helpen met de kinderen, en breek je het gesprek snel af. Om halftien neemt de vriendin die zegt altijd thuis te zijn maar die net een nieuwe vriend heeft toch ook niet op en besluit je dat het welletjes is. ‘Ze zoeken het allemaal maar uit’, foeter je mismoedig in het niets. ‘Zij moeten bellen!’

| 17


WIE MIJ WIL HELPEN

Eigenlijk is het zo eenvoudig. Wie mij wil helpen komt op een druilerige dag lekker een kop koffie drinken en gaat aan het begin van een lang weekend niet direct uit z’n werk naar huis, maar haalt eerst bij mij een glaasje wijn. Daarna duiken we samen de keuken in en maken we een echte maaltijd, die we met de kinderen opeten aan de gedekte tafel in de woonkamer. Wie mij wil helpen, blijft na het eten om de kinderen een verhaal voor te lezen terwijl ik de keuken opruim en de afwas in de machine zet, of zet de borden in de machine terwijl ik de kinderen naar bed toe breng. En dan drinken we daarna nog samen een kop koffie en voeren we een grotemensengesprek. Wie mij wil helpen vertelt ook over de sores en het geluk in zijn eigen leven, omdat het ‘gewone’ leven mijn beloofde land is, het doel waar ik opaf moet. Wie mij wil helpen stuurt mijn kinderen een brief met een mooi verhaal over hun vader en hun moeder, of gewoon een kaartje om te laten weten dat ze hen niet vergeten zijn – ook niet nu tante Eef en ome Sjaak nooit meer langskomen omdat hun vriend, de vader van mijn kinderen, dood is. Wie mij wil helpen gaat af en toe met ons naar het zwembad, zodat we samen kunnen zwemmen, die gaat met ons kamperen zodat we samen kunnen zingen, die gaat met ons naar de Efteling zodat we samen kunnen gillen, en die gaat mee naar de jaarlijkse uitvoering op school zodat we samen kunnen huilen om dat wat die afwezige papa allemaal moet missen.

| 19


Wie mij wil helpen, neemt mijn kinderen mee om verjaardagscadeautjes voor mij te kopen, geeft me twee keer per jaar een paar dagen ‘kindervrij’ zodat ik onbezorgd en onbelemmerd kan huilen, tieren en schreeuwen van verdriet. Die neemt de kinderen een middag zodat ik hysterisch kan huilen bij het opruimen van zijn kledingkast en het lezen van zijn liefdesbrieven. Wie mij wil helpen schuwt er niet voor samen met ons Sinterklaas en andere familiefeesten te vieren en helpt mij de kamer te versieren voor de kinderverjaardagen. Wie mij wil helpen wordt tijdelijk mijn geheugensteun en herinnert mij eraan dat het morgen verkleeddag is op school, dat de vuilnis aan de straat moet en dat de schoolreis nog niet betaald is. Wie mij wil helpen denkt aan de verjaardag van wijlen mijn man, omdat hij nog steeds mijn ex niet is, en stuurt een kaartje voor onze trouwdag, die nu bitterzoet is. Wie mij wil helpen geeft me een tegoedbon voor een massage of allerhande klussen in huis. Die bezorgt me een oppas voor een avondje uit, neemt de kinderen te logeren en gaat eens samen met hen het bos in. Wie mij wil helpen slaat woordeloos een arm om me heen als ik moet huilen om Memories, die juicht met mij mee als Oranje scoort tegen die Mannschaft, die zwijgt met mij als er wordt geschoten in Birma. Wie mij wil helpen hoeft niet zo veel bijzonders te doen. Wie mij wil helpen, moet er vooral zijn…

20 |


HYSTERIE

Huilend viel ik over hem heen. Vol overtuiging voerde ik de altijd zo ongeloofwaardige nieuwbakken weduwescène uit een slechte B-film op. Het had me altijd een belachelijk scenario geleken – alsof je op zo’n moment gelijk zou beseffen hoe groot het verlies is, hoe immens het drama. Maar ik kon er niets aan doen – ik werd door emotie overspoeld en gestuurd. ‘O, Karel, wat moet ik nou toch zonder jou?’ jammerde ik, me vaag bewust van mijn hysterie. Mijn liefste was net overleden, maar de grootte van het gat dat zijn dood sloeg, was direct duidelijk. Het verdriet was verpletterend, het gemis kolossaal. Hoe moest ik dit aanpakken? Wie kon mij helpen? Ik had maanden tijd gehad om me op dit moment voor te bereiden, maar toch had ik nauwelijks voorsprong op een vrouw die onverwacht te horen had gekregen dat haar man een fatale hartstilstand had gehad en nooit meer thuis zou komen. Want de dood is onvoorstelbaar, het definitieve vertrek van je lief ongrijpbaar. Mijn hoop was lange tijd en tot het laatst bijna onuitroeibaar. En wat ik wist, kon ik maar niet begrijpen. Dat uitgerekend ik het zonder mijn man moest gaan doen – terwijl wij een eenheid waren – vergroeid en verstrengeld, onmogelijk uiteen te halen. | 21


En zo stond ik dan onbeholpen en nauwelijks voorbereid aan het begin van een nieuw hoofdstuk in mijn leven – een hoofdstuk dat ik zonder pardon uit mijn boek zou willen scheuren. Alles was gericht geweest op zijn dood, de climax. Ik had er nooit aan gedacht dat daarna altijd nog een anticlimax volgde, en had ook niets uitgedacht voor dit deel van mijn leven. En daarom dicteerde het uiteindelijk zichzelf…

22 |


MEATLOAF | IF THIS IS THE LAST KISS

Omdat ik niet beter kan beschrijven wat ik wilde toen ik de laatste keer naast Karel sliep… I know you’re going I know this is goodbye And I can’t make you stay no matter how I try But oh if you’re leaving please grant this one request and leave my heart with some happiness If this is the last kiss let’s make it last all night If this is the last time I’m ever, ever gonna hold you let me hold you tight till the morning light

| 23


www.lannoo.com Zeventiende druk Omslagontwerp: Wil Immink Ontwerp binnenwerk: Keppie & Keppie Omslagfoto: Getty Images/Don Farrall Fragmenten uit Ongeneeslijk optimistisch: Karel Glastra van Loon, Ongeneeslijk optimistisch, Nieuw Amsterdam, 2005. © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2020 en Karin Kuiper D/2020/45/332 – ISBN 978 94 014 6806 0 – NUR 749 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, cd-rom, internet of anderszins zonder voorafgaande uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de uitgever.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401468060 by Uitgeverij Lannoo - Issuu